NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 18

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VIERDE HOOFDSTUK (1e deel)

Longwood, dat oorspronkelijk een boerderij van de O. I. Compagnie was en waarvan de onder-gouverneur van St. Helena zijn zomerverblijf had gemaakt, bevindt zich op een der hoogstgelegen plateaux van het eiland. Niettegenstaande de verbouwingen en de veranderingen, die men er voor de komst van Napoleon had aangebracht, bleef het een boerderij, misschien geschikt om gedurende de heetste maanden van het jaar te worden bewoond, maar ten eenenmale ongeschikt om er het geheele jaar door te verblijven. Zeker voor Napoleon en het tamelijk groot gevolg van zijn ‘hofhouding’ en van minderen en bedienden.

Onwillekeurig stelt men zich de vraag, waarom men Napoleon niet Plantation House als verblijfplaats aanwees. Zelfs Seaton – die de handelingen van de Engelsche regeering en van Hudson Lowe à tort et à travers verdedigt – moet toegeven, dat het vrij wat beter zou zijn geweest, wanneer men dat zou hebben gedaan. Dat de O. I. Camp. alléén op de voorwaarde, dat Plantation House niet door Napoleon zou worden bewoond, het bestuur van het eiland aan de Engelsche regeering zou hebben overgelaten en dat men naar aanleiding daarvan aan den gouverneur de instructie zou hebben gegeven een andere woning uit te kiezen, kan niet als een ernstige beweegreden worden opgevat, eyenmin als de verontschuldiging, die men voor het verbod aanvoerde, namelijk, dat alle telegrafische posten van het eiland op Plantation House bijeen kwamen. En dat zich daar hun eindpunt bevond. Maar nog, wanneer dit alles reden genoeg was om Plantation House als verblijfplaats voor Napoleon buiten beschouwing te laten, dan waren er op St. Helena nog wel beter bewoonbare plaatsen te vinden dan juist Longwood. Ook dit wordt door Seaton erkend. Waarom weigerde de Engelsche regeering om, op verzoek van Napoleon, de Briars voor hem te koopen of hem te veroorloven het zelf te bekostigen? In alle geval, Longwood was wel een der slechtst gekozen woningen.

Louis-Joseph Marchand - LongwoodDe muren waren van klei opgetrokken, vol spleten en scheuren en bedekt met plekken uitslag van salpeter; het dak, dat overal de regen doorliet, bestond uit een afwisseling van oude, slechte pannen en asfalt-papier: de vloeren, die zóó maar, dadelijk op den grond rustten, waren en bleven half verrot, terwijl het er onder wemelde van ratten. Ofschoon deze rattenplaag – waardoor St. Helena berucht was – voor Bathurst een onderwerp opleverde om er hoogst-onkiesche, echt-Engelsche, ongrappige grappen over aan Hudson Lowe te schrijven; ofschoon de “National-stupidität” (zooals een Duitscher het genoemd heeft) er een onuitputtelijke bron in vond, om er karikaturen van te scheppen en er taaie aardigheden op te maken, was – naast de weegluizen en het ongedierte, waarvan Longwood vol was – de rattenplaag een der ergste, waaronder Napoleon en zijn gevolg leden. O’Meara schrijft, dat hij ratten rondom den keuken-afval heeft gezien in troepen, alsof het een toom kuikens was en dat de muren en vloeren overal met gaten door ze waren uitgevreten. Het is niet te beschrijven, teekent hij in zijn dagboek aan, het lawaai, dat deze beesten maken, wanneer zij in troepen over de zolders onder de vloeren en tusschen de muren galoppeeren. Terwijl men aan tafel zat, holden zij door de kamers heen en weer en op zijn eigen kamer is hij verplicht zich telkens tegen ze te verdedigen door naar hen te gooien met zijn laarzen of met zijn laarzen-trekker. Op een avond, dat Napoleon zijn hoed nam om zich te verwijderen, sprong er een groote rat uit! Men was verplicht de kinderen, wanneer zij sliepen, tegen hun bijten te beschermen. Bertrand werd in zijn slaap gevaarlijk door een rat aan zijn hand verwond en in de stal werd een der paarden een stuk uit zijn dij gebeten!

Het hoofd-gebouw van Longwood had de vorm van een T, waarin – aan het begin van de lengte-balk – een stoepje van een drietal treden toegang gaf naar de veranda van groen-geschilderd traliewerk. Daarachter bevond zich een ruimte, 24 voet lang, 17 voet breed en 11 voet hoog, met ruw-houten wanden, die men licht-groen had geschilderd, met twee vensters naar het Oosten en drie naar het Westen, de “spreekkamer,” die achtereenvolgens – al naar het gebruik, dat men er van maakte – biljart-kamer, vervolgens wachtkamer, dan weer kaarten-kaJean Baptiste Isabey - Napoleon Bonapartemer werd genoemd. Dààr wachtten de bezoekers, totdat zij bij den Keizer konden worden toegelaten. Het was wel het gezelligste en aangenaamste vertrek van het geheete gebouw, wijl het ruim en goed verlicht was. Een glazen deur gaf toegang tot de verandah, een anderen recht er tegenover, tot de salon. Het ameublement bestond uit mousseline gordijnen voor de vensters, een spiegel boven de schoorsteen, een stuk of wat matte stoelen, en een paar tafels op schragen, waarop steeds uitgeslagen kaarten en boeken lagen.

Achter deze “Antichambre” lag de salon, zoowat even groot als de wacht-kamer of de slaapkamer van Napoleon ( 18 voet lang bij 15 breed) – met geel papier, waarop hard-groene bloemen, behangen – waarvan de twee vensters alleen op het Westen uitzicht gaven. Hier verleende de Keizer audientie aan wien er om hadden verzocht. Er stonden twee klap-tafels van mahoniehout in, twee leuning-stoelen, en acht stoelen, eveneens van mahoniehout met paardenharen zittingen en hoezen van zwart reps. Aan de zoldering hing een soort luchter. Een deur achterin, gaf toegang naar de eetkamer. In het midden van de linker wand stond de schoorsteen met een banale spiegel er boven.

Op de schoorsteen-mantel had Napoleon de wit-marmeren buste van den Roi de Rome geplaatst, een buste op natuurlijke grootte van een kind met langkrullend haar, versierd met het orde-teeken van het Légion d’Honneur. Het was een middelmatig beeldhouw-werk van twijfelachtige herkomst en gelijkenis, maar waarin Napoleon met alle geweld het trouwe afbeeldsel van zijn zoon wilde zien, zijn zoon dien hij reeds – toen de buste op St. Helena aankwam, door een matroos meegebracht – in geen jaren had aanschouwd en waarvan hij zich alleen de trekken uit zijn verre kindsheid herinnerde. Maar altijd beschouwde hij die buste met het grootste welbehagen en men kon hem geen grooter genoegen doen dan haar mee te bewonderen en te prijzen. En de laatste dagen vóór zijn dood, liet hij in deze kamer zijn bed plaatsen, tusschen, de twee vensters en hij leefde heen met het visioen van zijn kind in zijn sterf-brekende oogen.

De dwars-balk van de T werd, in het midden en meer naar links, door het meest trieste vertrek van Longwood, 22 voet lang, 12 breed en 9 voet hoog, verlicht door één glazen-deur in een hoek, ingenomen. Oorspronkelijk licht blauw geschilderd, doch later met rood papier behangen, had men het eerst voor bibliotheek gebruikt, maar had er later de “eetzaal” van gemaakt, terwijl de bibliotheek en de kaarten in de kamer daarnaast, kil en vochtig ten gevolge van de eeuwige passaat-winden naar het linker-einde van de dwars-balk werd overgebracht. Het was er zóó duister, dat men gedwongen was bij dag kunstlicht te gebruiken en door de vele deuren, die er zich in bevonden – waarvan, behalve de glazen deur, die op den tuin uitkwam, één naar de bibliotheek, één naar de salon en één naar de werkkamer van den Keizer toegang gaf – tochtte het er zóó, .dat men er bijna niet kon zitten. Een langwerpige tafel, een buffet, een dien-tafeltje en het burger-aantal van twaalf stoelen vormden het ameublement.

De “vertrekken” van den Keizer bevonden zich aan de rechterzijde van de dwarsbalk, twee kleine hokjes, het eerste zijn werkkamer en het laatste in de balk zijn slaapkamer, uitziende op het N.O., met daarachter een ruimte, die vroeger een gang was geweest, waarin – door de zorgen van admiraal Cockburn – van een houten kist, met tin bekleed, een soort bad was getimmerd: ’s Keizers “badkamer!”

Dat het ameublement al niet beter was dan het “paleis,” wordt door Las Cases bewezen, die in zijn Mémorial schrijft: ‘De kleine meubeltjes in onze kamers kwamen duidelijk voort uit wat de bewoners in deze omstandigheid hadden weggedaan, en ze waren ongetwijfeld blij dat ze deze gelegenheid hadden gevonden om ze goed te gebruiken en ze vervolgens met voordeel te vernieuwen.” En ook, doordat Napoleon, op een dag. terwijl hij even in het “salon” van de Montholon moest wachten – het was in den tijd, toen hij en de anderen er plezier in hadden, het budget van verschillende personen op te maken en de prijs van allerlei te taxeeren, “om den tijd te dooden” – de waarde van het geheele ameublement, alles bij elkaar op niet meer dan dertig napoleons schatte!”

De slaapkamer van den Keizer was – behalve, dat er een groen-geschilderde, houten leuningstoel en vier of vijf stoelen van hetzelfde soort, een tafeltje, een kastje, dat bijna uit elkaar viel en een oude sofa stonden, door de Engetsche regeering geleverd – gemeubeld door het kleine veldbed met groen-zijden gordijnen, waarin hij den nacht vóór den slag bij Marengo had doorgebraçht. Daarnaast vóór de deur, die toegang gaf naar de “badkamer,” een tochtscherm. Tusschen dit kamerschut en de schoorsteen, een canapé, steeds met boeken beladen, zoodat het bijna niet mogelijk was er een zitplaats op te vinden. Het grootste gedeelte van den dag lag Napoleon er op te lezen. De muren waren met nankin van een bruinachtige kleur behangen, waarlangs een rand liep met bloemen beschilderd. En midden tusschen deze misère, een prachtige waschtafel, een der laatste overblijfselen uit den tijd van zijn grootheid, met kommen en lampetkannen van zilver. De andere luxe voorwerpen, die zich te midden van de armoê-zooi bevonden, waren een portret van Marie Louise met den Roi de Rome in haar armen, door Isabey, geschilderd. Daarnaast, een weinig meer naar rechts, op de witgeschilderde, houten schoorsteenmantel, een kleine, marmeren buste Aimée Thibault - The King of Romevan zijn zoon en langs de spiegellijst, waarvan het verguldsel bijna geheel was weggesleten, hingen vier miniaturen – behalve door Isabey, ook door Aimée Thibault geschilderd van den Roi de Rome; één, waarop hij op een schaapje zit ; het andere waarop hij is voorgesteld, terwijl hij zijn pantoffel aantrekt; een derde, als zuigeling nog, in een wieg, die de vorm van een helm heeft en nog één, geknield zijn avond-gebedje doende, met gevouwen handjes omhoog. Verder hing er nog een portret van Joséphine.

Aan een der muren de wekker, die aan Frederik de Groote had toebehoord en die Napoleon van Potsdam had meegenomen en het horloge, dat hij als eerste consul in Italië had gedragen, met een ketting, gevlochten uit het haar van Marie Louise. Op de planken schoorsteenmantel stonden ook nog twee candelabres, twee vergulde flacons en twee koffie-koppen, die in zijn groote reis-nécessaire behoorden. Ook hier hingen witmousseline gordijnen voor de vensters. Op den grond lagen eenige oude, verkleurde kleedjes Recht tegenover de stoorsteen, ter linkerzijde, was de deur, die tot zijn werkkamer toegang gaf. Daarin had hij een ander veldbed laten plaatsen, waarop hij – in slapelooze nachten nu en dan, tot afwisseling met het bed in zijn slaapkamer – rust zocht. Verder bestond het ameublement uit een schrijftafel een paar planken, die als boekenkast dienst deden en lagen er eenzelfde soort oude en versleten kleeden op den grond als in zijn slaapkamer.

En de Engelsche regeering liet het toe, dat hij, de grootste van zijn tijd, Hij, die gewoond had in de rijke, groote, vorstelijke paleizen van schier alle hoofdsteden van Europa, het einde van zijn schitter-bestaan, triest moest door-kwijnen tusschen zulk een armoê·zooi: dat Hij in zulk een armoedige, troosteloos-leelijke vergane en versleten omgeving zijn laatste jaren moest heenleven! En dan beroemde zij zich er op en beklaagde zich er tevens over, dat het onderhoud van Napoleon haar zooveel geld kostte! Eén groote troost echter had zij in haar grootmoedigheids-klachten, namelijk – zooals Cockburn als verontschuldiging schreef – “dat het hem was gelukt het ameublement tegen de laagst-mogelijke prijs op te koopen!”

Wijl Longwood slechts een tijdelijk verblijf zou zijn, had de Engelsche regeering beloofd er voor te zorgen, dat er een nieuwe en betere woning voor Napoleon zou worden gebouwd. Inderdaad werd er, een eindje van “Oud Longwood” verwijderd, een betere woning “Nieuw Longwood” opgericht. Napoleon heeft haar nooit betrokken. Behalve, dat Bathurst, in de grove ploertigheid, die zijn burgerafkomst niet verloochende, een ijzeren hek had gezonden, dat er om heen moest worden geplaatst en Napoleon weigerde om in een “kooi” te wonen, was het – toen het huis eindelijk klaar was – ook tevens te laat. De Keizer is in het oude, schandelijk vuile krot gestorven!

In 1819, toen de gezondheid van den Keizer, een verbetering te zien gaf, die slechts tijdelijk zou blijken te zijn en toen hij zich wat meer opgewekt voelde uit den apathischen toestand, waarin zijn omgeving vreesde hem te zullen zien heen-zwakken, bedacht het mindere personeel, om hem genoegen te doen en hem te verrassen, zijn kamers – waar langzamerhand alles op, versleten en vervuild was – wat op te Louis-Joseph Marchandknappen. Onder de leiding van Marchand, die – wijl Napoleon voor geen geld Engelsche werklui in zijn woning wilde hebben – beloofd had alles alleen met de andere bedienden te zullen doen, maakte men de muren schoon en beplakte ze, na het nankin-bekleedsel te hebben weggenomen, met wit papier en spande daarover wit neteldoek; de zolderingen werden gewit, de meubelen schoongemaakt en gevernist. Het behangsel van neteldoek, in breede plooien gevouwen – met boven-langs een schuif, waardoor een koord liep, die geborgen was achter een smaller-gepijpte rand – was zoodanig gemaakt, dat men het geheel in een paar uur kon veranderen. Het veldbed in de slaapkamer werd van nieuwe, groen-zijden gordijnen voorzien; de knoppen werden er van weggenomen en vervangen door adelaars van het zilveren servies. De versieringen van de muren werden veranderd: ieder gaf, wat hij kon denken, dat den Keizer plezier zou doen. In een cassolette brandden een paar kaarsen, die een zacht licht verspreidden. “Die is niet langer een kamer”, zeide de Keizer toen alles klaar was, “dit is het boudoir van een onbelangrijke maîtresse.”

Na de slaapkamer kwam de werkkamer aan de beurt. ”De keizer”, schrijft Marchand. “heeft mij meerdere keren verteld dat, als hij ziek zou worden, zijn bedden te smal zouden zijn; de graaf De Montholon had er een van verguld koper die hij in de stad had gekocht. Hij bood mij aan om in de tweede slaapkamer te gaan slapen. Er zijn groene gordijnen gekocht voor deze slaapkamer. Ik had het dekbed gevuld en ik had ook de kussensloop gevuld met kant, dus zou dit bed eigenlijk alleen maar een paradebed moeten zijn. Een spiegel, anderhalve meter hoog en drie en een half breed, en twee kleine boekenkasten maakten de inrichting compleet. De keizer leek erg tevreden; alleen toen hij naar bed ging, zei hij: ‘Ik wil niet dat Montholon afziet van zijn bed! Hij moet het terugkrijgen. Zoals gewoonlijk veranderde hij ’s nachts van bed, naar het koperen bed en merkte dat hij daar erg slecht lag. Al dat kant, zei hij de volgende ochtend, is goed voor Madame de maarschalk en hij liet het mooie bed vervangen door zijn tweede veldbed’

Het gevolg en het bedienden-personeel waren al niet veel beter gehuisvest. Achter het hoofdgebouwen daarvan door een altijd-modderig binnenplaatsje gescheiden, waarop de kamers der bedienden, die later werden bijgebouwd, uitkwamen, had men een verzameling kamertjes en schuurtjes neergezet, waarin zich, onder anderen, de stallen bevonden. Achter de bediendenkamertjes volgde de keuken en daarnaast een klein, vierkant hokje, waarin Las Cases werd ondergebracht: langs een touwladder kon zijn zoon, door een luik, op den zolder komen, waar hij niet anders kon dan liggen. Aan de andere zijde bewoonde de familie de Montholon – de vader, de moeder en het vierjarig zoontje – drie kamers: één, grooter dan die van den Keizer, een antichambre en een cabinet. In den beginne – zoolang tot men tusschen de keuken en het gebouwtje van de Montholons drie kamers voor de beide Las Cases en hun bediende, twee voor Gourgaud, één voor O’Méara en één voor den wachthebbenden Engelschen officier zou hebben bijgebouwd – woonden de drie laatsten in een tent. De bedienden waren op de zolders, waar men vloeren had gelegd, ondergebracht. Zij konden er niet of ternauwernood rechtop staan en de hitte was er ondragelijk. De Bertrands woonden in den beginne op Hut’s gate, een eind van Longwood verwijderd, maar betrokken later een tamelijk geschikt gebouwtje, dat men op een drie honderd pas afstands van Longwood voor hen had neergezet.

Tot rechtvaardiging van admiraal Cockburn moet worden gezegd, dat hij zich voor zoo veel het in zijn vermogen lag, alle moeite gaf om Napoleon ter wille te zijn. Nadat hij met de grootst mogelijke haast de huisvesting van den Keizer had bezorgd, beijverde hij zich om zoowel de kamers van de officieren als de woning van de Bertrands in orde te brengen. Het waren wel geen schitterende verblijven, met muren, die door een beetje hevige wind konden worden omgeblazen en daken van asfalt-papier, maar het gevolg van Napoleon wasten minste onder dak. En wat het bedienden-personeel betreft, was het geen kleinigheid hen binnen een kort tijds-verloop een woning te bezorgen!

Dit item was geplaatst door Muis.