NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 29
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
ZESDE HOOFDSTUK (1e deel)
Zeker is het, dat het gezegde van de Montholon tot Basil Jackson, sprekend over Hudson Lowe, waarheid bevatte, namelijk, dat ‘zelfs een engel die uit de hemel was neergedaald, had hem als gouverneur niet tevreden kunnen stellen.’ En zeker is het, dat – onder welke gouverneur en met welke behandeling ook – het verblijf op St. Helena voor Napoleon nooit aangenaam zou kunnen geweest zijn. Maar even zeker is het, dat een andere gouverneur, iemand die met meer takt en gevoel zou zijn opgetreden, voorzien van instructies, die minder of in het geheel niet op een kleingeestige plagerij gericht waren, doch die meer van een grootmoedige opvatting hadden getuigd, die gevangenschap voor Napoleon minder onaangenaam had kunnen doen zijn. De kleinste gebeurtenis, het minste incident, waarop geen normaal denkend en voelend mensch zou hebben gelet, gaf tot allerlei vexaties, verwikkelingen en kleingeestig vertoon van gewichtigheid aanleiding, zooals twee feiten onder vele – het eene met een haarlok van den Roi de Rome, het andere met diens buste – bewijzen. Het is waar, in het eerste geval had Hudson Lowe tot zekere hoogte gelijk, wijl het tegen zijn instructies indruischte. Maar toch, een andere gouverneur zou misschien hebben getoond, dat hij er volkomen van op de hoogte was, wat achter zijn rug geschiedde, maar zou er geen ‘zaak’ van hebben gemaakt en zeker niet een, die op een bespotting van zijn houding moest uitloopen.
Wat toch was het geval. Baron Stürmer had van zijn hof het bevel gekregen, een tuinman van Schoenbrunn, Philipp Welle, op St. Helena te ontvangen, hem aan den gouverneur voor te stellen en zoodanig te helpen, dat hij in staat zou zijn de opdracht, hem door den keizer van Oostenrijk zelf gegeven, namelijk een studie te maken van alles wat op de natuurlijke historie van het eiland, en voornamelijk van het botanisch gedeelte, betrekking had, te vervullen. Deze Philipp Welle nu, zocht en vond de gelegenheid om Marchand in James Town te ontmoeten, waar hij hem, uit naam van diens moeder, een in vieren gevouwen couvert overhandigde, waarop geschreven was: ‘Ik stuur je wat van mijn haar. Als je de mogelijkheid hebt om je te laten portretteren, stuur me dan je portret. Je moeder: Marchand.’ In het papier lag een haarlok ‘witachtig, blond als vlas.’ Marchand, in zijn vóórvoelende teerheid, begreep, dat het niet een haarlok van zijn moeder, maar van den Rei de Rome was. Waar de keizer van Oostenrijk verboden heeft den vader eenig bericht van zijn kind te doen toekomen en zelfs niet eens aan zijn commissaris de opdracht heeft gegeven hem te zeggen, dat zijn kind nog leeft ; waar Marie Louise – die meent, dat de vader even onverschillig voor zijn kind voelt als zij – er niet aan heeft gedacht, of de mogelijkheid heeft bepeinsd, dat men hem eenig bericht zou kunnen geven, daar heeft een arme, nederige, Fransche vrouw, in haar moederlijk voelen en in haar trouwheid, wèl gezocht naar een middel om den balling eenige troost te verschaffen. En zij heeft den inspecteur van de tuinen van Schoenbrunn bepraat, haar te veroorloven Philippe Welle die enveloppe met een haarlok mee te geven, opdat hij die aan den vader bezorgt en de vader ten minste zal weten, dat zijn kind nog bestaat. Napoleon ontving de enveloppe met de haarlok.
Wanneer Hudson Lowe een samenzwering zou hebben ontdekt, die de ontvoering en ontsnapping van den Keizer ten doel had, zou hij zich niet meer in vuur hebben kunnen stellen als nu. Welle werd gehoord, nogmaals ontboden en nogmaals verhoord; Sturmer werd gehoord en met Welle geconfronteerd; er werden, naar aanleiding van het incident, officieele brieven en bescheiden met de Engelsche regeering
gewisseld, en het had weinig gescheeld of de ongelukkige tuinman was voor den raad van het eiland gedaagd om gevonnist te worden. Sturmer kreeg een reprimande van zijn regeering. Welle heeft den 13den December 1816 de enveloppe overhandigd en pas in een brief van Sturmer aan zijn regering, gedateerd op den 4den Juli 1817 wordt het laatste woord over dit hoogst-ernstig en gewichtig feit gesproken!
De Montolon
Wat de buste van den Roi de Rome betreft, daarover hadden eveneens gewichtige besprekingen plaats. Op den 28sten Mei 1817 kwam het schip “Barring” op de rede van James Town aan, met den kanonnier Philippe Radovitch aan boord, die door het huis Biagini te Londen was belast, Napoleon een marmeren buste van zijn zoon te overhandigen. Het was een gewone buste die men in alle winkels voor geld kon krijgen, maar welks waarde men had trachten te verhoogen door er bij te verhalen, dat zij direct naar het leven was gemaakt, toen de Rei de Rome met zijn moeder aan de baden te Livorno verblijf hield, dat er maar twee exemplaren van bestonden, dit en een ander, dat zich in het bezit van de moeder bevond en meer dergelijke legenden, die alle later bleken onwaar te zijn. Zoodra Hudson Lowe verneemt, dat Radovitch in het bezit van deze buste is, maakt hij – Radovitch moest aan wal blijven, omdat hij door ziekte verhinderd was zijn reis te vervolgen – er zich van meester. En nu begonnen de beraadslagingen! Zal hij er lord Bathurst of de Engelsche regeering over schrijven? Instructies afwachten? Is die buste niet een herkennings-teeken, een afgesproken sein; bevat zij niet een of ander gewichtig document en is het niet raadzaam om haar in stukken te slaan en te zien of er niet iets in verborgen is (dit geval werd voor onmogelijk verklaard, wijl de buste van marmer en niet van gips was)? Na twaalf dagen heen en weer peinzen, besluit Hudson Lowe den grand maréchal te raadplegen, wat het beste is om in dit geval te doen. De dag volgend op dien, waarop de Barring is aangekomen, wist Napoleon echter reeds van de buste af en vond in het gezegde van Hudson Lowe, dat de prijs, die er voor gevraagd werd veel te hoog was en in zijn plan om haar stuk te slaan, te vernietigen of in zee te gooien een gereede gelegenheid ‘ om over de wreedheid en hardheid van den gouverneur uit te barsten, die hem, den vader, het beeld van zijn kind wilde onthouden en om te zeggen, dat hij de som, die er voor gevraagd werd veel te laag vond, en dat zij hèm wel het drie-voudige waard was. Hij betaalde er dan ook in plaats van de gevraagde 100 £, 300 £ voor. Het einde van alles was, dat de Keizer de buste ontving en dat Hudson Lowe een reprimande van zijn regeering kreeg, terwijl zijn naam van hardvochtig en wreed gevangenbewaarder, van gevoelloos cipier bij Napoleon bevestigd werd.
Hudson Lowe kwam den 14den April 1816 op St. Helena. Den volgenden dag reeds liet hij door den ordonnans-officier op Longwood weten, dat hij van plan was den 16den April, ’s morgens om 9 uur, te komen, ten einde den ‘generaal Bonaparte’ te bezoeken. Behalve, dat de Keizer op dat uur niet ontving, was de afspraak met admiraal Cockburn, dat wie hem wilde bezoeken (zelfs de admiraal was daaraan onderworpen) het verzoek daartoe aan den grand maréchal had te richten. Het was geen audientie, die de gouverneur verzocht, het was alleen een kennisgeving, dat hij zijn inspectie en zijn – door zijn instructie voorgeschreven bezoek – zou houden. Toen hij den volgenden dag, om 9 uur precies, gevolgd door zijn état-major, kwam aan-galoppeeren en nadat hij voor Longwood was afgestegen, werd hij door de Montholon ontvangen, die hem naar de spreek-kamer geleidde, waar Gourgaud bij hem kwam. Op het gezegde van Hudson Lowe, dat hij den generaal Bonaparte kwam bezoeken, werd hem door Saint Denis, die dienst had, geantwoord, dat ‘de Keizer ongesteld en nog niet op was,’ Hudson
Lowe ging weg en zond den ordonnans-officier met het verzoek of hij kon worden ontvangen; hij kreeg ten antwoord, dat ‘de Keizer sliep en dat men niet bij hem binnen kon gaan.’ Hij besloot daarop zich tot Bertrand te wenden ‘hem te vragen zijn aankomst aan generaal Bonaparte te melden en hem te vragen wanneer hij hem wilde ontvangen.’ Dit werd hem voor den volgenden dag om 2 uur toegestaan.
Bertrand
Toen Hudson Lowe den volgenden dag, aan het hoofd van zijn état-major, en vergezeld van admiraal Cockburn, die hem aan den Keizer zou voorstellen, op Longwood kwam, werd hij in de spreekkamer door Las Cases, de Montholon en Gourgaud ontvangen. Bertrand, die met den Keizer in het salon was, zou hem binnen leiden; Noverraz deed dien dag kamerdienst. Bij deze gelegenheid overkwam admiraal Cockburn het onaangename incident, dat hij – door een vergissing van Noverraz – verhinderd werd binnen te gaan, waardoor – de Keizer liet den admiraal later zijn verontschuldigingen aanbieden, zoodat deze niet kwaad bleef – Hudson Lowe onmiddellijk kon begrijpen op welk standpunt men zich tegenover hem, onder sommige omstandigheden, zou plaatsen en welke behandeling hem dan te wachten stond. Het gesprek liep over allerlei, over niets ernstigs en Hudson Lowe vond gelegenheid. vóór hij wegging, zijn état-major aan den Keizer voor te stellen. Een der eerste onhandigheden van den gouverneur was, dat hij – wèl waren zijn instructies in die richting opgesteld, maar niets dwong hem om dadelijk, zoodra hij op St. Helena zou zijn gekomen, daarnaar te handelen – een verwijdering trachtte te weeg te brengen tusschen Napoleon en zijn gevolg en bedienden. Al aan boord toch van den Northumberland hadden de personen, die met den Keizer mee-gingen, moeten verklaren, dat zij dat geheel uit vrij en wil en zonder daartoe gedwongen te zijn, deden. Alle hadden zij die verklaring afgelegd. Den dag na zijn aankomst herhaalde Hudson Lowe het gebeurde op de Northumberland en deed allen op Longwood weten, dat zij vrij waren om te blijven of weg te gaan en dat zij, in het laatste geval, kosteloos door de Britsche regeering naar Europa of naar Amerika zouden worden overgebracht. Niemand echter maakte van het verlof om weg te gaan, gebruik. Hudson Lowe beproefde een ander middel. Hij verkondigde, dat het gevolg en de bedienden van Napoleon even goed gevangenen van Engeland waren als de generaal Bonaparte zelf en dat hij van ieder een onderteekend bewijs verlangde, waarin hij verklaarde daarvan op de hoogte te zijn en zich er aan te onderwerpen, als zoodanig te worden beschouwd en behandeld. Behalve, dat het door het onderteekenen van een dergelijk formulier, waarin Napoleon zijn titel van Keizer werd onthouden, den schijn zou krijgen, dat zijn gevangenschap ook door zijn gevolg als wettig werd beschouwd, rekende hij er op, dat verschillende personen, door het vooruitzicht om als gevangenen van Engeland te zullen worden behandeld, afgeschrikt, zouden verkiezen den Keizer te verlaten. Na verschillende besprekingen en discussies onder elkaar over den vorm van het formulier, – waarbij de Keizer er zelf één opstelde, waarin de bedienden hun verklaring aflegden – verkondigden de hoogere eindelijk hun wil om te blijven, onder bewoordingen, die bijna van de oorspronkelijke, in de hen door Hudson Lowe voorgelegde verklaring, geheel afweken, maar die hij toch aannam, wijl hij de verantwoordelijkheid van een weigering tegenover zijn regeering niet durfde dragen. Hij stelde daarom zijn regeering voor de maatregel te nemen, waardoor men dadelijk het doel zou bereiken, dat men door zijn formulier langs een omweg had gehoopt te verkrijgen, namelijk om aan verschillende personen hun onmiddellijke verwijdering van St. Helena aan te zeggen.
De Engelsche regeering toch beoogde, zoowel door haar mondelinge als door haar geschreven instructies daaromtrent aan den gouverneur, een tweeledig doel, namelijk – door het personeel van het gevolg in te krimpen of Napoleon te dwingen, wijl hij door de bezuinigingen, die hem zouden worden opgelegd, uit zich zelf tot een vermindering van zijn gevolg zou moeten overgaan – hem zoo veel mogelijk te isoleeren en daardoor handelbaarder te maken en tevens de som, die zij voor zijn onderhoud en voor zijn verblijf moesten uitgeven, niet hooger te laten komen, dan die eenmaal daarvoor was vastgesteld. Mocht hij daarmee niet tevreden zijn, dan had hij het volste recht het ontbrekende uit eigen middelen bij te passen, onder voorwaarde, dat hij de gelden, waardoor de hoogere uitgaven dan die door de Engelsche regeering waren uitgetrokken, zouden worden gedekt, vooraf zou deponeeren. Wijl de brieven, die hij schreef of ontving, eerst door de handen van den gouverneur moesten gaan, zou de regeering er op die wijze tevens achter komen, waar en bij wien de onmetelijke rijkdommen, die men b
eweerde, dat hij bezat, verborgen lagen en kon men er, zoodra men dat wist beslag op leggen. Mocht men, in plaats van de verwachtte schatten, slechts eenige duizenden franken vinden, dan zou men er geen beslag op leggen, maar ze bewaren en beheeren en ze, tot zijn dood, voor zijn onderhoud gebruiken. Bij het overgaan van de Bellerophon op de Northumberland toch, had men – onder dezelfde verontschuldiging – Napoleon reeds 80.000 francs afgenomen.
Op dit tijdstip bezat de keizer een 250.000 francs, die hij stil had achtergehouden en die hij, zoodra hij op St. Helena was aangekomen, aan Marchand, die tot schatbewaarder was verheven, te bewaren had gegeven. Deze som was in 1821, door allerlei gefingeerde betalingen, die hij aan den gouverneur voorgaf te doen – als salarissen aan zijn bedienden, gelden noodig voor zijn toilet enz. – opgeloopen tot 300.000 frcs. Zijn lotgenooten bezaten ook eenig kapitaal; Las Cases had, toen hij uit Parijs vertrok, 4.000 louis meegenomen, Bertrant 37.500 frcs en bezat daarenboven nog 300.000 frcs, die hij, in den vorm van effecten, bij een bankier in Londen had liggen en die hij vertrouwde, dadelijk uitbetaald te kunnen krijgen, wanneer hij het zou verlangen. Gourgaud had niets, evenmin als de Montholon. Alles bij elkaar had de “Fransche kolonie” dus een kapitaal van zoowat 500.000 francs. Heel veel zou Napoleon daar niet mee kunnen doen, waar hij – behalve wat de onkosten voor zijn onderhoud meer dan 8.000 L. bedroegen – er nog het honorarium van zijn officieren, het loon voor zijn bedienden, de kleeding enz. enz. van zou moeten betalen. Het is niet van niets, dat een keizerlijke huishouding gevoerd wordt – waar de kok – en dit is één voorbeeld uit zoovelen – dagelijks minstens voor acht tafels moet koken en waar iemand als de Montholon aan het hoofd stond, die er een buitengewonen slag van had om uitgaven te maken, maar geen takt om verspilling en verkwisting te voorkomen en te beletten. De taak om het Huis te besturen was wel is waar aan Bertrand als grand maréchal opgedragen en het was aan hem toegewezen, overal het oog over te laten gaan, maar wijl deze met zijn huisgezin niet op Longwood doch er buiten woonde, terwijl de Montholon in Longwood zelf gehuisvest was, trad deze langzamerhand ongemerkt in diens functies en maakte zich geheel van de taak van Bertrand meester, zonder dat deze er iets aan kon doen, of – terwijl hij met de administratie van de Montholon volstrekt niet tevreden was en er ettelijke aanmerkingen op had – er zich tegen kon verzetten en haar doen veranderen. Dat er inderdaad aan de ééne kant verkwist werd, terwijl er aan den anderen kant te weinig was – zooals uit een inspectie, die Napoleon over de tafels en het eten van de bedienden hield, bleek – bewijst het schrijven van Gourgaud, die op den 2den juli ’16 in zijn journal schrijft: ‘Naar mijn mening is er veel verspilling. Dit bedroeft de keizer, die naar Madame de Montholon gaat om zijn dinermenu te bespreken. Ik blijf erbij dat de bedienden voedsel verspillen en dat het onmogelijk is om zeventien flessen wijn te drinken of achtentachtig pond vlees en negen kippen per dag te eten: dat geeft hen een machtsmiddel tegen ons. In onze positie is zo min mogelijk nemen het beste.’
Napoleon had bij verschillende bankiers in Europa geld liggen en kon ook van anderen geld krijgen. Doch hij wilde daarvan geen gebruik maken, zoolang het verbod niet werd opgeheven, dat ook brieven, die daarover gingen, door den gouverneur zouden worden gelezen en dat men dus zou weten, wie hem geld toezonden. Hudson Lowe nu, ging nauwkeurig alle uitgaven van Longwood na en vond, dat er inderdaad te veel werd uitgegeven. Doch in plaats van Napoleon buiten deze kwestie te laten en alles diesbetreffend met de Montholon af te handelen (Bertrand had, na een eerste gesprek, dat nogal stormachtig was geweest, geweigerd verder over deze kwestie met hem te spreken) viel hij den Keizer herhaaldelijk lastig met brieven en met het verzoek hem te mogen bewijzen, dat er te veel gebruikt werd. Hij keek alle rekeningen na, pingelde op de hoeveelheden vleesch, op het brood, de wijn enz. die er gebruikt werden en begon – nadat hij Piontkowski, Rousseau, Archambaud en Santioi van het eiland had verwijderd – inderdaad eenige bezuinigingen in te voeren en waarschuwde, dat zijn gouvernement in geen geval meer dan 200.000 frcs. voor het onderhoud van Longwood en zijn bewoners zou betalen. Napoleon antwoordde hierop, steeds dat hij voor zijn rekening zou nemen, wat het huishouden meer kostte, op voorwaarde, dat hij zijn brieven gesloten en door den gouverneur niet-gelezen, kon wegzenden. Tot vijf keer toe, viel Hudson Lowe den Keizer met deze zaak lastig. Eindelijk verloor Napoleon zijn geduld en barstte hij – toen Hudson Lowe nogmaals op Longwood kwam, om zich over Bertrand en de Montholon te beklagen en op bezuinigingen aan te dringen – los.
Al bij een vroeger gesprek had Napoleon, – geprikkeld door de houding en de manieren van Hudson Lowe, die nu eenmaal irriteerend op hem werkten – hem gezegd, wat en hoe hij over hem dacht en hem beleedigingen toegevoegd, die deze eenvoudig langs zijn kant had laten gaan en verdragen had, alsof zij niet waren uitgesproken. Op een dag, toen Hudson Lowe – altijd naar aanleiding van die bezuinigingen, die hij wilde doordrijven en waarop de Keizer aanmerkingen maakte – uitriep: ‘Maar meneer, u kent mij niet.’ en Napoleon hem daarop had geantwoord: ‘O, hemel! Waar zou ik jou van kennen? Ik heb je nooit op een slagveld gezien! Je was alleen maar nuttig om huurmoordenaars te betalen,’ had hij, toen Napoleon had uitgesproken, hem dood-bedaard gevraagd of hij nu de eer mocht hebben hem zijn secretaris voor te stellen en had verder gedaan alsof er niets gebeurd was! Nu, dit keer – het was op den 18den Augustus ’16 en zou het laatste onderhoud zijn, dat de Keizer met hem zou hebben; Napoleon wilde hem daarna niet meer ontmoeten – was het erger. De Keizer wandelde met Mad. de Montholon en met Las Cases in het ‘schitterend park,’ toen Hudson Lowe, vergezeld van admiraal Malcolm, hem verzocht te spreken. De Keizer ontving hem in den tuin. Hudson Lowe begon weer over het noodzakelijke, bezuinigingen in te voeren en dreigde zelfs, dat hij in het geheel geen levensmiddelen meer naar Longwood zou zenden. Napoleon liep tusschen hem en den admiraal en toen Hudson Lowe had uitgesproken, bleef hij stil staan en zich tot admiraal Malcolm wendend – die hem beproefde te overtuigen van de goede bedoelingen, waarmee de gouverneur bezield was – bulderde hij op eens los, terwijl hij Hudson Lowe negeerde, met zijn duim telkens over zijn schouder naar hem wees en voortdurend in den derden persoon over hem sprak: ‘De fouten van meneer Lowe komen voort uit zijn levenswijze. Hij heeft nooit iets anders aangevoerd dan buitenlandse deserteurs, Piemontezen, Corsicanen, Sicilianen en alle andere afvalligen, verraders van hun land, het uitschot, het tuig van Europa. Als hij mannen had aangevoerd, Engelsen, als hij er zelf een was geweest, zou hij enig respect hebben getoond voor degenen die eer verdienen. Regeringen hebben dienaren voor eervolle taken, anderen voor oneervolle. Hij behoort tot de laatste categorie. Graaf Bertrand voerde het bevel over legers; het leger kent hem en heeft overal respect voor hem. Hij wordt beschouwd als een korporaal! Madame Bertrand is een vrouw van goede afkomst: ze heerste in de salons van Frankrijk. Hij verhindert haar
bezoek te ontvangen en onderschept haar uitnodigingen. Ik had mijn oude moeder gevraagd te stoppen met mij te schrijven, omdat mijn correspondentie wordt gelezen. Ze wilde me vertellen over haar wens om zich bij mij te voegen en met mij te sterven op Sint-Helena. Hij heeft haar brief openbaar gemaakt; het hele eiland kent de inhoud ervan.
Lord Castlereagh
En antwoordend op het dreigement van Hudson Lowe, dat hij geen levensmiddelen meer zou zenden, voegde Napoleon hem toe: ‘Al deze details zijn te pijnlijk voor me, ze zijn weerzinwekkend. Je zou me op de gloeiende kolen van Montezuma of Guatimozin kunnen gooien, maar je zou nog steeds het goud dat ik niet bezit niet van me af kunnen persen. En verder, wie vraagt er iets aan je? Wie smeekt je om me te eten te geven? Zelfs als je geen voorraden meer hebt, als ik honger heb, kijk dan naar dat kamp daar, waar soldaten zijn. Ik ga naar ze toe en zeg: “De eerste, de oudste soldaat van Europa komt je vragen om zijn veldfles met je te delen; ik ga aan tafel zitten bij hun grenadiers, ze zullen medelijden met me hebben en me niet wegsturen, daar ben ik zeker van.” En hij ging voort: ‘Sinds uw aankomst, meneer, heeft u aan niets anders gedacht dan ons te kwellen. Sir George Cockburn had dezelfde instructies als u, maar hij voerde ze tien keer minder streng uit. Hij bespaarde ons de pesterijen, en hoewel zijn methoden me soms pijn deden, luisterde hij altijd naar redelijke argumenten wanneer ik met hem sprak. Met u is elk gesprek zinloos; u bent onhandelbaar. Er is niets dat u niet verdenkt, niemand die u niet verdenkt. Luitenant-generaal, u begrijpt uw plicht op dezelfde beperkte manier als een schildwacht zijn bevelen begrijpt. U brengt uw dagen door met het verzinnen van onbeduidende vervolgingen; u waant zich ons als veroordeelden te leiden.” En zich tot de admiraal wendend vervolgde hij: ‘Zou je geloven dat hij de kleinzieligheid had om een boek van mij achter te houden, omdat in het eerbetoon dat de auteur mij bracht, ik Keizer word genoemd! En wie gaf jou het recht om deze titel met mij te betwisten? Over een paar jaar zullen Lord Castlereagh, Lord Bathurst en al die anderen, jullie die met mij spreken, begraven liggen in het stof van de vergetelheid, of, als jullie namen bekend zijn, zal dat zijn vanwege de beledigingen die jullie tegen mij hebben begaan, terwijl Keizer Napoleon ongetwijfeld altijd het onderwerp, het sieraad van de geschiedenis en de ster van de beschaafde volkeren zal blijven.’ En Hudson Lowe scherp in het gelaat kijkend voegde hij erbij: ‘Ik ben keizer Napoleon, meneer, keizer Napoleon, hoort u dat? Het is een belediging en dwaasheid om me anders te noemen… Engeland zal ophouden te bestaan, en ik zal nog steeds keizer Napoleon genoemd worden.’
De Keizer moest zelf erkennen, dat hij Hudson Lowe geweldig had aangevallen en zeide s’ avonds, terwijl hij zich er een verwijt van maakte, dat hij zoo had gedaan: ‘Ik mag deze officier niet langer ontvangen; hij maakt me woedend, het is beneden mijn waardigheid. Ik zeg dingen tegen hem die in het Tuileries-paleis onvergeeflijk zouden zijn geweest; als ze hier een excuus hebben, is het omdat ik me in zijn handen en onder zijn macht bevind.’ Hij heeft hem dan ook daarna niet meer ontvangen en heeft geen onderhoud meer met hem gehad.
