CHRISTIAAN HESEN

Christiaan Hesen (Horst, 19 mei 1853 – Tegelen, 5 februari 1947) was een dorpsfiguur uit het Limburgse dorp America, die postuum legendarisch zou worden. Hij was de zoon vaneen arme  dagloner, de jongste van acht kinderen. Met z’n 1,61 meter was hij betrekkelijk klein van stuk en zijn dikke neus en ronde kin maken hem tot een markant figuur. Hij trouwde op 30 november 1883 in Horst met de drie jaar jongere Maria Scheeres uit Roggel. Kort daarna verhuisde het echtpaar naar America, waarschijnlijk omdat werk te vinden was in dat dorp van veenarbeiders dat pas enkele decennia bestaat. Door verbeterde landbouwmethoden en de uitvinding van kunstmest vonden in de loop van de negentiende eeuw in de Peel kleinschalige ontginningen plaats van de immense heidevelden, wat steeds gepaard ging met de bouw van boerderijen. De ontwikkeling van America tot dorp hing ook samen met de aanleg van de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Op de plaats waar een karrenspoor de spoorlijn kruiste, werd in 1866 Wachtpost 16 gebouwd, wat uitgroeide tot een dorpskern met onder meer een school (1888), een kerk (1892) en een bakkerij met maalderij, winkel en café (1892). Werk is vooral te vinden in het naburige Griendtsveen, waar op grote schaal turf wordt gewonnen en verwerkt, onder impuls van de familie Van de Griendt. Jan van de Griendt (1804 – 1882), een koopman uit Den Bosch, was de aannemer van het traject Helmond-Venlo van de spoorlijn geweest. In 1853 was hij een van de oprichters van de Maatschappij tot ontginning en vervening van de Peel, later omgedoopt in Maatschappij Helenaveen. Hij stichtte het dorp Helenaveen, dat in Noord-Brabant ligt. Zijn zoons Jozef en Eduard zetten zijn werk voort en stichtten in Limburg het dorp Griendtsveen, waar de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij actief was. Beide door de familie gestichte dorpen waren verbonden door de Helenavaart, een 15,7 km lang kanaal dat van 1853-1880 door de Maatschappij Helenaveen werd gegraven om turf af te voeren uit verveningsgebieden en ter ontwatering van het veengebied.

Vermoedelijk heeft ook Christiaan Hesen hier als veenarbeider gewerkt, maar hij was toch vooral iemand van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Hij werkte afwisselend als dagloner, boerenknecht, bouwvakker en wegenbouwer. Vast werk voor langere tijd had hij nooit, wat te maken had met zijn levenswijze. Christiaan drinkt en niet zo’n beetje ook. Het weinige geld dat hij verdiende ging op aan drank. Een buurtgenoot herinnerde zich later: ‘Na de hoogmis om tien uur ’s morgens ging Hesen meestal naar het café van Heldens Grad of van Kloas Kennis. En als wij dan ’s middags naar het lof gingen, vonden we hem vaak liggend in de slootkant. Met een flink stuk in de kraag.‘ Een andere buurtgenoot: ‘Menigmaal werd hij door veldwachter Snijders opgepakt wegens openbare dronkenschap en in het spuitenhuisje van de brandweer ingesloten om zijn roes uit te slapen.’ In een dronken bui bracht hij eens de tienjarige Petronella van Helden een vuistslag toe, waardoor het meisje met haar hoofd tegen een karrenwiel viel. De rechter veroordeelde hem tot drie dagen cel, waarbij zijn dronkenschap een verzachtende omstandigheid was. Omdat hij door zijn drankmisbruik amper in zijn levensonderhoud kon voorzien, ontving hij regelmatig steun van het burgerlijk armbestuur van Horst. Na het overlijden van z’n vrouw Maria in 1896 ging het van kwaad tot erger met Christiaan. Er zijn vele anekdotes over zijn onconventionele levenswijze. Een buurtgenoot: ‘Hij groef bij boeren de dode beesten op die aan een of andere ziekte gestorven waren. Je mocht het vlees dan niet meer eten, maar hij at het wél.’ Volgens de overlevering nam hij soms dode kippen mee die hij op boerenerven vond. Ook met stropen scharrelt hij wat bij: ‘Hazen en konijnen die hij met zijn valstrikken in de Peel had gevangen, stopte hij eerst veertien dagen in de grond voordat hij het vlees gebruikte.’

Met de hygiëne nam hij het dus zo nauw. Een buurtgenoot: ‘Als hij ’s morgens opstond, was het eerste dat Hesen deed in de put plassen. Uit dezelfde put haalde hij het water om te drinken. En hij waste zich nooit ofte nimmer. Die oude man was zo afschuwelijk vies.’ Christiaan had de gewoonte om pruim­tabak te kauwen en het tabakssap om de paar minuten met een flinke straal uit te spugen. Als iemand daar iets van zei, liet Chris­tiaan het sap door zijn stoppelbaard naar beneden drijven in zijn gulp. Zijn broek, die net als de rest van z’n kleding vol gaten zit, houdt hij omhoog met ijzerdraad. De uiterlijke verschijning van Christiaan is angstaanjagend. Een buurtgenoot: ‘In zijn jonge jaren had hij bij het kappen van hout zijn rechter oog verlo­ren en de lege oogholte, die altijd vol stof en ongedier­te zat, joeg alle kinderen in de buurt schrik aan.’  Dat angstaanjagende en vervuilde uiterlijk, plus zijn levenswijze van drinken, stelen en stropen leverde hem de bijnaam Rowwen Hèze (‘Ruwe Hesen’) op. Tegelijkertijd was hij echter geen echte ver­schoppe­ling, want hij stond altijd klaar om iemand e helpen en legde niemand een strobreed in de weg. Bovendien kon hij bloed stelpen, pijn bij brandwon­den wegnemen en uitkomst bieden als iemand zijn enkel of pols had ver­stuikt. ‘Als iemand een ongeluk had gehad op het land of zich thuis had verbrand, werd snel iemand naar de Rowwen Hèze gestuurd en geen minuut later was het slachtoffer van zijn pijn bevrijd.’ Zijn hulp werd vaak ook ingeroepen bij bevallingen.  De aan­staande vader moest hem dan van de vroed­vrouw in Horst met paard en wagen gaan halen. Omdat de mensen in de Peel bang waren voor heksen en spoken, vroe­gen ze of de Rowwen Hèze meeging, want die was nergens bang voor.

Christiaan en zijn vrouw hadden vijf kinderen. Begin 1899 zijn er herhaalde processen-verbaal van diefstallen van turf, hout en voedsel door de Anna Hesen (12 jaar) en Pieter Hesen (10 jaar), die samen met hun zusjes Johanna (14 jaar) en Nel (5 jaar) en broer Gerard (7 jaar) in een plaggenhut aan de rand van de Peel wonen. Dar beide kinderen op een doordeweekse middag niet naar school gingen was in de Peel niet verwonderlijk. America had weliswaar sinds 1888 een openbare lagere school, maar de leerplicht zou pas in 1901 worden ingevoerd en ook daarna stuurden veel ouders in de Peel hun kinderen niet naar school, want er heerste grote armoede en kinderarbeid was vaak bittere noodzaak was om het hoofd boven water te kunnen houden. Veldwachter Hendrik Snijders: ‘Daar Christiaan Hesen zelf geen turf of andere brandstof heeft en dus niets te stoken heeft moeten genoemde kinderen iederen dag uit om in de behoefte van brandstof te voorzien hetgeen ten gevolgen heeft dat zeer vele klachten over gepleegde diefstallen van turf of anderszins geschieden.’ Christiaan zet z’n kinderen aan tot diefstal, zodat hij en z’n gezin de winterse kou kunnen doorstaan. Bewijs van de daders valt slechts een enkele keer te leveren. Bovendien verzwijgen gedupeerden de brandstofdiefstal vaak uit medelijden met de kinderen. Anna en Pieter zouden na hun arrestatie in 1899 eerste in de gevangenis in Roermond verblijven en voor de rechtbank verschijnen. Omdat ze allebei nog geen zestien waren volgde geen verdere rechtsvervolging, maar wel moesten ze tot hun achttiende naar een rijksopvoedingsgesticht. Christiaan werd uit de ouderlijke macht ontzet. Pieter ging in mei 1899 naar een gesticht in het Overijsselse Avereest, Anna naar een gesticht in het Utrechtse Montfoort. De drie andere kinderen worden drie maanden later van hun vader gescheiden. Toen Pieter na zijn achttiende weer bij zijn vader introk, zette Christiaan hem opnieuw tot stelen aan. Pieter stal spoorbielzen die zijn vader vervolgens ge­bruikte als brandhout. Als beloning voor de diefstal kreeg Pieter van z’n vader sigaren. De recht­bank veroordeelde Christiaan wegens heling tot twee maanden gevangenisstraf. Met Pieter liep het veel slechter af. Nadat hij in 1912 een stuk bos in America in brand had gestoken, werd hij krankzinnig verklaard. Op 3 september 1912 verleende de arrondissementsrechtbank in Roermond toestemming om hem te laten opnemen in een gesticht. Na een verblijf van twee maanden in een inrich­ting in Medemblik, werd Pieter eind 1912 overgebracht naar het Sint-Servatius­gesticht in Venray. Daar overleed hij op 6 augus­tus 1918 op 29-jarige leeftijd.

De behuizing van Christiaan en z’n kinderen was een jarenlange steen des aanstoots voor de gemeente Horst. Een plaggenhut aan de rand van de Peel die was opgetrokken van heideplaggen. De ‘vloer’ bestaat uit zwart zand; een jutezak vormt de deur. Zijn plaggenhut kan model hebben gestaan voor de armetierige bouwwerken die toen veelvuldig in de Peel te vinden waren. In Om de school, een roman uit den schoolstrijd (1913) beschreef de inmiddels vergeten schrijver H.H.J. Maas (1877-1958) ze als volgt: ‘Er was geen vloer in die huisjes, de lage vertrekken hingen vol stank, stoelen ontbraken er, de mensen zaten er op kisten of een baktrog, het zag er alles vuil en vettig uit. Een walging steeg hem [hoofdpersoon Karel van Leeuwen] naar de keel, als hij de vieze slaapstee zag, met een hoop rommel en vodden als beddegoed, in een vertrekje vol vochtige, zwammerige, muffe lucht, van vee, veevoer, mest en vuil water, op de “voorstal” of achter de “goot”. Het bedstro, dat er jaren bleef zitten en door de muizen was kort geknabbeld, was door vocht en onder de lijvenzwaarte gelegen tot een vaste massa. De ratten sprongen over het bed heen. De mensen zagen er even verslonsd uit, aten vies en spraken dom en ruw. Hij zag midden op de tafel een pot met eten staan, allen aten daaruit en praatten met volle kauwmonden over koeien en varkens.’

Met zijn plaggenhut voldeed dus in de verste verte niet aan de in 1901 ingevoerde Woningwet, de eerste Nederlandse volkshuisvestingswet met als doel de bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen. Hij haalde met zijn plaggenhut in 1910 zelfs de krant. De Nieuwe Venlosche Courant sprak over een ‘getimmer’ dat onbe­woonbaar verklaard moet worden. Raadslid Van Daal was ervan overtuigd dat de hut ‘vol ongecijfer’ zit. Herhaalde pogingen van de gemeente Horst om de behuizing onbewoonbaar te verklaren, mislukten. Uiteindelijk werd de hut in 1911 afgebroken en in steen opnieuw opgebouwd. Christiaan droeg het eigendom over aan de gemeente. Omstreeks 1920 trok hij in bij zijn jongste dochter Nel, die met haar echtgenoot Willem Klin­ken­berg een optrekje in de buurt bewoonde dat als ‘planken hut’ te boek stond. Eind 1929 verhuisden Nel, Willem en Christiaan naar Tegelen, waar Christiaan al snel bekend stond als een ruwe klant die de dorpskinderen schrik aanjoeg door zijn verschijning en manieren. Daar overlijdt Christiaan op 5 febru­ari 1947 ’s avonds om half twaalf op 93-jarige leeftijd, wat gezien zijn leefwijze een opmerkelijk hoge leeftijd was. Daarmee kwam een eind aan een leven vol bittere armoede en eeuwige ellende, maar Christiaan bleef nog een paar jaar voortleven in het collectieve geheugen van het dorp America en door deze mythevorming en romantisering werd hij ooit helemaal vergeten. In 1985 besloten vier jonge mannen in America een band op te richten die haar nummers in het lokale dialect spelen. Door hun band te vernoemen naar Rowwen Hèze werd Christiaan Hesen vanaf begin negentiger jaren definitief onsterfelijk. Het romantische beeld dat opgeroepen wordt van ‘den Rowwen Hèze’ in hun gelijknamige lied als een man die vrijwillig en een met de natuur in de eenzame Peel leefde, klopt niet echt met de werkelijkheid van Christiaan Hesens leven, die beter als een levenslange strijd om te overleven gekenschetst kan worden.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: