ODALISKEN – 37
Jacqueline Marval (Quaix-en-Chartreuse, oktober 1866 – Parijs, 28 mei 1932) werd geboren als Marie-Joséphine Vallet in een piepklein dorpje in de buurt van Grenoble. Haar beide ouders waren hier onderwijzer en aanvankelijk volgde ze ook en opleiding in dezelfde richting. Ze kwam er snel achter dat dit toch niet haar roeping was. Ze huwde met de handelsreiziger Albert Valentine. Het zoontje dat ze kregen stierf echter al na zes maanden. Een gebeurtenis die bij haar diepe sporen naliet, zorgde voor grote spanningen in het huwelijk en een snelle scheiding in 1891. Op 25-jarige leeftijd vestigde ze zich in Grenoble, waar ze aan de slag ging als naaister van vesten. In Grenoble ontmoette ze in 1894 de kunstschilder François-Joseph Girot (Grenoble, 25 augustus 1873 – Dugny, 8 mei 1916) en trok met hem naar Parijs. Deze Girot en zijn vriend Jules Flandrin (Corenc, 9 juli 1871 – Corenc, 25 maart 1947) waren in Parijs leerling van Gustave Moreau (Parijs, 6 april 1826 – aldaar, 18 april 1898), een gerenommeerd schilder van symbolistische allegorieën. Het moet een bijzonder tweetal zijn geweest. Flandrin was een fanatiek anarchist en atheïst, terwijl echtgenoot Girot behoorlijk religieus was. Het samenzijn van Vallet en Girot duurde dan ook niet lang. Al in 1895 ging het tweetal weer uiteen. In 1900 trad de 29-jarige Girot in bij de benedictijnse abdij En Calcat in Dourgne (Tarn) waar hij in juni 1907 tot priester werd gewijd. Op 7 mei 1916 raakte hij tijdens gevechten rond Verdun dodelijk gewond in Dugny en stierf gedurende de nacht in de ambulance. De 43-jarige priester Girot diende toen als soldaat 2e klas als verpleegster-brancarddrager als kapelaan.
In 1895 ging Marie-Joséphine Vallet dus samenwonen met de andere kunstschilder, Jules Flandrin. Ze zouden ruim dertig jaar bij elkaar blijven. Het stel ging samenwonen in Montparnasse, dat in deze periode uitgroeide tot het internationale verzameloord van avant-gardekunstenaars. Ook Vallet ging zich hier toeleggen op de schilderkunst en noemde ze zich vanaf dat moment Jacqueline Marval, een samenstelling was van haar voor- en achternaam MARie VALlet. Ze werkte voornamelijk als schilder, maar ze maakte ook lithografieën, aquarellen, pastels, gravures, wandtapijtontwerpen en experimenteerde met beeldhouwkunst. Al in 1900 bood ze enkele werken aan bij de Salon des Indépendants, maar deze werden toen nog geweigerd. Een jaar later had ze meer succes en werden al haar werken opgekocht door de bekende kunsthandelaar Ambroise Vollard, die geldt als de grote baanbreker voor de moderne kunst.
In 1902 exposeerde Marval en Flandrin samen met Albert Marquet en Henri Matisse. Marval raakte snel bevriend met onder meer Kees van Dongen en Francis Picabia. Picabia vroeg haar in 1914 om haar werk De Odalisken (gemaakt in 1903) tentoon te stellen op zijn spraakmakende avant-gardistische paviljoen op de Armory Show te New York. Daar waren de nieuwe kunstrichtingen Impressionisme, Fauvisme en Kubisme ruim vertegenwoordigd. De expositie trok het ongekende aantal van 75.000 bezoekers, waarna de show werd doorgetrokken naar andere Amerikaanse steden. Bij het grote publiek was de kritiek echter vernietigend. Ook de pers en critici spraken van ‘oplichterij, geestesziek, immoreel, anarchistisch, caricaturaal, gedegenereerd en gewoon belachelijk’. President Theodore Roosevelt verklaarde ‘That’s not art!’, maar de autoriteiten lieten de tentoonstelling wel ongehinderd plaatsvinden. Mikpunt van de ergste kritiek werden vooral Henri Matisse, die met veel werk aanwezig was en Marcel Duchamp met zijn in 1912 gemaakte kubistische/futuristische Nu descendant un escalier No. 2, nu een monumentaal werk. Het werk Les Odalisques van Jacqueline Marval werd echter wel erg geprezen. Het is dan ook een tamelijk realistisch tableau met vijf min of meer naakte odalisken voor een blauwgroen gordijn. Het werk werd in 1933 door een zusje van de inmiddels overleden Marval geschonken aan het Musée de Grenoble. Er zijn kunstcritici die beweren dat dit schilderij voor Pablo Picasso de inspiratiebron van zijn beroemde Les Demoiselles d’Avignon.

