DUITSE KOLONIËN 10

Een eeuw lang, van 1842 tot 1947 hadden enkele westerse landen en Japan concessies in enkele Chinese steden. het Chinese Keizerrijk behield weliswaar zijn soevereiniteit over het concessie- of pachtgebied, maar had alle soevereiniteits-rechten overgedragen aan de andere staten. De gebiedsverpachting geschiedde meestal voor een bepaalde tijd, maar kon ook eeuwigdurend zijn. De Verenigde Staten sloot bijvoorbeeld in 1903 een pachtverdrag voor haar vlootbasis Guantanamo Bay op Cuba, die sinds de verlenging bij verdrag op 31 mei 1934 voor onbepaalde duur is en enkel bij wederzijds akkoord kan worden beëindigd. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat de USA deze pachtovereenkomst ooit zal beëindigen. In 1903 sloot de VS ook een pachtverdrag met Panama, dat  In 1903 sloot de VS een pachtverdrag met Panama, dat het bestuur over de Panamakanaalzone en de exploitatie van het dan nog te realiseren Panamakanaal overdroeg aan een door het VS-ministerie van defensie gecontroleerde Panama Canal Company. Panama kreeg het bestuur terug in 1979, de operationele controle van de Kanaalautoriteit in 1999. In China werden door de zwakke Qing-dynastie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw  veel concessies verleend. Bij allerlei ‘ongelijke verdragen’ moesten de Chinezen instemmen met het in concessie geven van een groot aantal territoria. Meestal was dat een belangrijke haven, soms ook het achterland daarvan. De belangrijkste was de haven Hongkong en haar achterland dat na de Eerste Opiumoorlog aan de Britse Oost-Indische Compagnie werd overgedragen. Toen woonden er niet meer dan 7000 mensen. Hongkong was vervolgens lange tijd een Britse kroonkolonie. Bij verdrag werd het pachtgebied uitgebreid en voor een periode van 99 jaar verpacht. In 1997 werd Hongkong weer officieel teruggegeven aan China, met allerlei plechtige beloften over de rechten van de Hongkongse bevolking, maar dat staat momenteel zwaar onder druk. Dat was onder dezelfde voorwaarde van het één-land-twee-systemen-principe waarmee de voormalige Portugese kolonie Macau op 20 december 1999 een speciale bestuurlijke regio van China werd. Macau zal tot 2049 een zelfstandige positie hebben en kan zelfstandig beleid formuleren, behalve op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid. Een ander voorbeeld is de Internationale Concessie van Sjanghai, een gebied in de havenstad dat in 1863 ontstond door de samenvoeging van eerdere afzonderlijke Britse en Amerikaanse  concessies en werd bestuurd door de Shanghai Municipal Council en daarmee de facto niet onder Chinese jurisdictie viel. De concessie ontstond in 1863 toen de Britse en Amerikaanse concessies in Sjanghai werden samengevoegd tot de Internationale Concessie. In 1843 namen de Japanners het gebied over en kwam een officieel einde aan de extraterritoriale rechten van de Amerikanen en Britten van de voorgaande honderd jaar. Deze langdurige westerse overheersing is in bepaalde wijk vanwege de karakteristieke westerse architectuur nog goed terug te zien. Op het reisblog van Eric Beckers is een groot aantal fraaie voorbeelden te zien van de westerse bankgebouwen in Tianjin, dat in de jaren twintig van de vorige eeuw gold als het ‘Wall street van China’.

Al vanaf de zestiende eeuw werd door Europese landen (voornamelijk de Britten, Portugezen en Nederlanders) handel gedreven met China, maar toen werd de handel nog geheel door de Chinezen gereguleerd. Dat betekende voor de Britten dat ze een fors tekort op hun handelsbalans kregen. Ze kochten namelijk grote hoeveelheden Chinese waren, vooral thee, houtsnijwerk en porselein, terwijl China maar weinig westerse producten kocht. Vanaf 1800 begon de Britse Oost-Indische Compagnie opium vanuit Brits-Indië naar China te verschepen. Miljoenen Chinezen raakten aan deze opium verslaafd, iets dat de Britse handelaren zeer veel geld opleverde. De Chinese overheid verbood deze drugshandel en ging er vanaf 1839 hard tegen optreden door de Britse opiumvoorraden, die een waarde van vele miljoenen vertegenwoordigden, in beslag te nemen en te vernietigen. Groot-Brittannië greep deze vernietiging aan om een oorlog tegen China te beginnen, de Eerste Opiumoorlog. Deze oorlog kan worden beschouwd als het startsein voor de westerse hegemonie over China gedurende de daarop volgende eeuw. Het verzwakte China verloor deze oorlog kansloos en zag zich gedwongen het eerste van vele ‘ongelijke verdragen’ af te sluiten. Het Verdrag van Nanking werd op 29 augustus 1842 gesloten na China’s militaire nederlaag tegen de Britten. Vertegenwoordigers van het Qing-keizerrijk en de Britten onderhandelden aan boord van de HMS Cornwallis die bij Nanking voor anker lag, terwijl de Britse vloot klaar lag om de stad te beschieten. Het verdrag regelde dat China Hongkong moest afstaan aan Groot-Brittannië, dat ook het recht kreeg op concessies en een vrije handel in vijf havensteden. De eerste concessie die werd gerealiseerd betrof Sjanghai. De handel in opium ging onverminderd verder. De Chinezen werden ook gedwongen een groot bedrag te betalen als vergoeding voor de oorlogsschade (de vernietigde opium) die de Britten hadden geleden, voor de achterstallige betalingen van Chinese handelaren en overige herstelbetalingen. Het totale bedrag van 21 miljoen dollar moest binnen drie jaar betaald te worden. Tot slot moesten alle Britse krijgsgevangenen worden vrijgelaten en moest een algemene amnestie worden verleend aan alle Chinezen die tijdens de oorlog de kant van de Britten hadden gekozen. Een kenmerkende passage in het verdrag is ook dat het de Chinezen verboden werd hun hooghartige houding ten opzichte van de westerse landen te tonen, wat onder meer tot uiting moest komen door hen niet langer toe te staan in officiële documenten de Britten aan te duiden met het karakterteken voor ‘barbaar’. Vanaf dit verdrag zou het Engels de voertaal in alle documenten moeten zijn.

Al op oktober 1843 werd een aanvulling op het verdrag opgesteld, het zeventien artikelen tellende Verdrag van The Bogue, genoemd naar de smalle zeestraat in de Parelrivierdelta gelegen tussen Macau, Hongkong en Kanton waar de handtekeningen onder het verdrag werden geplaatst. Er werd onder meer bepaald dat Britse onderdanen alleen door Britten mochten worden berecht, dat Groot-Brittannië de status van meest begunstigde natie kreeg., dat Britten het recht kregen land en gebouwen te kopen of te huren en te wonen in de handelshavens Kanton, Xiamen, Ningbo, Sjanghai en Fuzhou die volgens het verdrag van Nanking waren opengesteld en dat de aan Groot-Brittannië toegestane handelsmogelijkheden ook voor andere buitenlanders van kracht zouden zijn. Daar was de bepaling aan toegevoegd dat ingeval er door de Chinese overheid nieuwe verdragen zouden worden gesloten met andere landen en waarin deze meer privileges werden verleend, dat deze nieuwe bepalingen automatisch ook voor Groot-Brittannië zouden gelden. Het verdrag regelde verder een groot aantal praktische zaken als loodswezen, haventarieven en belastingen op de import en export. Er stonden, zoals gebruikelijk, weinig Britse tegenprestaties tegenover: binnenlandse reizen bleven voor de buitenlanders verboden en ze beloofden dat gevluchte Chinese misdadigers uit te leveren.

Het Verdrag van Nanjing werd door China nauwelijks nageleefd. Britse handelaren en diplomaten waren ontevreden over de commerciële resultaten, waardoor in de loop der jaren de havens van Kanton, Xiamen, Ningbo, Sjanghai en Fuzhou waren opengesteld voor handel met het buitenland, maar waar door verzet van lokale Chinese autoriteiten er amper mogelijkheid was om handel te kunnen drijven met het achterland van die havens en het binnenland van China. Vooral rond Kanton heerste grote sociale onrust, wat enerzijds kwam vanwege de verplaatsing van veel handel naar Sjanghai en anderzijds door de Taiping-opstand, met een zeer sterke anti-buitenlandse stemming die zich steeds verder over het land uitbreidde, die de Kantonese gouverneur dwong hier alle aandacht op te vestigen. In juist in dit gebied concentreerde zich de nog steeds illegale opiumhandel concentreerde zich ook in deze regio. Opium was vitaal geworden in de Britse handel op China en in de economie van India. De Britten meenden nu dat het aangaan van volwaardige diplomatieke relaties met China en dus het kunnen vestigen van permanente buitenlandse legaties in Peking het belangrijkste instrument was om de handel uit breiden.Toen het tijd werd voor de in het Verdrag van Nanking afgesproken periodieke herziening van het verdrag wilde het keizerlijk Hof geen verdere concessies doen. Dat leidde tot de Tweede Opiumoorlog (1856-1860), waarbij China dit keer niet werd aangevallen door de Britse Oost-Indische Compagnie maar door de legers van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. De aanleiding van de oorlog was de aanhouding door de Chinezen van twaalf opvarenden van het schip Arrow (waarom soms wordt gesproken over de Arrow-oorlog), een onder Britse vlag varend Chinees schip dat werd verdacht van piraterij, smokkel en opiumhandel. Begin 1858 braken Britse troepen een blokkade bij Dagu, een voorstad van Tianjin, en korte tijd later nam een Brits-Franse vloot nam Tianjin in, het commerciële centrum van het noordoosten van China en op ongeveer 150 kilometer van Peking. Dat leidde tot onderhandelingen tussen partijen en het afsluiten van het Verdrag van Tianjn (begin 1858), waarbij Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten, Rusland en China waren betrokken. De belangrijkste punten van het verdrag waren: (1) Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland kregen permanent aanwezige legaties in Peking; (2) er werden elf nieuwe verdragshavens opengesteld; (3) de Jangtsekiang-rivier werd opengesteld voor buitenlandse schepen tot aan Hankou (nu een deel van de inmiddels wereldbekende miljoenenstad Wuhan); (4) China moest aanzienlijke schadevergoedingen betalen aan Groot-Brittannië, Frankrijk en Britse handelaren; (5) buitenlanders kregen het recht om, mits voorzien van reisvergunningen, in het binnenland te reizen. Dit punt was van wezenlijk belang voor de uitbreiding van de missie en de zending in China; (6) de religieuze vrijheid van christenen in China werd bevestigd; (7) de opiumhandel werd gelegaliseerd.

Kort na het goedkeuren van het verdrag van Tianjin besloot de Qing-regering alsnog verder te vechten tegen het westelijke mogendheden en het verdrag niet uit te voeren. Aanvankelijk moesten de Britten en Amerikanen zich terugtrekken, maar ten slotte wisten de Britten op 6 oktober Beijing te bereiken. Toen de Chinezen nog steeds niet opgaven beval de Britse legerleider het waardevolle en prestigieuze Oude Zomerpaleis bij Beijing te verwoesten en dreigde vervolgens de Verboden Stad te vernietigen. Onder zware diplomatieke en militaire druk werd toen het Verdrag van Tianjin alsnog aanvaard. Dit gebeurde tijdens de Conventie van Peking op 18 oktober 1860, waarbij de zeven ‘afspraken’ van het Verdrag van Nanking werden bevestigd en vijf nieuwe ‘afspraken’ werden toegevoegd: (8) Kowloon en Ngong Shuen Chau (Stonecutters Island) werden toegevoegd aan het pachtgebied Hongkong; (9) Tianjan werd toegevoegd aan de lijst van verdragshavens; (10) Het bedrag aan schadevergoedingen aan Frankrijk en Groot-Brittannië werd verdubbeld; (11) de eigendommen van rooms-katholieke organisaties die eerder in de negentiende eeuw waren geconfisqueerd moesten worden teruggegeven aan de eigenaren, via de Franse legatie in China. Dit bevestigde de door Frankrijk al sinds het Verdrag van Whampoa van 1844 geambieerde status als de eerste beschermer van de christelijke en met name rooms-katholieke belangen in China; (12) er werden procedures afgesproken hoe personen van de missie en zending in China de benodigde reisvergunningen konden verkrijgen om in het gehele binnenland van China actief te kunnen zijn.

Een consequentie van het verdrag was dat vanaf 1861 buitenlandse naties in de verdragshavens concessiegebieden verkregen die zij feitelijk naar eigen inzicht konden besturen. In 1861 waren dat in Tianjin in eerste instantie Groot-Brittannië, dat in 1941 de concessie opgaf, en Frankrijk dat tot 1946 zou blijven. Tot de Boxeropstand zouden geen andere koloniale machten in Tianjin gevestigd zijn. De Boxeropstand (1899-1901) was een opstand van een Chinese nationalistische beweging, gericht tegen de macht van de westerse imperialistische mogendheden en hun invloed op het vlak van handel, politiek, religie en technologie. In de loop van de negentiende eeuw was er steeds grotere armoede en verpaupering onder de Chinese bevolking, waardoor de weerzin groeide tegen de westerse mogendheden en het christendom, waartoe missionarissen en kerken de Chinese bevolking wilden bekeren. De nationalistische volksmilitie ‘Vuisten der Gerechtigheid en Eensgezindheid’ (Boksers) startte in 1899 samen met het keizerlijke leger een opstand tegen de westerse mogendheden, Japan en christelijke kerken in Noord-China, met moordaanslagen op buitenlanders en Chinese christenen en het platbranden van kerken. In Tianjin werden de buitenlandse concessies een maand lang met artillerievuur beschoten. Op 14augustus 1900 stuurden de geallieerde mogendheden Groot-Brittannië, Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Rusland, Italië en Oostenrijk-Hongarije een internationale interventiemacht (de Achtlanden-alliantie) van ruim 50.000 man naar China om de bewoners van de concessies In Tianjin uit hun benarde positie te bevrijden en de buitenlandse gezantschappen in Peking te ontzetten.Op 14 juli 1901 werden de opstandelingen in Tianjin verslagen, op 14 augustus gebeurde hetzelfde in Beijing. Na het neerslaan van de Boxeropstand trokken de geallieerde troepen plunderend, verkrachtend en moordend door Tianjin en Beijing. Het hof vluchtte naar het binnenland en de geallieerden zonden strafexpedities naar de gebieden waar aanvallen en moorden op buitenlanders en christenen waren bedreven. Hierbij werd hardhandig en willekeurig opgetreden, waarover ik enkele keren de toevoeging aantref ‘… niet enkel door Duitse troepen’. Alsof het hardhandig optreden van de Duitse troepen een vast gegeven is en dat van andere mogelijkheden als uitzonderlijk moet worden beschouwd.

In de jaren na de Boxeropstand werden in Tianjin andere concessies gevestigd: Oostenrijk-Hongarije en Duitsland kwamen in 1900 en zouden in 1917 bij het naderend einde van de Eerste Wereldoorlog weer verdwijnen, Rusland arriveerde ook in 1900 en hield het concessiegebied tot 1920 aan, de Italianen vestigden zich in 1901 en verlieten de stad definitief in 1947. België had in de jaren 1902-1931 ook een concessie in Tianjin. De Verenigde Staten verschenen tamelijk laat in de stad, in 1912, en ook zij verlieten de concessie aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in 1945. Dat was tegelijkertijd met het Japanse Keizerrijk, dat al vanaf 1895 een Japanse concessie in de stad had. De geallieerde mogendheden vestigden banken in Tianjin om de financiën van hun handel via de vrijhandelszone te regelen; de bankgebouwen domineren nog steeds in deze haast westerse wijk. De meeste bankgebouwen zijn neergezet in de voormalige Franse en Britse concessiegebieden. Na het vertrek van de buitenlandse mogendheden uit China na de Tweede Wereldoorlog werd deze straat waaraan de bankgebouwen staan hernoemd in Jiefang Lu, wat Bevrijdingsweg betekent.


29 augustus 1842 – Ondertekening van het Verdrag van Nanking

Dit item was geplaatst door Muis.
<span>%d</span> bloggers liken dit: