NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 25
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
VIJFDE HOOFDSTUK (1e deel)
In het eentonige, lichtlooze, illusielooze voortslepen van den tijd op Longwood, was het eenige wat Napoleon de uren kort kon doen schijnen, het eenige wat hem zijn dagen kon helpen doorkomen, den raad van Las Cases op te volgen en te werken. Zoodra hij Longwood voor goed had betrokken, was het eerste, wat hij deed, alles te regelen en zijn werk voort te zetten. Weldra echter bleek het, dat het werken met Las Cases en met Gourgaud niet genoeg voor hem was om zijn dagen te vullen. Daarom, en om aan een zekere ontstemming, die zich bij zijn omgeving – hoogst-waarschijnlijk een gevolg van hun gebrek aan bezigheid – begon te vertoonen, volgde hij nogmaals den raad van Las Cases, namelijk om hen alten te gelijk in zijn werk te betrekken en ieder op zijn beurt iets anders te dicteeren. “Maar”, schreef Las Cases, “de keizer had het nog niet druk genoeg.” Werk was zijn enige hulpbron, en wat hij tot nu toe had gedicteerd, had genoeg kleur gekregen om hem er nog meer aan te binden. Binnenkort zou het moment van zijn expeditie naar Egypte aanbreken; Hij had er vaak over gesproken om de Grootmaarschalk daar in te zetten; Wij die in de stad achterbleven, waren daarentegen ongelukkig in de stad en vonden het vervelend om ver van de keizer te zijn. Hun karakter raakte door deze omstandigheid verzuurd en allerlei ergernissen vergrootten hun verdriet. Ik stelde de keizer voor om ze allemaal samen in te zetten voor zijn werk en zo in één keer de campagnes van Italië, die van Egypte, het Consulaat, de terugkeer van het eiland Elba te bespreken.
De uren zouden voor hem korter worden; Dit prachtige werk, de glorie van Frankrijk, zou sneller vorderen en deze heren zouden veel minder ongelukkig zijn. Dit idee beviel hem wel en vanaf dat moment kwamen er regelmatig een of twee van deze heren om het dictaat van de keizer te ontvangen. Ze brachten het de volgende dag weer naar hem toe, bleven eten en zorgden er zo voor dat hij wat meer tijd had. Tegelijkertijd of bijna tegelijkertijd, behandelde hij dan ook, behalve den veldtocht van Italië, die hij aan Las Cases vóórzeide. den slag van Waterloo (dien Gourgaud heeft beschreven, doch waarvan het manuscript door Napoleon zelf is gecorrigeerd), de veldtocht van Egypte (doo
r Bertrand onder dictée opgeschreven en later door den zoon van Las Cases uitgegeven) en de terugkeer van Elba (door Montholon onder zijn aanwijzingen opgesteld). Ieder uit het gevolg was daardoor met een dubbele functie bekleed: behalve die van secretaris, die, waarmee de Keizer hem belastte met het oog op de regeling van het Huis.
Een grooten invloed op de groeiende ontstemming en verdeeldheid van het gevolg had die regeling der hofhouding echter niet, die de Keizer – als woonde hij nog op de Tuileriën – had ingesteld en die hij, zijns inziens, niet wilde of niet mocht verwaarloozen. Door het navolgen der regelen eener hofhouding immers, kwamen – behalve de kwesties over meer of mindere; honorarium en over den voorrang – de vroegere gevoelens over de gunst, waarin ieder meende te staan, over de mogelijke vooruitzichten mettertijd enz. enz, meer en wederom naar boven en begonnen zich weer de intrigues, al waren zij van kleiner afmeting dan voorheen, te laten gelden. Want voor het gevolg was en bleef Napoleon de Keizer en was het verkeer op Longwood – al verschilde het nog zóó hemelsbreed in pracht en praal bij vroeger vergeleken – het verkeer aan het Hof.
Napoleons titel van Keizer was een kwestie van principe geworden! Hoe luider Engeland verkondigde, dat Napoleon tot zijn dood op St. Helena zou gevangen blijven, des te meer was hij gedwongen aan te toonen en vol te houden, dat de gevangenschap, waarin men hem hield, onrechtvaardig was ; dat hij alleen door machtsmisbruik werd gevangen gehouden ; hij mocht geen gelegenheid laten voorbij gaan en moest zijn stem verheffen om het onbillijke er van te doen inzien. Hetzelfde was het geval met zijn titel! Hoe meer de Engelschen volhardden zijn titel te willen ontkennen, dien hij het recht heeft te voeren, des te meer is hij, van zijn kant, gedwongen dien te verlangen, hem hoog te houden en hem van iedereen, die hem naderde, te eischen. Daartoe wordt hij niet gebracht door ijdelheid, maar door zijn trots, een trots die de kwestie tot een principe-kwestie verheft! Vier keer door de Fransche natie gekozen; door den Paus gekroond, waardoor hij in de Dogen van iederen katholiek eenig en wettig Souverein is geworden; als zoodanig door alle keizers en koningen van het vasteland erkend, is zijn Keizerstitel even onontvreemdbaar als zijn pauselijke kroning kan worden te niet gedaan. De Engelschen echter durven hem dien titel ontnemen! Wat eens het Keizerrijk was, bestaat niet voor hen: één pennestreek en de volks-wil, de kroning, tien jaar – die tien jaar van 1804 tot 1814 – keizerrijk, zij hebben, evenmin als een Keizer, volgens hen, bestaan! Wat admiraal Cockburn durfde schrijven : “Ik ken de persoon die u met de titel keizer benoemt niet: er is niemand op dit eiland die ik kan beschouwen als iemand die recht heeft op een dergelijke waardigheid; onze respectievelijke landen worden momenteel geregeerd door koningen,” was zoowel een persoonlijke uiting als een voorbeeld hoe de Engelsche natie over den Franschen Keizer dacht.
Wanneer Napoleon in een dergelijke disqualificatie zou hebben toegestemd, zou hij daarmee hebben erkend, dat alles wat door het volk was gedaan, niet bestond; dat het volk geen recht had om over zijn eigen wil te beschikken en dat hij, Napoleon, niet meer was dan een rebel; nog meer; hij zou daardoor hebben toegegeven en er mee hebben ingestemd, dat hij een gevangene was, dat hij zich bij zijn gevangenschap neerlegde en zou er de rechten, die hij op zijn zoon had overgedragen, door hebben te niet gedaan, de rechten die hij in de eerste plaats voor hem wilde behouden. Zeker, hij had afstand van zijn kroon gedaan! Doch daaruit volgde nog niet, dat hij tegelijkertijd zijn waardigheid prijs gaf. Wanneer men hem er niet toe had willen dwingen; wanneer het met zijn vollen wil en niet onder den invloed en onder het aandringen van vreemden zou zijn geweest, zou hij – zooals het de gewoonte onder niet-regeerende vorsten was – een of anderen titel en zelfs een anderen naam hebben aangenomen. Maar niemand had het recht hem daartoe te dwingen en zeker niet om den naam,. dien hij vóór zijn verheffing droeg, maar dien hij voor een anderen pad geruild, weer aan te nemen. Dat was een beleediging, die hij niet wilde verdragen! Dit alles was niet – zooals men wel eens beweerd heeft – kinderachtige aanstellerij! Het was een gevolg van zijn bezorgdheid voor het erfelijke van zijn ras ter eenre, bezorgdheid voor zijn eigen waardigheid ter andere zijde; het ging er aan den eenen kant om, vast te houden aan het recht, dat de natie had en dat te erkennen, aan den anderen kant om de rechten van zijn zoon te bewaren.
Waarop Engeland het recht grondde om hem zijn titel te willen en te mogen ontnemen of te onthouden, is onverklaarbaar! Hij werd door elke mogendheid, behalve door Engeland, als Keizer beschouwd.’ Engeland had hem wel als eerste consul erkend; en was later, tot twee keer toe, bereid geweest de vrede met hem te onderteekenen. Hij was door den Paus in persoon gekroond. Hij was zelfs tot twee keer toe gekroond, tot Keizer en tot Koning. AI de wijding, die de traditie, die de godsdienst. de diplomatie aan een keizerlijken titel konden geven, hij had haar ontvangen; na Karel den Grooten, was hij de machtigste Keizer geweest, dien de wereld had aanschouwd. De titels, die hij in Frankrijk had uitgedeeld, die van zijn maarschalken, zijn graven, zijn hertogen, zijn ridders, zij waren allen als zoodanig erkend, waardoor men tevens de souvereiniteit toegaf van hem, door wien zij waren uitgedeeld. De commissarissen, indertijd aangewezen om hem naar Elba te vergezellen, hadden de opdracht hem den titel van Keizer te geven en ‘hem alle eer te bewijzen, welke men aan iemand schuldig was, die dezen droeg. Wellington had de gewoonte om, wanneer hij een opdracht zond aan Joseph – die door Napoleon tot zijn waardigheid van Koning was verheven – hem als zoodanig te behandelen. Had de Engelsche regeering niet in 1806 lord Yarmouth en Lauderdale afgevaardigd om met hem te onderhandelen en hadden zij hem met nog in het protocol van het congres te Chatillon, waar hij, even goed als de Prins Regent, zijn gevolmachtigden had gezonden om den vrede te onderteekenen ; als Keizer en tevens zijn vertegenwoordigers erkend? Het is dus niet waar, wat Walter Scott beweert, dat Groot Brittanje nooit, bij geen enkele gelegenheid, direct of indirect, in zijn recht had toegestemd om als souverein te worden beschouwd. Bij wien toch vaardigt men anders gevolmachtigden af, als het niet bij een souverein vorst of bij een republiek is? Wie anders dan diezelfde autoriteiten heeft het recht gevolmachtigden naar een congres van diplomaten af te vaardigen? Had Engeland niet middellijk of onmiddellijk Napoleon als Keizer erkend, toen Yarmouth en Lauderdale – voorzien van hun v
olmacht – zich naar Parijs begaven, of toen Castlereagh en Caulaincourt te Chatillon hun geloofsbrieven met elkaar vergeleken? Met wien dan toch hadden de twee eerste in 1806, met wien de laatste in 1814 te doen gehad? En bij wien was sir Neil Campbell op Elba geaccrediteerd, toen hij officieel de stukken onderteekende waarin gesproken werd van “Sa Majesté l’Empereur Napoléon” en waarin Elba door Engeland een onafhankelijke staat werd genoemd?
Waarom, niettegenstaande dit alles – behalve om een kleingeestige plagerij bot te vieren – de Engelsche ministers weigerden Napoleon te beschouwen als behoorend tot de Europeesche vorsten, is onverklaarbaar. Misschien moet de oplossing er voor in hun politiek worden gezocht, wijl zij zich – waar zij in de acte, waarin het parlement het besluit vast legt, om Napoleon op de meest-afdoende wijze gevangen te houden, er voor oppassen hem den titel van Keizer te geven en steeds van Napoleon Buonaparte spreken, als om te ontkennen, dat hij ooit tot de Fransche natie heeft behoord – sterker voelden en een verontschuldiging meenden te hebben voor hun niet te qualificeeren daad. Immers, waar zij hem zijn titel onthielden en daarmee te kennen gaven, dat zij hem niet als keizer beschouwden, behoefden zij hem ook niet als zoodanig te behandelen en konden zij de meest vernederende, kleingeestige en beleedigende maatregelen nemen en doen uitvoeren om hem gevangen te houden. Trouwens, geen der spitsvondige redenen, die de ministers en later Walter Scott bedachten om de kwestie over Napoleons titel te verontschuldigen, was noodig, wanneer men nagaat, dat hij niet anders verlangde dan zich “l’Empereur Napoléon” te noemen, zonder opgave of bijvoeging van het land of van het volk, waarover hij als Keizer had geheerscht!
Admiraal Cockburn was aan boord van de Northumberland begonnen met de kinderachtige lafheid Napoleon niet met zijn titel aan te spreken en dien te ontkennen – waarover hij met lord Bathurst aardigheden wisselde – Hudson Lowe zette haar, met angstvallige nauwkeurigheid voort. Behalve de reeds genoemde staaltjes, zou men bladzijden daarover met voorbeelden kunnen vullen. Zelfs na den dood van Napoleon namen zij nog geen einde: waar men op de keizerlijke grafzerk alléén den naam “Napoleon” wilde doen beitelen, werd dit door Hudson Lowe geweigerd, die den naam “Buonaparte” er bij gevoegd wilde zien. Het gevolg van den Keizer weigerde, daarin handelend in den geest van Napoleon. Ongeloofelijk, maar waarheid: het graf droeg geen naam! Nogmaals, men vraagt zich met verwondering af, waarop Engeland dan toch wel steunde, om een dergelijke onwaardige en waardelooze plagerij te willen doorvoeren. Het eenige antwoord is, dat van lord Rosebery wanneer hij de verdediging van Walter Scott, “dat er geen enkele reden bestond, waarom Groot Brittanje uit medelijden of uit hoffelijkheid haar gevangene een titel zou geven, dien zij hem rechtens had geweigerd, ofschoon hij feitelijk de meester van het keizerrijk was,” omzet in de woorden: “dat er geen reden voor Engeland bestond om – nu er geen voordeel meer te behalen was – hem langer een titel te geven, dien het – zoolang dit wèl het geval was geweest – in ruil daarvoor, erkend had.”
Met de kwestie van den titel hing de etikette, die Napoleon geregeld en ingesteld had, ten nauwste samen! Waar hij zich de Keizer bleef voelen, wilde hij ook als zoodanig worden behandeld! Longwood moge een bouwvallig nest zijn, waar het water langs de muren druipt, waar de ratten bij troepen onder en over de verrotte vloeren draven, met meubelen als de minste burgerman zou weigeren ze in zijn woning te hebben, het was en bleef het Keizerlijk Paleis, waar de strengste etikette heerschte. En daarvoor had Napoleon eveneens zijn reden. Oogenschijnlijk had hij, met zijn verbannings-genoten, in een bijna burgerlijken eenvoud, als in den omgang met een huisgezin kunnen leven. Hij had echter altijd veel waarde gehecht aan alles wat etikette was. Tot in het oneindige kon hij met Las Cases over deze kwestie redeneeren. Gedurende de Cent-Jours, merkte hij op, dat de democratische zeden zoo veel veld begonnen te winnen, omdat een van zijn ministers op eigen gezag was opgestaan om zich te verwijderen, zonder af te wachten, dat hij hem er verlof toe zou hebben gegeven. Later, het was zelfs al te Rochefort, maakte hij aanmerking op de minste fout tegen de etikette bedreven. Toen Gourgaud verhaalde, dat een vorstelijk persoon in China bijna als een god werd aangebeden, gaf hij hem kalm ten antwoord, dat dit ook zoo behoorde. Hij was namelijk altijd bang, dat men – wijl hij uit een minderen stand omhoog was gekomen – maar al te spoedig op een veel te gemeenzamen voet met hem zou trachten te verkeeren.
Op Longwood hechtte hij er veel strenger aan en hield hij er des te meer aan vast, omdat hier het gevaar dreigde, dat de dagelijksche omgang, de gewoonte om steeds naast en met hem te zijn – waardoor men in de gelegenheid was zijn gewoon menschelijke eigenschappen en eigenaardigheden van nabij te zien, ten gevolge waarvan de geheimzinnige, verre aureooling van zijn keizerschap al noodzakelijk moest verminderen – een verwaarloozing en verslapping van allerlei kleine beleefdheden en oplettendheden na zich zou slepen. De vrees daarvoor nu, was niet zóó heel ongegrond. Reeds nu durfde Bertrand zelfs, die zóó aan hem was gehecht en die zóó tegen hem opzag, zijn bevelen te critiseeren en hem op zulk een toon en met zulk een luide stem tegenspreken, dat hem het verwijt van Napoleon zou treffen: “Aux Tuileries vous n’auriez pas osé me parler ainsi”. Gourgaud ontzag zich niet om hem nu en dan zeer onheusche en onvriendelijke woorden toe te voegen. En de Montholon, te goed hoveling om het in zijn gezicht of in zijn tegenwoordigheid te doen, veroorloofde zich de vrijheid tegenover anderen en zelfs tegenover vreemden, een spottende kritiek over zijn meester uit te spreken. Maar de voornaamste reden, waarom hij zoo aan de etikette vast hield, was, dat hij – waar Engeland bleef volharden om hem niet “anders dan “generaal” te noemen – door in zijn omgang en van zijn omgeving alle mogelijke eerbewijzen te verlangen, tegenover de Engelschen met wie hij te doen had. Een duidelijk en scherp protest daartegen “liet voelen en hij hen dwong zijn waardigheid van souverein te eerbiedigen. Want welke afkeurende uitdrukkingen de Engelschen, die hem bezochten ook bezigden om de houding van het gevolg tegenover hem in een bespottelijk daglicht te stellen – admiraal Cockburn schreef, dat het gevolg aan hem gehecht bleef en zich op een wijze tegenover hem gedroeg, dat ieder recht-geaard Engelschman het niet dan met verachting kon aanzien; diens secretaris Glover zeide, dat iemand, die hun nederigheid niet had bijgewoond, zich er geen begrip van kon maken ; generaal Bingham, die de eer genoot bij Napoleon aan tafel te worden uitgenoodigd, vermeldt: “het middagmaal duurde niet langer dan hoogstens veertig minuten; de lieden van het gevolg durfden ter nauwernood één woord hardop zeggen – toch onderging hun gedrag den invloed dier houding van het gevolg en van de etikette, die het in acht nam. Admiraal Cockburn durfde wel grof maar niet familjaar met hem te zijn; generaal Bingham kon zich niet onthouden hem onwillekeurig met “Sire” aan te spreken en Hudson Lowe werd er door afgeschrikt, om – zonder zijn verlof – op Longwood te komen of – zooals hij zoo gaarne had willen doen – eIken keer, wanneer het hem lustte, zijn woning binnen te dringen. De etikette op Longwood was even streng als in de Tuilerieën ; de hofhouding — als gevolg er van – even indrukwekkend, niettegenstaande de zoo geheel andere en zoo povere omgeving.
“Niemand van ons,” zei Las Cases, “kwam zijn kamer binnen zonder dat hij was gebeld, en als men iets belangrijks met hem te bespreken had, moest men vragen om ontvangen te worden. Als hij met een van ons apart liep, waagde niemand het zich erbij te voegen zonder geroepen te zijn. In principe bleven we constant op eerbiedige afstand van hem, wat de Engelschen vreemd vonden. De generaals waren steeds in uniform of in hof-kostuum, wanneer zij dienst hadden. Bertrand, Gourgaud, de Monthalon mochten vóór het diner niet gaan zitten, tenzij de Keizer er verlof toe gaf, zoodat zij dikwijls bijna niet meer konden van moeheid. Napoleon geeft Bertrand een berisping, wijl deze zich op een gegeven moment niet kon weerhouden te gapen, waartegen Bertrand opmerkt, dat hij nu al bijna drie uur achtereen staat zonder te mogen gaan zitten. Toch zal Bertrand nooit verzuimen, al maakt hij nu en dan een fout tegen de etikette, de brieven in naam van zijn Meester geschreven, weg te zenden, verzegeld zooals het behoort en onder het in acht nemen van alle vormen, zooals het een goeden grand maréchal van het Huis des Keizers betaamt. Mad. De Montholon schrijft, dat Gourgaud tegen een deurpost moest leunen, bleek en op het punt van flauw te vallen, ten gevolge van het lange staan. 0’Méara valt inderdaad op een dag flauw, terwijl hij met den Keizer staat te praten en wordt door Napoleon zelf weer bij gebracht. Was daarentegen iemand van hen gezeten en stond hij op, wanneer Mad. Bertrand of Mad. de Montholon binnen kwam, dan kreeg hij eveneens een berisping. Toch was Napoleon zeer beleefd tegenover dames, en vooral tegenover die uit zijn gevolg. Wanneer zij bij hem binnen traden, stond hij steeds voor ze op en groette ze door zijn hoofddeksel, dat hij altijd droeg, voor ze af te nemen.
