DE KORALMPARTISANEN

Begin augustus 1944 werd in Slovenië de Kampfgruppe Steiermark opgericht, die vooral bestond uit voormalige strijders van de Internationale Brigades in de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Omdat deze groep vooral actief was in het gebied van de Saualpe en Koralpe (ook respectievelijk Saualm en Koralm genoemd), het gebied in de driehoek Graz-Klagenfurt-Sloveense grens, werden ze ook de Koralmpartisanen genoemd. De partizanengroep stond in West-Steiermark in heftige gevecht mat fanatieke nationaalsocialisten. Er vonden hier in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog vele gruwelijke incidenten plaats. Veel van die bloedige veldslagen, vol met vervolging en dood zijn tot op de dag van vandaag in mysterie gehuld. Nog steeds worden de Koralmpartisanen,  die hun leven riskeerden voor een vrij Oostenrijk, vaak beschouwd als gevaarlijke bandieten die weinig anders deden dan plunderen en moorden.

In mei 1944 vertrokken uit de Sovjet-Unie 24 vrijheidsstrijders, waaronder 17 Oostenrijkse ballingen, met als doel om de nationaalsocialisten te bestrijden en de bevolking aan te zetten tot verzet. Ze noemden zichzelf aanvankelijk Kampfgruppe Avantgarde, later Kampfgruppe Steiermark. Per vliegtuig bereikten ze de Zuid-Sloveense plaats Crnomelj aan de grens met Kroatië, waar ze ’s nachts per parachute landden. Van daaruit baanden ze zich via allerlei omwegen een weg naar Steiermark. Verbindingsofficieren van het Sloveense partizanenleger hielpen hen door het betwiste gebied langs de rivier de Drava te navigeren. De groep stuitte vanaf het begin op enorme moeilijkheden. Vooral in de winter ging het niet meer om een strijd om de vrijheid tegen de nazi’s, maar een strijd tegen de natuur om te overleven.  Ze waren voor voedsel, kleding en informatie geheel afhankelijk van de steun van de bergbewoners, die echter deze buitenlandse gewapende strijders wantrouwden. ‘Een arme boer en houthakker hoog in de bergen daalde urenlang in het diepe donker af naar het dal om ons aan te geven’,  vertelt Walter Wachs, een partizaan uit Koralm, in zijn memoires.

Al snel na hun verschijning in het grensgebied met Slovenië werd de groep hevig vervolgd door naziteams met honderden mannen die het berggebied uitkamden. Hugo Suette, de beruchte nazi-districtsleider van Deutschlandsberg, deed er alles aan om het verzet te breken. Na een aantal grote tegenslagen vochten ze enige tijd zij aan zij met Sloveense partizanen. Tegen het einde van de oorlog groeide de strijdgroep met deserteurs uit de Wehrmacht die niet langer voor Hitler wilden sterven. Bij de Radlpass ontvingen ze versterkingen van het Kornriegl-bataljon en in de grensplaatsjes Gressenberg en Glashütten vonden de Koralm-partizanen steeds meer steun onder de lokale bevolking. Degenen die de partizanen hielpen, riskeerden hun eigen leven. Een schuilplaats in een hooizolder of een stuk droog brood was genoeg om hun lot te bezegelen. Ook probeerden de nazi’s spionnen n de verzetsgroep te laten infiltreren.

Kort voor het einde van de oorlog vonden er afschuwelijke incidenten plaats, waarvan er hier een paar summier worden genoemd. Op 1 april 1945 werden vijf verzetsstrijders, waaronder Leo Engelmann (1914-1945), een Oostenrijkse veteraan van de Spaanse Burgeroorlog, in opdracht van Suette door een patrouille van het Reichsarbeitsdienstlager in St. Oswald-Kloster in Freiland gevangengenomen, geëxecuteerd en begraven. Op 10 april 1945 vermoordden nazi’s op bevel van Suette achttien mensen uit Schwanberg en de omliggende omgeving, onder wie verzetsstrijder Ludwig Mooslechner, door hen in een bomkrater op de Hebalmberg neer te schieten. Op 11 juni 1945 werd onder grote belangstelling van de plaatselijke bevolking een monument op de begraafplaats Deutschlandsberg geplaatst ter herdenking van acht van hen: Johanna Blasnik, Franc Kozina, Anton Krainer, Maria Masser, Ludwig Mooslechner, Franz Seewald, Anton Stieber en Hans Turkitsch. Uit wraak vermoordden de partizanen later de lokale nazi-partijleider en zijn broer. Ze zouden ook per vergissing de vader hebben neergeschoten, die de schotwond in zijn nek overleefde. Ook de moord op vijf deserteurs op 23 april 1945 werd toegeschreven aan Hugo Suette.

Na het einde van de oorlog op 8 mei 1945 namen de Koralm-partizanen kortstondig de leiding over. Ze bezetten ’s nachts Schwanberg in de nacht. In Deutschlandsberg probeerden ze Hugo Suette gevangen te nemen, maar ze kwamen te laat. De groep werd vervolgens ontbonden. In september 1946 moesten zeven personen die betrokken waren bij de moorden van 1 april 1945 zich voor de Volksrechtbank van Graz verantwoorden voor hun daden. Suette, het brein achter deze misdaad, kon echter niet worden vervolgd. Hij werd namelijk pas op 7 september1946 door de Britten in Wenen gearresteerd en toen was de termijn om hen op te nemen in deze lopende strafzaak verlopen. Begin november 1946 wist hij te ontsnappen uit het interneringskamp Graz-Wetzelsdorf, waardoor de tegen hem ingestelde procedure niet kon worden afgerond. Suette wist onopgemerkt naar Erlangen te vluchten, waar hij in 1949 overleed zonder ooit voor zijn misdaden ter verantwoording te zijn geroepen.

Noch de Koralm-partizanen, noch de lokale verzetsstrijders kregen later de erkenning die ze verdienden. In 1986 probeerde socioloog Christian Fleck de mythe te ontkrachten met zijn boek Koralmpartisanen en het boek Widerstand und Verfolgung in Steiermark uit 2019 bevat vele originele pamfletten, verhoorverslagen, aanklachten, interviews, rapporten en foto’s om het werk van de Koralmpartisanen te verduidelijken.