ROB KORPERSHOEK
Al vanaf het begin van de oorlog was er in Hilversum en omstreken een groepje zeer jeugdige scholieren die zich afzette tegen de Duitse bezetting. Dat waren onder meer Rob Korpershoek (1926-2014), Wouter Albers, Wim Freni, Guus Dull en Leo de Zoeten. Ze lieten hun onvrede merken door illegale bladen en pamfletten te maken en die door de stad te verspreiden. Het amateuristische maar ook de jeugdige spontaniteit, zich amper bewust van de risico’s die ze liepen, spat er vanaf. Zo weerden artikelen ondertekent met ‘Simon Saboteur’ en Rob Korpershoek ondertekende altijd met een simpele ‘M’, die was afgeleid van de eerste letter van zijn schuilnaam ‘M.O.F. Fenhater. Vanaf 1943 gebruikte het groepje de naam NV De Strijders en publiceerde ze onder meer het blad Ons Verzet (nr. 580 in L. Winkel, De Ondergrondse Pers). Ook werd een jaarlijkse Vrijheidskalender uitgegeven, die in 1944 in een oplage van 100 exemplaren en een tarief van 50 cent werd verspreid onder geïnteresseerden. Op 15 januari 1945 publiceerde Korpershoek een prent tegen aanmelding tegen de Arbeitseinsatz, die tegen het eind van de oorlog bijzonder aansloeg.
In de Boekenlage1987 van Vrij Nederland verscheen onder de titel ‘Jongeren in de illegaliteit. Hilversumse scholieren in het verzet 1940-1945) onderstaand artikel van Hans Mulder. Dit naar aanleiding van het boek van Jet Baruch en Jenny Smit, ‘Oorlog met de tekenpen Verzet van jongeren in het Gooi, 1940-’45’ en de tentoonstelling die daarover tot maart 1988 in het Rijksmuseum liep. Ter illustratie daarbij de beroemde tekening die Rob Korpershoek maakte voor een strooibiljet, dat in een oplage van maar liefst 400.000 exemplaren werd verspreid. Vanwege die grote oplage werd lang gedacht dat het biljet vanuit de geallieerde propagandamachine kwam.
Mei 1940 was de Hilversumse hbs-leerling Rob Korpershoek veertien jaar. Toen de capitulatie kwam, huilde hij urenlang en was ontroostbaar. Ruim drie jaar later ging hij in de rol van beambte van de Sicherheitsdienst vloekend tekeer tegen de pleegvader van een joods jongetje en sloeg de man tegen de grond. Over deze opvallende metamorfose en die van andere middelbare scholieren gaat het boek Oorlog met de tekenpen. Verzet van jongeren uit het Gooi 1940-’45, dat onlangs bij de gelijknamige tentoonstelling in het Rijksmuseum te Amsterdam verscheen.
Hun verhaal begint al vóór de meidagen van 1940 met het weinig spectaculaire feit van een tekort aan zakgeld. Twee vrienden, Wim Freni en Guus Dull, besloten daar in 1938 wat aan te doen door het ‘Servicebureau Hilversum’ op te richten, dat tegen betaling allerlei klusjes verrichtte. De toen beide dertienjarigen probeerden hun bureautje enige bekendheid te geven met het zelf gemaakte krantje De Ster dat onder familie en kennissen werd uitgedeeld. Het blaadje bleef tot augustus 1940 bestaan. Toen maakten hun ouders er een eind aan, omdat de jongens er steeds meer berichten in zetten over de oorlogssituatie, geschreven op een duidelijk anti-Duitse toon. Ondanks het ouderlijk verbod gingen Freni en Dull door met hun clandestiene activiteiten. Ze verspreidden foto’s en speldjes, vermenigvuldigden verboden lectuur en richtten een club op: de naamloze vriendenkring ‘Oranje Boven’. Die club zou illegale uitgaven gaan verzorgen, waar men zich op kon abonneren voor een dubbeltje. Erg geheim waren deze bezigheden blijkbaar niet, want in november 1940 werd Freni bij zijn schooldirecteur op het matje geroepen. Hij moest zijn illegale werk onmiddellijk staken. Ook dat verbod veranderde niets. Vanaf maart 1941 verschenen nieuwe uitgaven in de reeks Kaleidoscoop. Het ironische was, dat niet Freni maar zijn voorzichtige directeur door de bezetter opgepakt werd.
Die arrestatie werd, samen met een knokpartij tussen hbs-leerlingen en NSB’ers, die tezelfder tijd in februari 1941 plaatsvond, de aanleiding tot een eerste illegaal optreden van Rob Korpershoek en zijn vriendje Wouter Albers. Zoals bij Freni en Dull kwam die actie – het verspreiden van strooibiljetten met anti-Duitse leuzen – niet zomaar uit de lucht vallen. Korpershoek vertelde later: ‘Ook op school was (na de meidagen 1940) al direct een kern van, ja verzet was het nog niet, maar toch iets van weten, waar je voor staat: een gevoel van solidariteit. Zo was er een leraar Nederlands, die met het verhaal kwam, dat de Duitsers zo slecht niet waren. Een Duitse tank, die Nederland kwam binnenrollen, zou voor een op de weg zittende poes zijn uitgeweken. Een hoongelach ging op: “Rotterdam! Rotterdam!” Diezelfde leraar liet later dat jaar opstellen voorlezen van een paar leerlingen, die bij de Jeugdstorm waren. Dat was pure nazi-propaganda. Er ontstonden daarom rellen in de klas en op een gegeven moment zijn we in staking gegaan. We wilden geen les meer hebben van die leraar.’
Al snel betrokken Korpershoek en Albers andere vrienden bij hun strooi- en plakacties. Ook Freni en Dull kwamen er bij en langzamerhand versmolten de twee clubs tot één illegale groep, die de Naamloze Vriendenkring ‘De Strijders’ werd genoemd. Vanaf februari 1942 werd een eigen krant, Ons Verzet, uitgegeven. In juni 1943 kwam daar vanwege de verplichte inlevering van de radio’s nog een tweede blad bij, speciaal bestemd om het publiek van het laatste nieuws op de hoogte te houden. Dit was het berichtenbulletin De Heraut.
Het zou overdreven zijn om deze illegale publikaties belangrijke verzetsbijdragen te noemen. De oplage van de gestencilde krantjes was niet hoog. Die van Ons Verzet bedroeg maximaal 1150 nummers. Ook het feit, dat de makers ervan zo jong waren, is niet eens erg uitzonderlijk. In het standaardwerk van Lydia Winkel, de De Ondergrondse Pers 1940-1945, komen méér zeer jeugdige ‘courantiers’ voor, zoals de dertienjarige M. Bot uit Vlaardingen, die in oktober 1944 een eigen Nieuwsbulletin begon uit te geven, of de drie Amsterdamse scholieren P. Snel, A. Visch en R. Hilman, die in het voorjaar van 1945 het krantje Flitsen verzorgden. Wat Ons Verzet echter onderscheidde van veel andere illegale periodieken, waren de illustraties van Rob Korpershoek. Hij behoorde tot de produktiefste van de weinige verzetstekenaars. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie bezit van hem meer dan honderd tekeningen, die niet alleen in Ons Verzet, maar ook in andere illegale bladen verschenen. Daarnaast ontwierp hij krantekoppen, tekende kalenders en stelde uit een aantal tekeningen de bundels Oorlog met de tekenpen en ’t Politiek Moppenblaadje samen. Ook maakte hij tekeningen voor strooibiljetten en affiches, waarvan er één, een witte vlag aan een geweer met de tekst ‘Die einzige neue Waffe die Deutschland retten kann…’ nationale bekendheid verwierf. Dit strooibiljet werd na de invasie in juni 1944 in een oplage van niet minder dan 400.000 exemplaren verspreid door heel Nederland. Velen hebben altijd gemeend, dat het een door de Engelse RAF uitgeworpen vlugschrift was.
Korpershoek en zijn vrienden toonden hiermee aan dat ook met de meest primitieve middelen een propagandistisch tegenwicht geboden kon worden aan de professionele Duitse propaganda. Aanvankelijk vervaardigde Korpershoek linosnedes, een techniek die hij op school geleerd had, of tekende direct op het moedervel van het stencil. Dat leverde geen fraaie voorbeelden van tekenkunst op, maar wel bezitten deze prenten een haast aandoenlijke authenticiteit en een emotionele lading, die een professionele tekenaar met betere middelen moeilijk zou kunnen verbeteren. Bovendien, in die tijd van schaarse vrije beelden, betekende elke anti-Duitse prent méér dan men zich in dit televisie- en videotijdperk kan indenken.
In de zomer van 1942 was de middelbareschooltijd van deze Hilversumse jongens voorbij. De meesten wilden gaan studeren, maar in maart 1943 eiste de bezetter een loyaliteitsverklaring van elke student. Die weigerden ze te tekenen. Een maand daarvoor waren er bovendien studentenrazzia’s gehouden voor tewerkstelling in Duitsland. De jongens moesten daarom onderduiken, met uitzondering van Wim Freni, die een vrijstelling had als ambtenaar bij de spoorwegen en Rob Korpershoek, die met zijn zeventien jaar nog niet in aanmerking kwam voor de Arbeitseinsatz. Zodoende hoefde de uitgave van Ons Verzet niet gestaakt te worden. Maar ook de anderen werden spoedig weer actief en sommigen breidden hun illegale werk nog uit. Enkele jongens gingen vermomd als rechercheurs op pad om persoonsbewijzen in beslag te nemen, die aan de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers werden doorgegeven.
Rob Korpershoek raakte bevriend met een Rotterdamse kantoorbediende, Wiebo Florissen, die bij hem in de straat zat ondergedoken en pleegde met hem overvallen om joodse kinderen te bevrijden. Deze waren in pleeggezinnen ondergebracht in afwachting van transport naar Duitsland. Een eerste actie, eind 1943, in Amsterdam slaagde. Door zich als SD’ers voor te doen, wisten zij de pleegmoeder te intimideren en de driejarige Miriam Dasberg te bevrijden. Zij overleefde de oorlog en woont nu in Israël. Een tweede overval op 24 januari 1944 in Rotterdam liep op een mislukking uit. De pleegvader, een tandarts, had direct door dat zij geen echte SD’ers waren. Hij weigerde zijn beschermeling, de twaalfjarige Joop van Vlies, te laten gaan, vooral omdat hij bang was voor represailles van Duitse kant. De bezetter immers had deze kinderen bij gemengd gehuwden ondergebracht, dat wil zeggen dat één van de ouders joods was. Wie het aan hem of haar toevertrouwde kind zou laten lopen, liep zelf het risico opgepakt te worden. Op de weigering van de tandarts volgde een heftige worsteling, waarbij rake klappen vielen. Joop van Vlies wist zich buitenshuis los te rukken en aan zijn ‘bevrijders’ te ontkomen. De curieuze affaire kreeg na drieënveertig jaar toch nog een gelukkig einde, toen vlak voor de opening van de tentoonstelling in het Rijksmuseum een heel wat zachtzinniger tweede ontmoeting plaatsvond tussen Korpershoek en Van Vlies.
Deze ontmoeting was in zekere zin symbolisch voor een bijzonder aspect van de bezetting, dat in de literatuur over de Tweede Wereldoorlog nauwelijks aan bod komt: de jeugd in oorlogstijd. Over dat onderwerp is weinig bekend, uitgezonderd de extreme gevallen, zoals de joodse kinderen, die onder de noemer van Anne Frank een plaats in de geschiedenisboeken vonden. Ook over de nationaal-socialistische jeugd is wel iets geschreven, maar van de ‘gewone’, doorsnee jongens en meisjes weten we niet veel af. Oorlog met de tekenpen laat zien hoe het een klein deel van die jeugd verging. De jongens uit dat boek staan misschien wel voor een grotere groep jongeren, die hun lot in eigen hand namen en op eigen initiatief de bezetter bestreden. Zij gaven een vervolg aan een ontwikkeling, die al voor 1940 was begonnen met het ontstaan van (politieke) jongerenbewegingen, waarmee de jeugd een eigen identiteit kreeg en de ‘boven de achttien’-grens van onze cultuur blijvend werd doorbroken. In feite betekende dat ook het begin van het einde van het autoritaire opvoedings- en staatspatronaat. In het vervolg moest men er rekening mee houden dat huilende kinderen kunnen veranderen in zelfbewuste vrijheidsstrijders.
De genoemde bevrijding van de driejarige Mirjam Dasberg in Amsterdam op 29 november 1943 verwerkte Rob Korpershoek later in een fraaie linoleumsnede met de titel ‘De redding van Mirjam D.’. Langs een Amsterdamse gracht beschermt een man met een pistool een tweede man, die een baby aan een vrouw overhandigt. Die baby was de drie jaar oude Mirjam Dasberg, de kleindochter van de beroemdste rabbijn van Dordrecht, Samuel Dasberg (1872-1933) waarnaar in Dordrecht nog steeds een straat is genoemd. In november 1943 hadden de Duitsers bij een inval in een pension het kleine Joodse meisje Miriam Dasberg aangetroffen, de dochter van rabbijn Nathan Dasberg. Ze zou normaliter direct zijn doorgestuurd naar Westerbork en dan naar Auschwitz. De zeventienjarige Rob Korpershoek werd door zijn vriendin Ans van Dam (zie foto hiernaast), een joodse geneeskundestudente uit Hilversum, gevraagd het Joodse meisje te redden. Rob’s vriend Wibo Florissen bood aan hem te helpen. Het doodsbange tweetal vermomden zich als leden van de geheime politie en slaagden erin het meisje te ontvoeren uit het huis waar ze werd vastgehouden en over te dragen aan Ans van Dam. Ans werd twee weken later gearresteerd en kwam terecht in Auschwitz gestuurd. Ze overleefde het en emigreerde later naar Israël. Miriam kwam terecht in Swolgen bij Tienray bij het gezin Nabben, waar ze door Hanna van der Voort en Nico Dohmen was ondergebracht. Mirjam Dasberg en haar broer Lex overleefde daar de oorlog en emigreerde naar Israël. In mei 1995 kwamen de twee terug naar Swolgen om in Tienray het Hanna van der Voort-monument te bezoeken. Rob en Wibo werden later door Yad Vashem erkend als de Rechtvaardige onder de Volkeren, een eer die voor Ans van Dam als Joodse redder niet was weggelegd.
