DE HASJIESJ

John Greenleaf Whittier (Haverhill, Massachusetts, 17 december 1807 –Hampton Falls, New Hampshire, 7 september 1892) was een Amerikaans quaker, hervormer en dichter die behoorde tot de groep van de Fireside Poets. Dat was een groep negentiende-eeuwse Amerikaanse dichters uit New England, waartoe onder meer ook Henry Wadsworth Longfellow, William Cullen Bryant, James Russell Lowell en Oliver Wendell Holmes sr. werden gerekend. In hun tijd behoorlijk populair, maar tegenwoordig wordt hun werk beschouwd als te burgerlijk, moraliserend en sentimenteel en nog maar nauwelijks gelezen. Ze wilden vooral schrijven voor het gewone volk, dat hun verhalen door gezinnen rond de haard (de ‘fireside’) werden gelezen en verteld. Ze behandelden onderwerpen uit het huiselijk leven, de mythologie en de politiek van de Verenigde Staten. Met name John Greenleaf Whittier was daarbij een gedreven actievoerder voor humanitaire zaken, met name de afschaffing van de slavernij. Vanaf 1833 profileerde hij zich als abolitionist. Hij was vanaf zijn jeugd nauw bevriend met William Lloyd Garrison, wiens compromisloze optreden ervoor zorgde dat in de noordelijke staten van de Verenigde Staten steeds meer het besef doordrong dat het houden van slaven uit den boze was en dat de slavernij ten onrechte als een onvermijdelijk iets werd gezien. Garrison wees zijn publiek op allerlei afschuwelijke voorvallen en trok fel van leer tegen de slavenhouders en allen die het voor hen opnamen omdat zij in zijn ogen beulen en mensenhandelaren waren. Hij bestreed dat de eigenaars van de slaven zekere rechten over hen hadden en was evenmin bereid met een compromis genoegen te nemen of uitstel te duiden.

John Greenleaf WhittierWhittier trok als dichter en politicus iets minder fel van leer, maar wel even compromisloos. In 1834–35 zat hij in het parlement van de staat Massachusetts en hij was een van de oprichters van de Amerikaanse Republikeinse partij, die toen heel wat progressiever was dan vandaag de dag. Wie een foto van hem bekijkt, kan zich amper voorstellen dat deze gedistingeerde man zo nu aan dan eens lekker een joint zou roken. Toch schreef hij een lang gedicht waarin de geneugten van marihuana werden beschreven. Het was een van zijn gedichten om zich op zo’n manier af te zetten tegen de slavernij. In die gedichten ging hij tekeer tegen de manier waarop katoenplantages uitgebaat werden. Dat waren in het zuiden van de Verenigde Staten ondernemingen die de slavernij in stand hielden. Hij keerde zich tegen een elite die om geldgewin deze vorm van uitbuiting verdedigde. Whittier beschreef de voorstanders van de democratie die tegelijk pro-slavernij waren, de geestelijken die geen tegenstelling zagen tussen een deugdzaam leven en het tegelijkertijd erop nahouden van slaven en de rechters die de slavernij vrijpleitte. Volgens Whittier is de geest van die mensen méér beneveld dan van mensen die zo nu en dan een hasjpijpje opstaken. Als fervent anti-roker vind ik dat toch wel een te verdedigen standpunt.

De Vlaamse schrijver-dichter Flor Vandekerckhove vertaalde op zijn blog De Laatste Vuurtorenwachter  Whittiers gedicht The Haschisch. Voor een wat beter begrip van de diverse namen en begrippen die in het gedicht de revue passeren hier enkele links voor eventueel gewenste verduidelijking: AlmahEblisZoroastrismeHoeriZwabenWalpurgisnachtTokayMoellahMuezzinFilibuster.

The Haschish

Dit item was geplaatst door Muis.