DE SLANG VAN LOUISA EN DOMINÉ VALENTIJN

Verhaal van de schrijfster Maria Dermoût
Eerder verscheen hier van haar: Het kopje koffie

Wij wonen in Ambon, en ik heb Valentijn cadeau gekregen, drie dikke delen in een geel papieren omslag met zwarte ouderwetse letters en krullen bedrukt – Oud en Nieuw Oost Indien. – Ik lees er veel in, vooral Beschrijving der Molucco’s, en Moluksche zaken, en leg het weg omdat hij me zo ergert – zo eigengereid! huichelachtig! en hij heeft zoveel van Rumphius gestolen! – ik neem het weer op, omdat hij goed opgelet heeft, en vertellen kan. Wij wonen hier al lange jaren, en deze kant van het eiland – het schiereiland Leytimor – doorkruisten wij aan alle kanten, de buitenbaai, de binnenbaai, de smalle landengte van Passo – dat zeiden de Portugezen al – waar de prauwen op een weggetje van boomstammen overheen getrokken worden, de bergen van Soya achter de stad, de punt uitstekende in volle zee, die Noessa-Nivé heet. Maar het andere schiereiland, Hitoe, kennen we niet – de Driehuizen aan de overkant van de baai nog wel – maar niet de buitenkant, Hitoe’s Noordkust en Hila.
– Hier op dit Hila schijnen mij de eerste Hollanders ten anker te zijn gekomen – zegt Valentijn – dit is het vermakelijkst land van gansch Amboina, zoowel wegens de schoonen vlakten en de heerlijke rivier, waar men zich wasschen kan, als wegens de vermakelijke heuvels, die men daar rondom heeft, op welk men gewoon is te paard op de hertejacht te gaan. Een ongemeen vermaak en de grootste verlustiging geeft ook een zeer schoon en groot mangga’s-bosch. –
Ik vind dat wij eens naar Hila moeten gaan. De twee oudste kinderen vinden het ook. Zij hebben van Domingoes, de oude oppasser van de landraad, die dikwijls een beetje dronken is – maar niet erg! zeggen zij – die alle liederen kent, ook dat mooie van de koning van het Westerstrand; en dat van de moord, waarin driemaal met een kapmes wordt geslagen; dat klinkt zo – tók-tók-tók-; toevallig juist het lied geleerd van Hila, waarop geschept wordt in de prauwen. En ook hoe zij met twee handen de trommen en de gong kunnen nabootsen erbij: de linker de trommen aan één stuk door, de rechter de gong, alleen op de voorlaatste lettergreep. En als de een zingt, kan de ander de stormwind zijn, zo sissende tussen de tanden – de Zuidenwind, de Westenwind, en de fluitende rukwind, die Baradajat heet, en die van overal tegelijk komt. (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 34

Aan de eerste editie van de Tour de France namen ook vier Zwitserse renners deel: Anton Jaeck, Charles Laeser, Marcel Lequatre en Paul Mercier. Het kan toeval zijn maar alle drie staakte in de derde etappe de strijd. Anton Jaeck (Basel, 10 februari 1882 – Normandië, 17 november 1942) was een professioneel wielrenner van 1901 tot 1913. In 1902 had hij deelgenomen aan Marseille-Parijs, een monsterrit over 938 kilometer die onder erbarmelijk slechte omstandigheden werd verreden. Een broer van de Belgische coureur Marcel Kerff zou daarbij onder nooit opgehelderde omstandigheden om het leven komen. De rit eindigde in een klinkende overwinning voor Lucien Lesna en het succes van de koers was voor organisator Henri Desgranges van L’Auto-Vélo genoeg reden om een jaar later een nooit zwaardere koers uit te stippelen: de Tour de France. Anton Jaeck en zijn landgenoot Charles Laeser maakte deel uit van de dominante equipe La Française, met een keur aan gevestigde namen die slechts de opdracht hadden Maurice Garin aan de overwinning te hebben. In de derde etappe moest Jaeck opgeven. Later dat jaar zou hij tweede worden in Bol d’Or, na Léon Georget en voor Rodolfo Muller. De Bol d’Or was een wielerwedstrijd op de baan, die tussen 1894 en 1950 jaarlijks op verschillende banen in Frankrijk werd gereden. Het was een 24-uursuithoudingsrace voor wielrenners met gangmaker. In de eerste jaren waren de gangmakers tandems of triplets, vanaf 1899 werden elektrische tandems ingezet en pas in 1950 werd overgestapt op derny’s. Blijkbaar beviel dat niet, want het was tegelijkertijd de laatste keer dat werd gestreden om de fameuze vergulde bronzen beker of schaal. De al genoemde Léon Georget won negen keer het eindklassement in de jaren 1903-1919. Dat had nog een vijf keer meer kunnen zijn geweest als in de jaren van de Eerste Wereldoorlog ook koon worden gekoerst. In 1904 ging Anton Jaeck opnieuw van start in de Tour, maar opnieuw moest hij opgeven. In de tweede etappe stond Anton niet meer aan de start. In 1907 en 1909 probeerde hij nogmaals, maar ook deze twee keren haalde Jaeck Parijs niet. Het wordt eentonig, maar in 1909 moest hij bij zijn enige deelname aan Parijs-Roubaix ook vroegtijdig afhaken. Blijkbaar was Anton Jaeck toch meer thuis op de baan dan op de ruwe Franse wegen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 035

Frans van den Muijsenberg / 19 september 2013, Dalyan, Turkije

DE FAMILIE STASTOK (9)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (22)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (1)

Des zondagavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven. Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwets porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen staan vijf stoelen geschikt met hoge ruggen en zittingen van groen gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige ogen, vanwege vier stoven; de vijfde vonkelt niet, het is een stenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats van mijn eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend grote bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in de helder gepolijste haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heren. De smalle marmeren schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met witte ogen, rode neusgaten, en gouden voorschoot, die op een ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes onder stolpjes, zo poppigjes en zo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren kindertjes houden zou van die grote stolp met opgezette vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje met één lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorswerk van een aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen, in een luchtige strik bijeengehouden en half begraven onder witsellagen van onderscheidene formatie.
(meer…)

GERARD STEEN

55e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Gerard Steen (Dordrecht, 26 januari 1925 – Sint Pancras, 15 april 1945) was een 20-jarige kantoorbediende in Amsterdam toen hij vlak voor het einde van de oorlog door de Duitsers werd terecht gesteld. Hij had in 1941 het Mulo-diploma gehaald. Omdat hij broeder-onderwijzer wilde worden, ging hij in september 1941 naar het Juvenaat der Broeders van de Heilige Aloysius in Oudenbosch, daar merkte hij al snel dat de kloosterroeping toch niet erg geschikt voor hem was. Hij ging terug naar Amsterdam en ging begin 1942 als aspirant-schrijver bij het Ontvangkantoor der Directe Belastingen in Amsterdam aan de slag. Hij was daar nog maar goed en wel aan de slag toen hij werd opgeroepen voor een half jaar in de Nederlandse Arbeidsdienst. Toen in september 1944 het einde van de oorlog in zicht kwam (het zuidelijke deel van Nederland was inmiddels al bevrijd) sloot Steen zich aan bij een sectie van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in Amsterdam (lid van sectie 5 van de Binnenlandse Strijdkrachten, BS-onderdeel Bruggenlinie-West. Hij nam per 1 december 1944 ontslag om zich geheel aan het verzetswerk te kunnen wijden. Hij was meermalen betrokken bij kleine wapentransporten en verrichtte voor verschillende BS-commandanten koeriersdiensten. Hij stelde zijn kamer in zijn ouderlijk huis ter beschikking voor het geven van wapeninstructies. Begin april had echter een gearresteerde verzetsman aan de Sicherheitspolizei het adres doorgegeven van een pelotonscommandant van de BS. De Sicherheitspolizei vond bij een in de woning van die pelotonscommandant een groot aantal geponste metalen BS-identiteitsplaatjes gevonden, die bedoeld waren om na de bevrijding te worden verspreid. Naar aanleiding van deze vondst werden op zondag 8 april 1945 op verschillende adressen invallen gedaan. (meer…)

PAUL CELAN – CORONA

Paul Celan was een Roemeense dichter, het enig kind van Duitstalige joodse ouders. Hij leefde ook in Oostenrijk en lange tijd in Frankrijk. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord, hijzelf ontsnapte in een werkkamp ternauwernood aan de dood. In 1950 trouwde hij met Gisèle Lestrange, met wie hij twee kinderen kreeg, waarin een kort na de geboorte overleed. Celan schreef zijn hele leven in het Duits, zijn moedertaal maar ook de taal van de moordenaars van zijn ouders en het Joodse volk. Door gedichten in deze taal te schrijven herdacht hij zijn moeder. Naast zijn werk als dichter bezorgde hij de Duitse literatuur ook een groot aantal vertalingen van poëzie uit het Frans, Engels, Russisch, Italiaans, Roemeens, Portugees en Hebreeuws. Paul Celan wordt algemeen beschouwd als een der grootste dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij schreef, beïnvloed door het symbolisme en het surrealisme, gedichten waarin hij op zijn eigen wijze zijn ervaringen met de Holocaust verwerkte. Eén van zijn bekende gedichten is Todesfuge, waarin hij bezwerend het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog oproept en zijn moeder herdenkt. Rond 1960 werden door Claire Goll, de weduwe van de Joodse dichter Yvan Goll, zware en ongegronde plagiaatbeschuldigingen geuit. Deze onterechte beschuldigingen beïnvloedde Celan erg en hebben waarschijnlijk bijgedragen aan zin zelfmoord in 1970. (Een uitgebreidere biografie is hieronder opgenomen). (meer…)

AREND BONTEKOE (42)

Arend Andries Bontekoe (Naarden, 13 oktober 1895 – Sachsenhausen, 13 januari 1945) was een Nederlandse kapitein der infanterie van het Indische leger en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was het achtste en jongste kind van Andries Bontekoe (Wanswerd, 12 november 1860 – Rotterdam, 11 mei 1943), een uit Friesland afkomstig adjudant-administrateur., die in mei 1881, nog maar twintig jaar oud, in Leeuwarden in het huwelijk was getreden met Klaske Biegel. De meest van hun acht kinderen zouden vroegtijdig sterven; zes werden niet ouder dan 1 tot zes jaar oud, één broer van Arend zou 21 jaar oud worden. Slechts het achtste kind, Arend Andries, zou uiteindelijk overblijven.

Arend Andries Bontekoe begon zijn militaire loopbaan te Kampen bij het instructiebataljon op 6 februari 1912, zijn opleiding werd voltooid op de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Hij werd achtereenvolgens korporaal, sergeant en vaandrig bij het 4e en 15e regiment infanterie. Hij slaagde in september 1920 als onderofficier voor het toelatingsexamen voor de hoofdcursus, die hem opleidde voor de rang van tweede luitenant bij het wapen der infanterie in het Indische leger. In augustus 1921 slaagde hij voor het overgangsexamen en in december 1921 werd hij bevorderd tot vaandrig titulair. In augustus 1922 slaagde Bontekoe voor de hoofdcursus en op 4 september 1922 werd hij benoemd tot tweede luitenant. Op 31 oktober 1922 trouwde hij in Leiden met Adriana Maria Voorbroot (Leiden, 13 maart 1892). Een maand later, op 18 november 1922, vertrok de 27-jarige Bontekoe en zijn echtgenote met het stoomschip Patria naar Nederlands-Indië. Daar werd hij bij het veertiende bataljon te Buitenzorg (het huidige Bogor op West-Java) geplaatst en vervolgens overgeplaatst van Sigli naar het zevende bataljon te Magelang, een stad op Midden-Java, gelegen tussen de gebergten Merbabu en Sumbing en de rivieren Progo en Elo. Al in de VOC-tijd was hier een militaire post gevestigd en gedurende de gehele koloniale tijd was Magelang een belangrijke militaire garnizoensstad. Zijn echtgenote zal in de stad op 2 mei 1925 overlijden aan kraamvrouwenkoorts. Een dag eerder was dochtertje Klaske Wilhelmina Bontekoe geboren. Die zal op 20 april 1945 in Batavia vlak voor haar twintigste verjaardag overlijden, onwetend dat twee maanden eerder haar vader is overleden. Een andere dochter, Adriana, zal wel de volwassen leeftijd bereiken. (meer…)