NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 28

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VIJFDE HOOFDSTUK (4e deel)

De personen uit de omgeving van den Keizer voelden de eenzaamheid, waarin de gouverneur Longwood wilde afzonderen, natuurlijk niet zóó sterk als de Keizer. Zij konden zich vrij bewegen, konden gaan waarheen zij wilden, konden omgaan met wie zij verkozen en konden spreken met wie zij lust hadden. Hudson Lowe noodigde de hoogeren zelfs nu en dan uit om op Plantation House te komen, waarvan zij gebruik maakten en waardoor zij gelegenheid vonden om in vrouwelijk gezelschap, wat zij vooral op Longwood misten, te verkeeren. Meer gingen zij gebukt – en daarin hadden de hooger geplaatsten het moeilijker dan de minderen, wijl deze laatsten wel altijd vrouwen konden vinden, slavinnen, mulatten, minder vrouwelijk personeel enz. die hen ter wille waren – onder de abstinentie, waarin zij gedwongen waren te leven.

Behalve Bertrand en de Montholon toch, die een huisgezin hadden, waren – met uitzondering van Las Cases, die ouder en zijn zoon, die nog te jong was – alle uit Napoleons omgeving ongetrouwd en verkeerden in de kracht van het leven. Geen wonder, dat – en het klimaat en de keerkringsligging van het eiland droegen er toe bij – er een voortdurende verliefdheids en sexueele atmosfeer rondom Longwood heerschte, waardoor elke vrouw, die er zou gekomen zijn, een man zou hebben kunnen krijgen. Saint Denis trouwde met de gouvernante van Mad. Bertrand, Noverraz met het kamermeisje van Mad. De Montholon, Gourgoud – ofschoon hij telkens zijn amoureuze en trouwlustige neigingen voelde opkomen: eerst voor Betsy Balcombe, die hem zoowat een blauwtje liet loopen; daarna op een Miss Churchill, naar aanleiding van wie de Keizer hem toevoegde: ‘Wij zullen trouwen, wij zullen goed trouwen’ en hem daarbij vermaande geduld te hebben; Laura Wilkes, de dochter van den gouverneur, van wie hij zegt: ‘hoe meer ik haar zie, hoe meer ik van haar houd’ – stelde zich tevreden met minder schitterende overwinningen en amours de rencontre, die hij onder andere omstandigheden zou hebben versmaad en teekent nauwkeurig in zijn dagboek aan, wanneer en dat hij een knappe mulatin of een blanke vrouw heeft ontmoet; O’Méara zocht en vond zijn troost in ontmoetingen in James Town ; Antommarchi verzuimde zijn plichten voor de veroveringen van minder allooi, die hij in de stad en elders te maken vond.

Wat de Keizer onder die omstandigheden voelde, daarvan weet men weinig of niets en het weinige dat men weet, is nog alles vermoeden, zooals de liaison, die hij misschien met Mad. de Montholon zou hebben gehad. Duidt haar gezegde tot Gourgaud er op, die vertelt, dat zij hem ‘verzekert dat haar was voorspeld dat ze koningin zou worden zonder dat ze dat was’ ; van het verwijt dat Gourgaud haar man voor de voeten gooit: ‘dat mevrouw de Montholon eergisteren om 7.30 uur ’s ochtends Zijne Majesteit ging opzoeken, die nog niet eens gekleed was, dus zijn vrouw moet daar wel serieuze redenen voor hebben gehad’; of de insinuatie van Mad. Bertrand dat ‘Mad. De Montholon in de wolken is, ze heeft veel geld uitgegeven en juwelen gekocht?’  Is het een andere kwaadsprekerij van Mad. Bertrand, die Verling, de Engelsche geneesheer, in zijn journaal opteekent of berust het gezegde op waarheid, dat de invloed, dien de Montholon op den Keizer heeft, zijn oorsprong daarin vindt, dat zijn vrouw Napoleon ter wille is, maar dat – ofschoon Gourgaud openlijk beweert, dat haar dochtertje Napoleon tot vader had – het kind in het geheel niet op hem lijkt? Mag men voor waarheid houden, wat baron Stürmer aan zijn regeering schrijft: ‘De keizer geeft zich nu zonder voorbehoud over aan de smaak die hij plotseling voor Madame de Montholon lijkt te hebben gekregen, en die Gourgaud, na enige tijd de grillen van de ex-keizer te hebben gevleid, had willen dwarsbomen en belachelijk maken door de nobele functies van kostwinner voor hem te vervullen. Madame de Montholon heeft haar rivalen overwonnen en is in het keizerlijke bed opgenomen. “Haar echtgenoot, zo wordt gezegd, is daar zeer trots op?” in een andere brief: “M. en vooral Madame de Montholon zijn op dit moment de enigen die in de gunst staan. Madame, die aanvankelijk tevreden was met de titel van kostwinner, is eindelijk in het keizerlijke bed opgenomen. Ze heeft alles veranderd: we dineren nu om twee uur in plaats van om acht uur. Haar verlangens zijn afgedregd. We zijn momenteel bezig de Bertrands te laten ontslaan, die woedend zijn… Hun (de heer en mevrouw de Montholon) doel, door hier als laatste te blijven, is hun beschermheer te begraven, van wie ze hopen het beste deel van de opvolging te ontvangen,” waarover Montchenu vermeldde: “Mevrouw de Montholon is eindelijk naar het keizerlijk bed gegaan. Het doel van de Montholons, door op Sint-Helena te blijven, is hun beschermheer te begraven, van wie ze hopen het beste deel van de opvolging te ontvangen,” en elders; ‘Montholon is erg verdrietig sinds zijn vrouw is vertrokken: zij was zijn grootste steun bij zijn meester,’ welke twee eerste berichten echter zoodanig op elkaar gelijken, dat men het vermoeden niet kan onderdrukken of zij misschien niet uit eenzelfde bron, en dat waarschijnlijk van den aarts-kwaadspreker Montchenu, afkomstig zijn. Is deze welwillendheid van Mad. de Montholon de oorzaak, waarom de Keizer, – zooals de Montholon aan zijn vrouw schrijft, wanneer zij van St. Helena is vertrokken – ‘Ik betreur uw vertrek ten zeerste, hij vertelde me over al zijn vriendschap voor u, voor de kinderen: de namen van Tristan, Lilie, Joséphine kwamen honderd keer over de dag uit zijn mond’ en nog iets: ‘Hij sprak alleen met mij over u en uw kinderen,’ of zijn deze uitingen een gevolg van de geheele persoonlijkheid van Mad. de Montholon, die – wat men ook van haar minder-prijzenswaardige eigenschappen moge zeggen – een zeer beminnelijke, lieve vrouw was, met een door niets te verstoren, gelijkmatig humeur, iemand die steeds, tegen alle tegenspoeden, tegen alles wat haar mocht tegenvallen en tegenover de kribbigheden, die de Keizer soms mocht uiten, haar opgewektheid stelde en aan wie de eer en de eerbied voor haar gedrag niet mag worden onthouden, meer dan eenige andere, het bestaan van den Keizer op St. Helena dragelijk te hebben gemaakt. Immers er ligt iets groots in, dat zij zich uit liefde voor den Keizer, waar andere uit conventie of anderszins niet wilden of niet durfden, niet alleen haar geest, maar ook haar lichaam – en vooral waar zij het laatste voor hem over had – zóó geheel aan Hem durfde geven.

Dat er een eigenaardige charme van haar uitging, en dat zij door haar manieren iedereen wist in te nemen, blijkt uit wat Verling over en van haar schrijft. Den 1sten Januari ’18 laat Mad. Bertrand door een bediende, Verling een thee-servies, als een bewijs van haar dankbaarheid voor zijn behandeling, met haar groeten brengen. Mad. de Montholon daarentegen, komt den 2den Januari persoonlijk, om eenzelfde reden, hem met alle mogelijke vriendelijkheid een gouden ketting ten geschenke overhandigen. Het verschil tusschen beider gedrag, dat niet anders dan ten gunste van Mad. de Montholon kan uitvallen, blijkt duidelijk uit de toon, waarin Verling zijn verhaal doet. Voor andere liaisons, die Napoleon op St. Helena zou hebben gehad, is het bewijs zeker in het geheel niet geleverd. Van Miss Kneipps, door Napoleon “Boutoo de rose” (Rozenknopje) bijgenaamd, wat door de nijdige jaloerschheid van Gourgaud in “la rose boutonneuse” (de puistige roos) wordt veranderd, weet men niet anders, dan dat zij nu en dan, en meestal in gezelschap van anderen, op Longwood verschijnt en er een bezoek aflegt. Van een Miss Robinson, die spoedig den bijnaam van “Ia Nymphe” draagt, vertelt Las Cases het volgende: ‘Tijdens deze gebruikelijke reizen hadden we een paar dagen een vaste standplaats midden in de vallei; daar, omringd door woeste rotsen, was een onverwachte schoonheid verschenen: onder een bescheiden dak was een charmant gezicht van vijftien of zestien jaar oud aan ons verschenen. We hadden haar de eerste dag verrast in haar dagelijkse kledij, het getuigde van niets minder dan gemak; de volgende dag troffen we de jonge vrouw aan met een zeer zorgvuldig toilet; maar toen leek onze mooie bloem van de velden ons niets meer dan een nogal gewoon bloemperk. We stopten er echter elke dag een paar minuten; dan deed ze een paar stappen om de twee of drie zinnen te horen die de keizer tot haar richtte of terloops voor haar vertaalde, en we vervolgden onze route terwijl we over haar charmes praatten… Onze nimf is precies de heldin van het kleine pastorale gedicht waarmee dokter Warden zijn brieven graag verfraaide; hoewel ik zijn fout had verbeterd toen hij het me voorlas vóór zijn vertrek naar Europa, en tegen hem zei: “Als je het plan hebt om een ​​verhaal te creëren, prima, maar als je de waarheid wilt schilderen, moet je alles veranderen’ Blijkbaar vond hij zijn verhaal veel interessanter, en hij bewaarde het. Bovendien werd mij verteld dat Napoleon onze nimf geluk had gebracht: de kleine bekendheid die ze had verworven, trok de nieuwsgierigheid van reizigers; haar charmes deden de rest; ze werd de vrouw van een zeer rijke koopman of kapitein van de Oost-Indische Compagnie. Warden, officier van gezondheid op de Northumberland, die ook een tijdlang op St. Helena heeft doorgebracht, vertelt, in een zijner brieven, dat Napoleon zoodanig door de schoonheid en de charmes van het jonge meisje werd aangetrokken, dat hij telkens de ouders met een bezoek vereerde, maar dat deze – gewaarschuwd door kennissen te James Town – hun dochter weghielden wanneer hij kwam, omdat hij haar door zijn oplettendheid te veel in opspraak bracht! Napoleon zou, toen hij dat bemerkte, uit zich zelf zijn bezoeken hebben gestaakt. In zijn “Lettres du Cap” heeft Napoleon dit verhaaltje tegen gesproken en heeft daarin verteld, dat hij haar slechts één keer heeft ontmoet en dat hij – terwijl hij te paard was blijven zitten – in gebroken Engelsch een paar woorden tot haar heeft gezegd, Montchenu vond het een geschikte gelegenheid om zijn lust tot kwaadspreken bot te vieren en heeft er van gemaakt, dat Napoleon haar een formeele liefdes-verklaring heeft gedaan en dat hij voortdurend over haar schoonheid sprak wat de jaloezie van Betsy Balcombe gaande maakte.

Zeker is het, dat de Keizer haar meer dan eens heeft ontmoet en dat zij, naar Gourgaud beweert, ‘de keizer een aanwijzing gaf dat ze elke ochtend een wandeling ging maken.’ Maar even zeker is het, dat de Keizer nooit op die insinuatie is ingegaan; integendeel plaagde hij Gourgaud met diens nieuwe overwinning! De “nymphe” is tamelijk spoedig met een scheeps-kapitein getrouwd, die door de bewondering, welke Napoleon voor haar had, tot haar werd aangetrokken, wat den Keizer de uiting ontlokte: ‘Het was voor mij voldoende om te zeggen dat ze mooi was, zodat deze kapitein verliefd op haar werd en met haar trouwde.’ En de Montholon vertelt niet anders van haar dan dat zii, daags vóór zij met haar man naar Engeland zou vertrekken, een afscheids-bezoek op Longwood is komen maken en haar man aan den Keizer heeft voorgesteld, die hen zeer vriendelijk heeft ontvangen en allerlei grapjes met haar maakte. Bij die gelegenheid, toen zij weggingen, omhelsde hij niet haar, maar haar man, omdat hij zooveel op Eugène de Beauharnais leek ! En daarna hoort of verneemt men niet meer van “Ia nymphe” of van Miss Robinson.

Napoleon nu had geen sensueele natuur. Of dit een gevolg er van was, dat hij altijd te veel met zijn gedachten elders verkeerde en te veel van zijn denken vorderde, of dat de oorzaak aan een anatomische eigenaardigheid moet worden toegeschreven, die – naar sommige sexoiogen beweren – het verband zou bewijzen tusschen genialiteit en de geslachts-organen, is moeilijk uit te maken. In het abductie-protocol toch door den geneesheer Henry geschreven, dat zich in het British Museum bevindt, staat vermeld, dat de geslachts-organen van Napoleon, zoowel de inwendige als de uitwendige, zeer klein waren.

In menig ander opzicht echter en ieder op de haar verschillende wijze, hebben vrouwen er het hare toe bij gedragen om Napoleon’s laatste levensjaren te veraangenamen. Zoowel Mad. Bertrand die – zij het ook nu en dan onder een, van haar kant wèl te begrijpen, protest en op het laatst met minder lust en toewijding dan van haar verwacht mocht worden – alles, haar luxe-bestaan, haar familie, haar vrienden los liet om haar man te vergezellen en den Keizer te volgen, als de echtgenoote van admiraal Malcolm, een geboren Miss Elphinstone, die – uit dankbaarheid voor wat de Keizer eens op het slagveld van Waterloo aan een van haar familie gedaan en hem daardoor het leven had gered – alles in het werk stelde om zijn lot te verlichten ; zoowel Lady Clavering (oorspronkelijk een Fransche modiste, naar men beweerde en wiens nieuw-bakken adel door sommigen werd betwijfeld), van wie Las Cases – voor wie zij een groote vriendschap voelde – alles gedaan kon krijgen, wanneer het belang van den Keizer in het spel was, en van wie het onder anderen was uitgegaan, dat er pogingen werden gedaan, toen de Keizer nog aan boord van de Northumberland was, hem door een akte van de Habeas Corpus zijn vrijheid te hergeven, als Lady Wilkes, die niet anders voor hem heeft kunnen doen dan hem haar bewondering en haar eerbied te toonen; zij hebben het hare gedaan, ieder naar de omstandigheden het gedoogden, ieder naar het in het vermogen was, ieder, waar de gelegenheid zich aanbood, dat zij in de haar eigen richting kon handelen, om hem zijn illusie-aureool te laten houden en hem, (zij het ook een kleine troost) de voldoening te geven, dat er zelfs Engelsche waren – want dat waren zij alle, van afkomst, of door huwelijk en verwantschap – die de kleine en kleingeestige opvattingen van de Engelsche regeering tegenover hem niet deelden, maar altijd in hem den grooten Keizer bleven zien!

En Mrs. Skelton ! Zoolang zij op St. Helena was, vormde zij met haar man een gaarne gezien gezelschap voor den Keizer die zich door de eerbied volle bewondering, door de vrouwelijk medelijdende gevoeligheid, die van haar uitging, tot haar voelde aangetrokken. Toen zij met haar echtgenoot den 13den Mei 1816, van St. Helena vertrok, was zij ongerust, zenuwachtig en verdrietig, wijl zij hem in handen van den nieuwen gouverneur, van Hudson Lowe, moest achterlaten. En zij ging weg – geen enkele materieele herinnering aan hem was in haar bezit wat zij zoozeer verlangd had; zelfs geen bloem, die zijn hand geplukt en gegeven had – terwijl zij zoo gaarne iets van hem zou hebben meegenomen. En zoodra zij in Engeland is aangekomen, schrijft zij – het eenige wat zij voor hem kan doen – gedreven door het wijd-moederlijk gevoel, dat in haar huilde, aan zijn moeder, ver weg, die angstig en smart-gespannen op eenig bericht zit te wachten, een paar woorden slechts: “’Ik zag hem. Hij was oké.’, de eerste brief, die haar van St. Helena bereikt, het eerste bericht, waaruit zij leest, dat hij nog in leven is.

Maar vooral is Lady Holland de oorzaak geweest, waardoor eenig licht en zijn eentonig, grauw bestaan scheen, dat er ten minste eenige verwachting in de eentonige sleur der dagen beloofde. Op haar vijftiende jaar getrouwd met sir George Webster, die drie en twintig jaar ouder was, had zij het liefdesverkeer met Lord Holland verkozen boven het liefdelooze huwelijk met haar man. Toen sir Webster, die niet wilde scheiden, na een paar jaar stierf, trouwde zij met haar amant en vormde spoedig, met eenige andere vrouwen, die dezelfde vrije opvattingen huldigden als zij, een kring, die – ofschoon de meeste vrouwen haar met de nek en met verachting beschouwden en weigerden om met haar om te gaan – een machtigen invloed uitoefende, zich met de politiek bemoeide en relaties, vooral onder de regeeringspersonen, had. Lady Holland nam geheel vrijwillig de rol op zich van correspondente en boodschapster van den Keizer. Eénmaal slechts had zij hem gezien, toen hij nog consul was. Maar het was noch voor den generaal, noch voor den Keizer, dat zij alles deed, welke groote bewondering zij ook voor zijn persoon, in alle opzichten, voelde. Het was alleen de gevangene, dien zij zag en wiens gevangenschap zij een nooit-uit-te-wisschen schande voor haar natie vond. Wetend en voelend, dat een burgerman, al is hij Lord, zooals Bathurst, haar niets zou durven weigeren, háár, Lady Holland, nam zij de gelegenheid waar om hem verlof te verzoeken, Napoleon de dingen te mogen zenden, die zij nuttig en geschikt oordeelde. En zij zond alles wat zij met haar fijn vrouwelijke takt maar eenigszins kon vermoeden, dat hem eenige levens-vreugde kon geven. Niet uitsluitend met boeken waren de kisten gevuld, die zij stuurde, maar zij voegde er versnaperingen bij, die zij wist, dat hem ontbraken en die hem genoegen konden doen ; speelgoed, dat hij aan de kinderen rondom zich zou kunnen uitdeelen, waardoor hij een korten tijd ten minste vroolijke en gelukkige gezichten om zich heen zou zien; brieven van zijn familie uit Rome en elders, alles tot ergernis van Hudson Lowe, die de zendingen van zulk een invloedrijke vrouw, en dat nog wel door Lord Bathurst er toe gemachtigd, niet durfde weigeren, al was het tegen de reglementen! De aankomst van een zending door Lady Holland, was dan ook een gebeurtenis op Longwood, die voor vele uren en dikwijls voor eenige dagen, een geluks-stemming kleurde in de trieste, troostelooze leegheid van Napoleon’s bestaan.

Misschien, en zelfs zeer waarschijnlijk, hebben deze vrouwen er toe bijgedragen om de meening, die Napoleon eertijds over vrouwen koesterde en die – zooals Mad. de Montholon meedeelt – op St. Helena in een bewonderende en eerbiedvolle opvatting veranderd is, zóó te doen verkeeren, dat hij moest erkennen: ‘dat ze inderdaad zijn wat ze zouden moeten zijn: waardige metgezellen van de man.’

Dit item was geplaatst door Muis.