HARTBERG – DE VERZETSGROEP VAN GUSTAV PFEILER

Het einde van de oorlog in het oostelijk deel van de Oostenrijkse deelstaat Steiermark werd gekenmerkt door geallieerde bombardementen en de steeds toenemende terreur van het naziregime. De inwoners moesten steeds vaker naar bunkers vluchten om aan de bombardementen te ontkomen en tegelijkertijd werden ze geconfronteerd met de dodenmarsen van duizenden Hongaarse Joden die naar het concentratiekamp Mauthausen in de omgeving van Linz werden gedreven, ongeveer 150 kilometer naar het noordwesten. Velen van hem probeerden tijdens die mars te ontsnappen en probeerden ergens onderdak te vinden. Anderen die fysiek niet meer in staat waren verder te gaan, werden door de SS-bewakers doodgeschoten en langs de kant van de weg achtergelaten. Vanuit het noorden rukten Russen vanuit het op 15 april 1945 al bevrijde Wenen via de Semmering-Pass door het Murtal op naar Graz. Dat was een van de zwaarst getroffen steden in Oostenrijk door geallieerde bombardementen, waarbij bijna 50% van de gebouwen beschadigd of verwoest werd. Veel bewoners zochten een schuilplaats in het tunnelsysteem van de Schloßberg. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bouwden dwangarbeiders in deze Schloßberg een uitgebreid tunnelsysteem in de berg, dat verbonden was met natuurlijke grotten, waarvan er tot 1944 maar weinig bekend waren. Het systeem was 6,3 km lang, telde twintig ingangen en beschikte over ongeveer 12.000 m² bruikbare ruimte. Tijdens de zware bombardementen op Graz diende dit systeem als commandocentrum, militair ziekenhuis en schuilplaats voor maximaal 50.000 mensen. Op 7 mei 1945 werd de nadering van de Sovjettroepen in Graz verwacht, te midden van de algehele Duitse capitulatie in Europa. Die dag tekende generaal Alfred Jodl in Reims de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten, inclusief die in de regio rond Graz. Op 8 mei 1945 om 23:01 uur stopte het vechten en was Graz als laatste stad van Oostenrijk bevrijd.

Op ongeveer veertig kilometer van Graz lag het stadje Hartberg, dat ongeveer 4.500 inwoners had. In de herfst van 1944 vormde zich in Hartberg in de deelstaat Steiermark een verzetsgroep rond Gustav Pfeiler, die in september 1944 niet terugkeerde naar het front. De deserteur, die vóór 1938 lid was geweest van de Heimwehr, begon een groep mannen en vrouwen om zich heen te verzamelen. Kort voor de onvoorwaardelijke overgave van het Groot-Duitse Rijk was hun aantal tot ongeveer driehonderd man gegroeid. Ze droegen rood-wit-rode armbanden en verscholen zich in de bergen rond Hartberg. Door middel van sabotage, de arrestatie van prominente nazi’s en de confiscatie van wapens probeerden ze de overgang naar een postfascistisch tijdperk te bespoedigen. Daarbij rekenden ze op de steun van de boeren, die hen min of meer gewillig onderdak en voedsel verschaften.

Op 6 april 1945, toen de Russische troepen Wenen al naderden, werden in de directe omgeving van Hartberg enkele boerenleiders in Staudach en Pongrazen gearresteerd. Erich Heumann, de lokale NSDAP-fractieleider van Hartberg, liet zijn gezin inkwartieren op de boerderij van de familie Schützenhöfer op Masenberg. Johann Schützenhöfer, die toestemming had gekregen om thuis te blijven voor de oogst en niet was opgeroepen voor militaire dienst, kon zich niet verzetten. Er woonden al elf mensen op de boerderij en nu trokken er nog eens tien in een kleine kamer. De nazi’s verstopten hun wapens in de schuur. Ondanks de onvermijdelijke nederlaag bleven de nazi’s leuzen verkondigen over hun doorzettingsvermogen en beraamden ze plannen om een ​​bolwerk op Masenberg te vestigen.

In de nacht van 7 april 1945 beviel de vrouw van de boer van een zoon. Diezelfde middag liet Erich Heumann zich naar de boerderij rijden. Hij voelde zich zelfs buiten de stad niet meer veilig. Toen hij uit de auto stapte, openden de verzetsstrijders het vuur. De nazi’s beantwoordden het vuur en in de daaropvolgende vuurwisseling raakten zowel Erich Heumann, die op de vlucht sloeg, als Gustav Pfeiler gewond. Er zou vanuit de boerderij op de verzetsstrijders zijn geschoten en zelfs met handgranaten zijn gegooid. Verzetsstrijders drongen vervolgens de boerderij binnen; na een schermutseling schoten ze Heumanns familie dood: zijn vrouw en twee kinderen, zijn schoonouders, hun dochter, een dienstmeisje, een werknemer en diens vrouw. Franz Spieß, de rechterhand van Gustav Pfeiler, verklaarde later: ‘Heumanns schoonvader viel me onmiddellijk aan met een tafelmes, terwijl een van Heumanns medewerkers een stoel tegen me aan trok. Door deze dreigende gebaren trok ik mijn revolver en schoot ik ze allebei neer. Na deze schoten kwamen mijn andere kameraden ook de kamer binnen en, met uitzondering van een klein kind, schoten ze alle andere aanwezigen dood.’

Op 8 april 1945 werden de doden afgevoerd. De SS-veiligheidsdienst en een compagnie van de Waffen-SS kregen de opdracht naar Hartberg te gaan om actie te ondernemen tegen de vrijheidsstrijders. Onder het voorwendsel dat ze zich wilden aansluiten bij de strijd tegen de nazi’s, infiltreerden SS-mannen in de gelederen van de vrijheidsstrijders.

Op 27 april 1945 stak de SS de boerderij van Pfeiler in brand. Van daaruit trokken ze naar de boerderij van Johann Hofstadler. Hulpgendarme Gerngross gaf het volgende verslag van de gebeurtenissen: ‘Toen ik naar de boerderij van de Hofstadler werd gebracht, werd de landarbeider van de eigenaar, Josef Bambuschek, ondervraagd en geslagen door een SS-Hauptsturmführer, in aanwezigheid van verschillende andere SS-mannen. Na de ondervraging werd hij door de SS op het terrein doodgeschoten. Daarna werd Michael Schützenhöfer – die alleen zijn naam deelt met de familie van de boerderij – door een SS-Oberscharführer uit het huis geleid en in een perenboom opgehangen, terwijl zijn broer, Alois Schützenhöfer door de SS in de tuin werd doodgeschoten. Vervolgens arriveerde de SS-Sturmbannführer, vergezeld door een SS-man, die was geïnfiltreerd.’ Vier dagen eerder had de verzetsstrijder de weg gewezen en toonde de Sturmbannführer de personen die hij onder de verzetsstrijders had gezien. Hij wees onder andere naar Hermann Rudolf. Rudolf toonde zijn verlofpas van de Wehrmacht. De SS-Sturmbannführer antwoordde dat er alleen verlof was voor moed. Op het bevel van de SS-Sturmbannführer, ‘Weg met hem!’, werd Rudolf weggeleid en door de SS in de binnenplaats doodgeschoten. Karl Hofer was de laatste die werd ondervraagd. Toen Hofer werd gevraagd waarom hij niet in de Wehrmacht zat, antwoordde hij dat hij was ontslagen vanwege een hernia. Toen Hofer zijn papieren probeerde te laten zien, griste de SS-Sturmbannführer ze uit zijn handen en gooide ze weg zonder ernaar te kijken. Op zijn bevel werd Hofer op de binnenplaats ook doodgeschoten. Terwijl verschillende boerderijen in brand werden gestoken, begon de SS boeren te arresteren die ze ervan verdachten het verzet te steunen. Ze sloten hen op in het oude gerechtsgebouw en het schoolgebouw. ​​Veel gevangenen worden geslagen en gemarteld; Heumann zelf was daar herhaaldelijk bij aanwezig.

Op 28 april 1945 bezetten Heumann en een SS-eenheid de boerderij van Schützenhöfer. Onder bedreiging met vuurwapens dreigden ze de aanwezigen met de doodstraf als ze de schuilplaats van de boer, die nu beschuldigd werd van het steunen van de vrijheidsstrijders, niet zouden onthullen. Johann Schützenhöfer werd in de schuur gevonden en na zwaar te zijn mishandeld naar de keuken gesleept. Voordat hij werd afgevoerd, hield hij zijn bijna twee weken oude zoontje nog een laatste keer in zijn armen en vertrouwde hem de boerderij toe. In het oude gerechtsgebouw kwam een summiere rechtbank van de Gestapo en de SS bijeen: dertien gevangenen werden in een versneld proces ter dood veroordeeld.

Op 4 mei 1945 werden negen van hen vanuit het oude gerechtsgebouw naar het Kernstockpark, het huidige stadspark in Hartberg, geleid. Dat stond inmiddels vol met toeschouwers. Drie mannen tegelijk worden in drie salvo’s doodgeschoten. Een man, Josef Straschek, wist teontsnappen, maar werd doodgeschoten voor de Mariazuil op het Adolf Hitlerplein, het huidige centrale plein. Na de schietpartij in het park werden vier mannen opgehangen aan lantaarnpalen. Een van hen was Johann Schützenhöfer, een ander zijn broer Michael, wiens touw brak. Iemand snelde toe om hem neer te schieten, maar zijn pistool weigerde dienst. Het pistool van een ander werkte wel.

Op 7 mei 1945, één dag voor de onvoorwaardelijke overgave van het Duitse Rijk, leegden nazi’s en SS hun gevangenissen. Zesentwintig gevangenen – elf deserteurs, acht dwangarbeiders, negen vrijheidsstrijders en vermeende sympathisanten – werden onder SS-toezicht naar Pöllau gebracht. Aloisia Straschek, de vrouw van Josef Straschek, wier tevergeefs had geprobeerd aan het vuurpeloton te ontsnappen, werd daar net zo wreed vermoord als Christine, Johann en Walter Spieß. De laatste die werd vermoord is een zekere Franz Simonschek. Op de begraafplaats in Hartberg staat een monument ter herinnering aan de zeventien verzetsmensen die in de eerste dagen van mei 1945 door de SS werden gedood.

Op 18 augustus 1946 werd in het stadspark van Hartberg, in aanwezigheid van 1.500 mensen, een gedenkplaat onthuld ter nagedachtenis aan de vermoorde vrijheidsstrijders en hun aanhangers. Gustav Pfeiler, die in tegenstelling tot zijn ambities noch burgemeester noch districtsbestuurder was, hield een toespraak waarin hij ook wees op de nazi’s die nog steeds ambten en machtsposities bekleedden. Erich Heumann, sinds 1932 lid van de NSDAP, lokaal fractieleider en directeur van de districtsleiding van Hartberg, werd in februari 1947 veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. Florian Groß, sinds 1930 lid van de NSDAP, districtsleider van Hartberg en SS-Obersturmbannführer, kreeg in september dezelfde straf. Gestapo-chef Johann Tobi had in mei 1945 zelfmoord gepleegd in Salzburg. In oktober 1950 diende de vrouw van Florian Groß een gratieverzoek in bij bondspresident Renner, vergezeld van steunbetuigingen van vooraanstaande figuren, ambtenaren en leden van de nieuwe democratische partijen in Hartberg; zelfs een functionaris van de Communistische Partij diende een aanbevelingsbrief in. Groß kreeg met Kerstmis 1951 amnestie. In juli 1952 diende Erich Heumann een gratieverzoek in bij bondspresident Theodor Körner en kreeg in maart 1953 amnestie. De verzetsstrijders rondom Gustav Pfeiler raakte vanaf de vijftiger jaren steeds meer in de vergetelheid.