JORINUS VAN DER WIEL
Jorinus (Leendert Willem Jorinus) van der Wiel (Utrecht, 15 augustus 1893 – Rotterdam, 5 maart 1960) was een Nederlands wegwielrenner. Hij was professional van 1915 tot 1927. Hij werd maar liefst vijf keer Nederlands kampioen op de weg bij de elite (1915, 1917, 1918, 1921, 1925) en is daarmee nog steeds Nederlands recordhouder. Een record dat ok niet snel meer zal worden verslagen, tenzij er onverwachts een Nederlandse Pogacar opstaat. Ook in 1926 won hij trouwens het kampioenschap, maar toen werd hem de titel ontnomen. Hij zou Klaas van Nek, met wie hij om de titel streed hebben gehinderd of aan zijn shirt hebben getrokken. Van Nek werd door de jury tot winnaar uitgeroepen. Van der Wiel werd teruggezet naar de tweede plaats. In 1929 was hij als inmiddels 36-jarige als amateur deelnemer aan het Nederlands kampioenschap; hij werd toen tweede achter Frits Wiersma, ook een voormalig beroepsrenner die in 1913, 1919 en 1920 bij de elite Nederlands kampioen was geworden.
Er is iets eigenaardig aan de hand met de erelijst van Jorinus van der Wiel. Die bestaat namelijk alleen maar uit die vijf behaalde kampioenschappen, plus dat hij twee keer tweede (1919, 1926) en een keer derde werd (1924) en een keer als 15e finishte in de Ronde van Vlaanderen (1925). Opvallend: de eerste 25 in de uitslagenlijst telde 24 Belgen en Van der Wiel als enige buitenlander. Verder komt hij, toch een profrenner, in geen enkele erelijst voor. Alsof de man met overduidelijk een goede sprint in de benen de rest van het jaar nooit aan enige wedstrijd van belang opstapte. Het is verder ook niet bekend of hij ooit voor een bepaalde wielerploeg uitkwam of zijn hele carrière als individualist aan wedstrijden deelnam. Hij schijnt lid te zijn geweest van de Rotterdamse Renners Club De Pedaalridders, die op 11 oktober 1910 was opgericht door George Damen, een Rotterdamse handelaar in textiel en zelf een gepassioneerd wielrenner. Damen bedacht ook de naam van de vereniging. De eerste leden van De Pedaalridders waren oorspronkelijk lid van atletiekvereniging Pro-Patria, die graag een club wilden hebben waar het alleen om wielrennen zou draaien. De club was vanaf het begin erg succesvol. In 1911 won Krijn Schippers het Nederlands kampioenschap op de weg; in 1910 was hij ook al deelnemer en werd toen zevende. Een andere Pedaalridder, Piet van der Wiel, werd in 1911, 1914 en 1915 tweede en Jorinus van der Wiel, een broer of neef van Piet van der Wiel, werd dus vijf keer Nederlands kampioen.
Er is echter een foto van Jorinus van der Wiel met een shirt waarop in grote letters staat ‘De Mol’. We laten daarover de voor de hand liggende grap maar achterwege. De Mol was een fietsenfabrikant uit Ossendrecht, die op een gegeven moment contact kreeg met de Dordtse Renners Club (DRC). Al voor de Eerste Wereldoorlog verenigden wielrenners in Dordrecht zich in de Dordrechtse Wielerclub Merwede, maar deze club hield tijdens de oorlog op te bestaan. Op 3 juli 1933 richtte dhr. H.J. Bellaart, een fietsenhandelaar te Dordrecht, toen de Dordtse Renners Club op. In de beginjaren van de club konden minder draagkrachtige leden voor een aantrekkelijke prijs een fiets aanschaffen bij rijwielfabriek De Mol uit Ossendrecht. Deze vroege vorm van sponsoring deed de bestuursleden besluiten om de naam van de rijwielfabriek op te nemen in de clubnaam. DRC de Mol is momenteel een van de oudste rennersclubs in Nederland. In wezen maakt ze nog steeds reclame voor een product dat al tientallen jaren niet meer verkrijgbaar is. Er is een foto van Jorinus van der Wiel in het tenue van DRC de Mol, maar die foto moet dus van na juli 1933 zijn geweest, toen Van der Wiel al lang geen profrenner meer was.
Terug in de tijd, want Jorinus van der wiel komt ook in een andere wielerdiscipline voor. Rond 1900 maakte het bij wielerwedstrijden niet zoveel uit maakte welke weg er werd gevolgd. Dus de echte binken kozen voor de kortste weg, via velden, bossen en sloten in een rechte lijn naar het volgende dorp. Het veldrijden, ook wel bekend als cyclocross, was geboren. De fiets was in die tijd ook een militair vervoersmiddel. De Franse militair Daniel Gousseau bedacht dat het voor zijn korps wielrijders wel een aardige manier zou zijn om in de wintermaanden de conditie op peil te houden door de manschappen dan over modderige of bevroren paden te sturen. In 1902 organiseerde hij in de buurt van Parijs de eerste officiële veldritwedstrijd, een cross-country voor fietsers. De renners moesten hun weg vinden over onverharde wegen, door bossen en over velden. Ze moesten regelmatig van hun fiets afstappen om obstakels te overwinnen of steile hellingen te beklimmen. Deze vroege wedstrijden waren een mix van oriëntatieritten en pure fysieke inspanning. Vanuit Frankrijk verspreidde de sport zich snel naar België en andere Europese landen.
In Nederland voelden aanvankelijk weinigen zich geroepen om met hun fiets op de schouder over een sloot te springen. In 1911 werd in Breda voor het eerst een veldrit georganiseerd, die door de plaatselijke postbode werd gewonnen. Pas in 1915 kwam er een vervolg toen in Scheveningen de eerste officiële veldrit werd georganiseerd. Een Haags comité riep in diverse bladen mensen op zich in te schrijven voor de wedstrijd. In verband met de Eerste Wereldoorlog waren Nederlandse militairen gemobiliseerd en die moesten dus hun conditie op peil houden. Precies zoals David Gousseau al had gezegd was deze nieuwe sporttak daarvoor uitstekend geschikt. Het parcours zou in totaal 22 kilometer lang zijn. Een derde daarvan moest ‘wegens terreinmoeilijkheden’ te voet worden afgelegd. Deelnemers moesten onderweg on
bekende moeilijkheden zien te overwinnen. Verder waren een flinke dosis spier- en wilskracht plus veen uiterst sterk rijwiel noodzakelijk om de wedstrijd tot een goed eind te brengen. Met die karige informatie moest men het doen. Wel werd alvast bekend gemaakt dat de snelste finishers een medaille kregen, de rest moest het met een ‘bijzonder artistiek’ vormgegeven diploma doen. Volgens De Telegraaf waren er in totaal 152 inschrijvingen. Uiteindelijk stonden er op 31 oktober 1915 137 dapperen aan de start, waaronder de bekende wielrenners jonkheer Bosch van Drakesteijn, de kersverse Nederlands wegkampioen Van der Wiel en Christina Buis uit Halfweg, de enige vrouw aan de start.
Na de start op het terrein in Scheveningen doemden al na enkele honderden meters de eerste obstakels op. Een ijzeren hek en een plank over de sloot zorgden ervoor dat de deelnemers van hun fiets moesten afstappen. Terwijl degenen die op de voorste rijen waren gestart over het hek klommen en de sloot overstaken, moesten de ongelukkigen die verder naar achteren waren gestart, wachten op hun beurt. Hun kans op de overwinning was gezien en Sergeant Mulder noemde deze gang van zaken een week later in een ingezonden brief in de Revue der Sporten dan ook ‘onbillijk’. Na 1 uur en 55 seconden, veel sneller dan iedereen vooraf had verwacht, bereikte Nederlands kampioen op de weg Jorinus van der Wiel als eerste de finish. Tweede werd de eveneens bekende wielrenner Hulleman uit Gouda. Catherina Buis finishte uiteindelijk als 122e, met een achterstand van 1 uur 31 minuten en 44 seconden op de winnaar. Deze bijzondere prestatie leverde haar een zilveren herinneringsmedaille op. De veldrit was een succes, maar er kwam door allerlei oorzaken de eerstvolgende jaren geen vervolg. Het duurde tot 1923 voor er in Scheveningen weer een veldrit werd georganiseerd, de start van een jaarlijkse traditie.

