DE TELEPORTATIE VAN GIL PÉREZ
Op 26 oktober 1593 had de soldaat Gil Pérez de wacht buiten het paleis van de gouverneur in Manilla. Extra waakzaamheid was geboden, want een dag eerder was Gómez Pérez Dasmariñas (Betanzos, 1539 – 25 oktober 1593), de zevende Spaanse gouverneur-generaal van de Filipijnen, vermoord. Dasmariñas had bij zijn aanstelling in 1590 de opdracht gekregen om de Audiencia van Manilla op te heffen en de verdediging van de stad te versterken. Hij hief die Audiencia snel op en stuurde de president en de rechters van het tribunaal terug naar Spanje. Voor e verdediging van de stad werd een garnizoen van enkele honderden manschappen opgericht en er werd rond de stad een muur gebouwd, die begin 1593 gereedkwam. Hij liet ook een versterkt Fort Santiago bouwen en spoorde de bewoners van Manilla aan in het vervolg stenen in plaats van houten gebouwen neer te zetten. In 1592 werd de nieuwe stenen Kathedraal van Manilla afgeleverd. Langs de kust liet hij versterkingen bouwen en hij stuurde zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas op militaire expedities naar opstandige gewesten of delen van de archipel waar de Spanjaarden nog niet waren geweest. In 1593 organiseerde Dasmariñas een vloot en troepenmacht van zo’n 900 mensen naar het eiland Ternate van de Molukken om daar het stenen fort van de Hollanders te veroveren. Dasmariñas zou de expeditie persoonlijk leiden. Op 24 oktober 1593 vertrok hij in een galei met Chinese roeiers vanuit Cavite naar Pintados, waar zich de vloot onder leiding van zijn zoon bevond. Op de tweede dag van de reis daarheen kwamen de Chinese roeiers echter in opstand, waarbij gouverneur-generaal Dasmariñas en diverse andere Spanjaarden om het leven kwamen. Zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas volgde hem op als gouverneur-generaal van de Filipijnen.
Na de dood van de gouverneur-generaal was er een gespannen situatie in de hoofdstad en stond soldaat Gil Pérez op wacht buiten hert paleis. Iedereen was in afwachting van de proclamatie van de nieuwe gouverneur. Pérez werd vanwege de warme zon wat duizelig en voelde zich uitgeput. Hij besloot even te gaan zitten om ut te rusten. Hij leunde tegen de muur en sloot zijn ogen. Toen hij een paar seconden weer wakker werd, bevond hij zich tot zijn verbazing op een totaal vreemde plaats. Vanwege zijn ongewone uniform en vreemde gedrag werd hij al snel door omstanders opgemerkt door een paar plaatselijke soldaten die daar wachtliepen. Die vertelden de verbaasde Pérez dat hij zich op de Plaza Mejor in Mexico-Stad bevond, duizenden kilometers aan de overkant van de Stille Oceaan. Pérez op zijn beurt vertelden over de moord een dag eerder op gouverneur-generaal Dasmariñas, maar daarvan was op dat moment nog niemand in Mexico-Stad op de hoogte.
.
De lokale wachters brachten Pérez daarna naar de plaatselijke autoriteiten, waar hij bij de ondervraging vertelde dat hij nog maar enkele ogenblikken daarvoor in Manilla het paleis van de gouverneur-generaal had bewaakt. Hij gaf toe dat hij geen idee had hoe hij in hemelsnaam zich nu duizenden kilometers verderop kon bevinden. Er werd een andere groep officieren bijgehaald voor een tweede ondervraging, in de verwachting de vreemdeling nu op tegenstrijdigheden te kunnen betrappen. Gil Pérez hield echter vast aan zijn verhaal. Daarna werd een religieus deskundige, de franciscaner monnik Gasper de San Augustin, erbij gehaald. Volgens het schriftelijke verslag van de monnik vertelde Pérez hem:
‘Mijn naam is Gil Pérez. Wat het feit betreft dat ik hier de staande schildwacht was, ik doe zoveel mogelijk wat mij is opgedragen. Ik kreeg vanmorgen de opdracht om de wacht te houden bij de deuren van het gouverneurspaleis in Manilla. Ik weet heel goed dat dit niet het paleis van de gouverneur is en blijkbaar ben ik niet in Manilla. Waarom of hoe dat kan, weet ik niet. Maar hier ben ik, en dit is een soort paleis, dus ik doe mijn plicht zo goed mogelijk. Gisteravond werd het hoofd van de gouverneur van de Filipijnen, Zijne Excellentie Don Gomez Perez Dasmariñas, met een bijl ingeslagen en hij is nu dood.’
Totaal verbijsterd door dit verhaal deed de monnik wat elke godvrezende katholiek in de zestiende eeuw deed: hij gaf hem over aan de leden van het Heilig Bureau van de Inquisitie, algemeen bekend als de Spaanse Inquisitie. Daar veronderstelde men onmiddellijk dat Pérez minstens een laffe deserteur was, maar nog waarschijnlijk een dienaar van de duivel. Ondanks de ‘verbeterde ondervraging’ en angstaanjagende martelingen die Pérez toen moest ondergaan, bleef de soldaat bleef bij zijn verhaal. Pérez bleef daarna twee maanden lang opgesloten in de gevangenis zitten. In die periode arriveerde er een vrachtschip uit de Filippijnen, waarvan de bemanning kon bevestigen dat de gouverneur-generaal inderdaad was vermoord, precies zoals Gil Pérez al op 26 oktober had verteld. De matrozen werden daarna naar de gevangenis gestuurd, waar een van hen Perez herkende als soldaat die wachtliep bij het paleis van de gouverneur-generaal. Hij bevestigde ook dat hij sinds 26 oktober niet meer was gezien. De inquisitie kwam toen tot de conclusie dat Perez het onschuldige slachtoffer moest zijn geweest van een onverklaarbare bovennatuurlijke kracht. Vanuit Mexico werd hij naar Santo Domingo in het Caribisch gebied gebracht, waar hij in de gevangenis werd geplaatst wegens desertie en omdat hij een ‘dienaar van de duivel’ was. Later stemden ze ermee in de soldaat te laten terugkeren naar zijn garnizoen in Manilla. De arme soldaat zou daarna de rest van zijn leven teruggetrokken hebben geleefd, blijkbaar in een poging de vreemde gebeurtenissen die hij had meegemaakt achter zich te laten.
Sindsdien blijft het verhaal fascinatie en speculatie oproepen. Al tijdens de koloniale tijd was het een wijdverbreid verhaal. Het duikt tegenwoordig vooral op bij schrijvers met paranormale verklaringen voor het verhaal. Morris K. Jessup in The Case for the UFO: Unidentified Flying Objects (1955) en Brinsley Le Poer Trench in Mysterious visitors: The UFO story (1995) suggereerden een ontvoering door buitenaardse wezens, terwijl Colin Wilson in Enigmas and mysteries (1976) en Gary Blackwood in Extraordinary Events and Oddball Occurrences (1999) het een overduidelijk bewijs van teleportatie vonden.
De meeste auteurs houden het echter gewoon op een vreemd verhaal, waarbij sommigen vraagtekens zetten bij het waarheidsgehalte van de gebeurtenis. José Rizal (1861-1896), een schrijver, nationalist en nationale held in de Filipijnen, noemde het verhaal in een van zijn vele mysterieuze verhalen waarvoor hij een voorkeur had. Washington Irving vertelde het verhaal in zijn Tales of the Alhambra (1832) onder het hoofdstuk Governor Manco and the Soldier over een eenarmige gouverneur en een soldaat, dat veel overeenkomsten vertoont met de legende. Een soortgelijke verhaal verscheen van de Amerikaanse folklore-expert Thomas Allibone Janvier, die zijn verhaal Legend of the Living Spectre schreef als onderdeel van de serie getiteld Legends of Mexico City (1910). Hij baseerde zich op een eerdere Spaanse versie van de Mexicaanse folklorist Luis González Obregón, die op zijn beurt gebruik maakte van een verhaal uit 1698, honderd na de veronderstelde gebeurtenis) van Fray Gaspar de San Agustín, die het schreef als een feitelijke gebeurtenis ten tijde van de Spaanse verovering van de Filippijnen. Hij noemde de soldaat niet bij naam en beschreef het als een gebeurtenis vol hekserij en satanische praktijken. Antonio de Morga, een rechter en koloniaal ambtenaar in Nieuw-Spanje, heeft beschreven dat de dood van Pérez Dasmariñas op dezelfde dag al in Mexico bekend was, maar verklaarde niet hoe dat zo snel bekend kon zijn.
Mike Dash, een historicus en onderzoeker van anomale fenomenen, concludeerde op basis van allerlei archieven dat ernstig moet worden betwijfeld of de soldaat Gil Pérez ooit heeft bestaan. De eerste vermelding dateert van 1698, meer dan een eeuw na dato wat de nodige vragen oproept. Bovendien is het verhaal nergens terug te vinden in de archieven van de Inquisitie. Het verhaal kan gevoeglijk vergeleken worden met het beroemde Moberly-Jourdain-incident, waarbij Charlotte Anne Moberly en Eleanor Jourdain beweerden in de tijd te hebben gereisd tijdens een bezoek aan het Paleis van Versailles in 1901. Tijdens een wandeling door de tuinen naar de Petit Trianon waren de dames verdwaald en merkten de twee dat alles er ongewoon uitzag, alsof ze zich in een levend schilderij bevonden. Ze beweerden zelfs dat ze Marie Antoinette waren tegengekomen, dus door de tijd naar de achttiende eeuw waren gereisd. Het verhaal is al herhaaldelijk ontkracht en beschreven als een lesbische folie à deux, maar het blijft maar terugkeren als een ‘duidelijk bewijs’ van teleportatie.

