14 OKTOBER – JACOBA VAN TONGEREN

Jacoba van Tongeren (Tjimahi bij Bandoeng, 14 oktober 1903 – Bergen, Noord-Holland, 15 september 1967) was verzetsstrijdster, oprichtster en leidster van de verzetsgroep Groep 2000, regio Amsterdam, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Groep 200 hielp ongeveer 4.500 onderduikers. In 1990 werd van Tongeren door Yad Vashem gehonoreerd als Rechtvaardige onder de Volkeren. Ze was de dochter van Hermannus van Tongeren, een KNIL-officier die van discipline hield. Haar leven werd dan ook sterk beïnvloed door de opvoeding die zij in haar jonge jaren van haar vader kreeg. Haar vader was als genieofficier van het KNIL verantwoordelijk voor de bouw van spoorwegbruggen op Sumatra, toenmalig Nederlands-Indië. In haar kindertijd woonde zij samen met haar vader in een verplaatsbare ambtswoning voor legerofficieren in het oerwoud. Ze bezocht geen basisschool, maar kreeg onderwijs van haar vader: een ‘militaire’ opvoeding, die haar de normen en waarden van militairen bijbracht. In 1916 keerde Hermannus van Tongeren met zijn gezin in Nederland terug uit Nederlands-Indië. Jacoba bezocht van 1916 tot 1922 het Gereformeerd Gymnasium in Amsterdam en ging door een moeizame periode van sociale aanpassing, want zij was eerder noch een gezin, noch een school, noch de omgang met leeftijdsgenoten gewend. In de tijd ontstond een goede band met haar oudere broer, verzetsstrijder Herman van Tongeren. In haar biografie uit 2015, geschreven door haar neef Paul van Tongeren, werd melding gemaakt van een mislukte zelfmoordpoging van Jacoba op vijftienjarige leeftijd nadat ze ten onrechte de schuld kreeg van een gebroken karaf  en hiervoor door pa lief meedogenloos werd gestraft. Uit wraak deed ze een zelfmoordpoging om daarmee haar familie een levenslang schuldgevoel te geven. De auteur betoogde ook dat het lang verzwegen incident waarschijnlijk heeft bijgedragen aan haar ontwikkeling als compromisloze verzetsvrouw. Jacoba volgde vanaf 1923 een opleiding tot verpleegster in Rotterdam, maar kon die niet voltooien omdat zij in 1928 een streptokokkeninfectie kreeg. Zij kuurde zeven jaar in Groenekan en de tbc-lighallen van Amersfoort. Daar leerde zij haar levensgezellin Nel Wateler kennen. Terug in Amsterdam werkte zij als maatschappelijk werkster voor de Centrale van Werklozenzorg. (meer…)

Advertenties

MAURICE RAVEL

In de muziekserie die hier elke zaterdag verschijnt, is de periode1850-1945 een wat ondergeschoven kindje en daarbinnen is er amper aandacht voor klassieke muziek. Terwijl ik toch heus een behoorlijk omvangrijke collectie LP’s en CD’s klassieke muziek heb, waaronder zo ongeveer het complete oeuvre van Mozart (wat erg omvangrijk is), Ralph Vaughan Williams (ook niet bepaald gering) en van Maurice Ravel (dat weer juist zeer beperkt is). Die Ravel kennen de meesten alleen van zijn Bolero, wat terecht is want het is een meesterwerk. Maar daarnaast heeft de Franse componist nog andere meesterwerken afgeleverd. Er zijn zelfs recensenten die beweren dat eigenlijk het complete werk van Ravel uit meesterwerken bestaan. Een mening die ik wel kan volgen. Maurice Ravel (Ciboure, 7 maart 1875 – Parijs, 28 december 1937) was een Frans componist van Zwitsers-Baskische afkomst. Hij werd in 1889 toegelaten aan het Parijse conservatorium, maar hij maakte zijn pianistenopleiding niet af. Na zijn voortijdige vertrek van het conservatorium keerde hij er in 1897 terug om bij Gabriel Fauré compositielessen te volgen. Hij begon naam te maken als componist, aanvankelijk met pianomuziek en liederen en later ook met orkestmuziek. Tot zijn vroegere werken behoren de kleine opera L’Heure espagnole (1907) en de Rhapsodie espagnole voor orkest (1907/8), die beide Ravels voorliefde voor Spanje verraden, en de beroemde Pavane pour une infante défunte (1909). Voor de Ballets Russes van Sergej Diaghilev schreef Ravel in 1912 het grootschalig opgezette ballet Daphnis et Chloé. In 1913 leerde Ravel Igor Stravinsky kennen, met wie hij samen Moessorgski’s onvoltooide opera Chovansjtsjina bewerkte. Een van zijn mooiste werken is Ma Mère l’Oye, dat tussen 1908en 1910 werd geschreven als een reeks van vijf stukken voor piano-vierhandig. Het is grotendeels gebaseerd op de Sprookjes van Moeder de Gans, een verzameling volksverhalen en sprookjes van de Franse schrijver Charles Perrault (1628–1703). In 1910 zette hij de vierhandige stukken om voor solopiano en in 1911 orkestreerde Ravel het tot de ‘Suite de Concert en in 1912 naar een “Suite de Ballet’, met twee extra delen en interludes, als verbindende stukken tussen de diverse onderdelen. Vier verschillende versies van het werk, maar hier worden alleen de oorspronkelijke vierhandige piano-versie en de orkestrale versie uit 1910 gegeven van Ma Mère l’Oye. (meer…)

VICTOR DE SUERS

39e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Victor Eugène Louis de Stuers (Maastricht, 20 oktober 1843 – Den Haag, 21 maart 1916) was een Nederlands advocaat, ambtenaar en politicus. Hij wordt algemeen beschouwd als de oprichter van de Nederlandse monumentenzorg. De Stuers schreef over de onderwerpen kunst en wetenschap en daarmee verbonden aangelegenheden talrijke artikelen en stukken in verschillende bladen. Hij was ook een begaafd tekenaar. Onder andere tekende hij humoristische afbeeldingen op de muur van de trap en in het zweetkamertje in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden. Hij begon in 1861 een studie rechten te Leiden, promoveerde daar in 1869 op een proefschrift over de verhouding van de volksvertegenwoordigers tot de kiezers en vestigde zich in 1870 als advocaat in Den Haag. Tijdens zijn studie begon hij zich te interesseren voor het opsporen en in stand houden van historische bouw- en kunstwerken in Nederland. Door toedoen van De Stuers stelde minister Geertsema de Commissie van Rijksadviseurs voor de Monumenten in. Onder het volgend ministerie kreeg De Stuers voor elkaar dat de afdelingen Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen werden gesplitst. Op 22 juni 1875 werd hij benoemd als referendaris voor de twee voornoemde takken. Hij legde daarop het secretariaat bij de Rijksadviseurs neer. (meer…)

RICHARD DREW – FALLING MAN

Richard Drew (1946) is een fotograaf van Associated Press, die één van de vier persfotograven was aanwezig was bij de moordaanslag op Robert F. Kennedy en die toevallig ook In New York was toen de aanslag op de Twin Towers plaatsvond. Hij maakte er de foto die onder de titel Falling Man bekend werd en iconisch is voor de serie van aanvallen die op 11 september 2001 plaatsvonden. Het betreft een foto van een man die uit de Noord-toren van het World Trade Center is gesprongen. Het tijdstip is nauwkeurig vastgesteld als 09.41.15 uur. De identiteit van de persoon is nooit officieel vastgesteld, maar op internet circuleren wel enige namen zoals die van Norberto Hernandez, een werknemer van een restaurant op de 106e verdieping, of van Jonathan Eric Briley, een 43-jarige technicus die voor hetzelfde restaurant werkte. De man moet een van de vele personen zijn geweest die op de bovenste verdiepingen van de wolkenkrabber vastzat en geen andere uitweg zag dan te springen om aan het vuur en de rook te ontsnappen. De foto wekt de indruk dat de man recht omlaag valt, in een haast acrobatische houding. Niets is echter minder waar, want Richard Drew maakte een hele serie foto’s. Daaruit bleek dat de man allerlei tuimelingen in de lucht maakte.
(meer…)

FON KLEMENT

.
Werk in mijn bezit:

Kunstenaar: Fon Klement
Titel: Intersection
Jaartal: 1982
Afmetingen blad: 65 cm x 56 cm
Afmetingen beeld: 50 cm x 50 cm)
Oplage: 61/65
Gesigneerd: Ja, handgeschreven (rechtsonder) én met vingerafdrukken
Materiaal: Boardsnede
Ingelijst: Ja
.
Meer zien van Ronald Boonacker:
Galerie Sylfaen / Kunstenaars
Website Fon Klement

.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
. (meer…)

FON KLEMENT

Fon Klement (Amsterdam, 11 november 1930 – Amsterdam, 9 oktober 2000) was een autodidactisch kunstenaar. Hij tekende en schilderde, maar was vooral bekend vanwege de voor hem typerende techniek van de hoogdruk boardsnede. Hij is in de jaren tachtig vooral bekend geworden door zijn kleurrijke bloemenstillevens. Zelf zei Klement over zijn werk: ‘Grafiek” is een discipline waarvoor je kiest. Ik vecht voor goede grafiek, omdat er helaas vaak wat afgesjoemeld wordt’. Zijn werk is eerlijk, want je ziet waar het voor staat. Wie zou kunnen bedenken dat er aan deze harmonieuze, eenvoudige kunstwerken een analytisch proces vooraf gaat waarbij twee uitersten de hoofdrol spelen? Met strakke zwarte lijnen die soms dwingend lijken zet hij zijn voorstellingen neer. Dit is echter maar een deel van het proces waarbinnen een kunstwerk tot stand komt. Door verdergaande analyse van het verhaal dat hij wil vertellen worden zijn boardsneden juist ook erg gevoelig en teder. Ze zijn ingevuld met heldere, duidelijke kleuren die zeer gedoceerd zijn aangebracht. De eenvoud in zijn werken wordt mede bepaald door zijn onderwerpkeuze, bloemstillevens met of zonder attributen als een stoel. Fon Klement heeft vooral bekendheid verworven als non-figuratief werkend kunstenaar. Op een gegeven moment is hij vast komen te zitten in zijn eigen abstracte vormentaal. Naarmate hij ouder werd is hij zich vrijer gaan voelen en heeft hij zichzelf toegestaan om te gaan schilderen wat hij prachtig vond, een vaas met bloemen of de vormen van een blad. (meer…)

JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (1)

Zeg, man…..
Juffrouw Broense spookte in haar witte nachtgoed uit de lakens overeind. Over de beddenplank henen weifelden haar ogen, onverschillig onder de slappe muts, moe in het als afgebeulde gezicht. ’t Nachtpitje uit het glaasje op tafel bescheen een gelakt blad met kopjes in mekaar van onderscheiden grootte en kleur, en een kom afzonderlijk, ongewassen, vuil van dik; open erbij de suikerpot, waar snoepachtig het lepeltje uit glom. De tafel tot het raam bijna, groot tussen gewone stoelen; een armstoel tegen het raam, waar slappe-koffie-kleurige overgordijnen in embrasses bochtig hingen voor een neergelaten rolgordijn. Tegen de glazen peer van de hanglamp en over de dunne balken van de lage zoldering schimmerde de schijn van het pitje, dat ook de gesteldheid der kamer verschijnen deed, vaag en uit veel duister.
Het vrij ruime vertrek had links van het raam een geverfde deur naar het keukentje en op het penant er tussen enige vierkante prenten en ovale portretjes achter glas. Naast die deur begon de hoekse wand met nog zulk een deur naar de bovenverdieping; wat verderop een vernissige kast met een plaat erboven, en daartussen een als hoog opgetilde ouderwetse hangklok met verguld beslag; een stoel, en weer hoekte de kamer. En de gehele wand daar, beginnend met de gangdeur naar de straat, was onbehangen; het schotwerk glansde geelwittig, vlak geverfd, door niets gebroken dan door de donkere inkijken van twee bedsteeën naast elkaar, met de deuren als kasten open. De vierde wand had in het midden een zwart vooruitspringende schoorsteenmantel met snuisterijen, een kolomkachel met doven pot ervoor, gehaakt met zijn lange pijp in het witte stuuk. Aan weerszijden van den schoorsteen op het donker, bloemerig behang bleekten twee steendrukken achter glas, groot, en aarzelig te zien: de Rots der Eeuwen en een Kruis met Rozen. De juffrouw boog even uit de bedstee in den hoek, zocht haar zak uit den doffen hoop goed op den stoel voor ’t bed. (meer…)