NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 32
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
ZESDE HOOFDSTUK (4e deel)
Tegen twee uur s’ middags kleedde de Keizer zich. Hij schoor zich, ontdeed zich van zijn kamer-japon, van zijn rood-zijden hoofd-doek en van zijn hemd, waarvan hij altijd het boord open hield (een das droeg hij nooit) en trok zijn groene rok, wit vest en wit casimieren korten broek aan, zijn wit-zijden kousen en lage schoenen met gespen. In het begin der ballingschap droeg hij nog één zijner twee groene Kolonels-uniformen der chasseurs à cheval de la garde impériale met roode kraag en roode opslagen aan de mouwen, (hij bezat nog twee uniformen van Colonel des grenadiers à pied en één van Colonel de la garde nationale, beide blauw, met witte opslagen;) later een groen jachtkostuum, waarvan het goud- of zilver-galon was afgenomen. Soms, maar niet heel dikwijls, kleedde hij zich in ‘politiek’, namelijk in kleeren van een andere kleur. Hij bezat drie verschillende rokken, een bruine, een gele, en een nankinsche. Voor buiten had hij drie jassen, een groene en twee grijze. van de bekende en beroemde snit. Was het laken van zijn rok kaal geworden, dan liet hij het keeren; hij droeg liever gekeerd laken dan laken van Engelsch fabrikaat afkomstig, het eenige dat hij op St. Helena kon krijgen. Nadat hij gekleed was, nam hij het legendarische steekje met de driekleurige kokarde versierd, (die kokarde liet hij el’ later van afnemen en met een zekere plechtigheid bewaren) onder zijn arm, en begaf zich naar het salon, indien hij een audientie gaf, of anders naar de spreekkamer, waar zijn gevolg hem wachtte.
Wat de audienties betreft, ontving de Keizer gaarne dignitarissen en hen, die belangrijke posten bekleedden, verdienstelijke of hooge officieren, wetenschappelijke mannen of onderzoekers en reizigers. Aan zulke personen durfde Lowe den toegang tot hem niet weigeren of de onbescheiden vragen doen – bijvoorbeeld, waarom zij zoo verlangend waren om den generaal te ontmoeten; of zij op hun eerewoord k
onden verzekeren, dat zij geen brieven of geheime boodschappen voor hem hadden: of zij wel wisten, dat zij zich, wanneer zij hem een brief, een boek een brochure of een dagblad of zoo, in het geheim gaven, er aan bloot stelden om gevangen te worden genomen of onmiddellijk van het eiland te worden verwijderd, waardoor hij wist, dat hij de anderen’ afschrikte.
Waar nu de officier van gezondheid Henry een audientie heeft beschreven, die hij bij Napoleon heeft meegemaakt en waarin hij den Keizer in een nogal ongunstig daglicht heeft voorgesteld, is het goed daarmee den indruk te vergelijken, die andere, evenveel en meer geloofswaardige, minder voor-ingenomen personen (Henry toch voelde zich om allerlei redenen genoopt op de hand van Hudson Lowe te zijn en in diens voordeel te spreken) van zulk een audientie hebben gekregen. Henry behoorde tot de 37 officieren van het 66ste regiment, aan welks hoofd generaal Bingham stond. Onder diens geleide werden zij door Bertrand, vergezeld van de Montholon en van Gourgaud, het salon binnen gevoerd, waar de Keizer hen ontving. Hij stond, met zijn steekje onder den arm, in het midden van het vertrek. In tegenstelling van de kleuren-schitterende groep, die hem omringt, te midden van al het rood en goud en zilver der uniformen van de Engelsche officieren, is hij donker gekleed, in zijn groene rok, wit vest en korte broek, witzijden kousen en lage schoenen met vergulde gespen, zonder epauletten, zonder galon. Alleen de ster van het Légion d’honneur en de goudenroksknoopen glanzen in de dofheid van zijn kleeding.
‘Niets indrukwekkends’, begint Henry, volgens Frérneaux, ‘in zijn verschijning. Hij was breedgeschouderd en hard, zijn hoofd diep in zijn schouders verzonken, zijn gezicht dik, met brede rimpels onder zijn kin, en een olijfkleurige teint. Zijn ledematen leken sterk en goed geproportioneerd. Zijn gezicht was afstotend, somber, sinister van uitdrukking… De moderne held leek op een zwaarlijvige Spaanse of Portugese monnik. Hij liep eerst rond in de kamer, in een poging zijn vroegere pompeuze houding aan te nemen… De reeks introducties begon. Graaf Bertrand en generaal Bingham, min of meer bekend met elkaar, de een met Engels, de ander met Frans, fungeerden als tolken. De keizer sprak kolonel Nicol toe:
U was gestationeerd in Bengalen, zei hij hem. Afkomstig uit zo’n rijk land, hoort uw uniform bedekt te zijn met goud, niet met zilver. Hoe lang duurt het om Europeanen te laten wennen aan India? Twee of drie jaar. We verliezen een paar mannen in het eerste jaar, meer in het tweede, maar het sterftecijfer daalt aanzienlijk in het derde jaar. Hebben uw officieren geld gespaard? Nee, we geven te veel uit. Hoeveel bedienden had u? Tussen de dertig en veertig. Precies negenendertig, geloof ik. Denkt u dat een regiment zijn waarde behoudt na twintig jaar dienst in India? Ja, als het moederland het van rekruten voorziet. Wat voor soldaten zijn de sepoys? Uitstekend, degenen die wij trainen. Tegen hoeveel bataljons sepoys, even sterk als die van u, denkt u dat u…”zou kunnen vechten met het 66e regiment? Dat hangt ervan af. Moet ik sepoys verstaan die onder Engels bevel staan, of volledig inheemse troepen? Beide. De door Engelsen aangevoerde sepoy-bataljons zijn goed en solide; ik zou niet veel ongelijkheid willen. Wat betreft de bataljons die door de inheemse prinsen worden onderhouden, ik zou er gemakkelijk vier of vijf kunnen verslaan met het 66e regiment. Heel goed! U bent een dappere man. Hoeveel officieren zijn er in uw mess in Deadwood? Zestien. U blijft lang in uw mess, schijnt u, soms tot middernacht. Hemel! Als er vrolijk gezelschap bij ons komt, nemen we pas afscheid bij het aanbreken van de dag. En dan worden jullie vast dronken? Maar nee. Trouwens, is er geen katholiek onder jullie?
De kolonel wees naar een kleurrijke figuur aan de andere kant van de kring, luitenant MacCarthy.
Hij is onlangs in Rio de Janeiro geweest, nietwaar? Ja, hij is net terug. Was hij toevallig op reis om absolutie voor zijn zonden te verkrijgen?
Een onderdrukte lach klonk door de kamer. MacCarthy, een grote, verlegen jongeman, werd rood van schaamte en Napoleon draaide zich om naar luitenant-kolonel Lascelles:
Uit welk land komt u? Engeland. Uit welk deel van Engeland? Yorkshire. Bent u geboren in de stad York? Nee.
Vervolgens was luitenant-kolonel Dodgin aan de beurt, een voortreffelijke soldaat, lang, breed, met een krijgshaftige uitstraling, en die zich bijzonder had onderscheiden op de slagvelden van het Iberisch schiereiland. Zijn borst was bedekt met medailles. Napoleon, die hem met een zelfvoldane blik had bekeken, nam de meest briljante onderscheiding, het Kruis van Vittoria, tussen zijn vingers. Maar op dat moment, liet hij het plotseling vallen; hij had net de naam van terreur gelezen. De beweging was absoluut: iedereen merkte het op, als iemand die per ongeluk zijn hand op een stuk heet ijzer legt.
Was u bij Salamanca en Toulouse? Nee. Was uw regiment bij de Slag bij Talavera? Ja… Heeft u verwondingen opgelopen? Twee. Staat uw naam niet in een van de dagorders?
De slag bij Talavera
De luitenant-kolonel, te bescheiden, aarzelde om te antwoorden: “Drie,” onderbrak kapitein Baird, zijn buurman. De keizer richtte zich tot de laatstgenoemde.
Bent u kapitein van de grenadiers? Ja. Hoe lang dient u al? Bijna twintig jaar. En bent u nog steeds kapitein? Nog altijd.
De kring ging verder met kapitein Jordan. (Deze was samen met een zus van “La Nymphe”.)
Bent u getrouwd? Ja. Uw vrouw is knap, heb ik gehoord. Hoeveel kinderen heeft u? Twee.
De keizer stelde de volgende personen nog een paar snelle vragen en wendde zich ten slotte tot kapitein L’Estrange, een dappere kleine kerel, buitengewoon gebruind.
Hoeveel jaar heeft u gediend? Diensttijd? Veertien, waaronder twee in India. Was u daar ziek, dat uw teint zo donker is? Nee. Drinkt u dan?
De vreemdeling glimlachte als antwoord. Napoleon drong speels in het Engels aan: Drinken? Een drankje? Toen, aan de volgende man, kapitein Duncan:
Hoe lang bent u al in dienst? Meer dan twintig jaar. U bent in India geweest? Ja. Bent u ooit gewond geraakt? Nooit.
U hebt geluk.
De beurt kwam nu aan den officier van gezondheid van het 66e. Diens voorstelling was oorzaak van een incident, dat de ontevredenheid van Hudson Lowe, toen hij het vernam, hooglijk gaande maakte en van een grappige vergissing. Generaal Bingham toch, sprak den Keizer, met zijn titel van Majesteit aan, wat zoowel door het Engelsche gouvernement als door Hudson Lowe, ingevolge zijn instructies, verboden was. Van daar zijn verontwaardiging, toen hij het vernam! En wat de vergissing betreft, deze was de volgende. Sir George Bingham, die het Fransch niet zeer goed meester was en Bertrand, die niet erg bekwaam was in het Engelsch, vertaalden den titel van Heir, ‘surgeon-major’ in dien van ‘sergeant-major,’ waarop de Keizer, die een verklaring zocht van deze lage graad, zeide: ‘Ah! Ja, bevorderde Lord Wellington niet een aantal van zijn sergeant-majors tot officier tijdens de Spaanse Burgeroorlog?’
‘Neem me niet kwalijk, Sire,’ corrigeerde Bingham, terwijl hij er zorg voor droeg het woord ‘neem me niet kwalijk’ duidelijker uit te spreken. ‘Meneer Heir is de chirurg-majoor van het regiment.’ ‘Ah! Heel goed! Perfect! Heeft u veel zieken in India, dokter?’ ‘Ja, het land is niet gezond.’ ‘Veel leveraandoeningen?’ ‘Veel.’ ‘En schrijft u calomel veel voor?’ ‘Ja’ Dit onderwerp scheen Napoleon toen reeds van belang te zijn, ten minste hij vroeg aan Henry, wiens beurt nu was gekomen; wijl de Keizer eenige officieren oversloeg:
Dus hepatitis komt veel voor in India? Ja, vaker dan op koelere breedtegraden. Drinken uw soldaten ook niet te veel? Helaas wel. Ze houden van alcohol, het klimaat heeft invloed op ze, en arrack is goedkoop in Bengalen. Heeft u uw toevlucht genomen tot hoge doses calomel en aderlating, zoals uw collega’s doen? Natuurlijk. De behandeling is overal hetzelfde. Kom op, dokter, u bent nog steeds een fanatiekeling van het lancet, zie ik. Het is ons beste wapen. Genezen of doden? Genezen. God verhoede!
Nadat de Keizer zich eenige oogenblikken met de vaandrigs, die tegenwoordig waren, bezig gehouden en nog een tijdlang met Sir Bingham had gesproken, nadat hij Kolonel Nicol ten tweede male over de cipayen had ondervraagd, was de audientie geëindigd. De officieren bogen en gingen weg. Henry vertelt nu den indruk, dien hij van het geheel heeft ontvangen: ‘Bij terugkeer naar Deadwood heerste er grote teleurstelling. Noch Bonapartes uiterlijk, noch zijn manieren, noch zijn woorden voldeden aan onze verwachtingen. Dit had ons overigens niet moeten verbazen; de aureool waarmee beroemdheden zo vaak van een afstand worden omgeven, verdwijnt zodra je dichterbij komt. In het licht van de werkelijkheid zagen we de prestigieuze figuur die zo lang onze verbeelding had geprikkeld, als een spook verdwijnen bij zonsopgang, en de grote Napoleon veranderd in een kleine, dikke, nogal lelijke man. Niettemin zou dit bezoek een belangrijke gebeurtenis in ieders leven worden, en die avond was het in de mess het enige gespreksonderwerp. Verschillenden, ontevreden over hun antwoorden aan de keizer, wensten dat ze die konden herhalen; eenvoudiger gezegd, eerlijk gezegd, bekenden twee of drie brave jongens dat ze alle tegenwoordigheid van geest waren kwijtgeraakt… Luitenant Moffatt werd geplaagd omdat hij bijna tegen Bonaparte had geschreeuwd, die hem naar zijn religie vroeg: ‘Ik ben een protestant!’ MacCarthy werd geplaagd over zijn pelgrimstocht naar Rio. Ik werd zelf geplaagd over het overmatige gebruik van de lancet. Mijn kameraden, die de uitroep “God verhoede!” goedkeurden, namen die unaniem over.
Er werd veel gelachen om L’Estrange’s vermeende voorliefde voor de fles en de beroemde “Drinken? Drinken?” Maar tevergeefs probeerde iemand te begrijpen waarmee de keizer een verband legde tussen een donkere huidskleur en onmatigheid… De hele officiersmess keurde de lof die onze leider de sepoys toebedeelde goed. Iemand anders dan kolonel Nicol zou misschien in de verleiding zijn gekomen om hun waarde te verminderen, om die van zijn regiment des te meer te verhogen, en dit is waarschijnlijk waar Bonaparte op hoopte, toen hij deed alsof hij ons leger in India minachtte… Het incident met het Victoria Cross werd veel besproken en riep talloze overpeinzingen op. Maar was het in feite niet volkomen natuurlijk, het gebaar van de keizer om dit kruis te laten vallen, ter herdenking van een veldslag die, naast de gevolgen in Spanje, Oostenrijk op een cruciaal moment tegen hem zou keren? Arme man! Wat een ommekeer! Ooit op een troon in de Tuilerieën, omringd door de helden van Marengo en Austerlitz. Nu zit hij gevangen tussen andere soldaten, gedecoreerd met medailles die hij in zijn legers heeft verdiend!
Leest men nu het verslag van een audientie door den Keizer aan anderen gegeven en den indruk, dien deze van hem hebben gekregen, en vergelijkt men dit met het irriteerend-medelijdende verhaal van Henry, dan ziet men de figuur van den Keizer in een geheel ander licht!
