NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 23
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
VIERDE HOOFDSTUK (6e deel)
Wie over hem heeft geschreven – zelfs zijn verdediger Forsyth, die aanteekent, dat hij niets bezat, waardoor hij, ook voor zijn beste vrienden, een aantrekkelijke persoonlijkheid was – heeft van hem gezegd, dat hij een kleingeestig, benepen karakter had, dat hij onwetend was, prikkelbaar, zonder eenige takt. Zelfs zijn uiterlijk was afstootend: ‘Als hij me aankeek, was zijn oog als dat van een hyena die in een val is gevangen’. zeide Napoleon van hem, den eersten keer, dat hij hem zag. En lord Rosebery verhaalt hoe een lady Granville, die hem twee jaar, nadat hij St. Helena had verlaten. ontmoette, hem het uiterlijk vond hebben van een duivel. Maar vooral was hij zoo verre van een gentleman, waren al deze eigenschappen al voldoende om Napoleon een mindere sympathie voor hem in te boezemen, het feit, dat hij de “Corsican Rangers,” die in de oogen van Napoleon zeker rebellen waren, onder zijn bevelen had gehad, en daarmee tegen Frankrijk had gevochten, maakten hem antipathiek.
Wanneer men, zoowel in het Mémorial als elders, de beschrijving leest van het gedrag van Hudson Lowe tijdens zijn gouverneurschap op St. Helena, is men onwillekeurig gedwongen zich af te vragen, of hij aan chronisch alcoholisme dan wel aan een psychose leed, zóó vreemd en onsamenhangend, waren zijn handelingen, hij zelf zoo moeilijk te begrijpen, zoo lastig om mee om te gaan of om mee te redeneeren! Indien men dezen indruk alleen uit het Mémorial, uit het Journal van Gourgaud of uit andere geschriften van Fransche zijde zou krijgen, zou men dien nog aan een begrijpelijke eenzijdigheid van voorstelling kunnen toeschrijven. Maar andere, die men niet van vooringenomenheid
tegen Hudson Lowe of van overgroote ingenomenheid met Napoleon en de zijnen kan verdenken – zooals Sturmer, de Oostenrijksche commissaris, Balmain, die van Rusland, die later zijn schoonzoon werd, van Walter Scott en zelfs van Wellington, om van 0’Méara en van Antommarchi niet eens te spreken – schrijven in een zelfden toon en hebben eenzelfde, overeenstemmend oordeel over zijn gedragingen.
‘Het zou moeilijk zijn geweest’, schreef Stürmer erover, ‘om in Engeland een meer ongemakkelijke, extravagante en meer onaangenaam iemand te vinden. Zijn vijanden noemen hem ‘slecht’. Ik geloof het niet. De meeste van zijn daden moeten worden toegeschreven aan een karakter met een eigenaardigheid als geen ander. Ik weet niet door welke fataliteit Hudson Lowe altijd met iedereen ruzie krijgt. Overweldigd door het gewicht van de verantwoordelijkheid die hij draagt, raakt hij geagiteerd, kwelt hij zichzelf voortdurend en voelt hij de behoefte om anderen te kwellen. Hij maakt zichzelf hatelijk. De Engelsen vrezen hem en vluchten voor hem, de Fransen kan het niets schelen, de commissarissen klagen erover, en iedereen is het erover eens dat hij een boosaardig karakter heeft’. Balmain laat zich zo uit: ‘De gouverneur is geen tiran, maar hij is lastig en onredelijk. Lowe kan met niemand overweg en ziet overal verraders en verraad… Hudson Lowe is bekrompen, een man wiens verantwoordelijkheid die hem is toevertrouwd hem verstikt, doet beven, wie door het minste of geringste gealarmeerd wordt, hij breekt zijn hoofd over kleinigheden en doet dat met moeite, terwijl hij zich veel opwindt, wat een ander bijna zonder enige opwinding zou doen. Als je hem tegenwerkt, wordt hij woedend, weet niet meer wat hij zegt, waar hij is, verliest zijn verstand, dus dat er geen manier is om hem weer tot rede te brengen. Omgaan met hem en het goed met hem hebben zijn twee onmogelijke dingen. Hij is lastig en onredelijk. Hij doodt zijn wereld met speldenprikken. Het is een zwakke, verwarde geest die is bang voor kleine dingen.’ Walter Scott zegt in zijn The Iife of Napoleon ‘er zou een: zeer krachtig pleidooi, van den kant van Hudson Lowe nodig zijn, om ons de meening te geven, dat hij de zeldzame man was, met een zóó hoog karakter, zooals wij reeds hebben gezegd, waaraan een dergelijke belangrijke opdracht had kunnen worden to
evertrouwd.’ En Wellington, die geen grootmoedig vijand was en die van meenig was, dat Napoleon zich niet over zijn lot op St. Helena had te beklagen, oordeelt, volgens Lord Roseberry: ‘De keuze van Sir Hudson Lowe was een afschuwelijke! Het ontbrak hem zoowel aan opvoeding als aan oordeel. Het was een gek, die niets van de wereld wist en die, zooals iedereen, die niets van de maatschappij weet, wantrouwend en jaloersch was.’
Een waardig dienaar van zijn meester, Castlereagh, zag hij, als deze, overal en in iedereen samenspanning, samenzwering en verraad. Zelfs admiraal Sir Pulteney Malcolm, het hoofd van de oorlogschepen, die om St. Helena waren gedetacheerd, tegen wien geen enkel bewijs ooit kon worden ingebracht, dat hij Hudson Lowe zou hebben verraden of dat hij een minder edele rol zou hebben gespeeld, laat hij door spionnen omringen en nauwkeurig diens gangen nagaan en onderwerpt hem aan een zóó onbehoorlijk en kwetsend verhoor telkens wanneer deze Napoleon heeft bezocht en met hem heeft gesproken, dat Malcolm eindigt met zich kwaad te maken en met de meest vijandige gevoelens bezield van hem weggaat. Hudson Lowe voelde zich niet opgewassen tegen zijn taak; hij was niet bestand tegen het gevoel van macht-hebben, dat bij hem – zooals zoo dikwijls bij bekrompen en kleinzielige individuen geschiedt – de neiging, de lust tot tiranniseeren en de overtuiging deed ontstaan, dat iedereen hem moest gehoorzamen en dat niemand anders mocht handelen en doen dan zooals hij het goed vond en veroorloofde. Te vergeefs heeft de Engelsche advocaat Forsyth – door zijn werk ‘Napoleon at St. Helena and sir Hudson Lowe’ dat in 1853 is verschenen en dat uit de papieren, stukken en bescheiden is saamgesteld, die Hudson Lowe in plus minus drie en twintig kisten verpakt, mee van St. Helena heeft gebracht – getracht zijn nagedachtenis in eere te herstellen en te weerleggen wat er kwaads van zijn gouverneurschap en zijn handelingen tegenover Napoleon is gezegd. Zoo wel de documenten van Lowe zelf, als de andere waaruit Forsyth zijn gegevens heeft geput, zijn te eenzijdig dan dat men daarop, als zouden zij de waarheid bevatten, kan vertrouwen.
Er zijn maar twee Engelschen, die een gunstig oordeel over hem geven. Henry, die als officier van gezondheid op St. Helena was gedetacheerd en een anoniem schrijver van een roman. Beider opvattingen echter zijn waarschijnlijk ingegeven onder den invloed der charmes van Lady Lowe, en van de vriendelijke ontvangst, die zij op Plantation House genoten. Die van Henry zeker, wiens oordeel in den beg
inne volstrekt niet zoo welwillend was als later, toen hij een welkome gast op Plantation House was geworden en het gezelschap van Lady Lowe en van haar dochters een groote vergoeding voor hem was voor het vervelende van het leven op St. Helena en voor den omgang met den gouverneur.
‘De bewaking van Napoleon’, zegt Walter Scott, ‘eischte iemand van een buitengewone geestkracht, niet in staat, zelfs niet voor een kort oog en blik, zijn oordeel voor zijn gevoelens te doen wijken, bekwaam om onmiddellijk de drogredenen te begrijpen en te weerleggen, die men zou aanvoeren om hem van het eerlijke en moedige vervullen van zijn plichten af te brengen. Doch naast deze zeldzame eigenschappen, had hij de bijna even zeldzame eigenschappen moeten bezitten van een onbepaalde koelbloedigheid en een edelmoedigheid die, krachtig door zijn eergevoel en zijn eerlijkheid, hem met kalmte, medelijden, dag in dag uit, uur na uur, de uitwerking konden doen beschouwen, welke zóó verschillende oorzaken op een zóó buitengewone persoonlijkheid hadden en die deze martelden, hinderden en in een toestand van voortdurende geprikkeldheid hielden.’
Indien Hudson Lowe niet zulk een benepen en kleine ziel zou hebben gehad, wanneer zijn karakter nobeler en beter zou zijn geweest, zijn inzicht en zijn verstand groot genoeg om te begrijpen, dat hij door zijn functie tegenover een groot man kwam te staan, zou hij zich zelf veel moeilijkheden en Napoleon veel verdriet hebben kunnen besparen. Trouwens, dat men hem voor gouverneur van St.-Helena en voor gevangenbewaarder van Napoleon uitkoos, en dat hij een post als de zijne, onder zulke instructies als men hem had gegeven, aanvaardde, is bewijs genoeg, dat men hem beschouwde en kende als een kleine, bekrompen man en dat hij iemand zonder karakter, ontbloot van alle eergevoel was, niet in staat om iemand op een andere wijze te zien dan hij zelf was, dan hij zich zelf zag en voelde en die iedereen afmat naar denzelfden kleinzieligen en benepen maatstaf waarnaar hij zelf was aangelegd. Zelfs terwijl hij de instructies van zijn regeering zou hebben gevolgd, zou hij – wanneer hij niet van alle noblesse ontbloot zou zijn geweest – het verblijf op St.-Helena voor Napoleon zoo niet hebben kunnen veraangenamen, dan toch minder onaangenaam maken. In veel gevallen echter suggereerde hij – wanneer de Engelsche regeering ze niet uit zich zelf gaf – nieuwe dwangmaatregelen, nieuwe kwellingen en nieuwe plagerijen, die hij dan, nadat zij door Castlereagh, Bathurst of andere regeeringspersonen waren goedgekeurd, als komende van hen, die boven hem gesteld waren, toepaste!
Trouwens, alle maatregelen, die Hudson Lowe nam, waren van dien aard, dat zij aanleiding moesten geven tot verschil van meening en tot twist tusschen hem en Napoleon of diens gevolg. Zijn geheele gouverneurschap was één aaneenschakeling van bespottelijke kinderachtigheden, van karakterloosheid, willekeur, plagerijen en onwijsheden en men kan ze bij handenvol uit de bladzijden van zijn herinneringen aan het verblijf op St.-Helena putten. Hij weigerde het boek, over de Cent Jours dat hem door den schrijver zelf, door Hobhouse voor Napoleon was toegezonden, dezen te doen overhandigen, omdat de opdracht er van luidde: “Imperatori Napoleoni”, maar zond hem wèl – om, naar hij beweerde, zijn vriendschappelijke gevoelens te kennen te geven en was er over verwonderd, dat men die niet erkende, – een pamflet van de Pradt en een boek van Goldsmith, waarin Napoleon op de gemeenste manier wordt uitgescholden! De Engelsche kapitein – die van den geneesheer, welke kort voor Napoleons dood bij hem in consult was geweest en wien de Keizer uit dankbaarheid een boek over Marlborough ten geschenke had gegeven – dit voor de bibliotheek van zijn regiment had ontvangen en aangenomen, werd door Hudson Lowe gedwongen zijn functies neer te leggen, beschuldigd zich te hebben laten omkoopen.
Wanneer Montchenu, de Fransche commissaris, die zoo’n beetje liefhebbert in tuinbouw, van Montholon witte en groene pronkboonen heeft gekregen, vindt Hudson Lowe daarin een verdacht teeken! In de witte boonen ziet hij een toespeling op het wapen van de Bourbons, in de groene een op de livrei der bedienden van Napoleon en stuurt daarover een gewichtigen brief aan zijn gouvernement. Het komt hem voor, schrijft hij daarin, dat de Marquis de Montchenu meer in de vormen zou hebben gehandeld, door ze te weigeren; maar nu hij dat niet heeft gedaan, had hij alleen de witte moeten aannemen!
De kinderen van Bertrand gaan op een dag bij Montchenu déjeuneeren. De kleine jongen, die een portret van Lodewijk den 18de ziet hangen, vraagt: wie die “dikzak” is en roept, nadat men het hem heeft gezegd, uit dat dit een groote schelm moet zijn; terwijl zijn zusje Hortense een grooten afkeer tegen de witte cocarde vertoont, waarover men zich niet kan verwonderen, waar men haar altijd heeft gezegd, dat de partij, die deze draagt haar familie heeft geruïneerd en haar vader ter dood heelt veroordeeld. De gezegden van deze twee kinderen worden hoogst nauwkeurig en als van het hoogste gewicht door den gouverneur aan zijn regeering overgebracht!
Hudson Lowe, zelf ontbloot van alle noblesse en zelf karakterloos, kon bij een ander noch noblesse, noch karakter veronderstellen. Hij begreep niet eens welke beleedigingen hij Napoleon aandeed en welke deze hem – de weinige keeren, dat hij een altereatie met hem heeft gehad – toevoegde. Hij had de onbehoorlijkheid hem een uitnoodiging voor een diner te zenden, geadresseerd aan den “generaal Bonaparte”, met de bijvoeging, dat er een dame was, die hem gaarne zou willen ontmoeten: ‘Als de regelingen van Generaal Bonaparte het niet verhinderen, vragen Sir Hudson Lowe en Lady Lowe hem om maandag om zes uur bij hen te komen dineren, om de Comtesse te ontmoeten. Ze vragen Graaf Bertrand om hem van deze uitnodiging op de hoogte te stellen en zijn antwoord aan hen door te sturen.’ De ‘Comtesse’ was lady Loudon, de echtgenoote van lord Moira, den gouverneur generaal van Indië. De Keizer, aan wien Bertrand deze uitnoodiging overbracht, antwoordde er niet eens op. En toen Montholon spottend tot Hudson Lowe zeide dat de Keizer geen gebruik van zijn uitnoodiging kon maken, omdat Plantation House buiten de grens lag, waar de Keizer zonder geleide van een Engelsch officier kon gaan, had Hudson Lowe de schaamteloosheid om te antwoorden, dat wanneer het niets anders was, hij hem wel zelf zou begeleiden en escorteeren! Dat alles verhinderde niet, dat hij drie maanden later den Keizer nogmaals een uitnoodiging zond om den avond bij hem en lady Lowe te komen doorbrengen, ter viering van den verjaardag van den Prins Regent. Ditmaal weigerde Bertrand de uitnoodiging over te brengen. Lady Lowe was tenminste zoo verstandig om, naar aanleiding van dit geval te bekennen, dat zij den Keizer gelijk gaf met niet bij hen te willen komen.
