HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 4

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Jan Meekhof (Ruinen, 9 november 1922 – Utrecht, 17 april 1994) was een NSB’er SS’er tijdens de Tweede Wereldoorlog. In een verslag van zijn berechting in 1946 voor het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden wordt over hem opgemerkt: ‘Het behoort tot de grote zeldzaamheden, dat het Bijzonder Gerechtshof op één dag slechte één enkele zaak ter berechting op zijn rol heeft staan. Die éne zaak betrof die van den 23-jarigen Jan Meekhof, een naam welke in één adem behoort te worden en dan in de regel ook wordt genoemd met die van het beruchte duo Lammers en Sleijffer. Meekhof dan, die thans is ingesloten in het Huis van Bewaring „Crackstate” te Heerenveen, was in de oorlogsjaren opperwachtmeester der Staatspolitie en stond in zeer nauw contact met de Duitse Sicherheitsdienst. Reeds in het begin van de oorlog, nog geen achttien jaar oud, sloot deze kwajongen zich aan bij de Waffen S.S. Dit gebeurde te Zwolle. Was het hierbij gebleven, we geloven zeker, dat de advocaat-fiscaal, bij het uitspreken van zijn eis, rekening met de jeugdige leeftijd van dezen verdachte zou hebben gehouden. Doch we kunnen ons voorstellen, dat een gevoel van walging mr. Nubé moet hebben bekropen toen hij de lange lijst van wandaden voorlas, welke deze jonge onverlaat achtereenvolgens heeft bedreven.’

De rij van wandaden van de ‘jonge onverlaat’ is inderdaad aanzienlijk, vooral in de jaren 1944 en 1945. In opdracht van de Duitse bevelvoerders van de SD Aussenstelle Leeuwarden arresteerde bij diverse personen en bracht die naar het Bumaniahuis. In dat gebouw van de Sicherheitsdienst te Leeuwarden mishandelde hij in april 1945 op gruwelijke wijze Peter Dolstra, die deel uitmaakte van de ’actieve tien’, een groep binnen de Leeuwarder NBS die gevaarlijke klussen uitvoert zoals wapentransporten. Dolstra was in maart al eens gearresteerd op grond van vage vermoedens bij het verzet te behoren, maar toen weer vrijgelaten omdat hij hardnekkig bleef ontkennen ook maar iets met de illegaliteit te maken te hebben. Zijn vrijlating dankte hij mede aan zijn zus  die de Duitsers mild wist te stemmen door hen rijkelijk van jenever te voorzien. Op 31 maart 1945 werd Dolstra wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Op zaterdag 7 april 1945 staan de Duitsers echter opnieuw voor de deur, omdat men bij een arrestatie elders heeft ontdekt dat Dolstra wel degelijk in het verzet zit. Dolstra staat zich nog te scheren als de SD onder leiding van Oberscharführer Friedrich Grundmann binnenstormen. Grundmann lacht tevreden: ‘Schau mal, da haben wir wieder den Dolstra.’ Peke Dolstra wordt overgebracht naar het Bumaniahuis en behoort vanaf dat moment tot de zestien ‘Todeskandidaten’ die bij sabotage uit wraak kunnen worden gefusilleerd. Toen enkele dagen later door de Binnenlandse Strijdkrachten het treinverkeer tussen Leeuwarden en Franeker werd gesaboteerd door de rails van de spoorbrug bij Dron-rijp los te halen, werden op 11 april 1945 veertien van de gevangenen naar die brug gebracht. Bij deze Fusillade bij Dronrijp werden alle veertien door het vuurpeloton geëxecuteerd. Waarschijnlijk maakte Meekhof deel uit van dat peloton. De bevolking van Dronrijp was woest over de ondoordachte activiteit van de Binnenlandse Strijdkrachten. De twee resterende arrestanten, Peke Dolstra en Auke de Vries, waren in Leeuwarden achtergebleven. De Vries was een dag eerder gearresteerd terwijl hij zijn wapen nog aan het schoonmaken was. Op last van Hauptsturmführer Arthur Albrecht moet het tweetal in zijn auto plaatsnemen en overgebracht naar een landweggetje met als doel hen daar ‘op de vlucht neer te schieten’. De oersterke ex-judoka Dolstra weet Albrecht en zijn assistent te overmeesteren en na een gevecht trekken de beide Duitsers zich terug om versterking te halen. Dolstra en De Vries slaan op de vlucht. In het Burmaniahuis was het gegrinnik niet van de lucht toen bekend werd dat Albrecht en zijn begeleider bebloed en met gescheurde kleren waren teruggekeerd van hun missie. Dolstra en De Vries bleven uit handen van de Duitsers, gered door een onbekend gebleven vrouw.

In dezelfde maand arresteerde Meekhof Gerard de Jong, dien hij verdacht van illegale werkzaamheden, waarna hij hem naar het Burmaniahuis overbracht en hem ernstig mishandelde om hem te dwingen voor de Duitse politie belangrijke verklaringen af te leggen. Deze Gerard de Jong zou enkele dagen later deel uitmaken van de groep gevangenen die naar Dronrijp werd afgevoerd, maar De Jong zou de enige van hen zijn die de executie overleefde door zich dood te houden. Kort te voren opereerde Meekhof in Wolvega, waar hij deel van de bewaking was van gevangenen die zouden worden geëxecuteerd. De Duitsers wisten uitstekend welke Nederlandse collaborateurs zich voor deze bloedhondendiensten wel wilde lenen. In Leeuwarden verwondde hij Johannes de Hartog dodelijk bij een huiszoeking in de woning van verzetsman Jan Vijver.

Meekhof nam ook deel aan de executies te Herbaijum op zaterdag 18 november 1944, een represaille voor het plegen van sabotagedaden op de oude rijksweg tussen Leeuwarden en Harlingen. Op aanraden van de geallieerden hadden verzetsmensen daar in de nacht van 16 op 17 november 1944 kopspijkertjes gestrooid. Hauptsturmführer Arthur Albrecht besloot een voorbeeld te stellen en  liet drie mannen uit hun cellen hallen. Hen werd verteld dat ze werden verhuisd naar Drenthe; ze mochten zelfs een koffer meenemen. Bij aankomst in Herbaijum werden de drie man neergeschoten. Ter afschrikking moesten de lichamen 24 uur blijven liggen. Bote Lieuwe Dijk (Hardegarijp, 6 februari 1899) en Rijkje van Meekeren (Hindeloopen, 27 april 1895) waren beiden in dienst van de Nederlandse Spoorwegen en zaten vast omdat ze betrokken waren geweest bij een spoorwegstaking. Julius Gast uit Scharnegoutum was een Joodse handelsagent, die met vrouw en zoon ondergedoken zat, maar gesnapt was en in de strafgevangenis van Leeuwarden zat opgesloten. Zijn gezin heeft de oorlog overleefd. In Herbaijum is ter nagedachtenis een monument opgericht. De in Harlingen werkzame predikant L. Holtrigter was toevallig getuige en verklaarde later: “Het was op een sombere koude zaterdag dat ik ’s middags omstreeks drie uur door wind- en regenvlagen de Midlumerweg uitfietste om nog iets in huis te krijgen voor de zondag”, vertelt Holtriger in ‘Harlingen in Oorlogstijd’. Een paar kilometer buiten Midlum zag de predikant een tweetal auto’s stoppen. Acht Duitsers stapten uit. “Een Duitser riep mij toe dat ik moest afstappen en blijven staan. Toen deed een andere Duitser de tweede auto open en daar stapten drie burgers uit. Het was nog een jonge man. Hij vroeg: “Maar ge wilt me toch niet doodschieten?” Het antwoord was een slag met de kolf van het geweer op zijn hoofd, zodat het bloed eruit gutste. Hierop wilde ik gaan, maar mij werd duidelijk gemaakt: Blijven staan of de kogel. Als versteend stond ik aan de grond. Een meter of zeven van de weg was een aardappelbult opgeworpen. Daar moest hij nu gaan staan. Toen namen een stuk of zes Duitsers het geweer. Eén commandeerde. Ze schoten tegelijk en het slachtoffer viel. De schutters gingen ongeveer drie meter van hun slachtoffer staan. De andere twee burgers stonden bij de auto, door een Duitser vastgehouden. Ze moesten eerst het lot van hun medegevangene zien. Toen moest nummer twee komen. Deze ging voor de Duitsers liggen en smeekte hun om hem toch niet dood te schieten. “Ik wil alles voor u doen, indien ge mij in leven laat”, zo smeekte hij. Maar een harde schop in zijn rug, zodat hij wel een meter vooruit tuimelde, was het antwoord op zijn deerniswekkend vragen. Hetzelfde commando werd gegeven. De schoten dreunden en het tweede slachtoffer lag ter aarde. Nu de derde nog. Onderwijl zijn tweede lotgenoot afgemaakt werd, zond hij een vurig gebed op tot God. Ik heb nog nooit zo horen bidden. Dit was het bidden in het aangezicht van de dood. Eerst bad hij voor zichzelf. Of de Here zijn ziel genadig wilde zijn. Toen bad hij voor zijn vrouw. Of de Here haar wilde ondersteunen. Toen bad hij voor zijn zoon. Of God hem bewaren wilde en in het leven sparen. Zijn laatste woorden waren: “Och Here, Here die arme jongen”. Toen moest hij naar de slachtplaats. Geen der Duitsers hoefde hem te geleiden. Met vaste gang zag ik hem erheen lopen. Hij ging naast de twee doden staan. Zoals deze, met het gezicht naar de beulen. Nog enkele ogenblikken. Weer wordt het commando gegeven. De geweerschoten knetterden. Het derde slachtoffer viel ter aarde. De beulen staken een sigaret aan en lachten. Ik kreeg een wenk. Ik kon doorgaan”. 

Jan Meekhof was weer van de partij in Dokkum waar op 22 januari 1945 twintig mannen werden gedood. Het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden noteerde hierover in haar verslag: ‘Mede door de kogels uit zijn geweer vond hier een aantal mensen de dood, die hun leven hadden ingezet in de ondergrondse strijd tegen de bezetter.’ Deze executie was een vergelding voor de overval door het verzet op een gevangenentransport. Op 19 januari 1945 was in Dokkum de apotheker Pieter Gunster gearresteerd. Gunster en zijn apotheek fungeerden als centrale van het Dokkumer verzet. Hij zou met nog twee arrestanten naar de stad Leeuwarden worden overgebracht. De knokploeg in Noordoost-Friesland besloot een bevrijdingsactie te ondernemen. Zes mannen van het verzet hadden zich in De Valom bij de brug over de Valomstervaart verdekt opgesteld. De opzet was om de Duitse auto voor de openstaande brug te laten stoppen en zonder geweld te overvallen. Een van de verzetsmannen opende echter het vuur en schoot de inzittende SD-er dood. De chauffeur raakte zwaargewond en overleed enkele dagen later. Gunster had een schotwond maar kon naar een veilige plaats worden gebracht. Enkele weken later werden twee van de zes verzetsmensen opgepakt. Hauptsturmführer Arthur Albrecht was woedend en wilde heel Dokkum laten platschieten, maar kreeg daarvoor geen toestemming. Op 22 januari 1945 bracht de SD twintig gevangenen uit Leeuwarden en Groningen naar Dokkum, die in een weiland buiten Dokkum in groepjes van vijf werden gefusilleerd (zie: Het beruchte vijftal van Friesland 1).

En dan is er nog de moord op Jo Kolf (Westmaas, 6 november 1915 – Leeuwarden, 29 januari 1945). De ongehuwde politieman was lid van de Knokploeg Drachten en Leeuwarden en werkte onder de schuilnaam Jodocus. Kolf nam op 29 mei 1942 ontslag bij de politie in Utrecht, omdat hij weigerde Duitse bevelen op te volgen. Hij kwam toen als ambtenaar bij de Crisis Controle Dienst (CCD) en het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening terecht. Toen de dreiging van arrestatie in februari 1944 te groot werd, kwam hij in contact met het Friese verzet en dook onder in Leeuwarden. Soms kon Kolf zijn agressie jegens nationaal-socialisten niet onderdrukken. Zo sloeg hij eens een NSB’er het ziekenhuis in. Kolf was betrokken bij de kraak van het Leeuwarder huis van bewaring op 8 december 1944. Op de een of andere manier kreeg de SD zijn naam in bezit en daarom werd hij gezocht. Bij een huiszoeking op 29 januari 1945 op zijn onderduikadres bij de familie Jan Vijver probeerde Kolf te vluchten. De SD was niet eens speciaal naar hem op zoek. Jo wilde de SS’er Jan Meekhof  neerschieten, maar zijn wapen ketste. Kolf probeerde toen er op klompen vandoor te gaan, maar dat lukte maar enkele honderden meters. Meekhof achtervolgde hem en loste vijf revolverschoten op de vluchteling. Met een longschot en een verbrijzelde hand bleef hij op straat liggen. Meekhof weigerde zowel medische als geestelijke hulp. Pas op advies van een te hulp geroepen Duitse arts werd Kolf overgebracht naar het Diaconessenziekenhuis, waar hij aan de opgelopen verwondingen overleed.

Het aantal personen dat door Meekhof werd gearresteerd is niet te schatten. Hij gebruikte bij de ondervraging middeleeuwse methoden en mishandelde velen met behulp van waterslang, waterbak en galg. Na de Duitse capitulatie hadden die de diensten van de landverrader niet meer nodig en lieten ze hem aan zijn lot over. Hij vluchtte, maar werd heel snel in Woerden gevangen genomen, ‘… waarmee een einde kwam aan dit trieste misdadiger-bestaan’. Meekhof  werd op 19 november 1946 veroordeeld tot de doodstraf, het eerste doodvonnis dat door het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden werd uitgesproken. Een jaar later werd deze doodstraf via gratie omgezet in een levenslange gevangenisstraf. In 1959 werd hij vrijgelaten. Hij overleed in 1994 in Utrecht.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: