NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 31

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

ZESDE HOOFDSTUK (3e deel)

In den beginne was men verstoken van couranten. De Engelsche regeering veroorloofde niet, dat Napoleon zich abonneerde op een Engelsche of een Fransche courant, of de Morning Chronicle of de Morning Post en verbood hem zelfs, met een boekverkooper te Londen over een geregelde toezending van dagbladen of van boeken te correspondeeren. Ter nauwernood en dan nog bij toeval en ongeregeld, ontving men op Longwood een nummer van de Times. Daarentegen had admiraal Cockburn de goedheid – dikwijls zelfs vóórdat hij ze zelf had gelezen – de couranten, die hij ontving, aan Napoleon te geven, welk voorbeeld door Hudson Lowe gevolgd werd. Ook admiraal Malcolm zond hem – door Q’Meara – couranten, terwijl deze hem, in stilte, dagbladen verschafte, die hij in James Town kocht, wat de woede van Hudson Lowe gaande maakte, die streng verbood daarmee voort te gaan. Meestal was het de Times, die echter voor Napoleon het minst van belang was. Pas na het midden van 1818 – vóór dien tijd had Hudson Lowe er reeds bij de Engelsche regeering op aangedrongen, dat men Napoleon toch zou toestaan zich op eenige dagbladen te mogen abonneeren – begon, doordat Las Cases nogmaals een verzoek tot de Engelsche regeering richtte, de geregelde toezending van dagbladen uit Europa, waaruit men op de hoogte van de politieke gebeurtenissen kwam. De aankomst der couranten zweepte altijd de Fransche kolonie voor een paar dagen uit de taaie traagheid op, waarin zij voortdofte. Daarna verviel zij weer in dezelfde kleurlooze loomheid. De geregelde toezending der dagbladen duurde – eenmaal begonnen – tot in de laatste jaren, van 1818 – 1821, waardoor de Keizer om zoo te zeggen, daags vóór zijn dood, even goed op de hoogte der politieke gebeurtemssen in Europa was als Hudson Lowe zelf. Het aangenaamste voor den Keizer was, dat hij eindelijk in het bezit van een volledige verzameling Moniteurs kwam, waardoor hij de bron in handen kreeg, waaruit hij kon putten wat hij het meest voor zijn arbeid noodig had.

Dominique-Georges Dufour De Pradt

Gedurende het eerste jaar van zijn gouverneurschap, van Juni 1816 tot Juni 1817, was Hudson Lowe de eenige, die – niettegenstaande den slechten voet, waarop hij met Napoleon verkeerde – de Franschen van boeken voorzag, al had hij ook daarbij de onhandigheid om het eerst het boek van l’abbé de Pradt – over diens verblijf te Warschau, waar hij ambassadeur was geweest; een echt schotschrift tegen Napoleon – te zenden. De omgeving van den gouverneur toonde meer takt en wist in zulke aangelegenheden beter de eerbied en de achting tegenover den overwonnene en den gevangene te bewaren. Toen Las Cases vernomen had, dat Goldsmith een boek had geschreven, ‘L’histoire secrète du Cabinet, de Bonaparte’, deed hij te vergeefs pogingen om het van de Engelsche officieren ter leen te krijgen. Zij weigerden het te geven, wijl zij zich er voor schaamden. Eindelijk, nadat hij hen verscheidene keeren had verzekerd, dat men zich dergelijke uitingen als men zeide, dat zich daarin bevonden, op Longwood niet aantrok en dat men er om lachte, gaf men hem deze verzameling liefelijkheden, die voornamelijk bestond uit een opsomming der gemeenste daden, die Napoleon zou hebben gepleegd, vergiftigingen, moorden, daden van bloedschande en onteeringen enz. Toen Napoleon Las Cases vroeg, wat hij op het oogenblik las, en deze hem verhaalde welk een schandelijk pamflet Goldsmith had geschreven, wilde de Keizer het met alle geweld lezen. Hij lachte er om, werd niet boos of verdrietig en het eenige wat hij zeide, was: ‘dat dat de auteur hem ongetwijfeld in alle opzichten tot een held had willen maken, dat hij hem bovendien uitleverde aan degenen die hem machteloos wilden maken, en dat het aan deze heren was om tot een overeenkomst te komen!’

Doordat deze en dergelijke pamfletten hun plaats in de bibliotheek vonden; ten gevolge der toezending van boeken door Lady Holland en, vooral in latere jaren, door eenige boekverkoopers, en particulieren, die den Keizer daarmee genoegen wilden doen en die ieder op zich zelf stuurden, wat zij meenden, dat voor hem van belang kon zijn, vertoonde de boekenkast op Longwood een merkwaardige systeemloosheid, tegenstrijdigheid en verscheidenheid. Een voordeel dier verscheidenheid was, dat ieder der ballingen er iets van zijn gading en naar zijn smaak in kon vinden en er het ruim gebruik van kon maken, dat Saint-Denis als bibliothecaris zooveel hoofdbreken kostte. Wanneer men de lijst der boeken-titels nagaat, zooals die in een aanhangsel van het Journal van Gourgaud is opgegeven of zooals die door anderen wordt vermeld, staat men verbaasd over zulk een verscheidenheid, waarvan moeilijk een weerga is te vinden.

Eens op gang, ging de toezending van boeken steeds, tot zelfs na Napoleon’s dood, door. Den 14den Maart 1821, kort vóór zijn sterven, opende hij nog – gedurende den korten tijd, dat zijn ziekte hem niet pijnde – een laatste kist boeken, die Lord Bathurst hem deed toekomen. De allerlaatste kist met boeken, was door Lady Holland’s zorgen bijeen gebracht, en kwam pas na zijn dood op St. Helena aan, voorzien van het gewone opschrift: “From E. V. Holland by lord Barhurst’s permission”. Na den dood van den Keizer werd een gedeelte van zijn bibliotheek door zijn lotgenooten – vooral die boeken, welke van Rambouillet, Trianon en Malmaison afkomstig en van het keizerlijk wapen voorzien waren – mee naar Europa genomen, waar zij later, of te Parijs werden verkocht (zooals die, welke Bertrand had mee-gebracht), of in particuliere bibliotheken en verzamelingen een plaats vonden; een ander gedeelte, het meerendeel, ging naar Engeland, waar het eerst en bloc aan een Londenschen boekverkooper werd overgedaan, die er een keuze uit deed en de rest op een publieke verkooping liet veilen.

Wanneer Napoleon den morgen niet met lezen had doorgebracht, maar had gewerkt, déjeuneerde hij tegen elf uur. Het kleine tafeltje vóór zijn sofa werd leeg gemaakt en in plaats van de boeken, die er meestal op lagen, werd er een servet over gedekt. Behalve, wanneer hij gewerkt had en hen, die zijn secretarissen waren geweest, bij zich noodde, at hij s’ morgens meestal alleen en was dan in hoogstens tien minuten klaar. Trouwens, in het geval, dat hij wel Las Cases, de Montholon of Gourgaud vroeg om bij hem te blijven, duurde het déjeuner, dat uit één soep. twee vleeschen en één groente bestond, ten minste, indien Cypriani (die door een Engelsche soldaat vergezeld, naar James Town was geweest) zich versche groente had kunnen verschaffen, niet heel veel langer. Daarna dronk hij een kop koffie en dan begon het werken weer. Toen hij op St. Helena kwam, was Napoleon van plan om zijn loopbaan en al de politieke en militaire daden, die hij volbracht had, te schrijven. Dit grootsche plan heeft hij niet geheel ten uitvoer gebracht.

Toch, zooals het daar ligt, en zooals het in 1867 is verschenen vormt het zes groote deelen en is het een ontzaggelijk werk, dat een schrijver van beroep geen oneer zou aandoen. Het beste overzicht kan men er van krijgen, indien men zich aan de verdeeling houdt in drie groepen, die sommige schrijvers er aan onderscheiden. Ten eerste de “Mémoires”, waarvan het begin en het einde zijn geschreven en het midden onvoltooid is gelaten; ten tweede, die werken, welke een studie bevatten over eenige groote veldheeren en theoretische beschouwingen over krijgskunde, legerorganisatie enz. Het eerste gedeelte der Mémoires bestaat uit vier onderdeelen; ten eerste, het beleg van Toulon en de 13de Vendérniaire, gevolgd door de veldtocht van Italië (1796 – ’97), waarvan twee lezingen bestaan, één door Las Cases geschreven en de tweede, waarschijnlijk, door de Montholon ; ten tweede de veldtocht naar Egypte, eveneens door twee personen te boek gesteld, namelijk door Gourgaud en de Montholon ; ten derde het Directoire-tijdperk en ten vierde, de 18me Brumaire en de eerste tijden van het Consulaat. Het laatste gedeelte der Mémoires bevat,: ten eerste, Elba en de Cent Jours en ten tweede, Waterloo, dat een voortdurende preoccupatie voor Napoleon was en bleef. Al op de Northumberland hield Napoleon er zich mee bezig en deze eerste lezing is door Gourgaud mee naar Europa genomen en in het licht gegeven. Een tweede bewerking, door Napoleon zelf ter hand genomen, is door O’Meara in het licht gegeven. Het midden-deel, loopend over de periode 1801-1814 en die van vóór 1793, is niet zonder opheldering van de hand van Napoleon gebleven en behandelt een lange reeks van verschillende onderwerpen.

Wat de werken betreft, die een uitvloeisel of een gevolg van verschillende omstandigheden zijn, deze groep bevat voornamelijk antwoorden of weerleggingen en verbeteringen van geschriften en brochures, die over zijn regeering of over zijn persoon handelen. In tegenstelling met de Mémoires, bevatten zij weinig politiek en weinig over krijgskunde, maar handelen voornamelijk over hem zelf en over zijn gevoelens. Het zijn het ‘Manuscript de l’île d’Elbe ou des Bourbons en 1815’ aanteekeningen op het werk van den abbé de Pradt, ‘Histoire de l’ Ambassade de Varsovie’ ; een antwoord en een tegenwerping op een redevoering van lord Bathurst, den 18den Maart 1817 door dezen in het Parlement gehouden. Napoleon had gehoopt dat of lord Amherst, of admiraal Malcolm dit antwoord mee naar Engeland zou willen nemen en daar het licht doen zien. Beiden echter weigerden en waarschijnlijk is het O’Meara geweest, die het later openbaar heeft gemaakt. Vervolgens de ‘Lettres du Cap’, die een weerlegging, verbetering en aanvulling der brieven van Warden zijn, aanteekeningen op het ‘Manuscript venu de Sainte Hélène d’une manière inconnue’, waarvan de schrijver langen tijd onbekend is gebleven, dat velen aan Napoleon toeschreven en waarvan ieder, ook Napoleon zelf, de herkomst trachtte te raden (later pas is men tot de ontdekking gekomen, dat een inwoner van Genève – Lullin de Cháteauvieux – er de schrijver van is) ; de ‘Letters from the island of Saint Helena, exposing the unnecessary severity exercised towards Napoleon’, die in 1818 verschenen en waarvan een vertaling is gegeven in de ‘Receuil de pièces authentiques sur Ie captif de Sainte Hélène’ en nog eenige opstellen, waaronder de aanteekeningen op de ‘Mémoires de Henry de ChabouIon’ een voorname plaats innemen. Het derde gedeelte bevat een studie over de ‘Campagnes de César,’ een ‘Précis des campagnes de Turenne et de Fréderic II’ en eenige theoretische beschouwingen over krijgskunde, leger-organisatie en vestingbouw.

Niettegenstaande een enkele fout, die er hier en daar in voorkomt, doordat het op verschillende plaatsen niet nauwkeurig genoeg is en door de vergissingen, die de schrijver heeft gemaakt, wijl hem de gegevens ontbraken, om alles wat hij uit zijn hoofd en uitsluitend uit zijn herinnering moest dicteeren, te contröleeren en wijl hem geen enkel document of werk bijna ten dienste stond, waarmee hij zijn herinnering kon vergelijken, heeft zijn werk een groote verdienste. De stijl is uitstekend, het woord nauwkeurig, de logica en de wijze waarop de gebeurtenissen zijn gerangschikt, bewonderingswaardig, naar zij zeggen, die tot oordeelen daarin bevoegd zijn. Wanneer hij iemand ten tooneele voert, stelt hij hem in drie, vier nauwkeurige en vaste trekken voor; zijn beschrijvingen van streken waar hij oorlog heeft gevoerd, alsmede die der oorlogen zelf zijn glashelder en zóó duidelijk, dat een topograaf het niet zou kunnen verbeteren, terwijl het levendige van het verhaal en de geheele wijze om zijn personen te beschrijven en ze ten tooneele te voeren, zooals in de ‘Lettres du Cap’, den lezer aangrijpt en vast houdt, zonder dat er van eenige kunstgreep of van groote woorden is gebruik gemaakt. Er is dan ook geen beter antwoord dan zijn werk, op de aanklacht van zijn tegenstanders, dat hij zijn tijd op St. Helena in kinderachtige en kleingeestige twist-zoekerijen met Hudson Lowe heeft doorgebracht en verknoeid heeft, en dat hij wel iets beters had kunnen doen.

In den beginne op St. Helena heeft Napoleon – voordat zich door de omstandigheden een groote moedeloosheid van hem had meester gemaakt – veel tijd aan het schrijven of liever aan het dicteeren van zijn herinneringen besteed. Zijn lotgenooten getuigen er alle van, die hij beurt om beurt als secretaris gebruikte en wiens goeden wil hij op proef stelde. Waar zij vermoeid werden en na een tijdlang schrijven moesten rusten, bleef hij soms veertien uur op één dag door-dicteeren. Somtijds dicteerde hij gedurende een geheelen nacht achtereen voort, zooals den nacht toen hij om vier uur Gourgaud uit den slaap liet wekken om de Montholon te vervangen, die niet meer kon. De jonge Las Cases verhaalt : ‘Ik herinner me een tijd dat het schrijven van geschiedenis een ware passie voor hem was. Hij dicteerde bijna altijd al wandelend; zijn tempo was niet gehaast en zodra zijn aandacht erop gericht was, werd het heel regelmatig. Als zijn aandacht nog steviger gericht was, werd zijn pas bedachtzamer; je kon zijn voet duidelijk op het bord horen tikken. Als hij ook maar een beetje opgewonden raakte, werd zijn ademhaling diep en frequent. Ik merkte altijd dat hij volledig opging in de taak waarmee hij bezig was. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit twee verschillende dingen tegelijk heb zien doen. Op een dag lachte hij het verhaal weg dat Caesar tegelijkertijd aan verschillende secretarissen in verschillende talen dicteerde. Terwijl hij aan het werk was, was er vaak veel lawaai om hem heen, met deuren die werden opengegooid, en hij leek het niet te merken…

Wel is waar, moedigde hij zijn lotgenooten aan en troostte hij ze, wanneer zij onder hun taak zuchtten, met het vooruitzicht, dat zij alles wat zij schreven als het hunne konden beschouwen en dat zij er later, indien zij het zouden uitgeven, een hoop geld mee zouden kunnen verdienen. Maar op andere oogenblikken – vooral wanneer hij uit zijn humeur was – waarschuwde hij hen, dat zij er niet op behoefden te rekenen, eenig recht op het werk te hebben. Wat er met die enorme hoeveelheid dictée is gebeurd, weet men niet; hoeveel er van ook het licht heeft gezien, is het waarschijnlijk, dat er nog een groot deel onuitgegeven is gebleven. Daarentegen is het onwaar, dat Napoleon zelf sommige opstellen, waarvan men den schrijver niet kent, of niet kende in dien tijd, onder anderen het ‘Manuscript de Sainte Hélène’, naar Gourgaud beweert, zou hebben geschreven, zooals hierboven reeds is opgemerkt.

Dit item was geplaatst door Muis.