LANGE WAPPER 3
Tweede deel van de serie anekdotes van Lange Wapper die in 1929 werden opgetekend door dichter, schrijver, folklorist en etnoloog Victor de Meyere (Boom, 13 april 1873 – Antwerpen, 27 december 1938) in De Vlaamsche vertelselschat, deel 3 (1929), CCLXXIII-CCXCVII – De vertelselkens van Langen Wapper en van den reus. Gisteren de eerste twaalf kleine ‘vertelselkens, vandaag de resterende dertien boevenstreken van Lange Wapper.
13 – Lange Wapper in de Danszaal.
Het was in de tijd van de zwetende ziekte. Het was gedaan met alle plezier en vermaak. Elke dag liep de bevolking in een lange stoet door de stad, God den Heer aanroepend en Hem smekend om het onheil af te weren. Er was toen aan de Berchemsche poort een herberg, waar nog steeds werd gedanst. Er kwamen daar elke avond een paar lichtzinnige vrouwen bij elkaar en zij dansten constant. Als er geen mannen kwamen, dansten die vrouwen ondereen. Op een zondag namiddag, ton die vrouwen weer onder elkaar aan het dansen waren, kwam een vreemde man binnen. Hij was daar met de diligence aangekomen. Hij wilde graag dansen, dat hadden de vrouwen direct in de gaten en ook dat hij graag wilde zingen. Onmiddellijk was hij bezig met de belhamel van de bende. Maar hoor eens wat er toen gebeurde! Toen de dans begon, werd de danser steeds groter. Het leek of bij elke stap die hij en zijn danseres deden het vuur uit de grond sloeg. En dat was inderdaad ook zo. Die vreemde danser had gloeiende voeten gekregen en daarmee trapte hij door de houten vloer, die overal begon te branden. Toen alles in vuur en vlam stond, liet de danser zijn danseres midden in de vlammen staan en liep weg in de richting van het schipperskwartier. Toen ook zag iedereen wie die danser was geweest: Lange Wapper en niemand anders! Naarmate hij verder liep, werd hij ook groter en groter, zo groot dat men hem op het laatst, heel ver weg zag staan als een toren zo hoog. Van ver gezien zou men gezworen hebben dat er naast de toren van Ons Lieve Vrouwen een tweede toren stond.
1
4 – Lange Wapper en de schrokkige Vrouw.
In de Lei stond het Schrokkenhof, dat zo werd genoemd omdat er een gierige pin woonde. Zij werd eens goed beetgenomen door de Lange Wapper, die als boer verkleed met eieren rondleurde. Die gierige pin begon geheel naar haar gewoonte af te pingelen, ook al waren de eieren zo groot en zo vers dat zij niet groter en verser konden zijn. Met steeds een half centje wist ze drie halve centen van de prijs af te dingen. ‘Welnu ja’, zei Lange Wapper, ‘ik zal ze hier laten’. De schrokkige kasteelvrouw liep naar boven om haar geldbeurs te halen. Toen zij de trap opliep, sprak Lange Wapper: ‘Dat uw geldbeurs met elke trede duizendmaal zwaarder worde!’ Het was een wrede bezwering. Zodra de vrouw op de eerste trede van de trap stond, leek het haar of haar beurs op wonderbare wijze steeds zwaarder werd. Zij viel haast uit haar handen, zo zwaar woog ze! Bij de tweede trede was het nog erger. Zij begreep er niets van. Bij de derde trede die ze deed, viel zij van de trap en de beurs op haar lijf. Daar beneden lag zij verpletterd onder een zak geld die meer dan duizend kilo woog. Lange Wapper ging er daarna vandaar en over heel de Lei weerklonk zijn spottend gelach. De mensen die het hoorden sloten zich, meer dood dan levend, op in hun huizen.
15 – Lange Wapper en ’t Gouden Joodje.
In de Bergstraat woonde het Gouden Joodje, die er uitzag als een armtierig ventje, vuil en rappig, met niets dan vodden om zijn lijf. Maar hij was rijk, net zo rijk als de zee diep is. Daarom noemde men hem het ‘Gouden Joodje’. Op een moment werd het Gouden Joodje beetgenomen door de Lange Wapper, die bij hem aanbelde. Voor deze gelegenheid had hij de gedaante van een visser aangenomen en in een korfje had hij een levende snoek. ‘Ik heb hier iets voor u, iets lekker dat u wel mag eten’, zei Lange Wapper, ‘Een snoek zoals er in jaren niet meer werd gevangen. En levend, krimplevend!’ Het Gouden Joodje begeerde natuurlijk die snoek, maar bood natuurlijk af op den prijs. Lange Wapper nam het bod aan en maakte zich uit de voeten. De snoek werd onmiddellijk bereid voor het avondmaal. Heel de Joodse familie begon te smullen. Het smaakte lekker en iedereen deed zijn best. Toen alles op was, zagen zij met ontsteltenis dat wat er op tafel overbleef. Ze hadden geen snoek maar een grote varkenskop naar binnen gewerkt. Hun ontsteltenis veranderde in een grote schrik toen Lange Wapper met honend gelach voor ’t venster kwam kijken. ‘Ja, ja, ’t was van het varken, van het varken!’, riep Lange Wapper.
16 – Lange Wapper en de Kuiper.
Eens trad Lange Wapper als kleine leerjongen in dienst bij een kuiper van de Falconrui, een straat in Antwerpen. De jongen deed zijn uiterste best, werkte langer dan nodig was en zijn baas was dus heel tevreden over hem. Maar de goede voornemens van Lange Wapper duurden gewoonlijk niet lang. Al snel had hij er genoeg van zich braaf voor te doen. Drie weken na zijn indiensttreding was het er bovenarms op. Zodra de baas die morgen opstond, hoorde hij zijn knecht al volop aan het werk en dat deed hem plezier. Maar toen hij de deur van zijn werkhuis opentrok, was zijn plezier snel voorbij. Zijn knecht was bezig klein hout te maken van alles wat hij in zijn handen kreeg: repen, duigen en tonnen. Het deugdelijkste hout vloog eerst aan spaanders. De kuiper schoot in een helse woede en greep de knecht bij zijn schabbernak. Dat ging echter niet zo makkelijk. De knecht weerde zich dapper en riep: ‘Als gij ’t zo meent, zal ik eens laten zien wie ik ben!’ Meteen werd hij in alle kanten steeds groter. In een wip stond hij daar in zijn ware gedaante, groot als een reus. Hij greep toen de grootste ton van de winkel, sloeg die op de bodem en zette dat gevaarte boven zijn baas, die daar meteen gevangen zat. Hij wierp daarop al het gekapte hout er rond, lei er het vuur aan en liep spotlachend vandaan. De buren die daarop kwamen toegesneld, merkten al snel wat er aan de hand was en konden alleen met de grootste moeite de kuiper het leven redden.
17 – Het Volksbal op het Burchtplein.
Tijdens de kermis in augustus was er een volksbal op het Burchtplein. De straatjeugd was er bijeengekomen en de stadsmuzikanten speelden de jongste populaire liedjes. Halverwege het bal verscheen een jongeling van nog geen twintig jaar, schoon om te stelen. Alle meisjes loerden hem na, want allemaal wilden ze met hem dansen. Het leek wel of hij daarom ook gekomen was, want hij ging van groep tot groep, alle meisjes belonkend en beloerend, alsof hij een keus wilde maken. Plotseling bleef hij staan bij het schoonste meisje van het bal, de bloem van het bal die voor hem stond. Hij vroeg haar of zij met hem wilde dansen en het meisje zei ja. Onmiddellijk verdwenen zij te midden van de dansers. Het leek wel of die vreemde, mooie danser steeds groter werd. Dat was ook zo. Iedereen zag dat hij groeide en voortdurend steeds wilder zwierde. Hij hield zijn danseres in de armen en die, niet begrijpend wat met haar gebeurde, lachte luid omdat haar voeten de grond niet meer raakten. Haar lachen was echter maar van korte duur. Binnen enkele seconden had iedereen gezien dat die vreemde danser Lange Wapper was. De muzikanten stopten met spelen en iedereen sloeg op de vlucht. Lange Wapper was toen zo groot geworden dat hij boven de huizen uitstak en zijn danseres hing als een nietig ding in zijn armen. Lange Wapper wierp toen het arme meisje op een naastgelegen dak en liep lachend naar de Schelde, waar hij in het water verdween.
18 – Lange Wapper deelt lekker uit.
Er waren eens kinderen nog laat in de schemering op het Burchtplein aan het spelen. Er kwam een rijke meneer aangewandeld, met zijn zakken vol lekker: nobbelewitjes, mastellen, brokken van Varenberg, papepul, affairekens, kletskoppen, zeepsuiker en nog veel meer. De man deelde volop uit. Naarmate hij uitdeelde ging hij al verder en verder, in de richting van het Kiel en de jongens en meisjes gingen met hem mee. Hoe verder hij ging, hoe sneller hij liep en hoe meer snoepgoed hij uitdeelde. Ze waren nu zo ver gegaan dat ze een heel eind op de Boomsesteenweg waren gekomen. Daar stonden de meisjes en jongens helemaal alleen. De rijke meneer, die Lange Wapper in eigen persoon was, was met een luide spotlach gevlucht.
19 – Hoe Lange Wapper een oud vrouwtje beetnam.
Lange Wapper lag eens op een blikje op het voetpad vóór de Sint-Jacobskerk. Hij wilde een oud vrouwtje beetnemen, dat daar op enkele schreden afstand kwam aangestrompeld. Hij liet daarom aan het blikje er uitzien als een dukaat. Toen ging hij staan en ging om de hoek op de loer staan. Het oud vrouwtje zag het gouden stuk liggen, bukte zich, nam het al bevend in de handen, draaide het enkele keren om, want ze kon haar ogen niet geloven. Het vrouwtje dacht er nu aan dat zij heel veel jaren een kaars van een pond schuldig was aan ons Lieve Vrouwke. Zij wilde nu van de gelegenheid gebruik maken om haar schuld te betalen. Zij trad rechtover de Sint Jacobsstraat een kaarsenwinkel binnen en bestelde een kaars van een pond. Ze haalde haar gouden stuk te voorschijn en bekeek het nog eens goed. ‘Het Is toch spijtig dat we die dingen maar heel even mogen vasthouden’, dacht ze. Daarop gaf zij het stuk aan de bazin, die de kaars had ingepakt. Deze bezag het stuk eens even, wierp het onmiddellijk terug en viel woedend uit: ‘Het is schandalig voor een vrouw van uw leeftijd op deze manier iemand een blikje in de hand te willen stoppen en uit te geven voor een dukaat!’ Terzelfdertijd stak Lange Wapper zijn kop in het deurportaal en lachte het oude vrouwtje uit.
20 – Lange Wapper en de kwezel.
Lange Wapper moest niet veel hebben van de kwezels, die konden van hem van alles verwachten. De kwezels waren dan ook erg op hun hoede, maar toch ging er geen maand voorbij of hij had een of andere kwezel beetgenomen, tot grote vreugd van Jan en alleman. Er woonde een kwezel in de Keizerstraat die van ’s morgensvroeg tot ’s avonds laat naar de Sint-Jacobskerk liep met een paternoster in de hand en een kerkboek onder de arm. Omdat ze al behoorlijk van de tand was, begon ze net alle andere kwezels onophoudelijk te klagen over de verdorvenheid van de jeugd en de slechtheid van mannen. Toen kwam er een chique type bij haar binnen. Hij had het uiterlijk van de jonge baron die tegenover haar woonde en onlangs weduwnaar was geworden. In werkelijkheid was het Lange Wapper, die de kwezel kwam vragen of zij zijn vrouw wilde worden. ‘Heel erg graag, meneer de Baron’, zei de kwezel. ‘Wat een geluk voor mij’, antwoordde de baron daarop maar voegde er aan toe iets te moeten vertellen. ‘Ik houd u er natuurlijk aan dat u, net als ik, al uw christelijke plichten vervult. Daarop ben ik gesteld. Maar de hele dag in de kerk zitten, van ’s morgens tot ’s avonds, en constant rondlopen met een kerkboek zo groot als het heilig testament onder de arm, dat zult u moeten laten, want daar houd ik niet van. Ik houd niet van overdrijvingen. De kwezel pakte haar dikke kerkboek en wierp hem achter de kast. ‘Zie hem maar vliegen, meneer de Baron’. Lange Wapper had op die woorden gewacht en ging er lachend vandoor. Toen hij op de straat stond, werd hij zo groot als een huis en spotlachend riep hij, dat heel de buurt het kon horen: ‘Dat zotte wijf van een kwezel! Als ze maar een man heeft, dan is haar alles goed!’
21 – Lange Wapper en het echtpaar zonder kinderen.
In de Stoofstraat woonde een echtpaar zonder kinderen. Heel hun leven lang hadden die twee mensen naar kinderen verlangd. Op een avond, al heel laat, werd er erg hard aan de bel getrokken. Beiden liepen meer dood dan levend van schrik naar de voordeur en toen zij deze opentrokken, vonden zij er een pasgeboren wichtje dat lag te huilen. Zij tilden ’t wurmpje op, gingen er mee bij hert haardvuur zitten en besloten, omdat het zo’n lief kindje was en bovendien een jongetje, het als hun kind aan te nemen en groot te brengen. Ze gingen het kindje direct te verzorgen, gaven het melk met suiker en legden het in hun eigen bed. Daarna zochten ze dekens en andere spullen bij elkaar om het kindje in te winden en te busselen. Zij konden alle twee amper zeggen hoe gelukkig ze waren. Van tijd tot tijd kwamen ze even bij het bed staan. Toen ze het kindje op een moment daar zagen liggen zagen, leek het ineens groot en struis. Het had zich bloot gesparteld en was met zijn grote teen aan het spelen. ‘Het is een reus van een jongen’, zeiden zij als uit één mond. Toen ze weer naar het bed terugkeerden, leek het wel of hij nog meer was gegroeid. Eerst wilden ze het niet geloven, maar eindelijk viel er niet meer aan te twijfelen. Het was of er een jongetje van rond de vier jaar in hun bed lag. Verschrikt en sprakeloos stonden zij elkaar te bekijken, niet meer wetende wat er gebeurde, of zij wakker waren of niet. Meteen zagen ze dat de jongen nog verder groeide. Hij werd steeds groter, tot er een reus van een mens in het bed lag, die de bedsponde met geweld stuk stampte. En lachen dat hij maar altijd deed! Pas toen zagen de twee sukkelaars dat zij Langen Wapper in hun bed hadden liggen. De man stond verslagen en de vrouw maakte een kruis van ontsteltenis. Lange Wapper wipte zich daarop uit het bed, rukte het venster open en sprong de straat op. En net als altijd maakte zijn spotlach heel de buurt wakker.
22 – Lange Wapper en de arme vrouw.
Een arme vrouw kwam op een avond van het Kiel. Zij was bij een boer om verse melk geweest en haastte zich naar huis, want zij had nog een zuigeling. Plotseling zag ze een kindje in wat oude doeken op de weg liggen. Het kon amper enkele weken oud zijn en het schreeuwde van de honger. De goede arme vrouw besloot het kindje mee naar huis te nemen. Ze dacht: ‘Waar eten is voor één, is er ook voor twee. Het kan bij ons kindje in de wieg liggen’. Zij raapte dan ook het kindje op, maar dat begon nu nog harder te schreeuwen van de honger. Het goede mens gaf het gevonden kindje meteen de borst, alsof het haar eigen kind was. Gulzig zoog het uitgehongerde wicht en het bleef zuigen, alsof het nooit zou verzadigd zijn. De goede vrouw dacht nu dat het erop leek dat het kindje erg zwaar begon te wegen, zo zwaar om er bij neer te vallen op de grond. En steeds zwaarder werd de last die ze in haar armen droeg. Een honderdtal meter verder moest zij al gaan zitten om niet onder den last te bezwijken. Opeens bekeek zij het kindje toen het ophield met zuigen en zag toen dat ze Lange Wapper aan haar borst had, in de gedaante van een sterke jongen. Lachend sprong de guit op, werd op dat moment nog tien keer groter en liep weg.
23 – Lange Wapper en de twee dieven.
Er stond eens een kleine jongen, opgedirkt als een prinsenkind, aan de stadspoort te schreeuwen. Die jongen droeg kleren van fluweel en satijn, had een gouden horloge met een gouden ketting en zijn vingers glommen van de diamanten ringen. Er kwamen twee dieven aan, die al wel tienmaal de galg hadden verdiend en dan ook door de politie werden gezocht. ‘Waarom schreeuw je?‘, vroegen die dieven. ‘Ik ben de weg kwijt!’, antwoordde het knaapje. Zodra de twee dieven al dat goud en diamanten zagen, sleurden zij de jongen die rijkdom van het lijf en begonnen het te verdelen. Ze werden het echter onderling niet eens. De eerste dief wilde de gouden en diamanten ringen hebben en de gouden horloge met de ketting aan zijn maat geven, maar die wilde precies hetzelfde hebben. Van bekvechten werd het al snel echt vechten. Toen schoot de kleine jongen toe. Hij was ineens geen kleine jongen meer, maar een man groot en sterk als een reus. Het was Lange Wapper in eigen persoon. ‘Als er gevochten wordt, ben ik er bij. Ik ben een echte vechtersbaas’, riep hij. Hij pakte daarop een van de twee dieven in zijn rechterhand en de andere in zijn linker en begon ze zo met hun koppen tegen elkaar te slaan, net zolang ze geen kik meer gaven. Daarop wierp hij ze zo ver weg dat ze op het galgenveld terecht kwamen.
24 – Lange Wapper en de lijnwaadkoopman.
Op een late avond verliet een lijnwaadkoopman de stad. Hij had al zijn waren verkocht, zodat hij tevreden op weg naar huis ging. Daar opeens vond hij, midden van de kasseienweg, een baal fijn en degelijk lijnwaad. ‘Dat is het, manneke’, zei de koopman. ‘Al mijn lijnwaad verkopen en dan nog met meer thuiskomen dan waarmee ik ben vertrokken. Al mijn dagen zouden zo moeten zijn’. De koopman wierp daarop de baal lijnwaad op zijn rug. Die woog zwaar, maar waarom zou hij zich beklagen? Maar daarna werd de baal lijnwaad bij elke stap steeds zwaarder. Uiteindelijk kon de koopman ze niet meer dragen en moest hij het opgeven. Hij zou de baal even van zijn rug halen om erop wat uitrusten. Zo gezegd, zo gedaan. Maar nu verschrok de man pas goed. Lachend sprong Lange Wapper, groot als een reus, van zijn rug en liep spotlachend terug naar de stad.
25 – De Reus van Antwerpen.
De reus van Antwerpen was een sterke vent, dat is overal in de wereld bekend. Wat echter maar weinigen weten is dat hij een enorme drinkebroer, die alle andere drinkebroers de baard afdeed. Het kwam aak voor dat hij in de stad zijn pinten aan het drinken was. Een pintje voor de reus was voor een gewone mens als een grote ton bier. Hij kon wel enkele van dat soort pinten op een avond wegwerken. Als hij ergens een herberg binnenviel, moesten alle mannen van de buurt worden opgetrommeld om uit de kelder de drank met emmers aan te slepen. Toen hij eens in De Goudbloem zat, stonden er veertig gasten in een rij van de herberg tot in de kelder om het bier aan te geven. Dertig tonnen dronk hij leeg en nog was hij niet verzadigd. Toen hij naar zijn woning op het Steen terugging, had hij nog zo’n dorst dat hij met een voet over de Schelde trapte en zich dan neerboog om met lange teugen van het Scheldewater te drinken. Toen hij daarmee klaar was, zag hij een arme schipper die hem nakeek en lachte. ‘Wat is dat met u? Ben je mij misschien aan het uitlachen, dan zal ik u dat eens afleren!’, zei de reus. ‘Neen, neen, meneer de Reus, ik lach u helemaal niet uit. Je weet wel dat ik, al ben ik maar een arme schipper, veel van u houd. Heeft er ooit iemand regelmatiger dan ik zijn tol aanbetaald? Nooit heb ik u willen bedriegen, nooit u willen benadelen!’, antwoordde de schipper. ‘Waarom lach je dan?’ ’Wel, meneer de Reus, met uw permissie, ik moet lachen omdat je, al drinkende, een heel vlot bomen hebt ingezwolgen’. ‘Een vlot bomen? Wel verdraaid! Ik dacht daareven wel dat ik een strootje binnen slurpte. Maar een vlot bomen! Nu begrijp ik het ook. En is er een in mijn holle tand blijven steken. Hier, zie!’ De reus haalde al lachend een hele stronk uit zijn mond en gooide hem in de rivier.
