WOLFGANG KAPP
Na de Eerste Wereldoorlog was Duitsland een zeer instabiele democratie. In de periode 1919-1993 had de Weimarrepubliek herhaaldelijk te maken met opstanden en couppogingen van zowel extreem-linkse als extreem-rechtse partijen. Een van de pogingen tot staatsgreep die het meest in de herinnering is blijven hangen van de coup van Wolfgang Kapp en Walther von Lüttwitz op 13 maart 1920, die officieel de Kapp-Lüttwitz-Putsch heet, maar als de Kapp-Putsch de geschiedenisboeken is ingegaan. Die staatsgreep werd zeer snel de kop ingedrukt en stelde in wezen dus minder voor dan vaak wordt verondersteld, maar deze Kapp-putsch bleef in de herinnering omdat de gevolgen erg groot waren. Wie waren deze twee leiders van de staatsgreep en wat stond hen voor ogen.
Wolfgang Kapp (New York City, 24 juli 1858 – Leipzig, 12 juni 1922) was de zoon van de advocaat Friedrich Kapp (1824-1884) en Luise Engels, dochter van generaal-majoor en commandant van Keulen Friedrich Ludwig Engels. Het gezin Kapp was na de Badense revolutie van 1848-1849 naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Die Badense revolutie was een periode van grote revolutionaire onrust en opstandjes, vooral in het Groothertogdom Baden, waarbij er naar werd gestreefd in Baden (en in het verlengde daarvan in heel Duitsland) een republiek te vestigen, dus onder de soevereiniteit van het volk en tegen de vorstelijke heerschappij. De revolutie eindigde op 23 juli 1849 met de militaire onderdrukking van de laatste opstand door federale troepen onder Pruisisch leiderschap. Het gezin voelde zich nooit echt thuis in Amerikaanse ballingschap en keerde uiteindelijk in 1870 terug naar Duitsland. Wolfgang bezocht enkele jaren later in Berlijn het Friedrich-Wilhelm-Gymnasium , studeerde daarna rechten aan de Eberhard Karls Universiteit van Tübingen en de Georg-August Universiteit van Göttingen , waar hij in 1886 promoveerde. In 1878 werd hij lid van het Korps Hannovera Göttingen, waar nog de traditionele schermduels werden uitgevochten. Ook Wolfgang liep hier de duidelijk zichtbare littekens op in zijn gezicht door de duels die hij daar vocht.
I
n 1884 trouwde Kapp met Margarete Rosenow, met wie hij drie kinderen kreeg. Via de familie van zijn vrouw kwam hij in contact met conservatieve Junker-kringen. In 1890 werd hij ook eigenaar van het landgoed Pilzen bij Preußisch Eylau (Oost-Pruisen, nu de Poolse stad Bagrationowsk). Vanaf 1891 was hij districtsbestuurder van het district Guben. Als ambtenaar klom Kapp vanaf 1900 op tot de rang van senior ministerieel adviseur bij het Ministerie van Landbouw. In 1907 nam de leiding over het Algemeen Directoraat Landschapsbeheer van Oost-Pruisen over. Hij zou deze functie, met een kleine onderbreking van enkele maanden in 1916-1917, tot maart 1920 bekleedde. Hij dankte deze functie aan de bemiddeling van zijn vriend Elard von Oldenburg-Januschau (1855-1937), een invloedrijke Oost-Elbische landeigenaar, lobbyist en politicus. Hij was zowel het Duitse Keizerrijk als de Weimarrepubliek lid van de Rijksdag tijdens: van 1902 tot 1912 voor de Deutschkonservative Partei en van 1930 tot 1932 voor de Deutschnationale Volkspartei (DNVP). De Deutschkonservative Partei was een monarchistische, deels antisemitische partij, economisch protectionistisch en vertegenwoordiger van de belangen van grootgrondbezitters. De Deutschnationale Volkspartei was een nationaal-conservatieve partij met als kenmerken nationalisme, nationaal-liberalisme, antisemitisme, imperialistisch-monarchistisch conservatisme en völkische (etnisch-nationalistische) elementen. De DNVP-parlementsleden stemden op 24 maart 1933 voor de Machtigingswet, die de weg vrijmaakte voor een nazi-dictatuur. De partij werd in juni 1933 opgeheven, de parlementsleden sloten zich aan bij de NSDAP-fractie. Elard von Oldenburg-Januschau was de meest invloedrijke leden van de innerlijke kring rond Rijkspresident Paul von Hindenburg en een sleutelfiguur in de ontwikkelingen die uiteindelijk leidden tot Hitlers benoeming tot kanselier.
Kapp voerde als directeur van het Algemeen Directoraat Landschapsbeheer van Oost-Pruisen met succes campagne voor de landarbeidersbeweging, de vestiging van boeren en schuldsanering voor landeigenaren, en richtte ondanks sterke tegenstand de non-profit levensverzekeringsmaatschappij naar publiek recht op, met een jaarsalaris van 72.000 mark. In 1912 werd hij ook gekozen tot lid van de raad van toezicht van Deutsche Bank. Hij ontving een eredoctoraat van de Universiteit van Königsberg. Kapp had goede connecties met bankiers en belangrijke industriëlen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog verwierf Kapp in Duitsland grote bekendheid als een van de meest prominente voorstanders van de verreikende Duitse oorlogsdoelen. Hij eiste onder meer omvangrijke annexaties en hoge herstelbetalingen van de Entente Cordiale aan het Duitse Rijk als doelstellingen van het Duitse oorlogsbeleid. Hij beschouwde de permanente militaire, economische en politieke integratie van bezet België in het Rijk, ook na het einde van de oorlog, de vestiging van Duitse marinebases aan de Vlaamse kust en een krachtige campagne tegen Groot-Brittannië als essentieel. Als fervent voorstander van onbeperkte duikbootoorlog tegen Groot-Brittannië kwam Kapp in conflict met kanselier Bethmann Hollweg, die de invoering ervan wilde voorkomen uit angst voor Amerikaanse deelname aan de oorlog. Kapp schreef onder andere het artikel ‘De Nationale Kringen en de Kanselier’ dat hij naar de belangrijkste figuren in de politieke, economische en militaire leiding van het Rijk stuurde. Bethmann Hollweg noemde Kapp in de Rijksdag vervolgens een ‘politieke piraat’, een belediging die Kapp ertoe aanzette hem uit te dagen tot een duel. Bethmann Hollweg gaf geen gehoor aan de uitdaging.
Kapp werd lid van de laatste Rijksdag van het Duitse Keizerrijk, die van januari 1912 tot januari 1919 aan de macht was, na tussentijdse verkiezingen in Gumbinnen op 2 februari 1918. Hij beschouwde de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog als een nationale schande en werd een voorstander van de dolkstootmythe . In september 1917, terwijl de oorlog nog gaande was, had Kapp de Deutsche Vaterlandspartei (DVLP) opgericht, een extreemrechtse partij die elementen van conservatieve, nationalistische, antisemitische en völkische ideologieën kende, als reactie op de vredesresolutie van de Rijksdag van 19 juli 1917 om een einde aan de Eerste Wereldoorlog te maken.
In oktober 1919 was Kapp betrokken bij de oprichting van de antirepublikeinse Nationale Vereinigung (NV), een rechtse, antirepublikeinse organisatie die wordt beschouwd als de organisatorische ‘kristallisatiekern’ van de Kapp-putsch. De vereniging werd opgericht met de steun van Erich Ludendorff, de generaal die zich enkele jaren later zou aansluiten bij Adolf Hitler en meedeed aan de mislukte Bierkellerputsch van 9 november 1923. Een van de belangrijkste initiatiefnemers was kapitein Waldemar Pabst, die eerder dat jaar de moorden op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht had georganiseerd. Pabst was door Reichswehr-minister Gustav Noske ontslagen als stafchef van de Garde Cavalerie-infanteriedivisie vanwege zijn betrokkenheid bij verschillende nationalistische protesten en pogingen tot opstand. Ook betrokken bij de oprichting was kolonel Max Bauer, die tijdens de Eerste Wereldoorlog Ludendorffs politiek adviseur was geweest. Anderen die deel uitmaakten van de leiding van de Nationale Vereinigung waren Georg Schiele, Gottfried Traub, Georg von Schnitzler en Friedrich Grabowski. Het doel was een verenigd front van alle nationalisten te vormen en het bolsjewisme te bestrijden. De organisatie was gebaseerd op de overblijfselen van de voormalige Vaterlandspartei. Kapp en Traub waren ook lid van het belangrijkste uitvoerende comité van de Deutschnationale Volkspartei (DNVP), waardoor een directe band met die partij ontstond. Via Traub was er ook een link met de Berliner Nationalklub die in oktober 1919 was opgericht en bestond uit industriëlen, bankiers, grootgrondbezitters en hooggeplaatste ambtenaren. De Nationale Vereinigung onderhield ook contacten met rechtse militaire figuren, met name Walther von Lüttwitz. Financiële steun kwam van verschillende belangrijke industriëlen, zoals Hugo Stinnes die de vereniging tot januari 1920 steunde met 125.000 Reichsmark per maand. Er was ook financiële ondersteuning van bedrijven als Gutehoffnungshütte, MAN en de Schichau-scheepswerf.
De vereniging leverde onder andere voormalige Baltische strijders als vervanging voor georganiseerde landarbeiders op landgoederen ten oosten van de Elbe. Dit maakte het mogelijk om militaire connecties te onderhouden of te leggen, die nodig waren voor een toekomstige staatsgreep. De vereniging werd niet als een bedreiging voor de republiek beschouwd. De Staatscommissaris voor Openbare Orde meldde dat haar activiteiten altijd “geruststellend” waren geweest. Andere bronnen, die de Rijksregering niet bereikten, geven echter aan dat ten minste de kern van de organisatie een staatsgreep overwoog, desnoods met militaire middelen.
Die staatsgreep kwam er toen op 13 maart 1920 een militaire bezetting plaatsvond van het regeringsdistrict van Berlijn en Wolfgang Kapp verklaarde dat de vluchtende coalitieregering van de SPD, Centrumpartij en DDP onder kanselier Gustav Bauer was afgezet. Hij verklaarde dat daarmee de Weimarrepubliek was ontbonden en benoemde hij zichzelf tot kanselier en Pruisisch minister-president. De putsch mislukte op 17 maart 1920 doordat een algemene staking was uitgeroepen door de SPD, USPD en KPD.
Na het mislukken van de putsch hield Kapp zich enkele dagen schuil op verschillende locaties in de regio Brandenburg, waarna hij in ballingschap naar Zweden vluchtte, waar hij politiek asiel aanvroeg. Toen de Duitse regering liet weten niet om zijn uitlevering te zullen vragen, kreeg Kapp een permanente verblijfsvergunning van de Zweedse autoriteiten. Hij was verplicht zich elke twee weken bij de lokale politie te melden. Begin juli voegden zijn vrouw en jongste dochter Anneliese zich bij hem in ballingschap. In december 1921 begon het proces wegens hoogverraad tegen Traugott von Jagow, Conrad von Wangenheim en Gottfried Traub, die van Kapps bondgenoten, bij de staatsgreep voor het Hooggerechtshof van het Duitse Rijk in Leipzig. Traugott von Jagow werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf in een vesting. Kapp besloot naar Duitsland te komen om voor het Hooggerechtshof te verschijnen. Hij was echter niet van plan schuld te bekennen, maar wilde duidelijk maken dat ‘de actie van maart geen hoogverraad was, omdat de misdadigers tegen het volk en het eens zo stralende vaderland’ de revolutionairen van november 1918 waren. In het voorjaar van 1922 verscheen Kapp voor het Hooggerechtshof, in afwachting van een proces wegens hoogverraad. Hij werd gearresteerd en onderzocht door een arts. Tijdens dit onderzoek werd een kwaadaardige tumor achter zijn linkeroog ontdekt. Kapp werd opgenomen in het St. George Ziekenhuis en enkele dagen later geopereerd door zijn schoonzoon, een chirurg. De operatie was succesvol, maar de kanker had zich echter al naar inwendige organen verspreid. Kapp overleed in het St. George Ziekenhuis op 12 juni 1922.
