WAAROM DE KABOUTERS UIT KEULEN ZIJN GEVLUCHT
In 1816 tekende gebroeders Grimm de mondelinge overlevering Des kleinen Volkes Hochzeitsfest auf der Eilenburg op in een bundeling sagen: ‘De kleine mensen van Eilenburg wilden op een dag een bruiloft vieren en daarom gingen ze ’s nachts door het sleutelgat en de kieren van het raam de hal in en sprongen op de gladde vloer, alsof ze erwten op de dorsvloer gooiden. De oude graaf, die in het hoge hemelbed in de hal sliep, werd wakker en was verbaasd over de vele kleine mannetjes. Toen kwam een van hen, uitgedost als een heraut, naar hem toe en nodigde hem beleefd en met toepasselijke woorden uit om deel te nemen aan hun feest. “Maar één ding vragen wij,” voegde hij toe, “dat alleen u aanwezig bent; Geen van uw hofdienaren mag het feest aanschouwen, zelfs niet met een enkele blik.’ De oude graaf antwoordde vriendelijk: ‘Omdat je mijn slaap hebt verstoord, wil ik ook bij je zijn.’ Nu werd er een klein vrouwtje bij hem gebracht, kleine lampiondragers stelden zich op en er klonk krekelmuziek. De graaf had er moeite mee om de vrouw tijdens de dans niet kwijt te raken. Ze sprong zo gemakkelijk naar hem toe en draaide zich ten slotte zo ver om dat hij nauwelijks adem kon halen. Maar midden in de vrolijke dans stond alles plotseling stil. De muziek stopte en de hele menigte haastte zich naar de kieren van de deuren, muizengaten of waar dan ook een schuilplaats was. Maar het bruidspaar, de herauten en de dansers keken omhoog naar een opening in het plafond van de zaal en ontdekten daar het gezicht van de oude gravin, die ondeugend naar het vrolijke gezelschap keek. Vervolgens bogen ze voor de graaf, en degene die hem had uitgenodigd kwam weer naar voren en bedankte hem voor de gastvrijheid die hem was betoond. ‘Maar omdat’, zei hij toen, ‘onze vreugde en ons huwelijk zo verstoord zijn dat een ander mensenoog er oog voor heeft gekregen, zal jullie gezin vanaf nu nooit meer dan zeven Eilenburgers tellen.’ Toen renden ze snel, de een na de ander, naar buiten; Al snel werd het stil en de oude graaf was weer alleen in de donkere hal. De vloek duurt tot op de dag van vandaag voort, en één van de zes nog levende ridders van Eilenburg is altijd gestorven voordat de zevende werd geboren.’
Het verhaal heeft waarschijnlijk als inspiratiebron gediend voor enkele verhalen van uit de zogenaamde Kölner Heinzelmännchensage, die in 1826 verscheen in het werk van de Keulse schrijver Ernst Weyden (1805–1869), met als inleiding: ‘Es mag noch nicht über fünfzig Jahre seyn, daß in Cöln die sogenannten Heinzelmännchen ihr abentheuerliches Wesen trieben. Kleine nackende Männchen waren es, die allerhand thaten, Brodbacken, waschen und dergleichen Hausarbeiten mehrere; so wurde erzählt; doch hatte sie Niemand gesehen.‘
Eerder hier al een drietal kleine Kabouterverhaaltjes en het wat langere verhaal van de gebroeders Grimm, De kabouter en de schoenmaker.
Waarom de kabouters uit Keulen zijn gevlucht
In Keulen aan de Rijn moet het vroeger een heerlijke tijd zijn geweest. Ik weet zeker, dat ieder van ons toen best in Keulen had willen leven en werken. Of eigenlijk alleen maar leven, dé kabouters deden namelijk al het werk. Een bakker bijvoorbeeld hoefde ’s avonds alleen maar meel, water en gist klaar te zetten en op tijd naar bed te gaan. ’s Nachts kwamen de kabouters, kneedden het deeg, roerden het met een grote lepel door elkaar, lieten het rijzen en ze bakten tot de ochtendschemering aanbrak, en iedere huisvrouw en ieder dienstmeisje naar de winkel kwam om de heerlijk geurende broden te kopen. Ja, in Keulen aan de Rijn wemelde het destijds van de kabouters. En niemand wist, waarom ze juist deze stad hadden uitgekozen en de Keulenaars zo verwenden. Ze hielpen de handwerkslieden en huisvrouwen, ruimden het speelgoed van de kleine kinderen op, wasten de vaat voor de dienstmeisjes en lapten zelfs de ramen. Hoe die vlijtige kleine helpertjes eruit zagen, wist niemand. Ze droegen namelijk kappen, die de toverkracht bezaten hen onzichtbaar te maken. Ze waren echter wel te horen. Niet, dat ze lawaai maakten, maar als het heel stil was kon men horen, hoe ze rondliepen, bezig waren en geen ogenblik rust namen.
Voor een jonge Keulse kleermaker toonden ze een speciale voorkeur. Hij was flink, eerlijk en goedhartig, en dat was waarschijnlijk ook de reden waarom de kleine mannetjes hem zo bijzonder graag mochten. Als hij aan een kledingstuk bezig was, dat de volgende dag af moest en zolang zat te naaien tot zijn ogen van vermoeidheid dichtvielen, lag het, de volgende ochtend, keurig geperst, voor hem klaar. Het duurde niet lang, of hij hoefde eigenlijk alleen nog maar de kleren of de stoffen bij de klanten te halen – en de volgende dag hadden de kabouters all
es netjes afgewerkt, en zo fijn, dat geen koninklijk atelier het netter zou hebben afgeleverd. Daarom gaven veel mensen de voorkeur aan de jonge kleermaker, die ze niet alleen hoogachtten, maar ook met opdrachten overstelpten. En weldra had hij zoveel geld gespaard, dat hij aan trouwen kon gaan denken.
Hij zocht een aardig en vlijtig meisje, dat hem goed beviel, en maakte haar tot zijn vrouw. De kabouters hielpen ook haar. Ze ruimden de boel op, veegden de vloer, wasten de vaat en dikwijls maakten ze zelfs een smakelijke maaltijd voor de volgende dag klaar. En toen er een kind werd geboren, stond er altijd wel een kleine kabouter bij de wieg en schommelde het kleintje zachtjes in slaap. Maar de jonge vrouw van de kleermaker had één gebrek. Ze was namelijk verschrikkelijk nieuwsgierig. Door haar man en diens vrienden wist ze, dat er in dit huis veel kabouters waren, en ook was ze er zich van bewust, dat een gewone sterveling ze nooit te zien mocht krijgen en ze niet aan het schrikken mocht maken, opdat ze niet voor altijd de vlucht zouden nemen. Maar de laatste tijd kon ze aan niets anders denken, dan hoe ze het aan moest leggen, ze tenminste één keer te kunnen zien. De nieuwsgierigheid liet haar niet met rust, en op zekere dag maakte ze haar man er deelgenoot van.
Deze keurde, hevig geschrokken, de handelwijze van zijn jonge vrouw af en probeerde haar ervan te overtuigen dat ze op die manier kans liepen hun goede leventje kwijt te raken. Maar tijdens hun gesprek had hij per ongeluk over de kappen gesproken, die de vlijtige mannetjes onzichtbaar maakten. En deze woorden wekten haar nieuwsgierigheid nog meer op, tot ze zich niet meer kon bedwingen en net zo lang nadacht, tot ze een plannetje had bedacht. Iedere nacht hoorde ze de kabouters tijdens hun onvermoeibare arbeid. Ze hoorde hun kleine voeten vlijtig de trappen op en af lopen. Als ze nu erwten op de trap strooide, zodat ze hun evenwicht zouden verliezen en uitglijden, zou er toch zeker wel eentje zijn, die zijn kapje zou verliezen en zich in zijn ware gedaante zou vertonen…
Zo gedacht, zo gedaan. Nadat ze de erwten op de trap had gestrooid, verstopte ze zich met een afgeschermde lamp in een hoek. Het liep tegen middernacht en in huis was alles in diepe rust. Alleen de kabouters niet, die werkten en zwoegden, poetsten en boenden, wasten de borden en naaiden de kleding, en voortdurend liepen ze de trap op en af. Tot er inderdaad een kleine kabouter uitgleed. Hij trok de tweede met zich mee, de tweede weer de derde en in een oogwenk gleden ze allemaal de trap af. En niet één, maar velen verloren daarbij hun kap. Toen de kleermakersvrouw het lawaai hoorde, pakte ze vlug haar lamp en hield hem omhoog. En nu zag ze de kabouters, klein en gedrongen, krombenig, met grote hoofden en kokkerds van neuzen. Aan hun kin hadden ze een paar stoppelharen. En toen de vrouw dat zag, vond ze het allemaal zo grappig, dat ze hardop begon te schateren.
Maar het lachen verging haar spoedig. Want plotseling doofde het licht van de lamp, alsof het door een boze kabouter met lange adem werd uitgeblazen. Enkele ogenblikken later heerste er een volslagen rust in het huis, en alles wees erop, dat de kabouters de vlucht hadden genomen. En ze waren inderdaad verdwenen. Niet alleen uit het huis van de kleermaker, maar ook uit alle andere huizen in Keulen aan de Rijn. Natuurlijk schold de kleermaker zijn nieuwsgierige vrouw de huid vol, maar dat heeft niet geholpen. De kabouters kwamen nooit meer in de stad terug. Toch hebben de Keulenaars als dank voor de bewezen weldaden een bron gebouwd, die ze de kabouterbron noemden.
