LONDONBEAT

Londonbeat was een popgroep uit Londen, die in Nederland vooral bekend van hun hit I’ve been thinking about you uit 1990, die een paar weken op nummer 1 van de hitparade stond. Het begin van het succes van Londonbeat is in Nederland, want in ons land scoorden ze met There’s A Beat Going On hun eerste top-20 hit. Londonbeat werd gekenmerkt door hun close harmony. Pas hun vijfde single I’ve been thinking about you werd een grote internationale hit. Ook in de Vs zou het nummer op nummer 1 staan en vijf maanden lang in de hitcharts verblijven. Zanger Jimmy Helms (27 september 1941) was van oorsprong een Amerikaanse soulzanger uit Florida. Zijn grootvader was een predikant en een Black Seminole, een zwarte Amerikaan met indiaans bloed. Helms speelde voorheen een rol in de musical Hair en maakte daarna in Groot-Brittannië radiojingles voor verschillende zenders. De leden Jimmy Chambers (Trinidad, 29 januari 1946) en George Chandler waren voorheen achtergrondzangers geweest bij Paul Young, voor diens album The Secret Of Association. George Chandler was eerder de zanger geweest van de funkband Olympic Runners. De groep werd verder aangevuld met de multi-instrumentalist William Henshall. In deze samenstelling zou de groep bestaan tot 1995. Na een mislukte poging om deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival 1995 viel de band uit elkaar. In 2003 hergroepeerde Londonbeat en brachten in een gewijzigde samenstelling nog twee albums uit: Back in the hi-life en Gravity. In Nederland heeft de groep in de jaren 1988-1995 toch nog negen hits gehad, wat me wat verbaasde want in mijn herinnering is slechts één nummer blijven hangen, het swingende I’ve been thinking about you. (meer…)

NEDERLANDSE OPBOUWDIENST

De Nederlandse Opbouwdienst (N.O.D.) werd op 15 juli 1940 opgericht door de Nederlandse overheid, die op dat moment al door de Duitse bezetters werd aangestuurd. Het as een overgangsorganisatie die als doel had te zorgen dat de ontmanteling van het Nederlandse leger in de bezettingstijd ordentelijk zou verlopen. Er was in Nederland nog steeds een behoorlijk hoge werkeloosheid en de Duitsers wilden ervoor zogen geen onvrede in de Nederlandse samenleving te laten ontstaan door een verdere stijging van het werkloosheidspercentage doordat er vele ontslagen binnen defensie zouden moeten worden gedaan. Na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 was het verslagen Nederlandse leger an 270.000 man in zijn geheel door de Duitsers krijgsgevangen verklaard. Daarvan werden 30.000 man naar Duitsland overgebracht, de overige militairen moesten in de kazerne blijven. Maar al in juni 1940 mocht iedereen weer naar huis, een gebaar van de bezetters om de Nederlanders gunstig te stemmen. Er werden 60.000 werkloze ex-soldaten ondergebracht in de Nederlandse Opbouwdienst, een organisatie die moest helpen bij het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Dat beleid was een voortzetting van een eerder werkverschaffingsbeleid in Nederland. De Opbouwdienst was officieel politiek neutraal en zou praktisch werk in het algemeen belang gaan doen. Het was daarom verboden tijdens de diensttijd lid te zijn van een politieke partij of organisatie. In de praktijk diende de organisatie echter ook om de mensen binnen de Opbouwdienst op te leiden in de nationaalsocialistische leer. Verder zou in de leiding ook plaats kunnen zijn voor burgers, die zich vrijwillig aanmelden en die op grond van hun deskundigheid, ontwikkeling en geschiktheid om met mensen om te gaan, hiervoor in aanmerking kwamen. In de propaganda werd dan ook veel gesport in de frisse buitenlucht, met de schop gemarcheerd in het platteland en nuttige karweitjes gedaan.
(meer…)

MIMMO ROTELLA

Domenico “Mimmo” Rotella (Catanzaro, 7 oktober 1918 – Milaan, 8 januari 2006) was een Italiaans beeldend kunstenaar. Hij werd bekend om zijn vroege décollage-techniek waarbij delen van opgeplakte posters losgemaakt en verwijderd worden, waarbij de onderliggende lagen tevoorschijn komen en deel gaan uitmaken van het nieuwe beeld. Décollage heeft verwantschap met demontage en vormt in deze betekenis het omgekeerde van collage. Ook andere kunstenaars van de Franse Nul-beweging (hier Nouveau Réalisme genaamd) zoals Jacques de la Villeglé, Raymond Hains en François Dufrêne en de Duitse kunstenaar Wolf Vostell gebruiken deze techniek. Rotella maakte ook gebruik van psychogeografie, een richting die onderzoekt welke invloed de architectonische en geografische omgeving heft op de waarneming en de psychische beleving. De richting heeft verbanden met stromingen als het letterisme en ultra-lettersme, die op hun beurt teruggrijpen op het dadaïsme en surrealisme. Het kenmerkende van beide eerstgenoemde stromingen is dat veelgebruik wordt gemaakt van letters en symbolen in de kunstwerken.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 32

JEF LAMBEAUX – DE MENSELIJKE DRIFTEN

De Belgische beeldhouwer Jef Lambeaux werkte tussen 1886 en 1898 aan een monumentaal werk dat hij De Calvarieberg des Menschdoms wilde noemen, maar bekend zou worden onder de naam De menselijke driften. Het ontwerp was een houtskooltekening op doek op ware grootte, dat eerst werd voorgesteld op het driejaarlijkse Salon van Gent. Het ontwerp veroorzaakte beroering, maar koning Leopold II plaatste in 1889 toch de bestelling bij de kunstenaar. Bedoeling was om het klaar te krijgen voor de Wereldtentoonstelling van 1897. Leopold II belastte zijn hofarchitect Alphonse Balat met het ontwerp, maar deze stelde voor om het over te laten aan zijn stagiair Victor Horta. Voor de uitvoering van het reliëf van acht bij twaalf meter in marmer uit Carrara betaalde hij 136.000 frank. Het is een allegorische voorstelling van alle menselijke gevoelens, emoties en toestanden zoals blijdschap, geluk, verliefdheid, jeugd, ouderdom, moederschap, zonden, kwellingen en andere zielstoestanden van de menselijkheid. Centraal staat de triomftocht van ‘Pietje de dood’ in plaats van een goddelijke macht. De theatrale, neobarokke figuren refereren aan Rubens, Michelangelo en de Hellenistische beeldhouwkunst. In het werk staat niet de goddelijke macht centraal maar de triomftocht van wat in Vlaanderen ‘Pietje is dood’ heet en in Nederland bekend staat als Magere Hein. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (7)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (56)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een juffertje en een mijnheer
deel 1

Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie van de kinderen werd een vrouwelijke gestalte meer binnen gegooid dan ingeleid, onder het gejuich van ‘Saartje met een mof! Saartje met een mof!’
Een diepe zucht rees op uit de schone boezem van Henriette. De gestalte, uit het licht in de donker komende, kon waarschijnlijk geen hand voor ogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: ‘Saartje met een mof! Saartje met een mof!’
‘Kind!’ zei Henriette tot de binnengekomene: ‘wat kom je ontzaglijk vroeg; mama slaapt nog.’
‘Wat zeg je, Harriot?’ riep mevrouw met een schorre stem, wakker wordende: ‘wat wil je kind? is er iets? Heb je nog geen licht op?’
‘Nicht Saartje is daar al,’ was het antwoord. ‘De kinderen zeggen;’ voegde zij er lachend bij; ‘de kinderen zeggen, met een mof!’
De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een hele lieve stem naar de gezondheid van nicht Kegge en nicht Henriette.
‘Och!’ zei de laatste, ‘je bent er toch niet ver af; schel reis om het licht, wil je?’ (meer…)

ASAF AVIDAN

ASAF AVIDAN

Asaf Avidan (Jeruzalem, 23 maart 1980) is een Israëlische singer-songwriter en muzikant. Hij is tevens frontman van de folkrock-band Asaf Avidan & The Mojos. Zijn stem wordt vaak vergeleken met die van Janis Joplin en Robert Plant. Zijn ouders waren diplomaten voor het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn kinderjaren bracht hij door op Jamaica. Na zijn dienstplicht in Israël studeerde hij aan de Bezalel Academy of Art and Design in Israël. Na zijn studie verhuisde hij naar Tel Aviv en werkte daar als animator. Nadat zijn relatie met zijn vriendin was verbroken nam hij ontslag en keerde weer terug naar Jeruzalem en richtte zich op zijn hobby, muziek. In 2006 richtte hij de band Asaf Avidan & The Mojos op. The Mojos bestaan uit bassist Ran Nir, drummer Yoni Sheleg, gitarist Roi Peled en cellospeler Hadas Kleinman. De band bracht drie albums uit. In 2012 werd hij ook in Nederland en Vlaanderen bekend nadat de Duitse house- en techno-dj Wankelmut (Jacob Dilßner) een remix-versie maakte van het nummer The reckoning. De remix One day / Reckoning song genaamd, werd een nummer 1-hit in de Nederlandse Single Top 100, de Nederlandse Top 40 en in de Vlaamse Ultratop 50. Ook in Duitsland en Wallonië werd de single een nummer 1-hit. Deze mix is hier te beluisteren en is al fantastisch, maar nu van Asaf Avidan een gevoelige live-versie (Tel Aviv, 24 februari 2018) van Reckoning Song (One Day). (meer…)

CLAUDE MONET IN DE BOLLENSTREEK

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. Over de bezoeken aan Zaandam en Amsterdam is in twaalf blogs al bericht. In dit afsluitende blog wordt bericht over Monets laatste bezoek aan Nederland in mei 1886, op uitnodiging van de Franse ambassade. Hij was toen al duidelijk meer bekend dan begin jaren 1870, zodat er in de media bericht werd over het bezoek van de Franse schilder. Ongeveer een maand lang verbleef hij in Den Haag, maar dat verblijf heeft hem blijkbaar niet kunnen inspireren tot het maken van schilderijen. In plaats daarvan trok hij met zijn schildersspullen een maand lang door de bollenstreek om er de tulpenvelden in de buurt van Rijnsburg en Sassenheim te schilderen. In tijdschrift De Portefeuille stond daarover te lezen dat ‘… de bonte schakering dier bloemen, even schitterend als Perzische kleedjes, ongetwijfeld veel aantrekkelijks moeten hebben voor dien schilder’. In tegenstelling tot zijn eerdere bezoeken had hij deze keer goed weer, maar niet veel tijd. De vijf schilderijen die hij er schilderde (twee in de omgeving van Sassenheim en drie in de buurt van Rijnsburg, met de molens) heeft hij vrijwel allemaal nog in Frankrijk af moeten maken. Een aantal werken lijken ook enigszins haastig gemaakt, leunen op een globaal uitgewerkte onderschildering Ze horen zeker niet tot zijn sterkste werken, maar kennen vanwege de kleurenpracht een bijzondere levendigheid. (meer…)

JEF LAMBEAUX

Jef Lambeaux (Antwerpen, 14 januari 1852 – Brussel, 5 juni 1908) was een Belgisch beeldhouwer met een Waalse vader en een Vlaamse moeder. Door die dubbele beïnvloeding voelde hij zich een echte Belg. Hij is ook de broer van de kunstschilder Jules Lambeaux. Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen als leerling van Nicaise De Keyser en Joseph Geefs, maar ze zouden weinig of geen invloed hebben op zijn later werk. Hij sloot zich aan bij een groep jonge kunstenaars, die een beetje berucht was vanwege hun excentriek gedrag. Zo maakte het groepje graag wandelingen in Antwerpen gekleed in historische kostuums. Zijn eerste werk Oorlog werd in 1871 tentoongesteld en werd gevolgd door een lange reeks humoristische, pittoreske groepen. Daarna vertrok hij naar Parijs, waar hij een ellendig leven had. Hier maakte hij echter wel in 1881 De Bedelaar en De Kus, dat wordt beschouwd als zijn meesterwerk. Bij een bezoek aan Italië werd hij geïmponeerd door de beeldhouwwerken van Giambologna (1529-1608), een beeldhouwer van Belgische oorsprong die in Bologna werkzaam was. Onder diens invloed ging Lambeaux steeds meer werken produceren met effecten van kracht en beweging in de menselijke figuur. In 1887 zou hij de Brabofontein (1887) maken voor de Grote Markt in Antwerpen (zie onderaan het artikel), dat onder invloed van de bewegingseffecten van Giambologna is gemaakt. Het beeldt Silvius Brabo uit, de legendarische stichter van Antwerpen, en is inmiddels het officiële symbool van de stad Antwerpen. Op het voetstuk zijn zeemeerminnen, zeerobben en andere zeedieren te zien, uitgebeeld met een soepelheid die reeds art nouveau anticipeert. In 1883 werd hij een der stichtende leden van de kunstenaarskring Les Vingt, maar al een jaar later vertrok hij uit deze groep wegens zijn onvrede met de te avant-gardistische ideeën van de groep. (meer…)

EMMANUEL GONNET – 015

ODALISKEN – 030

Francesco Ballesio (Turijn, 1860 – Tivoli, 1923) was een Italiaanse schilder die zeer gespecialiseerd was in schilderijen met oriëntalistische voorstellingen, waaronder behoorlijk wat odalisken. Zelf was hij nooit in het Midden-Oosten geweest, zodat hij zich bij zijn schilderijen geheel baseerde op fotowerk van de Oriënt. Hij studeerde in zijn geboorteplaats aan de Accademia Albertina di Belle Arti, een hoge onderwijs opleiding die vooral in het leven was geroepen voor schilders, beeldhouwers en architecten. Later trok Bellasio naar Rome om zijn studie af te maken.hij zou zich definitief in deze stad vestigen. Hij kreeg in zijn tijd een behoorlijke internationale reputatie, vooral nadat hij als jongeman in 1883 in Rome mocht meedoen aan een grote internationale tentoonstelling. Zijn werken vonden met name gretig aftrek bij Engelse en Amerikaanse privé-verzamelaars. Naast zijn oriëntalistische schilderijen maakte hij ook romantische voorstellingen van het plattelandsleven, waarbij hij zich vooral liet inspireren door het werk va de Romeinse kunstenaar Bartolommeo Pinelli. Vandaag is Ballesio zo goed als vergeten voor het grote publiek, wellicht omdat zijn werk momenteel te clichématig overkomt. Er is geen portret van hem te vinden, slechts een eindeloze reeks erg op elkaar lijkende afbeeldingen van op sofa’s liggende of dansende haremvrouwen, bijna steeds zeer kuis afgebeeld. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (6)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (55)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 4

Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelse pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn van de heer Kegge, die hij door een extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zó was, dat de heer Kegge verklaarde een zeeuwse rijksdaalder te willen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij de koning van Engeland, zó drinken zou. Mevrouw at veel, en Henriette weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, en dan met een ‘allemaal gekheid’ de fout verschoonde. De hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor de langen-hond der oude dame; maar de kinderen, die ‘vrij werden opgevoed’, maakten een vreselijke drukte.
Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotse likeur proeven, die als vuur in de keel was. (meer…)

ANDERSON AND VANGELIS

ANDERSON AND VANGELIS

Het gelegenheidsduo Jon Anderson and Vangelis nam in 1981 het album The Friends of Mr. Cairo op, hun tweede samenwerking nadat tot hun verbazing hun eerste gezamenlijke album Short Stories goed werd verkocht. In Nederland kwam het zelfs op nummer 1 in de albumlijst. Het album verscheen al vroeg nadat de compact disc zijn intrede had gedaan op dat medium. Het album werd opgenomen in Parijs, Davout Studio en Londen, Nemo Studio van Vangelis zelf. Op de eerste versie ontbrak I’ll Find My Way Home, dat een onverwachts succes werd en vanaf de tweede versie in 1983 werd toegevoegd met op de hoes daarvan een speciale vermelding.  Het album bevatte ook nog een andere single,die voor hen geen grote hit werd maar later wel voor de soulzangeres Donna Summer en weer later voor de punk- en new wave-zangeres Chrissie Hynde. Jon Anderson (Accrington, 25 oktober 1944) was de voormalige hoofdzanger van de progressieve rockband Yes. Deze legendarische band ontstond in de zomer van 1968 en bestond naast zanger Jon Anderson uit bassist Chris Squire, gitarist Peter Banks, drummer Bill Bruford en keyboardspeler Tony Kaye. Hun debuutalbum kwam in 1969. 1980 nam Anderson afscheid van de band, na voltooiing van het album Tormato, maar van 1983 tot 1988 nam Anderson opnieuw deel uit van Yes. Daarna kwam het gezelschap incidenteel bij elkaar, in 2004 voor de laatste keer. Vangelis (Volos, 29 maart 1943) is een Grieks componist, muzikant en multi-instrumentalist, die bekend verwierf als lid van de Griekse band Aphrodite’s Child, met onder meer Demis Roussos. Vangelis gebruikte vooral de synthesizer, piano, keyboards en andere elektronische instrumenten. Hij is vooral bekend van de filmmuziek Chariots of Fire uit 1981 (waarvoor hij een Oscar won), voor de muziek van de film Blade Runner en de nummer 1-hit Conquest of Paradise uit de film 1492: Conquest of Paradise. Hij wordt vaak de Godfather van new age-muziek genoemd, maar ziet new age zelf als een stijl die de deur opengezet heeft voor ongetalenteerde musici om erg saaie muziek te maken. De titelsong The Friends of Mr. Cairo is een ode aan de oude Hollywoodfilms van de jaren dertig en veertig op het gebied van de misdaad. Er zijn schoten te horen uit geweren en ook filmfragmenten. Het eerbetoon is gericht op The Maltese Falcon met Humphrey Bogart en Peter Lorre met stemgeluiden en vluchtauto’s en een uitermate boeiende tekst. (meer…)

CIMON EN PERO – 04

Jean Pénicaud II (1515-1588) was een van de leden van de beroemde Franse familie Pénicaud, emailleerders uit Limoges. De kunstenaarsfamilie begon met Nardon Pénicaud (circa 1470–1542) en zijn neef Pierre Pénicaud en werd daarna voortgezet door de broers Léonard Pénicaud (circa 1510-1540), Jean Pénicaud I en Jean Pénicaud II. Daarna werd de familietraditie voortgezet door Jean Pénicaud III (erg vindingrijk in de naamgeving was de familie niet). De stad Limoges, gelegen in het zuidwesten van Frankrijk, was al vanaf de 12e eeuw een belangrijk centrum van de emailleer-industrie, die zich aanvankelijk geheel richtte op religieuze voorwerpen. Vanaf het eind van de 15e eeuw rukt echter de seculiere kunst binnen de industrie op. Tijdens de Renaissance werd Limoges een belangrijk centrum voor die seculiere kunst, met talrijke familie-ateliers die niet zelden hun producten van een keurmerk voorzagen. De familie Pénicaud was slechts een van de vele families die tijdens dat tijdvak actief was, maar wel een van de meest vooraanstaande. Van alleen Jean Pénicaud II heeft het British Museum al 25 voorwerpen in haar collectie, variërend van religieuze afbeeldingen tot voorstellingen die verwijzen naar Griekse of Romeinse verhalen. Na ongeveer 1630 zou de emailleer-industrie in Limoges een langdurige crisis doormaken omdat het de concurrentie met de opkomende porselein-industrie niet aankon. Pas vanaf het midden van de 19e eeuw was er vanwege de Art Nouveau en andere moderne kunstrichtingen weer een bescheiden revival. Ook Jean Pénicaud II maakte een afbeelding van het Romeinse verhaal van Cimon en Pero, waarvan min of meer in dezelfde tijd in Neurenberg een schilderij werd gemaakt door Georg Pencz en gravures door de broers Hans Sebald Beham en Barthel Beham. In vergelijking met het zeer verfijnde en gestileerde werk van Pénicaud valt op dat het werk dat de Duitse graveurs ineens uitermate grof overkomt. Het kunstwerk van Jean Pénicaud II (1545, geschilderd emaille op koper, 35 bij 30,5 cm.) bevindt zich momenteel in het Walters Art Museum in Baltimore, nadat in 1931 door Henry Walters (26 september 1848 – 30 november 1931) bij testament zijn omvangrijke kunstcollectie werd ondergebracht in een naar hem vernoemd museum. Henry Walters, een zakenman die net als zijn vader een fortuin vergaarde door het aanleggen van spoorwegen waarvan de Atlantic Coast Line Railway (de verbinding tussen Washington en Miami, met talrijke aftakkingen) de belangrijkste was, had het werk in 1906 in Parijs gekocht van Seligmann Brothers, die het een jaartje eerder had verworven uit de Michel Boy Collection. Hoe die het had verkregen en waar het werk vanaf 1545 in bezit was, is onbekend.

ALBERT HEMELMAN

Albert Hemelman (Neede, 7 januari 1883 – Amsterdam, 25 januari 1951) was een Nederlandse graficus, kunstschilder, tekenaar, etser, boekbandontwerper, en lithograaf. Hij was een van de drie zoons van Antoine Hemelman en Berendina Willink. Zijn vader was smid en de bedoeling was dat hij en zijn twee oudere broers ook smid zouden worden. Hij kwam in eerste instantie als leerling-huisschilder in dienst van de firma Sprokkereef in zijn geboorteplaats. In plaats echter dat hij de huizen van een verflaag voorzag, zat hij in de dakgoot en tekende en schilderde het dorp met zijn vele mooie hoekjes. Het was duidelijk: Albert wilde echter kunstschilder worden en koos voor een artistieke opleiding. Zijn opleiding genoot hij in 1905 aan de Rijksnormaalschool voor Kunstnijverheid en van 1908 tot 1909 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten beide in Amsterdam. Hij was een leerling van Pieter Dupont, George Sturm en Nicolaas van der Waay. Hij werkte in Amsterdam van 1902 tot 1951 en heeft ook gewerkt in Noorwegen, IJsland en Spitsbergen. Zijn onderwerpen betroffen havengezichten, industriële landschappen, landschappen, stadsgezichten en stillevens. Hij ontwierp ook affiches en kalenders. Albert Hemelman schilderde grote oceaanstomers en deze werken trokken de aandacht van Nederlandse kunstkopers en zij bezorgden hem verschillende opdrachten. Tot zijn belangrijkste klanten behoorden de Koninklijke Hollandsche Lloyd en de Amro-Bank in Amsterdam. Een opdracht om leden van het koninklijkhuis te schilderen heeft hij helaas niet kunnen voltooien. Hemelman bleef Neede altijd trouw en keerde geregeld naar zijn geboorteplaats terug om te schilderen. Hij maakte daarbij veel etsen van Neede.Hij was lid van de Vereeniging Sint Lucas en Arti et Amicitiae beide in Amsterdam. Hij overleed op 25 januari 1951 en werd begraven op de begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam. (meer…)

WALTER WINANS

Walter W. Winans (5 april 1852 – 12 augustus 1920) is een apart heerschap geweest. Iemand met vele talenten en een onwaarschijnlijk divers leven. Hij was de zoon van het Amerikaanse echtpaar William Louis Winans en Maria Ann de la Rue, die op het moment van zijn geboorte in het Russische Sint Petersburg woonde. In 1836 was in het keizerrijk begonnen met de aanleg van spoorwegen met een bescheiden lijntje van 27 kilometer. Na een studiereis van twee ingenieus naar de Verenigde Staten drong pas goed door welke enorme economische en culturele voordelen de aanleg van een groots spoorwegennetwerk zou hebben. Binnen de geplande industriële revolutie voor Rusland, dat op dit punt ver achter liep op de rest van de westerse wereld, zouden de spoorwegen een belangrijke rol moeten gaan spelen. In 1842 werden plannen ontwikkeld voor een spoorlijn van Sint Petersburg naar Moskou. In acht jaar tijd werd het plan gerealiseerd, goedkoper dan elders in Europa omdat men gebruik kon maken van een grote hoeveelheid slavenarbeiders en sneller dan gedacht omdat men de expertise van Amerikaanse ingenieurs had ingehuurd. In de periode 1851-1852 werden de twee indrukwekkende begin- en eindstations van de spoorlijn gerealiseerd: het Nikolaevsky (Moskovsky) Railway Station in Sint Petersburg en het Nikolaevsky (Leningradsky) Railway Station in Moskou. Pa Winans werkte in de Sint Peterburgse deel van het traject. Tot zijn achttiende jaar woonde Walter in Rusland; daarna vertrok hij naar Kent in Groot-Brittannië om een opleiding te gaan volgen. Alvorens te vertrekken legde hij op de Amerikaanse ambassade de eed van trouw (oath of allegiance) af om zijn Amerikaans staatsburgerschap veilig te stellen. Het zou daarna overigens nog veertig jaar duren voor hij voor het eerst voet op Amerikaanse bodem zou zetten, want hij zou zijn gehele leven veder in Groot-Brittannië blijven wonen en werken. Dar waren uiteenlopende werkzaamheden, want Walter Winans wordt genoemd als scherpschutter, paardenfokker, beeldhouwer, schilder en schrijver. (meer…)

JOSEPH WITLOX

60e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Joseph Witlox (1867 – 1941) was een Nederlands geestelijke van de rooms-katholieke kerk en schrijver. Witlox vertaalde een aantal boeken uit het Engels, Frans en Deens, meest van katholieke signatuur. In 1921 richtte hij samen met Th. Goossens en Henricus Huijbers het Historisch Tijdschrift op, dat bol stond van nieuws over de katholieke kerk, het missiewerk en stichtelijke verhalen. Voor het tijdschrift was J.C.J. Kleijntjens een veelvuldig schrijver. In het redactioneel commentaar bij het eerste nummer laten de drie oprichters weten: ‘Hoe een volk meeleeft met zijn geschiedenis, wisten wij het nog niet, de wereldoorlog zou het ons afdoende bewezen hebben. Zoals elk christendom zich beroept op de Schrift, heilig geroemd om haar verheven gezag, zoo grijpt elke nationaliteit naar haar eigen geschiedboek, daarin zoekend het vertrouwen in haar zelfstandig bestaan. De historicus is de priester der vaderlandsliefde’. Dat laatste is natuurlijk een fantastische omschrijving, maar zelfs in 1921 zullen er nog maar weinig historici zijn geweest die deze taakomschrijving voor de geschiedkunde zouden delen. Zoals er wel meer aspecten van Witlox’ levensvisie als achterhaald konden worden beschouwd. Zo schreef Witlox veel over de toenmalige kolonie Suriname, maar het was voor een beetje ingewijde direct duidelijk dat hij daar nooit was geweest. Witlox publiceerde in 1890 bij uitgever Mosmans in ‘s-Hertogenbosch Vóór honderd jaren in Suriname: tafereelen uit het plantersleven, een bundel die in 1894 bij uitgever F.H.J. Bekker te Amsterdam herdrukt werd zonder dat vermeld werd dat het om een herdruk ging. Het boek bevat een novelle die zich afspeelt in Suriname en zes verhalen die met de kolonie niets van doen hebben. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (5)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (54)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 3

Juffrouw Henriette Kegge stond op, om met zeer veel ijver op de piano een boek te zoeken.
De knecht had intussen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk grote vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord L i q u e u r s in sierlijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te tonen hoeveel prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer Kegge evenwel te oordelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er, met haar bijbehorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.
‘Hoor reis, onsterfelijke!’ ging de heer Kegge voort, ‘dit is nu mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je al de kinderen zien; niet waar Hanna? Dan ken je hier de taal en de spraak zo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heren en grote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel; ik ben geen grote hans; ik ben een parvenu, zo je wilt.’
Henriette verliet de kamer. (meer…)

RUM

RUM

Rum (1969-1983) was een Belgische Nederlandstalige folkgroep, die invloeden uit de Engelse/Ierse folk en Vlaamse traditionele muziek combineerde. Hun bekendste liedje is Ik hou van alle vrouwen (1974). Rum werd als trio in 1969 opgericht door Dirk Lambrechts, Paul Rans en Wiet Van de Leest. Dirk Lambrechts vertrok al in 1972, voordat de groep echt zou doorbreken. Hij werd vervangen door Dirk Van Esbroeck, die als zanger met zijn karakteristieke stem tot de opheffing van de groep in 1983 de gezichtsbepalende figuur zou worden. Dirk Van Esbroeck (Gent, 1 juni 1946 – Berchem, 23 mei 2007) was weliswaar in Gent geboren geboren, maar vanwege de emigratie van zijn ouders opgegroeid in Argentinië te emigreren. In 1964 keerde de dan achttienjarige Van Esbroeck terug naar België in 1964 op 18-jarige leeftijd. In 1970 studeerde hij af aan het RITCS, afdeling film, en werkt daarna bij het productiehuis van cineast Roland Verhavert. Tegelijkertijd speelde hij al folkmuziek om zich in 1972 bij Rum aan te sluiten. De groep werd één van de grote namen binnen de Europese folkrevival van de jaren zeventig. In deze periode experimenteert hij soms nog met andere instrumenten, bv. de hobo, maar de gitaar is zijn belangrijkste instrument. Vanaf 1979 ging hij samen met gitarist Juan Masondo Zuid-Amerikaanse muziek spelen; het duo zou later met de komst van bandoneonspeler Alfredo Marcucci een trio worden, om later tot het sextet Tango al Sur uit te groeien. Daarnaast nam Van Esbroeck deel aan een groot aantal andere artistieke projecten. Hij zou op woensdag 23 mei 2007 aan darmkanker overlijden. Het hoogtepunt van Rum vond plaats in de jaren 1972-1978. In dat laatste jaar vertrok Paul Rans om een solocarrière te beginnen en weer een jaar later vertrok met Wiet Van de Leest ook het laatste oorspronkelijk lid van de groep. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 040

Frans van den Muijsenberg / 25 november 2017 / Stevenskerk Nijmegen, kunstwerk Rob Platel

CORNELIA VAN DEN BERG – VAN DER VLIS (51)

Cornelia (Cor) van den Berg – van der Vlis (‘s-Gravenhage, 28 oktober 1892 – Vries, 8 september 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die actief was in Friesland en werkte onder de verzetsnaam ‘Annie Westland'(waarschijnlijk een verwijzing naar het feit dat ze oorspronkelijk uit Den Haag kwam, dus uit ‘het westen. Ze was getrouwd met kapitein in de infanterie Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901 – Leusderheide, 29 juli 1943), die in Den Haag actief lid van de Ordedienst was. Hij was daar inlichtingenofficier en leider van een sabotagegroep. Eind december 1941 kwam hij in contact met de geheim agenten Thijs Taconis en Huub Lauwers. Thijs Taconis (Rotterdam, 28 maart 1914 – Mauthausen, 6 september 1944) was in mei 1940 vanuit zijn woonplaats Scheveningen in een logger van Scheveningen naar Engeland gevaren om zich aan te sluiten bij het verzet. Huub Lauwers (Amsterdam, 19 juli 1915 – Utrecht, 13 juni 2004) had zich eveneens naar Engeland begeven om zijn diensten aan te bieden aan de Nederlandse regering. Beiden werden door de Special Operations Executive (SOE) te Beaulieu opgeleid als geheim agent. Op 7 november 1941 werden ze vanuit Engeland bij Ommen geparachuteerd, met als opdracht een radioverbinding met het hoofdkwartier in Londen te onderhouden. Op 3 januari 1942 werd het eerste codebericht naar Londen verzonden, maar al op 9 maart 1942 valt het duo in Duitse handen. Thijs Taconis zou op 6 september 1944 in Mauthausen worden gefusilleerd, samen met 23 andere Nederlandse geheim agenten. In de periode 6 -8 september 1944 zouden in het Duitse concentratiekamp in totaal 54 geheim agenten worden neergeschoten. Huub Lauwers ging in op het aanbod van de Duitsers met hen samen te werken, maar trachtte vele malen via de vooraf afgesproken security-checks tevergeefs Londen erover te informeren dat hij en Taconis gearresteerd zijn. Het was het begin van het Englandspiel dat 59 Nederlandse geheime agenten het leven zou kosten en waarvan de Beweegredenen vanuit Londen nog steeds in nevelen zijn gehuld. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 4

Naast een groot aantal voornamelijk Italiaanse schilders, waarvan Caraveggio het meest indrukwekkende schilderij maakte, waren er ook enkele Nederlandse en Vlaamse schilders die zich stortte op het Bijbelse verhaal van Judith en Holofernes. Ook Rembrandt hield zich met het thema bezig. ‘Artemisia’ is de traditionele titel van een schilderij uit 1634 dat momenteel zich in het Museo del Prado in Madrid bevindt. Het gaat om een schilderij met een bijbels scene; de correcte titel dient ‘Judith aan het buffet van Holofernes’ te zijn. Het schilderij toont een jonge vrouw in mooie kleren en sieraden met een bediende die een drankje aanbied. Er wordt aan genomen dat hij zijn vrouw Saskia van Uylenburgh, met wie hij in 1634 trouwde, model was. De vrouw poseert in een grote jurk en laat haar rechterhand op haar buik rusten, het is een detail waarvan sommige deskundige zeggen dat Saskia in die periode zwanger zou zijn. Er is lang over gediscuteerd welk mythologische of historische figuur hier vertegenwoordigd wordt. Eerder werd aangenomen dat het in dit schilderij om Koningin Artimesia van Caria ging, die uit liefde voor haar overleden man Mausolus zich voorbereid om zijn as uit de beker te drinken. Er werd ook gedacht dat hier ging om de Carthaagse prinses Sofonisba, dochter van Hasdrubal Gisco, die, om te voorkomen dat zij als gevangenen in een triomftocht van de Romeinen geparadeerd zou worden, het gif dronk dat Masinisa haar had gestuurd. Vandaar dat er twee verschillende titels mogelijk waren voor dit werk: Artemisia ontvangt de beker met as van Mausolus en Sofonisba ontvangt de gifbeker. (meer…)

LAURENS RIJNHART BEIJNEN (50)

Laurens Rijnhart Beijnen (Brummen, 23 september 1896 – Brummen, 13 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was lid van de patriciërsfamilies Beijnen, die van oorsprong afkomstig was uit het Brabantse Waalre. De stamreeks gaat terug tot 1650 naar de schoolmeester Christiaan Beijnen. Een van zijn nazaten verkreeg in 1829 bij Koninklijk Besluit het recht de familienaam te wijzigen in Koolemans Beijnen; een andere nazaat, toevallig (?) met de naam Laurens Rijnhart Beijnen (1811-1897) wijzigde na zijn huwelijk met Catharina van Duijfhuijs (1814-1888) de naam in Van Duijfhuijs Beijnen. Laurens Beijnen had in Delft mijnbouw gestudeerd en werkte daarna ongeveer een jaar in Nederlands-Indië in Weltevreden, een door Europeanen bewoonde voorstad van Batavia, ongeveer tien kilometer van het stadscentrum verwijderd. In de loop van de achttiende eeuw verrezen hier statige herenhuizen waarmee de koloniale Nederlandse machthebbers de ongezonde levensomstandigheden in de hoofdstad konden ontvluchten. Weer terug in Nederland in 1934 stichtte hij in het Gelderse Eerbeek de zeefplatenfabriek Veco, een nog steeds florerend bedrijf.

Toen de oorlog uitbrak weigerde hij voor de Duitsers te gaan werken en wilde geen opdrachten laten uitvoeren in zijn fabriek, hoewel de commissarissen van de onderneming daar bij de eigenaar-directeur op aandrongen. Door plaatsgenoot mr. L.A.S.J. baron van der Feltz, die zijn standvastige opstelling wel kon waarderen, raakte hij betrokken bij het werk van de illegaliteit. Hij werd lid van de Ordedienst (OD); in de lente van 1944 werd Beijnen door de Gewestelijk Commandanten van de OD in Gewest 5 (Achterhoek), de reserve-luitenant W.A. van der Wall Bake en chef-staf jonkheer P.J. Six, gevraagd hoofd te worden van Sectie V van Gewest 5 van de Binnenlandse Strijdkrachten. De beide commandanten waren onderling zeer bevriend en kwamen veelvuldig bijeen in het landhuis ’t Kiefkamp te Vorden van de eer Van der Wall Blake. Beijnen hield zich onder meer bezig met inlichtingenwerk en speelde deze door aan de Ordedienst, waarvoor hij vooral in Amsterdam contact onderhield met majoor J. Kok, hoofd van Sectie v van het Algemeen Hoofdkwartier van de OD.Voor die bezoeken aan Amsterdam ging hij per fiets en leverde dan inlichtingenrapporten af. Beijnen trof namelijk de voorbereidingen voor de provisorische brugslag ten behoeve van de verwachte opmars van de geallieerde legers en wist te voorkomen dat allerlei materiaal van de brandweer naar Duitsland werd overgebracht.  (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (53)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 2

‘Als je studeren wilt,’ zei hij; ‘ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van Bulwer of zo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!’
Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grote pot West-Indische confituren, bestaande, voor zo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en grote stukken hengelriet, in quintessence van suiker ingelegd. De heer Kegge meldde mij, dat ‘zijne vrouw en dochter, welke laatste, tussen twee haakjes gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om mij te zien’.
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaanse hazewindjes, ten huize van den heer Jan Adam Kegge.

De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden van splinternieuw te zijn. Een brede, veeloctavige piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten muziekkastje stond open, en een der spaanse hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van de inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflessen, hand-vuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. (meer…)

HERMAN VAN VEEN 2

HERMAN VAN VEEN

Herman van Veen (Utrecht, 14 maart 1945) behoeft geen introductie. Hij werd opgeleid tot violist, zanger en muziekpedagoog en zijn aansluitende carrière vanaf 1965 als podiumkunstenaar, schrijver, componist, regisseur, muzikant, acteur, presentator en activist voor de rechten van het kind is zo indrukwekkend dat hij eenvoudig bij iedereen bekend moet zijn. Om een kleine indruk te geven: er verschenen van hem 184 cd’s, 21 dvd’s, ongeveer 70 boeken, tientallen scenario’s voor films (die hij niet zelden zelf regisseerden) en muziektheatervoorstellingen, hij presenteerde diverse televisieprogramma’s, hij richtte het theatergezelschap Harlekijn op, hij is de bedenker van Alfred Jodokus Kwak, was jarenlang vrijwilliger, bestuurslid en welwillendheids-ambassadeur voor UNICEF Nederland, stichtte verschillende organisatie die zich inzetten voor de rechten van het kind, zit in het bestuur van vele comités en stichtingen, maakt abstracte schilderijen, runt in het bosrijke landgoed De Paltz in Soest het Herman van Veen Arts Center, waar tentoonstellingen en voorstellingen plaatsvinden en heeft ook nog de tijd gevonden om drie maal te trouwen. Een van die vele cd’s van Herman van Veen is Kerstliederen, waarvoor hij samenwerkte met het AVRO’s Kinderkoor en The Amsterdam Baroque Orchestra onder leiding van Ton Koopman. In een uitermate sfeervolle vertolking worden 25 bekende (Nu Zijt Wellekome, Wij Komen Tezamen, Stille Nacht, ed.) en onbekende kerstliederen vertolkt. Zelfs een verstokt hater van de jaarlijkse kerstliedjesterreur weet te genieten van zijn Kerstliederen. (meer…)

KERST 2020

CIMON EN PERO – 03

Hans Sebald Beham was een Duits schilder, kopergraveur en tekenaar, die in 1500 in Neurenberg werd geboren en op 22 november 1550 in Frankfurt overleed, waar hij het laatste deel van zijn leven had gewoond. Er is niks bekend over zijn ouders en vroege opleiding. Vast staat dat hij in 1525 in zijn geboortestad een eigen atelier bezat, maar in januari van dat jaar werd hij samen met zijn broer Barthel Beham en Georg Pencs uit Neurenberg verbannen op beschuldiging van blasfemie, ketterij en het niet erkennen van het gezag van de stadsraad. De drie ‘goddeloze schilders’ weken uit naar Italië, maar konden al weer snel terugkeren nadat ze het lutheraanse geloof hadden aangenomen. In 1528 moest hij echter opnieuw hals over kop vluchten vanwege een hoogoplopend geschil over het veronderstelde pornografische karakter van een deel van zijn werk. Hij werkte vervolgens in verschillende Duitse steden. Hij geldt als een van de belangrijkste kunstenaars uit de groep van de Neurenbergse miniaturisten. Hij werkte veel aan kleine gravures, soms niet groter dan een postzegel, maar toch erg gedetailleerd. Sebald was een leerling van Albrecht Dürer en werd in zijn werk beïnvloed door Holbein en Altdorfer. Zijn omvangrijke grafische oeuvre bestond uit 252 kopergravures, 18 etsen en ongeveer 1.500 houtsneden, waaronder velen voor illustraties an boeken. Voor kardinaal Albrecht van Brandenburg maakte hij in 1543 een geschilderd tafelblad, dat zich nu in het Louvre bevindt. Tot zijn hoofdwerk behoren onder meer houtsneden met de planeten en illustraties voor het Oude Testament. Veel van zijn houtsnedes betreffen mythische of historische taferelen en voorstellingen van het eigentijdse plattelandsleven. Zijn houtsnede ‘Boerendorpsfeest’ inspireerde Pieter Breughel de Oude tot zijn beroemde taferelen van dorpskermissen en andere boerentaferelen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 039

Frans van den Muijsenberg / 20 december 2020 / Klimmendaal Arrnhem

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 3

Het verhaal van Judith en Holofernes inspireerde niet alleen Caraveggio maar ook tal van andere Italiaanse schilders. Ook Michelangelo (zie deel van zijn fresco hiernaast), Botticelli, Paolo Veronese, Artemisia Gentileschi hebben Judith geschilderd. In de Nederlanden maakte Peter Paul Rubens, Rembrandt en Jan de Brayer een versie van. In Duitsland schilderde Lucas Cranach het Bijbelse tafereel. Na deze 17e eeuwse periode daalde de belangstelling voor het verhaal. Er zijn dan ook maar een paar moderne schilderijen van Judith en Holofernes, waarvan de drie versies van Franz von Stuck verreweg de bekendste (en mooiste) zijn. Andere latere werken, steeds abstracter zijn er van John Luke, Kees Maks, Walter Jacob, John Graham en Andre Masson. De componist Alessandro Scarlatti schreef in 1693 La Giuditta, een oratorium dat voor het eerst in Napels werd opgevoerd. Antonio Vivaldi componeerde in 1716 Judita triumphans. Het werk was een opdracht na de overwinning van de Venetianen in Korfoe op de Turken. Mozart componeerde in 1771 muziek bij het dramatische oratorium La Betulia Liberata. In 1914 verscheen ook een film Judith of Bethuliaonder regie van D.W. Griffith. De Duitse componist Siegfried Matthus componeerde een opera Judith op dit thema. Deze opera ging in 1985 in première bij de Komische Oper in het toenmalige Oost-Berlijn. Hieronder een selectie van de diverse versies van Judith en Holofernes. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (52)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 1

Enige tijd na de ontvangst van dit ‘reukoffer’, hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtige Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel horen deed.
‘Nog al hoger?’ vroeg een zeer luide stem, die ik niet kende, ‘drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, ’t is hier suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!’
Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de ‘professeurs’ van onbekende lycaea, die ‘tijdstromen’ aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hun verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwse chocolade van duizend A’s, of de goedkope portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uw beste vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een spotprijs de gehele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met intekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op de hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heren, en al wat verder zich op een listige wijze bij de studerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of bloheid te speculeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Frans of Duits of Luikerwaals spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in een stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien. (meer…)

LOUISIANA BLUES 2

LOUISIANA BLUES 1

Louisiana blues is een bluesstijl die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog in de staat Louisiana ontstond en die wordt gekarakteriseerd door de sjokkende ritmes wat het een duistere tint geeft. Binnen deze bluesstijl worden twee subgenres onderscheiden, namelijk de New Orleans Blues en de Swamp Blues. De variant uit New Orleans was erg gebaseerd op de oude jazz zoals die traditioneel in de havenstad werd gespeeld, vermengd met invloeden uit het Caraïbisch gebied. Belangrijke instrumenten waren de piano en saxofoon. De belangrijkste vertolkers van dat genre waren Professor Longhair en Guitar Slim. De Swamp Blues kent een veel trager tempo en heeft invloeden van zydeco en cajun-muziek uit het gebied rond Baton Rouge.  Zydeco is een muziekvorm die ontstond in het begin van de twintigste eeuw onder de creoolse bevolking van Zuidwest-Louisiana onder invloed van Franssprekende Cajuns. De muziek is uptempo en wordt gedomineerd door de accordeon, de melodeon en een soort wasbord (rub-board of frottoir genaamd) en ver gebruikt men drums, gitaar, koperblazers en basgitaar. Het woord ‘zydeco’ schijnt een verbastering te zijn van de Franse uitdrukking ‘Les haricots sont pas salés’, waarmee mogelijk wordt bedoeld: ‘ik heb geen zout om de bonen op smaak te brengen, zo arm ben ik’. Cajunmuziek, een muziekstijl die teruggaat tot de achttiende eeuw, ontstond in het Frans sprekende deel van Louisiana in de Verenigde Staten uit een mengeling van de volksmuziek en de muziek van de zwarte bevolking. De oorspronkelijke bezetting van de instrumenten was viool, accordeon en  triangel, instrumenten die tamelijk zeldzaam zijn in de traditionele blues. In de Swamp Blues werd een gitarist toegevoegd. Belangrijke vertegenwoordigers van dit subgenre waren Slim Harpo en Lightnin’ Slim. Vooral van de laatste werden heel wat nummers gecoverd door de Britse band die vanaf eind aren zestig de Amerikaanse markt veroverde, de zogenaamde ‘British Invasipn’. Beide genres waren enorm populair in de zestiger jaren, aar daarna nam de belangstelling af, met zo af en toe een opleving.

Belangrijke Louisiana blues-artiesten zijn: Nathan Abshire, Marcia Ball, Guitar Junior, Slim Harpo, Lazy Lester, Lightnin’ Slim, Raful Neal, Tabby Thomas, Katie Webster, Robert Pete Williams, Snooks Eaglin, Clarence Frogman Henry, Little Walter, Clarence Garlow, Bobby Charles, Louisiana Red, Muddy Waters, Big Bill Broonzy, Big Joe Reynolds, Warren Storm, Smiley Lewis, Al Ferrier, Big Bopper, Boozoo Davis, Earl King, Huey Piano Smith, Rod Bernard, Frankie Ford, Rod Bernard, John Fred, Al Terry, Joe Jones, Big Boy Myles, Charles Sheffield, Jimmy Clanton en Warren Storm.

Onder de ruim twee uur durende video de complete tracklist. (meer…)

HIPPOCRATES IN DE HEL

Michel Cymes (geboren te Parijs op 14 mei 1957) is als specialist verbonden aan een kliniek in de Franse hoofdstad. Hij presenteert medische programma’s voor de publieke omroep France Télévisions. De grootouders van Cymes waren Poolse Joden, die in 1922 naar Frankrijk waren uitgeweken. Zijn beide grootvaders zijn in Auschwitz vermoord. Vanuit die achtergrond stelt hij aan alle Duitse nazi-artsen de vraag: “Hoe kun je een beroep kiezen dat leven redden als hoogste doel heeft en vervolgens de levens beëindigen van degenen die je niet langer beschouwt als mensen?”. Daarop volgend komt de vraag op of alle weerzinwekkende experimenten in de kampen de geneeskunde ook maar een millimeter verder hebben gebracht. Om het nog wat lastiger te maken, werpt Cymes een derde vraag op: Klopt zijn aanname dat alle folteraars tweederangs artsen waren, die door hun leraren en jaargenoten werden bespot en gemeden en nu de kans zagen te bewijzen dat ook zij, de minkukels, een grote wetenschappelijke bijdrage konden leveren aan het krankzinnige project van het Derde Rijk? Zij zouden wel eens even uitvinden hoe het Duitse volk het gezondste in de hele geschiedenis van de mensheid kon worden. Drie grote vragen, die een jarenlange studie naar een groot aantal betrokkenen vereisen, kennis van veel wetenschappelijke studies veronderstelt, waarvoor een behoorlijke dosis psychologisch inzicht onontbeerlijk is en een auteur moet beschikken over veel historisch inzicht in de ontwikkeling van de medische wetenschap. Het kan zijn dat dit boek een opwarmertje is voor zo’n magnum opus, maar dit blijkbaar snel geschreven boekje van een drukbezet iemand doet anders vermoeden. De tekst op de achterzijde geeft het min of meer al aan: (meer…)

PROF. HENRICUS HUIJBERS

 59e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Henricus Franciscus Maria Huijbers (Utrecht, 26 december 1881 – Nijmegen, 17 maart 1929) was een Nederlands historicus. Hij was de zoon van notaris Johannes Henricus Huijbers. De lagere school volgde hij in Instituut Saint-Louis en daarna ging hij naar het Stedelijk Gymnasium in Utrecht. Hij studeerde vervolgens Nederlandse letteren en geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht, waar hij in 1907 zijn doctoraalexamen behaalde. Tijdens zijn studietijd was hij bestuurslid van de jonge katholieke studentenvereniging Veritas, opgericht in1889, en redacteur van het jaarboek dat de Nederlandse rooms-katholieke studenten uitgaven. In deze periode legde Huijbers de grondslag voor zijn dissertatie. In 1913 promoveerde hij bij G.W. Kernkamp op de dissertatie Don Juan van Oostenrijk. Landvoogd der Nederlanden I (deel II verscheen in 1914). In datzelfde jaar (17 juni 1913) trouwde hij met Maria Baesjou, een huwelijk dat kinderloos bleef. In 1914 verscheen van hem Een kranige Hollander, een biografie van Jan Pieterszoon Coen, die indertijd nog algemeen werd gezien als een Nederlandse held uit een glorierijk verleden. In 1914 richtte hij samen met Th. Goossens en J. Witlox het Historisch Tijdschrift op. Al vanaf zijn studietijd in 1910 tot 1917 werkte Huijbers als leraar in het middelbaar onderwijs in Goes,Bergen op Zoom en Tiel en aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen, waar hij een der oprichters was van de katholieke studentenvereniging St. Franciscus Xaverius, waarvan hij tot zijn dood redactielid zou blijven. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 2

Rond 1600 werden veel kunstenaars geïnspireerd door het dramatische en bloederige verhaal van Judith en Holofernes. ‘Judith onthoofdt Holofernes’ moet als kunstwerk geplaatst worden in de tijd van de reformatie, rond 1600, toen veel protestantse groeperingen zich afkeerden van de katholieke kerk. In Rome, het absolute centrum van de katholieke kerk, werden de volgelingen van Luther, Calvijn en Zwingli niet alleen gezien als afvalligen, maar nadrukkelijk als ketters en dus dienden ze zo streng mogelijk te worden bestreden. Dat hield in dat alle middelen geoorloofd waren. Zo riep paus Gregorius XIII herhaaldelijk op om Elizabeth I van Engeland te vermoorden, omdat zij ernstige schade had toegebracht aan de katholieke kerk. Toen in 1572 tijdens de Bartholomeusnacht duizenden Hugenoten waren vermoord werd in Rome het Te Deum gezongen. In de bestrijding van ketterij was elk middel geoorloofd en als het nodig was om daartoe iemand te vermoorden was dat geen misdaad maar een heroïsche, bijna heilige daad.

Donatello was de eerste kunstenaar die met het thema aan de slag ging. Hij goot als eerste kunstenaar een bronzen plastiek voor de paleistuin van de Medici. Michelangelo schilderde Judith in een hoek van het plafond in de Sixtijnse Kapel. Waar tal van andere schilders Judith weergaven met het dode hoofd van Holofernes in de hand (Donatello, Botticelli), schildert Caravaggio haar precies op het moment van de gruweldaad. Het hoofd van Holofernes is nog niet geheel van zijn lichaam gescheiden en hij is nog steeds in leven. De angst en wanhoop stralen uit zijn ogen, daar waar Judith zonder triomf of passie maar eerder met afgrijzen op haar gezicht ambivalent wordt afgebeeld: ze doet wat ze moet doen. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 1

De katholieke kerk en de oosters-orthodoxe kerken erkent tien (of volgens sommigen elf) boeken als gezaghebbend, hoewel ze niet behoren tot de traditionele Hebreeuwse canon behoren. Deze boeken, die stammen uit de periode uit de periode tussen de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament (ca. 225 en 100 v.Chr.), worden deuterocanonieke boeken genoemd. Ze werden opgenomen in de Vulgaat, de belangrijke Bijbelvertaling in het Latijn die tussen 390 en 405 na Chr. door Hiëronymus in opdracht van paus Damasus gemaakt. Ze dankt haar naam aan de uitdrukking ‘versio vulgata’ (‘volkse versie’) van het Latijn waarin ze is geschreven zodat een voor iedereen beter begrijpbare versie voorhanden kwam. De Vulgaat was de eerste en eeuwenlang de enige christelijke Bijbelvertaling die het Oude Testament uit het oorspronkelijke Hebreeuws vertaalde. Vanaf het Concilie van Trente in 1546 aanvaardde het Vaticaan deze editie als enige gezaghebbende, waardoor vanaf dat moment de katholieke vertalingen van de Bijbel gebaseerd waren op het Oudgrieks en Hebreeuws, de oorspronkelijke talen van de Bijbel. Veel vertalingen in het Nederlands zijn op de Vulgaat gebaseerd. De protestante kerken kende Bijbelvertalingen die gebaseerd waren op de zgn. Lutherbijbel uit 1534. Maarten Luther en andere hervormers erkenden de tien boeken niet als gezaghebbend en sindsdien worden ze door protestanten apocrief genoemd, waardoor dat woord een negatieve bijklank kreeg. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (51)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een treurige inleiding
deel 2

‘Het was niemendal goed met meheer!’ Hij was in ’t midden van de nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had hij haar zo verwilderd aangekeken, dat ze ‘der tranemontane haast was kwijt geraakt en de schrik haar nog in de benen zat’. Zij geloofde, ‘dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die mensen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend’, en zo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, en liet ogenblikkelijk een dokter halen.
De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De studeerkamer werd tot een ziekenkamer ingericht, de patiënt met zijn bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond en wie de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita was gelukkig een zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottige loop; en na drie weken van angst en tobben, droegen wij de arme William Kegge naar het graf. (meer…)

BEDRICH SMETANA 2

BEDRICH SMETANA

Bedřich Smetana (Litomyšl, 2 maart 1824 – Praag, 12 mei 1884) was een Tsjechisch componist die bekend werd door onder meer de opera Prodaná nevěsta (De verkochte bruid) en de cyclus van zes symfonische gedichten: Má Vlast (Mijn vaderland, waaronder het meest bekende de Moldau). Bedrich Smetana was de zoon van een brouwer. Op jonge leeftijd speelde hij al piano en viool en speelde mee in het familiestrijkkwartet. Ondanks de aanvankelijke bezwaren van zijn vader studeerde hij muziek aan het conservatorium van Praag. Nadien kreeg hij een baan als muziekdocent bij een gegoede familie. In 1848 financierde Franz Liszt Smetana, zodat hij zijn eigen muziekschool kon oprichten; nadien nam Smetana deel aan demonstraties tegen de overheerser Oostenrijk en trouwde met de pianiste Kateřina Kolařová. Liszt introduceerde hem ook bij de muziekuitgeverij Kistner. In 1856 ging Smetana naar Göteborg in Zweden waar hij het dirigeren onderwees en kamermuziekrecitals gaf. Hij werd er ook dirigent van de Philharmonische Gesellschaft. In 1859 vertrok Smetana weer naar Praag, omdat zijn vrouw niet tegen het koude weer kon; ze overleed vlak na de terugkeer (19 april 1859) in Dresden. Hij hertrouwde in 1860 met Bettina Fernandová; vertrok weer naar Zweden, maar kwam weer terug in 1861. In 1863 opende hij opnieuw een muziekschool, deze keer om de Tsjechische muziek te promoten. In 1866 werd hij dirigent van het Nationale Theater, om vooral Tsjechische opera’s uit te voeren. In 1874 werd hij in korte tijd doof, een symptoom van syfilis, maar hij ging desondanks door met componeren. Má Vlast werd grotendeels geschreven na zijn doof worden. Zijn eerste strijkkwartet Uit mijn leven is een autobiografisch werk dat de tinnitus uitbeeldt waaraan hij tijdens zijn doofheid leed. Als gevolg van de syfilis werd Smetana in 1883 geestesziek; zijn familie kon hem uiteindelijk niet meer verzorgen en op 23 april 1884 liet men hem opnemen in de psychiatrische kliniek Kateřinky in Praag, waar hij een paar weken later op 60-jarige leeftijd overleed. Hij werd begraven op de Nationale Begraafplaats op de vesting Vyšehrad in Praag. Smetana staat bekend als de eerste componist die muziek met een specifiek Tsjechisch karakter componeerde. Veel van zijn opera’s zijn gebaseerd op Tsjechische thema’s, met als bekendste De verkochte bruid uit 1866. Hij gebruikte veelal Tsjechische dansritmes en zijn melodieën hebben wel wat weg van volksliedjes. Hij was van grote invloed op Antonín Dvořák die op soortgelijke wijze Tsjechische thema’s in zijn muziek verwerkte. (meer…)

SPROOKJES VOOR KLEINE EN GROTE KINDEREN

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar Schotse partner, vier ratten en twee harpen in een oud dijkhuisje op het platteland van de Hoeksche Waard. Op deze idyllische plek heeft zij een praktijk als coach en trainer. Omdat zij in hart en nieren muzikant is, speelt de muziek in haar praktijk een centrale rol. Zo nu en dan staat zij met haar harp op het podium. Tussen de familiebezoeken naar haar tweede thuisland Schotland bereizen zij en Roy zo veel mogelijk nieuwe bestemmingen. De afgelopen jaren heeft uitgeverij Sylfaen al vijf reisverhalen van Angeline uitgegeven. Recent verscheen van haar een sprookjesboek,waarvan hieronder het verhaal ‘De grote beer’ wordt gepubliceerd. In het voorwoord merkte ze over de bundel sprookjes hert volgende op:

‘Verhalen vertellen is onlosmakelijk verbonden met de mensheid en sprookjes zijn al zo oud als de wereld. Het woord sprookje is afgeleid van het middeleeuwse ‘sproke’, dat verhaal of vertelling betekent. In een tijd dat er nog geen televisie en Netflix bestond, vertelden mensen elkaar verhalen. Vaak gingen die verhalen over het leven van alledag, waarbij de verteller putte uit de wereld om hem heen en vooral ook de fantasie de vrije loop liet. In sprookjes zie je vaak koningen, prinsessen en andere adellijke personages, want arme lieden van weleer spiegelden zich graag aan mensen die zij als machtig en succesvol zagen. In dat opzicht is er vandaag aan de dag nog niet veel veranderd. Maar ook figuren als tovenaars, reuzen, dwergen en draken waren populair. Niets leuker dan bovenmenselijke krachten in je verhaal verweven om het allemaal wat smeuïger en spannender te maken. Na een dag van hard werken zaten mensen samen om het vuur en vertelden elkaar verhalen. Deze waren bedoeld als vermaak en om ervaringen op een speelse manier te delen, maar hadden ook een educatief element. Er zat altijd een moraal in en tijdloze normen en waarden als goed en kwaad of arm en rijk vormden de basis van het verhaal. In ieder sprookje zat een les of diepere wijsheid. Gaandeweg transformeerde het sprookje in een vertelling voor kinderen. De volwassenen namen de rol van leermeester aan en gebruikten de oude verhalen als pedagogisch werktuig om hun kinderen te leren over gewenst en ongewenst gedrag. Oude wijsheden, verpakt in een verhaaltje voor het slapen gaan. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 038

Frans van den Muijsenberg / 27 november 2020 / Klimmendaal Arrnhem

CIMON EN PERO – 02

Georg Pencz (Wroclaw, omstreeks 1500 – Leipzig, 11 oktober 1550) was een Duitse graveur, schilder en graficus. In 1523 vertrok Pencz naar Neurenberg om inde leer te gaan bij Albrecht Dürer. Net als zijn leermeester bezocht hij voor een studiereis Italië en raakte daarbij erg onder de invloed van de Venetiaanse schilderkunst. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij een tijdlang samengewerkt met Marcantonio Raimondi (c. 1470/82 – c. 1534), de beroemde Italiaanse graveur die aan de wieg heeft gestaan van de reproductieve kunst. In 1525 werd hij samen met de broers Barthel Beham en Hans Sebald Beham, ook leerlingen van Dürer, gearresteerd en verbannen uit luteraanse Neurenberg. Het drietal, dat bekend stond als ‘de goddeloze schilders’ omdat ze aanhangers waren van de radicale theorieën van Thomas Müntzer, werd na een tijdje toch weer toegelaten en verwierf al snel de reputatie als ‘Kleine Meesters’ vanwege hun kleine grafische werken met veel gedetailleerd werk. Pencz schilderde in Neurenberg een groot aantal trompe l’oeil-plafonds in de huizen van rijke patriciërs, daarbij geïnspireerd door soortgelijk werk dat hij in Italië had gezien. Van deze schilderingen is weinig bewaard gebleven. Op een van de tekeningen is te zien dat hij werklui tekenden die allerlei materialen naar boven brengen. op de achtergrond ziet men  de buitenlucht, wat de indruk geeft dat de kamer nog steeds onder constructie is. In 1539 keerde Georg Pencz kort terug naar Italië, waar hij voor het eerst Rome bezocht. vanaf 1540 was hij definitief terug in Neurenberg en kende er als officiële stadsschilder veel succes. In 1550 werd hij gevraagd om hofschilder te worden van hertog Albert van Pruisen, maar hij overleed onderweg naar het hof in Leipzig. Van Pencz is deze ingetogen versie van Cimon en Pero.

CIMON EN PERO – 01

Valerius Maximus was een Latijns schrijver uit de eerste decennia van de 1e eeuw na Chr. Over zijn leven is niet al te veel bekend. Hij zou uit een arme Romeinse familie afkomstig zijn. Hij had in Sextus Pompeius, een mecenas voor literaire jongelui waaronder naast Valerius Maximus ook Ovidius en de latere keizer Germanicus hoorde, onder zijn hoede zijn genomen. Sextus Pompeius was in het jaar 14 na Chr. een invloedrijk consul, die later proconsul van de Romeinse provincie Asia zou worden. Omstreeks 27 na Chr. begeleidde Valerius Maximus zijn mecenas op een reis naar het oosten van het Romeinse Rijk. in 31 na Chr. droeg Valerius Maximus aan keizer Tiberius zijn boekwerk Factorum ac dictorum memorabilium libri IX (‘Negen boeken memorabele daden en uitspraken’) op.Er wordt geschat dat de schrijver ongeveer tien jaar nodig heeft gehad om het gehele boekwerk te voltooien. Het werk omvat negen boeken met in totaal ongeveer duizend korte verhalen met gedenkwaardige anekdoten, door compilatie samengebracht, ten behoeve van redenaars. het doel was hen het maken van redevoeringen makkelijker te maken door het aanreiken van allerlei voorbeelden, zodat ze ten allen tijde voldoende materiaal tot hun beschikking hadden. Met deze anekdotische verhalen wilde Valerius Maximus de materiële en morele superioriteit van de oude Romeinen aanprijzen. Aan het einde van sommige hoofdstukken zijn ook enkele buitenlandse verhalen opgenomen, meestal over filosofen of koningen van het oude Griekenland. Valerius beschouwde zijn verhalen als ‘voorbeelden’ die een morele leidraad moesten bieden. De aangereikte voorbeelden, veel materiaal van Cicero, Livius, Sallustus, Pompeius Trogus, Terentius Varro en andere historici, waren gegroepeerd in 91 rubrieken (bijv. dankbaarheid, gestrengheid van vaders, godsdienstzin, voortekens, dromen, vriendschap, zelfvertrouwen). (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (50)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een treurige inleiding
deel 1

Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijks leven met de gevreesde naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder – meestal, helaas! – onder die kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan haar verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken ogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor de geest, zo als zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hun visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weder ineen te krimpen als in dierlijke angst. Zij staan mij voor den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tussenpozen, die de dood voorbeduiden. Nog zie ik al die droevige toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te drijven; die gewichtige overgang van afwassende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zo zeer plegen te verschrikken. (meer…)

COMMON & BILAL

COMMON & BILAL

Bij het kijken van de indrukwekkende documentaire 13th over de manieren waarop de slavernij in aangepaste vorm mi of meer gewoon is doorgegaan in de Verenigde Staten kwam een nummer langs van de rappers Common en Bilal. Nu is rapmuziek bepaald niet mijn favoriete muziekgenre, maar dit nummer sprong er toch wel uit. Nu speelt natuurlijk mee dat muziek en documentaire elkaar goed aanvullen,niet echt verwonderlijk want Common schreef het nummer speciaal voor de documentaire. Maar ook zonder de film en zelfs zonder naar het youtube-filmpje te kijken, bleef dit nummer helemaal overeind. Wat natuurlijk ook meehelpt is dat de beginregel van de tekst (‘Southern leaves, southern trees we hung from‘) veel herinneringen oproept aan de tekst van het onvolprezen Southern Trees van Billie Holiday over de tijd dat in het zuiden van de States lynchpartijen geen ongewoon verschijnsel waren; ‘Southern trees, bear strange fruit. Blood on the leaves and blood at the root. Black bodies swinging, in the Southern breeze. Strange fruit hanging, from the poplar trees’. de volledige tekst van het nummer Letter to the free is hier na te lezen. (meer…)

MOUNTAIN CHIEF (1916)

Mountain Chief (1848–1942) was een strijder van de South Piegan-clan van de grote Blackfoot-stam. Toen hij vijftien jaar oud was, mocht hij als volleerd strijder voor het eerst deelnemen aan een gevecht van zijn stam tegen de steeds verder oprukkende blanken. Hij verdiende er de tweede naam Big Brave mee, maar liet zich in latere jaren ook graag Frank Mountain Chief noemen, wat al genoeg zegt over de mate waarin hij ‘veramerakiseert’ was. In 1870 was hij zijdelings betrokken bij het Marias Massacre, waarbij een groot aantal leden van zijn stam op het eigen grondgebied van de stam, ondanks vrijgeleidebrieven van de Amerikaanse overheid, werden vermoord. Een afslachting die voor de soldaten van het Amerikaanse leger ongestraft bleef. Vanaf 1868 was hij een van de leiders van de indianenstammen die verdragen met de Amerikanen sloten, waarmee het grondgebied van de stammen stelselmatig werd verkleind. Mountain Chief werkte op latere leeftijd samen met een aantal antropologen. In de zomer van 1898 werd het Blackfoot-reservaat bezocht door Walter McClintock van Yale University, die met de wasrol opnamen van verschillende bejaarde stamhoofden willen maken. Zo’n wasrol, een van de uitvindingen van Thomas Edison, was de eerste methodes om geluid op te nemen en via een fonograaf weer af te spelen. Ze werden tussen 1880 en 1915 op grote schaal gebruikt, tot ze werden vervangen door de grammofoonplaat. in 1903 en 1905 zou McClintock het reservaat opnieuw bezoeken, ditmaal om foto’s te nemen voor zijn boek The Old North Trail (1910), waarin een portretfoto van Mountain Chief uiteraard niet ontbrak. (meer…)

RIA GEERDINK – 014

HET 13e AMENDEMENT

Op Netflix een tijdje geleden geleken naar de Amerikaanse documentaire 13th, een indringende film over het eeuwenlange racisme in Amerika. Er wordt in uiteengezet hoe in de Verenigde Staten telkens een nieuw systeem ontstond om de Afro-Amerikaanse bevolking te onderdrukken. In 1865 werd voorgesteld via Amendement XIII van de Grondwet van de Verenigde Staten om de slavernij in de Verenigde Staten af te schaffen. Dat proces al in1863 door president Abraham Lincoln begonnen met diens Emancipatieproclamatie, die alleen de slaven uit de zuidelijke Geconfedereerde Staten, en niet die uit de noordelijke Unie bevrijdde. Het Dertiende Amendement geeft de staten en de federale overheid wel de mogelijkheid om veroordeelden onvrijwillig werk te laten verrichten, zolang die arbeid niet aangevuld werd met wrede of ongebruikelijke straffen, die worden verboden door het achtste amendement. De letterlijke tekst van sectie 1 van het amendement luidt: ‘Neither slavery nor involuntary servitude, except as a punishment for crime whereof the party shall have been duly convicted, shall exist within the United States, or any place subject to their jurisdiction’. Dat korte zinnetje dat bij gevangenisstraf wel de verplichting tot dwangarbeid kan worden opgelegd, zou al direct ingrijpende consequenties krijgen voor de Afro-Amerikaanse bevolking.  Op 1 februari 1865 was de staat Illinois de eerste staat van de VS die dit amendement ratificeerde. Georgia ratificeerde het amendement op 6 december 1865 als 27e staat. Daarmee was het vereiste aantal stemmen gehaald. Op 18 december 1865 trad het amendement in werking. andere staten ratificeerden het amendement pas vele, vele jaren later. Kentucky tekende pas op 18 maart 1976 en Mississippi op 16 maart 1995. Omdat de staat Mississippi de ratificatie niet had gemeld aan de nationale archivaris, was de ratificatie in die staat niet officieel tot 7 februari 2013.
(meer…)

J.C.J. KLEIJNTJENS

58e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Jean Chrétien Joseph Kleijntjens werd 3 Maart 1876 geboren te Maastricht, waar hij ook zijn jeugd doorbracht en zijn gymnasiale studies deed. Op zeventienjarige leeftijd werd hij Jezuiet en na zijn studies voor het priesterschap voltooid te hebben, ontving hij de opdracht, om zich voor het examen M.O. Geschiedenis voor te bereiden. Deze studie pakte hij zo degelijk aan, dat hij niet alleen een succesvol leraar werd, maar ook door het uitgeven van een serie leerboeken invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van het katholieke Geschiedenisonderwijs. Deze boeken, die hij later met medewerking van o.a. Prof. Dr. H.F.M. Huijbers uitgaf, beleefden een zeer groot aantal edities. Maar niet alleen had hij zich voor het onderwijs bekwaamd, ook in de wetenschap van de Geschiedenis was hij doorgedrongen. Bijna tegelijk met zijn boeken voor het onderwijs, begon ook zijn wetenschappelijk werk: in samenwerking met de toenmalige Gemeentearchivaris van Nijmegen, H.D.J. van Schevichaven, en Mej. L. Sormani gaf hij in een achtdelig werk de stadsrekeningen van Nijmegen uit. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde verkoos hem reeds in 1911 tot één van haar leden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 deed een van zijn mooie eigenschappen, de menslievendheid, bijzonder uitkomen. Dadelijk was hij erbij, om de zorg voor de Belgische vluchtelingen te Nijmegen, waar hij leraar was, te organiseren. Dit bracht echter zijn werk op wetenschappelijk- en onderwijsgebied in gevaar en daarom achtte men het raadzamer, hem naar het St. Willibrordus College te Katwijk a/d Rijn over te plaatsen. Deze overplaatsing bracht voor hem het voordeel, dat hij gemakkelijker contacten kon leggen met wetenschappelijke kringen en bovendien beter in staat was, om bibliotheken en archieven te raadplegen. (meer…)

NAREDE EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (49)
EERDERE AFLEVERINGEN

(Eerste uitgave)

Beste Vriend!
Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik gedacht er een scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen deze of gene collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar daar ik een hekel aan had of jaloers van was. Doch daar ik niemand kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie plan afstappen. Toen meende ik een gehele slagorde van onderkraste en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heren recensenten te richten, die ik niet ken, en die mij… ik had kunnen zeggen: ‘zullen verguizen’; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn; want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam? (meer…)

MIDNIGHT OIL

MIDNIGHT OIL

De Australische groep Midnight Oil is hier al twee keer gepasseerd. De eerste keer met Beds are burning over de positie van de Aboriginals, de oorspronkelijke bewoners van het continent. De tweede keer met Blue Sky Mine dat was geïnspireerd op de ervaringen van de mijnwerkers in de beruchte asbestmijnen in Wittenoom, die als gevolg van hun werk verschillende aan asbest gerelateerde ziekten opliepen. Ditmaal een nummer uit 1990 dat was gebaseerd op de ervaringen van de grootvader en vader van drummer Rob Hirst, die in de Eerste en Tweede Wereldoorlog op de slachtvelden van Europa vochten. Zij riepen in latere jaren de na hen komende generaties op niet te vergeten hoe vreselijk die beide oorlogen waren gewest en riepen op alles in het werk te stelen een nieuwe wereldoorlog te vermijden. De clip bij het nummer werd opgenomen in het Ossuarium van Douaumont, een monument bij het Franse fort Douaumont bij Verdun, waar in de Eerste Wereldoorlog vreselijke gevechten hebben plaatsgevonden. In het monument bevinden zich de resten van 130.000 ongeïdentificeerde Franse en Duitse soldaten, die allen zijn gesneuveld tijdens de slag om Verdun. Het eerste ossuarium dateert uit 1919, het huidige monument komt uit 1932. Het nummer was de tweede single die van de LP Blue Sky Mine werd uitgebracht. Het was slechts een bescheiden hitje: Forgotten Years. (meer…)

JOHAN MIERA – LEVE DE BURGERORLOG

In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw voelde een groot aantal Nederlandse schrijvers zich aangetrokken tot het Rusland van na de revolutie en was lid of sympathisant van de Communistische Partij Holland (CPH). In 1930 deden Freek van Leeuwen, Jac. van Hattum, Klaas Smelik en Jef Last in het tijdschrift De Nieuwe Weg een oproep om een Arbeiders-Schrijverscollectief op te richten. Wat zij met dit collectief voor ogen hadden, wordt goed uitgedrukt door de volgende tekst: ‘Kameraden, de tijd is rijp, de burgerlijke literatuur sterft aan haar eigen rotheid, het proletariaat hunkert naar beter voedsel. Alle arbeiders en alle jonge auteurs die bereid zijn zich aan de proletarische discipline te onderwerpen, zijn welkom.’ Er was vrij veel animo en nog datzelfde jaar werd het ‘arbeiders-schrijverscollectief’ Links Richten werd opgericht. Niet lang daarna werd besloten het gelijknamige tijdschrift uit te geven, waarvan in de jaren 1932 en 1933 elf nummers zouden verschijnen. De eerste publicatie van het collectief was echter een manifest naar aanleiding van een huurstaking in de Rotterdamse Tuinderstraat. De tekst was van Bertus Meijer en Freek van Leeuwen en het pamfletje werd voor één cent verkocht. De latere uitgever Geert van Oorschot, van wie de gedichtenbundel Gevangenis door het collectief werd uitgegeven, was in de beginfase van Links Richten van organisatorisch belang. Het tijdschrift Links Richten bevatte, naast beschouwingen over communistische literatuur, korte verhalen, poëzie en boekbesprekingen. Tot de vaste auteurs behoorden Freek van Leeuwen, Bertus Meijer (1900-1980), Jef Last, Maurits Dekker (1896-1962), G.J.M. van het Reve (1892-1975), A.J. Koejemans (1903-1982) en Anton de Kom (1898-1945). Bekende kunstenaars zoals Joris Ivens, Theun de Vries, E. du Perron en Jacques Gans leverden eenmalig een bijdrage. Het tijdschrift hield op te bestaan toen er onenigheid ontstond over de aanleiding tot de Rijksdagbrand. Velen waren het niet eens met het officiële standpunt van de CPH dat Marinus van der Lubbe een handlanger van de nazi’s was geweest en beëindigden hun medewerking.
(meer…)

07 – VERSPREIDE FRANSE EILANDEN

.
De Franse Zuidelijke en Antarctische Gebieden zijn een groep zeer dunbevolkte vulkanische eilanden in de zuidelijke Indische Oceaan, het zuiden van Afrika en een gedeelte van Antarctica. Het is een overzees gebied van Frankrijk en omvat vijf districten, waarbij voor de vijfde district (Verspreide Eilanden in de Indische Oceaan) enige territoriale claims van toepassing zijn.

1 – Saint-Paul en Amsterdam (Saint-Paul-et-Amsterdam) zijn twee eilandjes van uitgedoofde vulkanen in het zuidelijke deel van de Indische Oceaan. Er is geen permanente bewoning, maar op Amsterdam is een kleine nederzetting, genaamd Martin-de-Viviès, waar twintig wetenschappers verblijven.

2 – De Crozeteilanden (Îles Crozet) bestaan uit zes over het algemeen vulkanische eilanden (Île aux Cochons, Brisants de l’Héroïne ofwel Rochers de la Meurthe, Îles des Pingouins, Îles des Apôtres, Île de la Possession, Île de l’Est en Îles Crozet) en vele uiterst kleine eilandjes en rotsen dicht bij deze zes eilanden. De zes eilanden vormen samen een boog. Op het sinds 1963 permanent bewoonde bezoekerscentrum Alfred Faure aan de oostkust van Île de la Possession na zijn alle eilanden onbewoond. Door de 18 tot 30 bewoners van het onderzoekscentrum wordt meteorologisch, biologisch en geologisch onderzoek gedaan. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 041

Jean-Baptiste Carpeaux (Valenciennes, 14 mei 1827 – Courbevoie bij Parijs, 12 oktober 1875) was een Frans beeldhouwer en kunstschilder. Van 1854 tot 1861 woonde hij in Rome, waar hij het werk bestudeerde van Michelangelo, Donatello and Verrocchio en een smaak ontwikkelde voor beweging en spontaneïteit. Bij zijn terugkeer in Frankrijk werd hij geïntroduceerd aan het hof van Napoleon III. Hij maakte bustes van verschillende leden van de familie van de Franse keizer en gaf les in tekenen en modelleren aan de jonge prins Lodewijk. Het werk van Carpeaux wordt gerekend tot de stijl van het realisme, waarbij kunstenaars ernaar streven de werkelijkheid weer te geven zoals die is. Dus niet geïdealiseerd naar het voorbeeld van de klassieke oudheid en niet gedramatiseerd in de stijl van de romantiek, maar gewoon eerlijk zoals gewone vrouwen eruit zien. zijn beeld De dans uit 1866 veroorzaakte een behoorlijk schandaal. Carpeaux was één van de vier winnaars van de Prix de Rome, die in 1863 opdracht kreeg een groep met figuren te maken voor de gevel van de entree van het nieuwe operagebouw te Parijs, dat tussen 1861 en 1875 door de architect Charles Garnier (1825-1898) werd gebouwd. Elke groep figuren moest één van de vaardigheden representeren, die nodig zijn om een opera te kunnen maken: compositie, instrumentale muziek, toneel en dans. De drie andere groepen werden volgens de maatstaven van het neoclassicisme ontworpen, de stijl die gangbaar was voor de beeldhouwkunst van die tijd. Carpeaux kwam met een compleet ander ontwerp, dat hem op de nodige kritiek kwam te staan. Zijn beeld was niet plechtig en statisch, maar oogde uitzinnig en dynamisch. Bovendien hield hij zich niet aan de ongeschreven regel, dat vrouwfiguren gekleed moesten zijn in draperieën. In plaats daarvan waren zijn dansende vrouwen geheel naakt. (meer…)

CHARLY LEONARD

Charly Leonard (Brussel,1894 -Ukkel, 1953) was een leerling van Alfred Bastien, de bekendste van 44 kunstschilders die enige tijd deel uitmaakte van de Section Artistique. Een aantal van die groep bouwde na de Eerste Wereldoorlog een mooie carrière op, maar het merendeel verdween al snel in de vergetelheid. Leonard hoort toch vooral tot de laatste groep, hoewel zo af en toe wel werken van hem op veilingen opduiken. in de eerste dagen van de oorlog waren er heel wat kunstenaars die lid van een burgerwacht werden. Alfred Bastien, James Thiriar, Maurice Wagemans en Adrien-Jean Le Mayeur bewaakte in Brussel de straten, terwijl André Lynen in Antwerpen wacht liep. Luc Filliaert, de schrijver van De Groote Oorlog op doek waarin alle Belgische frontschilders worden beschreven, merkten hierover op: ‘Met wapens en uniformen uit de napoleontische tijd vormden hun driloefeningen hilarische taferelen op het schaakbord van de Europese geschiedenis’. Filliaert meldt ook dat uit alle uithoeken van het land kunstenaars zich vrijwillig melden voor het leger, waaronder Medard Maertens, Marcel Caneel, Achiel Van Sassenbrouck, Jos Verdegem, Victor Thonet, Samuel De Vriendt, Edmond Demeulenaere, Leon Huygens en Charly Leonard. Zonder al te veel opleiding werden ze in de strijd geworpen, een aantal van hen raakte al snel gewond. Leonard raakte pas aan het eind van de oorlog in 1918 gewond en moest een zware operatie ondergaan. Allen werden op een gegeven moment toegevoegd aan de Section Artistique. Hieronder enkele schilderijen die Leonard gedurende de oorlog maakte, allen in sombere kleurstelling en van soldaten die tegen de avond- of ochtendschemering op wacht staan en onderweg zijn naar de frontlinie of juist naar de veilige verblijven achter de frontlijn. Na de oorlog zou Leonard vooral een bescheiden faam opbouwen als landschapsschilder. Verlaten landschappen met kubistisch aandoende gebouwen en in frisse kleuren. In de eerste jaren werkte hij echter mee aan het grote wek van Bastien, het Panorama van de IJzer. (meer…)

VERRE VRIENDEN 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (48)
EERDERE AFLEVERINGEN

Daar stond hij eensklaps vóór mij, na een afwezigheid van vijf grote jaren, een geheel ander en toch dezelfde. Hij had Rusland, Duitsland, Frankrijk, België en Engeland, zowel als de Levant, doorreisd en doorkropen, maar hij was toch Antoine gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet veranderd. Van geslacht een Italiaan, van vaderland een Turk, van moedertaal een Fransman, van opvoeding een Hollander, van geloof een Catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan inzicht, kennis, wereldburgerschap en ondervindingen! Hij sprak behalve Frans en Hollands, als vroeger, nu ook de talen van al die landen die hij had bezocht. Wij voerden ’t gesprek meest in ’t Engels, of in ’t Frans; want zijn Hollands had hij wel goed onthouden, maar hij had zoveel te zeggen waaraan hij nooit in ’t Hollands had gedacht. Zijn Hollands was niet rijker dan ’t woordenboek van iemand van zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. (meer…)

JOAN ARMATRADING 2

JOAN ARMATRADING 1

Joan Armatrading (Basseterre, Saint Kitts, 9 december 1950) is een Britse zangeres, songwriter en gitarist. Haar repertoire is niet onder één noemer te plaatsen; haar muziek omvatte aanvankelijk elementen uit de rock, rhythm-and-blues en folk en later ook uit de jazz en reggae. Armatrading groeide op in Birmingham, Engeland. Ze bracht in 1972 haar eerste album uit (Whatever’s for us). In 1980 had ze in Nederland een Top 40-notering met Rosie en in Vlaanderen had ze in 1981 een kleine hit met het nummer I’m lucky van het album Walk Under Ladders. Dat Rosie heet een tijdje in de lagere regionen van de Top 2000 gestaan, de laatste maal in 2013 toen het nummer 1994 had. Slechts een beperkt groepje mensen schijnt in Nederland weet te hebben van de muziek van Armatrading, die vooral in Groot-Brittannië een goede reputatie heeft en talrijke onderscheidingen kreeg. Ze heeft inmiddels 25 albums gemaakt. waar haar Nederlandse Wikipedia-pagina slechts enkele nietszeggende zinnetjes bevat, heeft de Britse pagina van Joan Armatrading een ruime omschrijving van haar carrière. de laatste jaren ben ik haar zelf ook wat uit het oog verloren,hoewel met enige regelmaat haar elpees uit de zeventiger jaren weer eens op mijn draaitafel komen. met soms een aantal keren het absolute favoriete nummer draaien: Save Me. (meer…)

GERTRUDE VAN TIJN

De gezaghebbende Britse historicus Bernard Wasserstein beschrijft in zijn laatste boek de rol van de Joodse maatschappelijk werkster Gertrude van Tijn bij de concentratie van de Nederlandse Joden in Westerbork en de daarop volgende deportatie naar de Duitse vernietigingskampen. Het verhaal begint in de eerste dagen van april 1941, toen Gertrude van Tijn vanuit Berlijn per vliegtuig aankwam in Lissabon om daar met vertegenwoordigers van de Portugese overheid en het American Jewish Joint Distribution Committee (meestal kortweg de Joint genoemd) in opdracht van de Duitse bezetter in West-Europa te onderhandelen over een grootschalig vertrek van Europese Joden naar geallieerd of neutraal terrein. De missie had weinig kans van slagen omdat de Amerikaanse en Britse overheid nog maar mondjesmaat vluchtelingen toelieten. Van Tijn keerde onverrichter zake terug naar Amsterdam om haar werk voort te zetten bij de afdeling Emigratie van de Joodse Raad. Ze bleef zich daar gedurende de eerste jaren van de oorlog intensief inzetten om zoveel mogelijk mensen via emigratie uit de Duitse klauwen te houden. In een latere fase, toen de kansen op emigratie eigenlijk nog slechts een utopie waren, werd de afdeling omgevormd tot de afdeling Hulp aan Vertrekkenden, die mensen die door de bezetter naar Oost-Europa gedeporteerd werden, voorzag van advies en hulpmiddellen.

Gertrude van Tijn werd op 4 juli 1891 als Gertrud Francisca Cohn in Braunschweig geboren in een welgestelde familie. Als twintigjarige vertrok ze naar Londen, waar ze min of meer toevallig in de vrouwenbeweging terecht kwam. Ze werd er lid van de organisatie van Millicent Garrett Fawcett, die zich in tegenstelling tot de aanzienlijk strijdbaardere suffragettes in de strijd om het vrouwenkiesrecht strikt aan de wet hield. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kwam Gertrude als veronderstelde ‘vijandelijke buitenlander’ in een loyaliteitsconflict, dat voor haar begin 1915 werd opgelost door het besluit van de Britse overheid dat ze per direct het land diende te verlaten. Ze koos voor het neutrale Nederland, waar ze een nieuwe passie ontdekte: het zionisme. Tot dan hadden zij en haar familie nog maar amper het besef dat ze Joods waren. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 31

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 6

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In een eerste reeks van blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat, de drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes, de vier schilderijen van de Achterzaan, met het groene theehuis en het Parijs aandoende L’embarcadère en de zeven stadsgezichten van de stad die midden in de negentiende eeuw nog helemaal gekenmerkt werd door de typische Zaanse groene houten huizen, molens en oude industriële panden.

Hij maakte ook nog zeven schilderijen waarin de Voorzaan belangrijk is. De Voorzaan is het deel van de Zaan tussen het Eiland, de Prins Hendrikkade en de sluis te Zaandam, ofwel het deel van de Zaan vóór de Dam. Het water was van groot belang voor de Zaanse economie, vooral voor Zaandam. Rond de Voorzaan was een concentratie van de Zaandamse industrie. Het Vissershop was de aanlegplaats van de schepen van de Zaandamse zee- en IJ-vissers, op de Ooster- en Westerhem (het huidige Eiland) stonden vele houtzaagmolens en na de verwijdering van de Overtoom (1718) concentreerde ook de scheepsbouw zich rond de Voorzaan. Voorts werden hier de walvisvaarders uitgereed, terwijl via Voorzaan en Grote Sluis de Achterzaan kon worden bereikt. (meer…)

GUSTAAF HENRI GELDER (49)

Gustaaf Henri Gelder (Batavia, 8 juli 1919 – Den Haag, 21 januari 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen in oktober 1941 door de Duitse bezetters werd afgekondigd dat Joden niet langer lid mochten zijn van een studentenvereniging, besloten die verenigingen zich op te heffen. Dat betekende echter ook dat er een eind dreigde te komen aan veel van de onderlinge contacten. Zo waren er literaire salons, waar door wetenschappers als de hispanoloog dr. Johan Brouwer (Delfshaven, 31 mei 1898 – Haarlem, 1 juli 1943) lezingen werden gehouden. Deze Brouwers was binnen het academische wereldje een curieus figuur. Zijn jeugdjaren werden gekenmerkt door een chronisch gebrek aan geld, reden voor hem en zijn broer een bankoverval te plegen. Een bekende die hiervan op de hoogte was, probeerde hen hiermee te chanteren en werd daarom in 1921 door de broers om het leven gebracht. Van 1922 tot 1928 moest hij zijn studie onderbreken om de opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. Hierna pakte hij zijn studie Romaanse Talen weer op en studeerde in 1930 aan de Rijksuniversiteit Groningen cum laude af in de Spaanse letterkunde; in 1931 promoveerde hij er met een proefschrift over de Spaanse mystiek. Hij reisde daarna veel door Spanje en Portugal, publiceerde wetenschappelijke werken over de Spaanse letterkunde, vertaalde oude Spaanse literatuur en schreef enkele leerboeken Spaans. Door zijn reizen naar Spanje en het meemaken van de Spaanse Burgeroorlog, waar hij duidelijk koos voor de Republikeinen die tegen Franco vochten, werd hij zich bewust van de oorlogsdreiging en gaf hij waarschuwende lezingen in Nederland over het gevaar van non-interventie en de opkomst van het nationaalsocialisme. Toen begin 1941 dr. J.A. van Praag, de lector Spaans aan de Universiteit van Amsterdam, werd ontslagen omdat hij joods was, werd Brouwer tot zijn opvolger benoemd. (meer…)

VERRE VRIENDEN 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (47)
EERDERE AFLEVERINGEN

De vader van Antoine is een Italiaan van geboorte, maar genaturaliseerd Hollander, en bekleedt een hoge rang onder ons gezantschap bij de Porte. Als zodanig resideert hij sinds een aantal jaren te Pera. Antoine was als kind te Marseille gekomen en had daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een van de kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in het gelukkige tijdperk van veertien tot zeventien kennen, en droegen elkander wederkerig een warme en trouwe jongensvriendschap toe. De jongensleeftijd is waarlijk zo kwaad niet voor de vriendschap, daar het toch welbekend is dat deze het geluk bemint. Ja, ik zou bijna de jongenstijd de àllergeschiktste voor een wederzijdse genegenheid achten. De latere jongelingschap moge nog even belangloos zijn en evenmin afhankelijk van maatschappelijke scheidsmuren van rang, stand, en wat dies meer zij, maar zij is te rijp; men kent alsdan elkander te veel, te veel van nabij; men heeft reeds te veel kijk op de inwendige mens! Een jongen is geheel buitenkant! Men heeft later geleerd zich rede van zijn genegenheid te geven; te onderzoeken, na te gaan, te verdenken; ook heeft men zo vele zedelijke behoeften, en eist zo velerlei in een vriend! (meer…)

CUBY AND THE BLIZZARDS 2

CUBY AND THE BLIZZARDS 1

Cuby and the Blizzards was een Nederlandse bluesband uit de jaren zestig, afkomstig uit het Drentse Grolloo. In de grootste succesjaren bestond de band uit: Harry Muskee (zang), Eelco Gelling (gitaar), Herman Deinum (bas), Herman Brood (piano) en Hans la Faille (drums). De groep ontstond uit The Rocking Strings met Eelco Gelling (gitaar), Nico Schröder (basgitaar, vervangen door bassist Willy Middel, ex-Sinister Silhouettes), Hans Kinds (slaggitaar) en Wim Kinds (drums). Zanger Harry Muskee was voormalig contrabassist van The Old Fashioned Jazz Group. De groep trad in de jaren rond 1964 regelmatig op in de voormalige fabriekshal “’t Krotje” in Groningen, waar de concurrentiestrijd werd aangegaan met de lokale band Little John and the Rocking Tigers. Toen de eerste single, Stumble and fall, voor platenmaatschappij CNR werd opgenomen, was Dick Beekman drummer. De drummer vertrok in 1966 naar de beatgroep Ro-d-Ys, maar zou in 1968 voor een jaar terugkeren in de band. Zijn vervanger was Hans Waterman uit Groningen. De groep repeteerde in die tijd in een deel van het boerderijtje dat Muskee in Grolloo had gehuurd. In de formatie Muskee, Gelling, Middel, Waterman en Hans Kinds werd een aantal singles opgenomen voor het Philips-label van Phonogram Records, waarvan Back Home de lagere regionen van de Top 40 haalde. Voor de opname van de eerste elpee, Desolation, werd de groep uitgebreid met Henk Hilbrandie (piano), die daarvoor ook al een jaar met de groep rondtoerde. Harry Muskee en Henk kenden elkaar al uit The Old Fashioned Jazzgroup, waarvan ze beiden deel uitmaakten. Deze elpee werd in 1968 bekroond met een Edison. In 1967 moest Hans Kinds in militaire dienst en werd hij vervangen door pianist Herman Brood uit The Moans. Met Brood in de band werd de elpee Groeten uit Grollo opgenomen, waarvan Another day another road een redelijke hit werd. Het album bevatte ook de klassieker Somebody will know someday, geïnspireerd op Muskees verbroken relatie met Miep Huisman. (meer…)

DENEMARKEN 022

DENEMARKEN 021

DENEMARKEN 020

DENEMARKEN 019

VERRE VRIENDEN 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (46)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het is een onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigensoortig genoegen, een vriend uit verre landen, na langdurige scheiding, weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt. Geheel onverwacht trad er mij een onder de ogen, dien ik voor toen ruim vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wie ik sedert maar weinig had vernomen. Het was Antoine – van Constantinopel. Een eerwaardige afstand, van hier tot de Bosporus, lezer! en die ik hoop dat u met eerbied voor ons beiden vervullen zal; me dunkt althans dat het mij zeer belangrijk maakt, zo ver van huis een vriend te hebben; en toch, ik zag liever al mijne vrienden binnen de grenzen van dit goede Holland.
Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken van mijn jeugd, dat ik zo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap ben vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, iedereen die een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want! vroeger of later, slaat hun uur, en zij vertrekken, de één voor, de ander na, naar de vier hoeken van de wind, zonder iets achter te laten dan een treurend herdenken, en een albumblaadje. Ik heb vrienden in Engeland, vrienden aan de Kaap, vrienden in Turkije, te Batavia, in Demerary, in Suriname! (meer…)

BOB SEGER 2

BOB SEGER 1

Bob Seger (Dearborn, Michigan, 6 mei 1945) is een Amerikaanse rockzanger en songwriter, die al sinds 1961 actief is in de muziekwereld. Seger werd onder andere beïnvloed door James Brown, Little Richard en Elvis Presley, vanwege hun schreeuwende stemmen. Hij speelde vanaf 1975-1976 vrijwel altijd met The Silver Bullet Band als begeleidingsband. Hij produceerde achttien albums, waarvan twee live-edities. Daarnaast bracht hij twee compilatiealbums uit in 1994 en 2003. Zijn bestverkochte studioalbum is Against The Wind, dat op nummer één kwam in de Billboard Album Top 200 en werd beloond met twee Grammy’s. Aan de single Fire Lake van dat album werkten Glenn Frey, Don Henley en Timothy Schmit van Eagles mee. Andere bekende nummers van Seger zijn Still The Same, Main Street, Night Moves, We’ve Got Tonight en Old Time Rock And Roll. Seger heeft zevenmaal de top tien van de Billboard Hot 100 bereikt, waarvan eenmaal de nummer één-positie met de single Shakedown, die in 1987 ook nummer één was in Canada. (Uit Wikipedia). In Nederland is Bob Seger altijd een tamelijk onbekende gebleven. Het titelnummer van zijn bestverkochte album (met een geweldig mooie hoes) was een bescheiden hit; zelf heb de lp en vooral dit nummer grijsgedraaid: Against The Wind.
(meer…)

DENEMARKEN 018

DENEMARKEN 017

DENEMARKEN 016

DENEMARKEN 015

EEN OUDE KENNIS 7

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (45)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe voortreffelijk zij was
2e deel

Op dat ogenblik werd haar naam met een half ingehouden stem uitgeroepen.
‘Je wordt geroepen, kind!’ zei mevrouw Deluw.
‘Neen, mama,’ zei Mina, en scheurde den omslag bijna van het boek af.
De heer Bruis sloeg met zijn stok boterbloemen en kransjes van ’t gras.
‘Mina!’ riep de stem op dezelfde toon; ‘waarom kom je nou niet?
Den ouwe is naar de stad; en Jansje zegt dat mamalief op den koepel zit met een vreemde snoes.’
Mamalief zag dochterlief aan. De vreemde snoes deed alsof hij het niet merkte en, dicht aan de vaart getreden, scheen hij al zijn aandacht te wijden aan een voorbijvarende trekschuit, welke hij dolgraag ‘volk mee’ had toegeroepen, had hij zijn valies en jas maar gehad.
Mevrouw Deluws ogen schoten vonken uit; zij kneep Mina in de arm. ‘Wat betekent dat?’ fluisterde zij; maar zij wilde ten overstaan van de vreemde geen ‘scène maken’.
(meer…)

JEAN-MICHEL JARRE 2

JEAN-MICHEL JARRE 1

Jean-Michel Jarre (Lyon, 24 augustus 1948) is een Frans componist en muzikant, gespecialiseerd in het maken van elektronische muziek met behulp van synthesizers. Jarre is de zoon van de Franse filmmuziekschrijver Maurice Jarre, die onder meer muziek voor de films Lawrence of Arabia, Doctor Zhivago en Ghost maakte. Jean-Michel Jarre wordt gezien als een van de pioniers van de elektronische muziek, samen met andere artiesten zoals Tangerine Dream, Vangelis, Kraftwerk, Klaus Schulze, Larry Fast, Kitaro en Isao Tomita. Hij staat om zijn spectaculaire openluchtconcerten met lasers en vuurwerk, waarvan er drie het Guinness Book of Records haalden vanwege het enorme aantal toeschouwers. Hij brak door in 1977 toen zijn eerste internationale lp uitkwam: Oxygène. De daarvan afkomstige single Oxygène IV werd in verschillende landen een hit. Het orgel dat Jarre voor dit album gebruikte, een Eminent Unique 310, bereikte een cultstatus onder verzamelaars en muzikanten toen bekend werd dat dit instrument verantwoordelijk was voor de ‘Jarre-sound’. Het daarop volgende album Équinoxe (1978) was net als Oxygène een groot succes en leverde de hitsingle Équinoxe V op.er volgde nog vele nieuwe lp’s, maar de allereerste blijft onovertroffen, misschien wel omdat ik die vroeger zo vaak heb gedraaid dat elk nootje in mijn geheugen staat gebrand. Hieruit Oxygène 1-4. (meer…)

DENEMARKEN 014

DENEMARKEN 013

DENEMARKEN 012

DENEMARKEN 011

DENEMARKEN 010

DENEMARKEN 009

DENEMARKEN 008

EEN OUDE KENNIS 6

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (44)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe voortreffelijk zij was
1e deel

Mevrouw Deluw was niet ver af, bezig met Jansje te beknorren over het leven dat zij maakte; ‘zij wist ook niet,’ zei ze met een oog op den tuinknecht, ‘waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan moest worden, als de familie er in was.’
Deluw droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken.
‘Nog een woordje!’ zei mevrouw Deluw.
‘Wat, liefste?’ zei de dokter.
‘Zou daar niets aan te doen zijn?’
‘Waaraan?’
‘Aan die jongens.’
‘Welke jongens? Willem en…’
‘Och neen! aan die jongens daar in ’t veld.’
‘Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?’
‘Dat het ze verboden werd,’ zei mevrouw de doctorin.
(meer…)

PROCOL HARUM 2

PROCOL HARUM 1

Procol Harum is een Britse band die in 1967 werd gevormd. De band is vooral bekend van hun nummer 1-hits A Whiter Shade of Pale en Homburg. De band wordt gezien als een van de wegbereiders van het genre progressieve rock. De samenstelling van de band is in de loop der tijd veelvuldig gewijzigd. De enige constante leden zijn zanger/pianist Gary Brooker en tekstschrijver Keith Reid. De wortels van Procol Harum lagen in een live band genaamd The Paramounts, die door Gary Brooker en Robin Trower werd geleid, populaire artiesten in het begin van de jaren 60. Zij sloten in 1963 een contract af bij Parlophone en brachten de single Poison Ivy uit, die een gematigd succes was in Groot-Brittannië. Zij konden dit succes echter niet vasthouden en de band viel in 1966 uiteen. Brooker ging werken als liedjesschrijver en kwam hierbij in aanraking met tekstschrijver Keith Reid, met wie hij een aantal nummers schreef. Om deze nummers uit te voeren, werd een nieuwe band opgericht, Pinewoods geheten, met daarin naast Brooker onder andere organist Matthew Fisher en bassist Dave Knights. Met deze band werd het nummer A Whiter Shade of Pale opgenomen. Nog voordat dit nummer uitkwam, werd de naam van de band veranderd in Procol Harum. Het was hun manager die het idee kreeg om de band naar de kat van een vriend te noemen. A Whiter Shade of Pale werd een enorm succes en is een van de weinige nummers die tot twee keer toe de nummer 1-positie in de hitparade behaalden. Het nummer wordt algemeen beschouwd als een van de grootste popklassiekers. Voor de melodie werd er gebruikgemaakt van (een deel van) Bachs “Ouverture nr. 3 in D, BWV 1068”. De samenstelling van de band werd gewijzigd door twee leden te vervangen door oud-Paramounts Robin Trower (gitaar) en B.J. Wilson (drums). Een eerste album werd opgenomen, eenvoudig Procol Harum geheten. Ook verscheen een tweede single, Homburg, dat weliswaar minder succes had dan de voorganger, maar wel weer de 1ste plaats behaalde in de hitparade. Latere singles hadden vaak weinig succes maar de lp’s vonden hun weg naar een groot en trouw publiek, echter vooral in het buitenland, met name in Nederland. (Uit Wikipedia, met een verdere tekst over het vervolg van de carrière van Procol Harum) (meer…)

DENEMARKEN 007

DENEMARKEN 006

DENEMARKEN 005

DENEMARKEN 004

DENEMARKEN 003

DENEMARKEN 002

DENEMARKEN 001

EEN OUDE KENNIS 5

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (43)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe aardig het was
2e deel

De heer Dr. Deluw dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag, en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het andermaal te worden, vermits het toch in één moeite door kon gaan, en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met veel moeite werd.
‘Wat belieft u, mijnheer?’
‘Wel, heb je dan niet met Buikje gegeten?’
De heer Dr. Deluw herinnerde zich geen ander eten dan met zijn mond.
Hij trok de schouders op.
‘Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte Daan!’ zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij gezeten was.
‘Bruis!’ riep eensklaps Dr. Daniel Deluw uit. ‘Dat’s waar ook, ik heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend hebben, man! Wat ben je veranderd! Samen gegeten. Welzeker, welzeker. In de Pleizierige Sauskom.’ Maar den toon van vroegere gemeenzaamheid even spoedig latende varen: ‘Wat mag ik u aanbieden, heer Bruis?’ (meer…)

THE BUFFOONS 2

THE BUFFOONS 1

The Buffoons was een Nederlandse closeharmonygroep uit Twente. En ook niet zomaar de eerste de beste. Het verhaal gaat dat ze op een moment werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen van The Beach Boys die aan een uitgebreide Europese tour zouden beginnen. Op het laatste moment ging dat echter niet door toen het management van de Amerikanen er achter kwam dat The Buffoons het repertoire van The Beach Boys beter zongen dan The Beach Boys zelf. in de jaren 1966-1969 had de groep een aantal hits, maar vanaf 1969 werden de successen minder. De groep kwam nog wel in de publiciteit door een bezoek aan John Lennon tijdens diens bed-in met Yoko Ono in het Hilton Hotel in Amsterdam, maar de singles van The Buffoons haalden de hitlijsten niet meer. De groep was in 1966 ontstaan en vooral geformeerd rond de broers Gerard van Tongeren (zang, gitaar) en Ely van Tongeren (sologitaar, zang). in 1979 werd de groep definitief opgeheven; in latere jaren is diverse malen in wisselende samenstelling rondom de Van Tongeren-broers een terugkeer te maken, maar toen binnen korte tijd Gerard van Tongeren een hersenbloeding kreeg (2003) en Ely van Tongeren een hartinfarct (2004) eek het einde van de band definitief. Leek, want Ely probeerde het nog een keer, maar in 2007 werd de groep echt definitief opgedoekt. Hun grootste hit hadden ze in 1968 met The End, dat op nummer 4 van de hitlijst eindigde. (meer…)

TREINRAMP RUINERWOLD

Op 3 januari 1888 vond een treinramp plaats van twee stoomtreinen tussen Stopplaats Ruinerwold en Station Koekange. Vijf personen verloren hun leven bij de treinramp. Stopplaats Ruinerwold lag aan Staatslijn C tussen Meppel en Groningen, enkele kilometer verwijderd van Meppel. Het station werd op 1 mei 1870 geopend en zou tot 15 mei 1933 dienst doen. In 1940 werd het in 1910 gebouwde station gesloopt. Weer enkele kilometers verder (8,2 kilometer buiten Meppel) lag het station Koekange, dat ook op 1 mei 1870 was geopend en tot 15 mei 1938 dienst zou doen; in de maanden mei t/m november 1940 werd het station tijdelijk weer geopend. Het stationsgebouw werd later gebruikt voor bewoning door spoorwegpersoneel en eind zeventiger jaren gesloopt. Staatslijn C is de spoorlijn tussen Meppel en Groningen, die op 1 mei 1870 officieel werd geopend. Samen met Staatslijn A (de lijn Zwolle-Leeuwarden) en Staatslijn B (de lijn Harlingen-Nieuweschans) moest ze zorgen voor aansluiting van de grote steden in Noord-Nederland met de rest van het Nederlandse spoorwegnet. In 1888 was het spoor tussen Groningen en Zwolle enkelsporig en moesten treinen op vooraf bepaalde stations elkaar kruisen. (meer…)

MOORDKRUIS DRUTEN

Op de Waalbandijk bij Afferden staat al sinds mensenheugenis een kruis in de berm, dat in de plaats bekend staat als ‘het stenen kruis’. Volgens de overlevering is het een aandenken aan de moord op een pater in 1542. Op de dag voor Kerstmis liep de Franciscaner pater Fidelis, waarschijnlijk afkomstig van het Franciscaner klooster ‘Onze Lieve Vrouw op de Holtmeer dat op de grens van Bergharen en Horssen lag, over de dijk bij Afferden.Hij was op weg naar Kasteel Druten om aan een stervende de laatste sacramenten toe te dienen. Hij trof op de dijk twee vechtende ridders aan. De pater wees beide  edelen erop dat ze de kerst niet met bloedvergieten moesten ontheiligen. De strijders wilden echter niet luisteren en gingen door met het bloedige duel. De pater sprong tussenbeide om een eind aan het gevecht te maken. In het strijdgewoel werd de pater door de zwaarden dodelijk getroffen. Onmiddelijk waren de beide edelen eensgezind. Met hun zwaarden maken ze in de berm van de weg en begroeven daar de ongelukkige pater-monnik. ook zorgde ze ervoor dat op de plaats een zogenaamd moordkruis werd geplaatst. Op het kruis staat een oude afbeelding van een miskelk, een duidelijke verwijzing naar een geestelijke. Volgens de overlevering waren de ridders zo geschrokken van hun wandaad dat beide het klooster ingingen om te boeten voor hun zonde. in de loop der eeuwen was het kruis gebroken, maar met ijzeren banden werd het kruis weer hersteld. In 2005 werd het kruis door de gemeente Druten gerestaureerd en herplaatst. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 4

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (42)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe aardig het was
1e deel

‘Jansje! daar wordt geklopt;’ riep een vrouwelijke stem.
‘Ik hoor het wel, juffrouw!’ riep Jansje.
Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat Jansje er niets van gehoord had; nademaal zij allerijselijkst veel pleizier had met den tuinknecht, die haar met water gooide.
Mijnheer Bruis had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitgerust om een lief plan van verrassing te vormen. Zodra Jansje hem dus opendeed en hem onderricht had dat dit dégelijk Veldzicht was, en dégelijk Dr. Deluws
tuin (want daarin scheen de stem uit het pothuis toch maar gelijk te hebben, dat het een Tuin was en geen Buiten) zeide hij:
‘Goed, meidlief! wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik ben een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen.’
‘Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?’ vroeg Jansje.
‘Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wil je?’
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 4

In de afgelopen eeuw is er een enorme lijst ontstaan aan Britse kolonies, mandaten, protectoraten, territoriale claims en pure veroveringen. Hieronder een chronologisch overzicht, waarbij is gestreefd naar volledigheid, maar met name over de activiteiten in Azië en de Thirteen American Colonies een verdere detaillering gewenst is. In rood is aangegeven welke landen momenteel lid zijn van de Commonwealth of Nations en waarmee Groot-Brittannië dus stevige diplomatieke banden heeft. In blauw de landen van de British Overseas Territory aangegeven, die dus nog steeds behoren tot het grondgebied van Groot-Brittannië. In groen de gebieden die het moederland Groot-Brittannië en Noord-Ierland vormen.
.
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 3

De British Commonwealth startte in 1931 dus voorzichtig met zeven leden: Groot-Brittannië en zes dominions (Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Unie van Zuid-Afrika, Newfoundland en de Ierse Vrijstaat). Daarnaast had Groot-Brittannië een groot aantal kolonies, waarvan Brits-Indië vanwege haar grootte en belang voor het koloniale rijk een soort ‘status aparte’ had. Het omvatte de huidige landen India, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar (Birma) en in bredere zin werd onder het begrip Brits-Indië het geheel aan koloniale bezittingen op het Indisch subcontinent bedoeld die al vanaf de 17e eeuw stapsgewijs in Britse handen kwamen. Tot 1858 werd dat land bestuurd door de Britse Oost-Indische Compagnie, maar vanaf 1876 regeerde koningin Victoria deze kolonie niet meer als koningin van het Verenigd Koninkrijk en het Britse Rijk, maar nam zij ook de titel keizerin van India aan. Men spreekt van 1876 tot 1947 dan ook wel van het keizerrijk India. Victoria regeerde overigens niet zelf, maar had een onderkoning als haar plaatsvervanger. Deze maakte op zijn beurt weer gebruik van de macht van Indiase adel (radja’s en maharadja’s). Deze inheemse vorsten werden weer bijgestaan en in de gaten gehouden door Britse bestuursambtenaren. Hoewel de vorsten soms zelfs een eigen leger en luchtmacht bezaten, was hun onafhankelijkheid door verdragen en de dominante positie van de Britten sterk ingeperkt. Op deze manier lukte het de Britten om India, met een bevolking die vele malen groter was dan die van het ‘moederland’, onder controle te houden. Tot 1947, toen het uit was met de pret. (meer…)

FRANK BOEIJEN

FRANK BOEIJEN

Frank Boeijen (Nijmegen, 27 november 1957) is een Nederlands zanger, dichter, componist en muzikant. In de jaren tachtig was hij populair met de Frank Boeijen Groep, een band uit de Nederlandstalige golf die de Nederpop uit die tijd doormaakte. Het werk van Boeijen kenmerkt zich door poëtische, vaak melancholieke teksten en melodieuze muziek in een stijl tussen pop en chanson.Frank Boeijen is geboren en getogen in Nijmegen. Hij is de jongste uit een katholiek gezin met tien kinderen. Zijn jeugd stond al in het teken van veel muziek: thuis, waar zijn oudere broers muziek meebrachten van Bob Dylan en Neil Young en op school, waar hij vaak mocht voorzingen. In de jaren na de middelbare school stortte Boeijen zich volledig in de muziek, eerst (in 1977) als duo met de zeven jaar oudere gitarist en vanaf 1979 met de Frank Boeijen Groep. In 1983 had de groep een eerste bescheiden hitje met Linda, maar de carrière ging goed van start met het nummer Zwart Wit (1984) geschreven naar aanleiding van de dood van Kerwin Duinmeijer. Absolute hoogtepunt is toch wel Kronenburger Park (1985), met het in die tijd bekende trio Mai Tai die de achtergrondzang voor hun rekening nam. Na die tijd ging Frank Boeijen steeds meer zijn persoonlijke stempel op de muziek van de band drukken. Er waren daarom nogal wat personele wisselingen in de band. Na elf jaar stopte de band in 1991; Frank Boeijen ging solo. Ook toen name hij een aantal memorabele nummers en cd’s op, maar het hoogtepunt blijft toch liggen bij de muziek die hij met zijn band maakte. De dubbel-verzamel Het Mooiste & Het beste van de band ligt hier nog steeds met regelmaat op de draaitafel. Hiervan: Waar kom jij vandaan. (meer…)

06 – HANS ISLAND (deel 2)

Hanseiland is vernoemd naar ontdekkingsreiziger Hans Hendrik (2 juni 1832 – 11 augustus 1889). Dat is best bijzonder, want zoals hierboven al is gebleken was het een vaste gewoonte net te doen of de oude benamingen van de Inuit nooit hadden bestaan en werden de ‘nieuw ontdekte’ eilanden en wateren voorzien van de namen van westerse poolreizigers. Overigens was het wel gebruikelijk de achternaam te hanteren bij naamgeving, maar voor hem werd simpelweg de voornaam gebruikt. Hans Hendrik was echter een volbloed Inuit met als oorspronkelijke naam Suersag, die voor het gemak in de boekjes wordt aangeduid als een ‘Groenlands-Deens poolreiziger en tolk, voorzien van een nieuwe, westerse naam. Hij werd geboren in Kitaa, midden op de westkust van Groenland, als lid van de grootste Inuit-stam, de Kalaalit, en werd als kenner van de streek en als tolk in 1853 door de Amerikaanse ontdekkingsreiziger Elisha Kent Kane (3 februari 1820-16 februari 1857) ingehuurd voor de Tweede Grinnell Expeditie, die moest onderzoeken wat er was gebeurd met de Franklin Expeditie. In 1845 was John Franklin (ja, degene naar wie één van de eilandjes in Straat Nares is genoemd) met twee schepen vanuit Engeland vertrokken met als doel het laatste onontdekte gebied in het Canadees arctisch gebied in kaart te brengen. De twee schepen (HMS Erebus en HMS Terror) met hun 129 bemanningsleden kwamen echter al snel in het ijs vast te zitten. In april 1848 waren Franklin en een man of dertig al aan de ontberingen gestorven en werd besloten de schepen te verlaten. Onder leiding van Franklin’s assistent Francis Cozier (die van het andere eilandje) werd geprobeerd het vasteland van Canada weer te vinden, maar de complete groep verdween zonder enig spoor achter te laten. (meer…)

06 – HANS ISLAND (deel 1)

Hans Island is een klein onbewoond eiland van 1,3 km² in de Straat Nares, een kilometer of honderd ten zuiden van het dorp Alert, de noordelijkst gelegen permanent bewoonde nederzetting ter wereld, met 75 inwoners. Alert ligt op het eiland Ellesmere, een afstand van 817 km van de geografische noordpool en aan de kust van de Noordelijke IJszee (die tegenwoordig vanuit het Engels vertaald steeds vaker de Arctische Oceaan wordt genoemd). Vanwege de ligging boven de noordpoolcirkel gaat de zon in Alert tussen 8 april en 5 september niet onder en komt de zon tussen 13 oktober en 1 maart niet boven de horizon. Alert bevat een basis van de Canadese strijdkrachten met onder meer een weerstation dat de lokale atmosfeer onderzoekt. Tegenover het Canadese eiland Ellesmere ligt Groenland. Het deel van de Noordelijke IJszee direct ten noorden van Groenland heet de Lincolnzee, die bijna het hele jaar door bevroren is. Het ijs is er gemiddeld 15 meter dik, zodat de Lincolnzee het dikste zee-ijs ter wereld heeft. De zee is genoemd naar Robert Todd Lincoln (1843-1926), voormalig Amerikaans minister van defensie en zoon van Abraham Lincoln. Aan de Zuidkant van Ellesmere ligt de Baffinbaai, een zee tussen de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee. Ook deze zee is vanwege de vele ijsbergen het grootste deel van het jaar. De baai is vernoemd naar William Baffin (1584-1622), een Britse zeevaarder en cartograaf die in 1616 als eerste persoon door de baai voer. De Baffinbaai in het zuiden en de Lincolnzee in het noorden worden met elkaar verbonden door Straat Nares. De zeestraat werd in 1964 in overleg tussen de Canadese en Deense regering vastgesteld en werd vernoemd naar de Britse marine-officier George Strong Nares (1831-1915), die vele ontdekkingsreizen in het poolgebied heeft gedaan. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (41)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe warm het was, en hoe ver,
3e deel

Het was blijkbaar dat de heer Bruis de verkeerde laan had ingeslagen,en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de nabijheid van het water hem zoveel genoegen, dat hij besloot daar een ogenblik uit te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich tot dat einde zoo dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met zijn zakdoek waaierende, en met zijne rede zijn ongeduld afkoelende, slaagde hij er vrijwel in zich een weinigje tot kalmte te brengen. Rechts en links langs den oever kijkende, bemerkte hij aan zijn linkerhand op enige afstand een vierkanten zeegroene koepel, waarin zich enige mensen bewogen, en, hoewel hij ze niet kon onderscheiden, was het als of ’t hem ingegeven werd, dat dit het Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en dat het dien naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd, tot aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig weiland!
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 2

Van 4 april tot 6 mei 1887 werd in Londen de First Colonial Conference gehouden, ter gelegenheid van het gouden jubileum van koningin Victoria. De naam geeft perfect aan hoe de verhoudingen lagen. De bijeenkomst diende namelijk allereerst om de onderlinge band van Groot-Brittannië met enkele belangrijke kolonies te verstevigen. De Ierse Vrijstaat, Canada, Newfoundland, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika hadden allemaal al enige zelfstandigheid verworven. De oude benaming ‘kolonie’ leek niet meer helemaal gepast en in plaats daarvan werd de term ‘dominion’ ingevoerd, waarmee tot uiting kwam dat er toch nog wel voldoende Britse zeggenschap over die landen was. Ook India, hoewel aanzienlijk minder ver op de weg naar zelfstandigheid, had een hogere status dan de gemiddelde kolonie had. Deze leiders van het Britse Rijk ontmoetten elkaar in een vriendschappelijk treffen, waar tussen wijn en eten beleidsafspraken werden genomen. Er waren meer dan honderd aanwezigen, waaronder veel onofficiële vertegenwoordigers. Er werd onder meer besloten dat de kolonies Australië en Nieuw-Zeeland jaarlijks 126.000 pond aan de Britse schatkist zou betalen, in ruil waarvoor de Britten beloofde niet zonder toestemming van de kolonies de aanwezigheid van de Britse vloot in de Pacific terug te brengen. Ook werd ingestemd met de aanleg van een telegrafiekabel tussen Vancouver en Australië.

Binnen verschillende koloniën begon met deze constructie te benauwend vinden en de naam ‘colonial’ stuitte ook op weerstand. Vanaf mei 1907, toen de vijfde samenkomst werd gehouden, heette deze dan ook Imperial Conferences, waarbij beter tot uitdrukking kwam dat de dominions hun eigen voorstellen hadden, die er zonder uitzondering op neerkwamen dat men wilde loskomen van de koloniale status. (meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 1

Een kolonie is een territorium dat onder bestuur van een soevereine staat valt, maar geen deel uitmaakt van het eigenlijke grondgebied van dat moederland. Oorspronkelijk was kolonisatie de vestiging van een deel van een bevolking buiten het eigenlijke territorium van dat volk, zoals de Oude Grieken die kolonies stichten in onder meer het huidige Turkije en op Sicilië. Bij latere kolonisaties werd echter de inheemse bevolking ook onderworpen. Deze vorm van westerse kolonisatie begon in de eerste jaren van de 15e eeuw toen de Spanjaarden en Portugezen de wereld gingen ontdekken en al doende diverse landen, kuststroken en steden aan hun territorium gingen toevoegen. Bij het Verdrag van Tordesillas verdeelde de paus de niet-Europese gebieden tussen Spanje en Portugal. In de Tachtigjarige Oorlog verschenen eerst Nederland als rivaal op het koloniale toneel. Groot-Brittannië speelde allereerst een marginale rol naast Spanje, Portugal en Nederland. De Britse activiteiten beperkten zich hoofdzakelijk tot piraterij. In de 17e en 18e eeuw manifesteerden de Britten zich echter in Amerika, India en Brits-West-Indië. Delen van het huidige Canada werden op de Fransen veroverd. De Kaap en de Franse gebieden in India kwamen aan Engeland na 1815. In het Victoriaanse Tijdperk bereikte het Britse Rijk (British Empire) zijn hoogtepunt met de consolidatie van macht in India. (meer…)

ARVO PÄRT

ARVO PÄRT

Arvo Pärt (Paide, 11 september 1935) is een Estse componist, die geldt als een van de belangrijkste hedendaagse componisten van gewijde muziek. Hij kreeg zijn eerste muzieklessen toen hij zeven jaar oud was. Van 1957 tot 1963 volgde Pärt een opleiding aan het conservatorium van Tallinn, waar hij compositieles kreeg van Heino Eller, een Estse componist en muziekpedagoog. Zijn eerste composities dateren uit zijn studietijd. Necrolog, zijn eerste orkestwerk, was erg gebaseerd op de twaalftoonstechniek van Arnold Schönberg, waarmee het toenmalige Sovjetregime bepaald niet gelukkig was. Vanaf 1962 (zijn laatste studiejaar) tot 1974 componeerde hij de muziek voor animatiefilms en kreeg hij een baan als klankregisseur bij de radio van Estland. Daarnaast ging hij door met componeren. Pärt experimenteerde na zijn studie met diverse compositietechnieken en schreef aanvankelijk vooral seriële muziek. Volgens zijn biograaf Paul Hillier raakte hij hierna in een spirituele en professionele crisis. Hij ging op zoek naar andere muziek en bestudeerde gregoriaanse muziek en de opkomst van de polyfonie (meerstemmige muziek) in de renaissance. In die tijd trad hij toe tot de Russisch-orthodoxe Kerk. In 1968 componeerde hij het werk Credo voor piano, koor en orkest, wat hem opnieuw in conflict bracht met het antireligieuze regering van Sovjet-Rusland waartoe Estland dan nog steeds behoorde. Hij trok zich terug om middeleeuwse muziek te bestuderen, waaronder die van Franse en Vlaamse componisten als Josquin Des Prez, Guillaume de Machault, Jacob Obrecht en Johannes Ockeghem. In werken uit die periode is die invloed te herkennen. Hierna sloeg Pärt een heel andere weg in en ging componeren in een stijl die hij zelf de tintinnabuli-stijl noemde. Die naamgeving verwijst naar het Latijnse tintinnabuli, wat klokjes of belletjes betekent. Ofwel, hij ging muziekmaken die klinkt als het geluid van bellen of klokken. Deze muziek wordt gekenmerkt door simpele harmonieën, vaak ook door enkele noten of drieklanken die volgens de componist als bellen klinken. Het eerste stuk waarin hij van deze techniek gebruikmaakt is Für Alina, een pianowerk uit 1976. Daarna volgden de drie werken die tot op heden toe het meest bekend zijn: Fratres, Cantus In Memory Of Benjamin Britten en Tabula Rasa. In 1980 vestigde Pärt zich in Wenen, een jaar later vertrok hij naar West-Berlijn. Sinds zijn vertrek uit de Sovjet-Unie schrijft Pärt veel religieuze werken, vaak in opdracht van koren en kathedralen. Arvo Pärt wordt weleens schertsend een van de leden van “The God Squad” genoemd. Op 10 december 2011 werd hij door paus Benedictus XVI voor een hernieuwbare periode van vijf jaar benoemd tot lid van de Pauselijke Raad voor de Cultuur. Het pianowerk uit 1973 blijft wonderschoon: Für Alina.
.

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 5

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In een eerste reeks van negen blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat, de drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes en de vier schilderijen van de Achterzaan, met het groene theehuis en het Parijs aandoende L’embarcadère. Hij maakte verder ook zeven stadsgezichten van de stad die midden in de negentiende eeuw nog helemaal gekenmerkt werd door de typische Zaanse groene houten huizen, molens en oude industriële panden. De Zaanstreek was belangrijk in de houtverwerking en voedingsmiddelenindustrie. Ooit was de streek de provisiekast van Nederland. Er hebben honderden molens gestaan. Op het hoogtepunt, rond 1720, waren er circa 600 molens gelijktijdig in bedrijf. In totaal zijn er ongeveer 1.100 verschillende molens in bedrijf geweest. Tientallen molens zijn in de loop der eeuwen herbouwd doordat hun voorganger werd verwoest door brand of storm. Ook werden er wel molens verplaatst. De stad kende in de 17e en 18e eeuw een grote economische voorspoed. Er was in Europa geen streek te vinden waar op zo’n kleine oppervlakte zoveel verschillende nijverheid te vinden was: weverijen, stijfselfabrieken, zeildoekmakerijen, papier, tabak, verf, kaarsen, snuif, blauwsel, cacao, kuiperijen, smederijen, traankokerijen, zagerijen, scheepsbouw, zeevaart, handel en veeteelt. Ook de walvisvaart was belangrijk, bijna elk dorp in de Zaanstreek deed er aan mee. In 1697 kwamen maar liefst 78 Groenlandvaarders met de vlag in top tegelijkertijd op hun thuisreis de Zaan opvaren. Zij brachten bijna 40.000 vaten walvisspek binnen. De dorpen en stadjes waren ook bekend om de vele houten huizen, doorgaans in typerend groen en wit geschilderd. Om echt een goede indruk te krijgen hoe het ooit de traditionele Zaanse bouwstijl eruit heeft gezien kan men terecht bij het openluchtmuseum de Zaanse Schans. Monet heeft zeven stadsgezichten in de oude Zaanstreek geschilderd. (meer…)

ARTHUR LUCIEN CHARROIN (48)

Arthur Lucien Charroin ( Saint Martin-de-Valgargues, 16 juni 1906 – Bergen-Belsen, februari 1945) was een inspecteur van de Sûreté nationale, het Franse onderzoeksinstituut dat al in de negentiende eeuw werd opgericht en als voorbeeld diende voor de opzet van bijvoorbeeld Scotland Yard. Zijn geboortedorp Saint-Martin-de-Valgalgues ligt in het Zuid-Franse arrondissement Alès van het departement Gard. Dat is dus in de Vrije Zone ofwel Vichy-Frankrijk dat onder leiding stond van de oude held uit de Eerste Wereldoorlog, maarschalk Pétain. Dit bewind collaboreerde met de nazi’s. Charroin was binnen de Sûreté nationale gedetacheerd bij de douanepost St. Julien-en-Genevois, gelegen aan een spoorwegverbinding van vlak aan de grens bij Genève. Inspecteur Charroin was op verschillende manieren betrokken bij het verzet, maar zijn voornaamste activiteit daarbij was voor de groep Dutch-Paris, het ondergrondse netwerk van het Nederlands, Belgisch en Frans verzet. Dat netwerk had als doel mensen te redden en documenten over de grens te smokkelen. Het was een van de belangrijkste en meest succesvolle ondergrondse netwerken om vervolgden vanwege geloof en ras, geallieerde piloten, en personen van groot Nederlands belang te helpen ontsnappen via Zwitserland en Spanje gedurende de Tweede Wereldoorlog. De ontsnappingsroute heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het Frans verzet, en is verantwoordelijk voor de redding van meer dan 1.080 mensen, waaronder 800 Nederlandse Joden en meer dan 112 neergehaalde geallieerde piloten. Zo’n 300 mensen maakten deel uit van dit ondergrondse netwerk, daarvan werden er ongeveer 150 gearresteerd. Veertig leden werden gedood of stierven aan de gevolgen van gevangenschap. Door zijn functie bij de Franse douanepost was hij de ideale contactpersoon op de zogenaamde Zwitserse Weg. De reis naar Zwitserland liep van Nederland naar Brussel, Parijs en Lyon naar Annecy om daarna over de Alpen de Zwitserse grens over te steken. Charroin maakte het mogelijk dat Jean Weidner, de grote organisator achter Dutch-Paris, met regelmaat van en naar Zwitserland kon reizen. Hij werkte verder samen met met P.C. Naeff, de Nederlandse vice-consul in Lyon en voorheen de directeur van het Casan (Centres d’Assistance Social aux Réfugiés Néerlandais) in Perpignan. Die beide plaatsen waren vooral belangrijk voor de Pyreneeën-route van Dutch-Paris. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (40)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe warm het was, en hoe ver,
2e deel

De heer Bruis was ondertussen nog warmer dan warm geworden, waar zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrachten. Hij schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de juffrouw naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang gezien had, ‘er akelig van werd’, haar naaiwerk van haar knie losspeldde (zij moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en spanriemen niet aan), een bovendeur opendeed en aan den heer Bruis verklaarde: ‘dat er niemand inwas’.
‘De dokter ook niet?’
‘Neen, menheer.’
‘Mevrouw ook niet?’
‘Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit zijn…’
‘Waar zijn ze dan naar toe?’
‘Dat weet ik niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is alleen
thuis.’
‘Waarom doet dan de meid niet open?’
‘Wel, omdat ze der niet inis, menheer.’
‘En je zegt, ze is thuis?’
(meer…)

MGR. JOANNES VAN HOOYDONK

57e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Joannes van Hooydonk (2 augustus 1782 – 25 april 1868) was een rooms-katholiek geestelijke en de eerste bisschop van Breda na het Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853. Dr. F. A. Brekelmans schreef in het jaarboek 1965 van De Oranjeboom een uitvoerig artikel over het geboortehuis van mgr. Joannes van Hooydonk, waarvoor hier ten behoeve van de leesbaarheid enkele noten in de tekst zijn verwerkt en de beschrijving van het geboortehuis en de huidige stand van zaken is gelaten voor wat het is: ‘De gemeente Nieuw-Ginneken kan er zich op beroemen de geboorteplaats te zijn van de eerste bisschop van Breda, mgr. Joannes van Hooydonk. Deze zag in 1782 het levenslicht in het gehucht Notsel onder het kerkdorp Ulvenhout. Hij werd 2 augustus 1782 gedoopt in de schuurkerk te Ulvenhout. Als peter en meter traden op Martinus van Hooydonk (vermoedelijk een broer van Jan’s vader) en Maria Catharina van Hooydonk. De naam der familie wordt in de doopakte steeds gespeld als Van Hoydonck. J. B. Krüger merkte in zijn Kerkelijke Geschiedenis van het Bisdom van Breda II (Roosendaal 1874, pag. 435) hierover op: ‘Zijn brave ouders die hem in deugd en godsdienstigheid” opvoedden, beiden telgen uit een oud boerengeslacht, waren Adriaan Michielss. van Hooydonk en Sijke (Lucia) Pebergen. Dit echtpaar was in 1776 te Ginneken gehuwd. Hun gezin telde zes kinderen, waarvan de latere bisschop het vierde was. (meer…)

ODALISKEN – 029

Thea Duskin is een tattoe-kunstenaar en de medeoprichter en eigenaar van Ghostprint Gallery in Richmond, Virginia.De mede-eigenaar is haar zus Geraldine Duskin, die naast haar bezigheden in de kunsthandel een succesvolle carrière heeft als kunstontwerper voor het New York State Theater en binnen de filmindustrie. De naam ghostprint verwijst naar een drukproces waarbij slechts één originele afdruk vanaf de geschilderde plaat wordt gemaakt. De afdruk zal aanzienlijk lichter zijn dan de oorspronkelijke kleurstelling, en dus als het ware een ‘geest’ van het origineel zijn. Thea Duskin houdt zich naast het tattoeëren bezig met het maken van collages en schilderijen. Op een trompe l’oeil-manier probeerde ze dat werk in haar tattoes in haar werk te integreren, waarbij haar werk op de huid de vorm van het lichaam moet volgen. Haar motieven ontleend ze vooral aan de natuur, waarbij de traditionele Japanse schilderkunst een belangrijke inspiratiebron is. De laatste jaren heeft ze tentoonstellingen gehad in Miami, Hamburg (2015), Winterthur (2013), Richmond, Philidelphia (2012), Richmond (2011) weer Richmond en New York (2011), Houston (2008) en Seattle (2006). Van haar is bijgaande foto, waarbij een fleurige tattoe van Duskin is aangebracht op een deel van de ruh en schouderpartij van het model. Die is gefotografeerd in een klassieke opstelling van een odalisk.
. (meer…)

SHIGERU UMEBAYASHI

SHIGERU UMEBAYASHI

Shigeru Umebayashi (Kitakyushu, Fukuoka, 19 februari 1951) is a Japanse componist. Hij begon als leider en basgitarist van de Japanse new-wave rockband EX. De term new-wave is een wat vage omschrijving voor elke vorm van muziek die in de tachtiger jaren wat moeilijk te classificeren was. Het blad Rolling Stone noemt de term dan ook terecht ‘virtually meaningless’. Met de term wordt momenteel alles behalve punkmuziek aangeduid. In het algemeen zijn meer de kernwoorden ‘donker, meeslepend en zweverig’ van toepassing. Wat voor muziek EX precies maakte is niet te achterhalen voor me, maar wat belangrijker is, is dat Shigeru omstreeks 1985 met de band stopte en zich ging toeleggen op het schrijven van filmmuziek. En daarin werd hij gigantisch goed, want hij heeft inmiddels voor een stuk of veertig Japanse en Chinese films de muziek geschreven. In het Westen is van al die films In the Mood for love (2000) het best geworden. Het verhaal speelt in Hongkong in 1962, waar Chow Mo-Wan en Su Li-Zhen op dezelfde dag naast elkaar komen te wonen. Chow is journalist bij een plaatselijke krant, Su werkt als secretaresse. Hun respectievelijke partners zijn niet veel thuis: haar man moet vaak op zakenreis en zijn vrouw maakt als receptioniste regelmatig overuren. Daardoor brengen de twee steeds meer tijd met elkaar door. Uiteindelijk realiseren ze zich waarom hun partners zo vaak weg zijn: ze hebben een verhouding. Samen proberen ze te achterhalen hoe het begonnen is. Doordat ze zoveel tijd met elkaar doorbrengen, komen ze er pas laat achter dat ze verliefd op elkaar zijn geworden. Mooie, ingetogen film. Voor die film werd zijn Yumeji’s Theme gebruikt, wat in 1991 de titeltrack was geweest van de film Yumeji van de Japanse regisseur Seijun Suzuli over de dichter en schilder Takehisa Yumeji (16 september 1884 – 1 september 1934). Dat is inderdaad een fenomenaal nummer, waarnaar ik in een bijna eindeloze herhaling kan luisteren. Dat komt goed uit, want een gelijkgestemde heeft het nummer een keer of veertig achter elkaar gezet, zodat meer dan een uur kan worden geluisterd naar Yumeji’s Theme. (meer…)

GAUCHO (1868)

We hebben een romantisch beeld van Amerikaanse cowboys, opgedrongen door de vele films en tv-series die we in de loop der jaren hebben gezien. Dat beeld draait in eerste instantie om hun uiterlijk en de rest van hun voorkomen: hoed, laarzen, overhemd en gillet, eendagsbaard en altijd een paard in de buurt en een fles whiskey ook nooit ver weg. Gigantisch goede paardrijders, die cowboys. Altijd. Hun persoonlijkheid is al net zo rotsvast, wel afhankelijk of ze onder ‘the good guys’ of onder de bandieten vallen, maar altijd: stoer, snel genegen het recht in eigen handen te nemen, triggerhappy. Net zoals wij deze Amerikaanse cowboys hebben gegeneraliseerd en in onze geest het idee heeft postgevat dat vóór 1900 de gemiddelde Amerikaan er zo uitzag, is in mindere mate ook een vergelijkbaar beeld ontstaan van hun Argentijnse collega, de gaucho. Net zo stigmatiserend en generaliserend, want gaucho’s maakten sinds hun opkomst in de 18e eeuw maar een heel klein deel uit van de Argentijnse bevolking. Die kleine groep heeft echter wel een dikke stempel gedrukt op de Argentijnse cultuur. Dankzij de gaucho kan men vandaag de dag in Argentinië niet zonder maté, niet zonder asados en niet zonder het kaartspel truco; ook speelt men graag iets op de guitarra criolla en geniet men van de folkloremuziek van de pampa waarvan Mercedes Sosa het grote voorbeeld is. Zoals de cowboys hun vrije tijd graag in de saloon doorbrachten, lurkend aan de whiskey of aan de pokertafel, zo kon je de Argentijnse gaucho tot in de late uurtjes vinden in de pulpería, onveranderlijk met zijn poncho om het bovenlichaam. In deze eenvoudige tavernes kwamen ze om een warme hap te eten, jenever te drinken en wellicht een potje truco te spelen. In de pulpería had men vaak wat gitaren, zodat er folkloremuziek kon worden gespeeld en gedanst. Zo zijn onder meer chamamé, zamba, malambo en chacarera ontstaan: indrukwekkende dansen in plattelandsstijl waar veel voetenwerk, messen, laarzen en zelfs stierenballen aan te pas kwamen. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (39)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe warm het was, en hoe ver,
1e deel

Het was een brandend hete vrijdagachtermiddag in zekere Hollandse stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mossen op het dak gaapten, ’t welk op gezag der Hollandse manier van spreken, de grootste hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen vinnig in de straten en glinsterde op de van droogte poeierig geworden keien. In die straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduwkant hadden, bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. De kerels, die met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veegden alle ogenblikken hun voorhoofden met hun linnen voorschoten af; de sjouwermannen, die anders gewoon zijn in hydrostatische, verstrooidheid hun leden over de leuningen der bruggen te doen hangen, een houding waaraan zij hier en daar den vererende naam van baliekluivers te danken hebben, lagen aan den oeverkant voorover op hun ellebogen uitgestrekt, met een pot karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei, aan den voet van een steiger op een balk neergezeten, met hun ellebogen op de knieën en hun twee handen om een spoelkom geklemd, bliezen wel eens zolang over hun thee als gewoonlijk, en dus zeer opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschappen deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van een pruim of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks over de straat voortslepen, en uitten in ’t voorbijgaan een diep en innig medelijden jegens de werkmeiden die de ‘straat deden’ met geblakerde gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Niemand was bedaard, dan hier en daar een enkel grijsaard, die met blauwe slaapmuts op en zwarte muilen aan, met de benen op zijn stoepbankje uitgestrekt, een pijp zat te roken, in gezelschap van een violier en een balsamine, zich verheugende in den ‘ouërwetschen dag weer’.
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 037


.
Frans van den Muijsenberg / 28 september 2012, Sfinx van Gizeh, Egypte

DE SFINX VAN GIZEH (1867 – 1878)

De Sfinx van Gizeh is het grootste en bekendste beeld van een sfinx ter wereld. Het staat bij de drie grote piramiden in Gizeh met de rug naar de Piramide van Chefren. De Sfinx ligt naast de dodentempel van Chefren en is gehouwd uit een rotsachtige formatie. Deze rotsformatie had al de ruwe kenmerken van de sfinx doordat ze jarenlang was blootgesteld aan de wind. Het beeld werd uitgehakt en gemodelleerd naar de vorm van een sfinx. De sfinx is 73 meter lang, 19 meter breed en 20 meter hoog. Hij bestaat uit drie lagen kalksteen. De onderste lagen bestaan uit zachte kalksteen, terwijl het hoofd uit een hardere laag bestaat. De neus van de sfinx is er gedurende de tijd afgevallen. Over die neus wordt in het stripalbum Asterix en Cleopatra een grappige uitleg gegeven. Een bekende theorie  is dat Napoleon Bonaparte toen hij Egypte binnenviel de neus zou hebben afgebroken met de bedoeling om de Egyptenaren (en dus indirect ook hun voorvaderen) te beledigen. Onzin, want op schetsen uit 1737 van de Deense ontdekkingsreiziger Frederick Lewis Norden werd de sfinx al zonder neus afgebeeld en al drie eeuwen daarvoor, in de vijftiende eeuw, schrijft de Egyptische historicus al-Maqrizi  dat het verloren gaan van de neus te wijten is aan vandalisme in 1378 door Muhammad Sa’im al-Dahr, een soefifanaticus die in woede uitbarstte toen hij zag dat Egyptische boeren offerandes uitbrachten aan de sfinx in de hoop dat ze zo hun oogst konden verhogen. Het hoofd van de sfinx beeldde hoogstwaarschijnlijk een farao uit en is voorzien van de koninklijke nemes (hoofdtooi). (meer…)

DADAMAINO

Dadamaino is de artiestennaam van Eduarda Emilia Maino (2 october 1930 – 13 april 2004), die is ontstaan door samenvoeging van haar bijnaam ( ‘Dada’ als verbastering van Eduarda) en achternaam. Ze was in de zestiger jaren een lid van de Milanese avant-garde. Ze rondde eerst een medische opleiding af voordat ze eind jaren vijftig besloot zich helemaal op de kunst te storten. Ze sloot zich aan bij een groep jongelui die werden geïnspitreerd door de Argentijnse kunstenaar Lucio Fontana (1899-1968) en zijn spatialisme. Fontana maakte vooral conceptuele kunst en was een van de eersten die zogenaamde environments maakte. Dat zijn ‘omgevings-sculpturen’ waarbij in een bepaalde ruimte (een kamer, theater, straat of plein) verschillende materialen, bewegingen, klank, licht en andere communicatiemiddelen een rol spelen. Het betreft dan meestal tijdelijk opgebouwde installaties of constructies. Een enkele keer werd dan ook gewerkt met geluid of geurstoffen. Fontana kreeg bekendheid met schilderijen waarin hij het linnen doorsneed of doorstak. Een dergelijk werk noemde hij een ‘concetto spaciale’ (ruimtelijk concept). Dat idee werkte hij uit in het spatialisme, dat later veel invloed op latere kunststromingen, waaronder performance-art en environmental-art. (meer…)

SOAP & SKIN

SOAP & SKIN

Soap & Skin is een experimenteel muziekproject van de Oostenrijkse zangeres Anja Plaschg. Ze werd op 5 april 1990 geboren in het dorpje Poppendorf in de deelstaat Stiermarken, vlak bij de Hongaarse en Sloveense grens, waar haar ouders een boerderij hadden. Vanaf haar zesde jaar kreeg ze pianoles, vanaf haar veertiende begon ze ook viool te spelen en kort daarna verschoof haar aandacht naar elektronische muziek. In Graz volgde ze een opleiding voor grafisch design, maar amper zestien jaar oud stopte ze daarmee en vertrok naar Wenen om een kunstopleiding te gaan volgen in een masterclass van Daniel Richter, een redelijk bekend Duits abstract schilder. Blijkbaar is Plaschg geen volhoudertje, want ook hier houdt ze het als achttienjarige niet lang uit. Misschien had ze dat als muzikante ook niet nodig, want al na een paar concerten werd ze in de media omschreven als ‘wonderkind’. In 2008 vertolkte ze in Berlijn en Wenen de rol van de Duitse zangeres Nico, die in de zestiger jaren furore maakte in het gezelschap van Andy Warhol, in het toneelstuk ‘Nico – Sphinx aus Eis’ van regisseur Werner Fritsch in Berlin and Vienna. Ze vertolkte daarbij enkele nummers die op een EP (die bestonden in 2008 bij de oosterburen dus nog) uitkwamen, waaronder ‘Janitor of Lunacy’. In 2009 kwam haar eerste lp uit: Lovetune for Vacuum, die goed scoorde in Oostenrijk en het blijkbaar ook niet onaardig deed in Duitsland, Frankrijk en België. Ze werd door verschillende critici al gepromoot als de nieuwe grote Oostenrijkse ster die het internationaal wel even zou gaan maken. Trouw schreef in juni 2009 over haar tweede lp: De pianopop op Lovetune For Vacuum wordt al vergeleken met de muziek van Kate Bush, Nico en Tori Amos. Het zijn voor de hand liggende associaties, al is het werk van Soap & Skin zowel qua muziek als teksten veel donkerder en grimmiger dan het werk van haar beroemde voorgangers. Plaschg combineert romantische pianomelodieën (’Mr. Gaunt pt 1000’) die aan Yann Tiersen (’Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain’) doen denken met rauwe elektronische klanken en indringend ijle vocalen. (meer…)

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 4

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. De achtergronden van die reizen zijn in eerdere blogs over het verblijf van Monet in Nederland al uit de doeken gedaan. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. In een eerste reeks van acht blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat en van drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes. Daarnaast maakte Monet drie schilderijen van de Achterzaan waarop het groene theehuis centraal staat en een schilderij dat een opvallend andere uitstraling heeft en dat in Frankrijk de naam L’embarcadère heeft, waarmee de steiger voor het instappen in een bootje wordt bedoeld.
(meer…)

LOUIS LONCIN

Louis Loncin (Dubuy, 1875 – Waulsort, 1946) Was in 1917 naar Nederland was gevlucht, maar keerde in oktober 1917 terug naar België om zich als oorlogsvrijwilligers te meden. Naar de beweegreden van vlucht en terugkeer is het slechts raden. In elk wordt de inmiddels 42-jarige blijkbaar niet erg geschikt bevonden voor actieve dienst. Hij werd in november 1917 ingedeeld bij de Artistieke Afdeling en ging daarvoor werken vanuit Lo. Zie hier alle informatie die in het standaardwerk De Groote Oorlog op doek van Luc Filliard te vinden is over Loncin, met de kanttekening dat locatie en datum van geboorte en overlijden nog uit een andere bron is toegevoegd. Verder hier geen informatie over de schilder en ook geen enkele tekening of schilderij. Toch de reden dat hij in Lo gestationeerd was!. Ook op internet zo goed als niks over de schilder te vinden, slechts een aantal naoorlogse landschappen. Een daarvan (een armzalig zwijntje dat in de Ardense sneeuw staat) op een site over de Luikse School van Ardense Landschapsschilders, wat blijkbaar toch echt geen echte schildersbeweging is geweest, maar een door iemand bijeengebrachte collectie schilders uit de Ardennen die allerhande landschappen schilderen. Op een blog over een van die schilders tref ik de vermelding dat de naam Louis Loncin automatisch geassocieerd wordt met landschappen van de Ardennen en die hem in 1928 in de Salon d’Art de Paris de bijnaam ‘de Belgische Millet’ opleverde, wat voorwaar geen misselijke bijnaam is. Maar schilderijen en tekeningen, ho maar. En is die ene publicatie van de lokale historicus Adolphe Pickart, die in een van zijn artikelen over de geschiedenis van Durbuy en omgeving de vergeten lokale beroemdheid even weer voor het voetlicht haalde. (meer…)

GENOEGENS SMAKEN 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (38)
EERDERE AFLEVERINGEN

Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een boerekermis bijwonen! Des namiddags, het hele dorp en de nabijgelegen gehuchten op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige boeren met zilveren haken in de broek en gouden knopen aan de das, die een dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjes netjes uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan de strohoeden, met al het goud dat zij hebben aan ’t hoofd, en de onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderbladen. Dan wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels op schragen van de kleine herberg ‘Het Dorstige Hart’ of ‘de Laatste Stuiver’; of men drentelt langs de kleine kraampjes; of men schaart zich rondom de kleine loterijen van beschilderde karaffen en kelken, houten naaldekokers en stalen vorken. En dan moet ge de dikke proppen van kleine jongens zien, met wit haar en witte tanden, bezig met ‘koek te smakken’, en hun winst in broekzak, buiszak, en tot in de pet wegstoppende; of de kleine boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen met gouden ringen van een cent het stuk, allen met een kraakamandel tussen de tanden en kruidnoten in de hand. Dat ’s nog maar een begin.
(meer…)

HERMANN KESTEN – DIE KINDER VON GERNIKA (1939)

Hermann Kesten is in een van de eerste artikelen over de exitliteratuur en uitgeverij De Lange al gepresenteerd. Om de uitgeverij echt goed van de grond te krijgen had de Amsterdamse uitgever en boekhandelaar Allert de Lange (1855-1927) contact gezocht met de Duitse schrijver Hermann Kesten (Pidwolotschysk, Oekraïne, 28 januari 1900 – Bazel, 3 mei 1996), die in het Duitsland van de twintiger jaren een belangrijk vertegenwoordiger was van de literaire Nieuwe Zakelijkheid. Kesten werd in 1933 vanwege zijn Joodse afkomst uitgewezen uit Duitsland. In de herfst van 1934 ontstaat door allerlei verbanningen in Nice een van de interessantste woongezelschappen van de twintigste eeuw. Aan de beroemde Promenade des Anglais vestigen op huisnummer 121 op de eerste verdieping Hermann Kesten en zijn echtgenote Toni, op de tweede verdiepingen vestigen zich Joseph Rot en zijn partner Manga Bell en op de derde verdieping trekken heinrich Mann en levensgezel Nelly Kroeger in. Na Parijs en Marseille werd Nice snel een van de belangrijke Duitse exilsteden. Tussen 1933 en 1940 vestigen zich daar onder meer ook Ferdinand Bruckner, Magnus Hirschfeld, Valeriu Marcu, René Schickele, Fritz von Unruh en Theo­dor Wolff. Klaus Mann zou later in zijn autobiografie verklaren dat het literaire klimaat in Nice niet onderhoefde te doen voor dat in Parijs. Kesten schreef later in zijn Erinnerungen. Meine Freunde, die Poeten over ‘blauwe avonden op onze balkons, waar we elkaar onderhielden met kleine verhalen en mooie anekdotes. Joseph Roth vertelde een liefdesverhaal uit Podolië, Heinrich Mann een romance uit Palestina en mevrouw Nelly Kroeger verhalen uit haar jeugdjaren aan de Kurfürstendamm, .. berlinerisch ausgezogene, sozusagen splitternackte Geschichten, die mehr nach rotem Wein als nach Nachtigallenzungen schmeckten. (meer…)

YUMEJI TAKEHISA

Yumeji Takehisa (Okayama, 16 september 1884 – Tokio, 1 september 1934) was een Japanse schilder die werkte in de Nihonga-stijl. Dat zijn Japanse schilderijen die vanaf ongeveer 1900 werden gemaakt, geheel in overeenstemming met de traditionele Japanse artistieke stijl, technieken en materialen, maar met duidelijke westerse invloeden. De kunstenaars gebruiken meer onderwerpen dan onder de traditionele Japanse schilderkunst gebruikelijk was en gebruikte ook realistische Westerse technieken, zoals perspectief en schaduwen. Tegelijkertijd wilden de kunstenaars zich afzetten tegen de grote verandering in de Meji-periode toen de westerse cultuur steeds dominanter werd en de schoonheid van de traditionele Japanse kunsten benadrukken. Takehisa werd geboren in het toenmalige Oku (dat momenteel Okayama heet), waar zijn geboortehuis nog steeds te bezichtigen is. Zijn vader werkte er als een brouwer van sake. Als jongeling wilde hij dichter worden, maar hij realiseerde zich al snel dat daar geen droog brood mee te verdienen was en stapte over op de schilderkunst. Van jongsaf was hij namelijk al een hartstochtelijk tekenaar, dus de overstap zal hem niet moeilijk zijn gevallen. Nu kende Japan verschillende traditionele scholen (zoals de Kanō-ha, Rinpa, Yamato-e en Maruyama Ōkyo), maar Takehisa volgde nooit een officiële opleiding aan een van die scholen en had ook nooit een schilder bij wie hij in de leer was. Hij maakte zich ook niet erg populair binnen de schildersgemeenschap door zich af te zetten tegen het pretentieuze concept ‘kunst’. Het gevolg was dat hij steeds slechte kritieken vanuit de gevestigde orde op zijn werk kreeg. Buiten dat kringetje kreeg zijn werk echter steeds meer populariteit, een waardering die tot op de huidige dag doorgaat. Hij geldt als een van de belangrijkste schilders, illustrators en grafici van de Taishōperiode (‘de periode van grote rechtschapenheid’), een periode in de Japanse geschiedenis van 30 juli 1912 tot 25 december 1926 toen keizer Yoshihito aan de macht was. Daarmee kwam een eind aan de Meiji-periode, die werd gemarkeerd door immense binnenlandse en overzeese investeringen en defensieve programma’s. Onder zijn bewind ging steeds meer politieke macht over naar het parlement en hun democratische partijen. Deze liberale periode eindigde met het overlijden van de keizer in 1926, waarna zijn zoon Hirohito (Tokio, 29 april 1901 – Tokio, 7 januari 1989) als 124e keizer van Japan aan de macht kwam. (meer…)

PETER GREEN / FLEEDWOOD MAC

PETER GREEN / FLEEDWOOD MAC

Peter Green, geboren als Peter Allen Greenbaum (East End, Londen, 29 oktober 1946 – Canvey Island, 25 juli 2020) was een Brits gitarist, vooral bekend geworden als oprichter van Fleetwood Mac. Op tienjarige leeftijd kreeg hij een akoestische Spaanse gitaar van zijn oudere broer Michael, die hem een paar akkoorden leerde. Hank B. Marvin van The Shadows en bluesgitaristen Muddy Waters en B.B. King beïnvloedden hem. Peter noemde zichzelf Peter Green toen hij vijftien was en speelde basgitaar in diverse bandjes. Hij werd sologitarist in de band ‘Peter B’s Looners’ van Peter Bardens (ex-Them, later onder andere in Long John Baldry’s Bluesology en Camel). De drummer in deze band was Mick Fleetwood. Green was een bewonderaar van Eric Clapton en was avond aan avond aanwezig bij de optredens van (eerst) The Yardbirds en later John Mayall’s Bluesbreakers. Deze band trok later, na het vertrek van Eric Clapton, een andere gitarist aan. Green stak zijn mening over de beperktekwaliteiten van deze gitarist niet onder stoelen of banken en na een aantal keren liet John Mayall Green meespelen. Toen Clapton in november 1966 uit Griekenland terugkeerde, werd Green echter weer aan de kant gezet. Green ging spelen bij Steampacket met zanger Rod Stewart. Clapton vertrok echter in juni 1966 alweer naar Cream en Green werd door Mayall gevraagd terug te keren in de rangen van de Bluesbreakers. Met Mayall nam Green in 1967 het album A Hard Road op, waarmee hij grote indruk maakte. Op dit album staan twee composities van Green, waaronder het instrumentale en latin-achtige The Supernatural, waarover Oor in een korte necrologie van Green opmerkte dat Carlos Santana een hele carrière zou bouwen op de stijl van dit nummer. Ik kende het nummer niet en het leek me zwaar overdreven, maar het is een minder boute stelling dat ik aanvankelijk dacht. (meer…)

JUVENAAT DER BROEDERS VAN DE HEILIGE ALOYSIUS

56e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

De congregatie der Broeders van van de H. Aloysius werd in 1840 opgericht door de cisterciënzer pastoor Willem Hellemons (Roosendaal, 17 april 1810 – Oudenbosch, 12 december 1884) en Johannes Huybrechts (1812-1889), een jongeman uit zijn parochie die later als vader Vincentius door het leven zou gaan. Hellemons trad als jongeling trad in bij de cisterciënzers van Hemiksem, net onder Antwerpen. Hun abdij was echter sinds de Franse tijd door de staat geconfisqueerd en dus verspreidden de leden van de gemeenschap zich over diverse plaatsen, waar zij meestal werkten in de geestelijke verzorgers. Hellemons kwam terecht in Oudenbosch, van waaruit hij naar Rome vertrok om daar verder te studeren. Daar werd hij bevriend met kardinaal Bartolommeo Alberto Cappellari kennen, de latere paus Gregorius XVI. In 1833 werd hij in Rome in de Sint-Jan van Lateranen priester gewijd. Vanaf 1842 was hij pastoor in Oudenbosch, waar hij actief was in de katholieke emancipatie die vanaf het begin van de negentiende eeuw van de grond begon te komen. Tegelijkertijd was ook een proces van eenmaking van Italië op gang gekomen, de Risorgimento (herrijzenis’), die politiek begon met het Congres van Wenen (1815). Het proces kwam pas goed op gang in 1820 met opstanden in Napels en Piëmont. In 1861 werd de Italiaanse staat uitgeroepen, met eerst Turijn en later Florence als hoofdstad. In 1866 kreeg de jonge staat Venetië in handen dankzij een bondgenootschap met Pruisen tegen het Keizerrijk Oostenrijk. De grote Pauselijke Staat deelde toen het land nog doormidden deelde, wat tot constante spanningen en gevechtshandelingen leidde. In 1860 had paus Pius IX een oproep gedaan aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde mannen te sturen om hem bij te staan bij de verdediging van zijn grondgebied. In de jaren 1861-1870 streden de Pauselijke Zoeaven om de Kerkelijke Staat te verdedigen, maar uiteindelijk zou in 1870 de Italiaanse eenheid tot stand komen en van de Kerkelijke Staat slechts Vaticaanstad resteren. In Nederland was pastoor Hellemons zeer actief in de werving van Nederlandse vrijwilligers voor het Zoeavenleger. (meer…)

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 3

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. Monet, zijn vrouw Camille en hun zoontje Jean waren in september 1870 vanuit Le Havre naar Londen afgereisd. Dat was kort nadat de Duitse troepen in de Frans-Duitse Oorlog de hoofdstad hadden bezet. Het lijkt waarschijnlijk dat de onstabiele politieke situatie de reden was van het onverwachte vertrek, maar helemaal zeker is dat niet. Moment had op dat moment ook ernstige financiële problemen, dus dat kon evengoed de reden van de snelle vlucht zijn geweest. Het gezin zou zeven maanden in de Engelse hoofdstad blijven. Begin juni 1871 vertrok hij er echter en belandde via Rotterdam in Zaandam, waar hij zijn intrek nam in hotel ‘De Beurs’. Nog steeds leek de onstabiele situatie in Frankrijk de reden te zijn om niet direct huiswaarts te keren. Het is onduidelijk waarom hij Nederland als nieuwe locatie koos. Op 2 juni 1871 schreef hij aan zijn vriend Camille Pissarro: ‘Eindelijk zijn we aan het einde van onze reis gekomen. We hebben bijna heel Holland doorkruist en werkelijk, wat ik ervan gezien heb is veel mooier dan men zegt. Zaandam is wel heel bijzonder en er is genoeg te schilderen voor een heel leven. Ik geloof dat we een goed onderkomen hebben gevonden. De Hollanders maken een prettige en gastvrije indruk.’ Mogelijk dat zijn belangstelling voor Nederland was gewekt door Johan Barthold Jongkind, met wie hij in Frankrijk bevriend was geraakt. Ook zijn aandacht voor de verfijnde tonaliteit van de Hollandse luchten en de weerspiegelingen ervan in het aanwezige water, kan daarbij hebben meegespeeld. Monet zou ruim vier maanden in Zaandam blijven en er 25 werken produceren. Op 8 oktober 1871 verliet hij Zaandam om terug te reizen naar Parijs. Op 19 november 1871 kwam hij weer terug in Frankrijk, waar hij zich vestigde in Argenteuil. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. In een eerste reeks van acht blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936) en drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat. (meer…)

GENOEGENS SMAKEN 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (37)
EERDERE AFLEVERINGEN

Uit de correspondentie met Augustijn

‘Of ik de Rotterdamse kermis ben gaan bijwonen? De hemel behoede mij, hoe komt gij aan dat bericht? Wie is de boze lasteraar die mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne blanke, kermishatende ziel zoo zwart te maken in de ogen der mensen? Weet gij ’t dan niet hoe ik reeds in het jaar 1833, op den dag, waarop men in mijn geboortestad goedvond de kermis in te luiden, het akelige klokgebengel begeleidde met een improvisatie:
Voor mij geen kermisfeestgerel,
Geen weids betiteld kinderspel,
Geen dwaasheid op haar zegewagen,
Bij raadsbesluit en klokgeklep
Gerechtigd voor een tiental dagen,
Wat eerlijk mens er tegen heb’?

Laat mij, laat mijn ziel met rust!
Wien ’t aansta, mij ontbreekt de lust
Om zoveel mens getitelde apen,
Zo’n aapgelijkend mensenras
Op straat en marktveld aan te gapen,
Als of die klucht iets zeldzaams was!

Weet ge wat een kermis is, Hildebrand? Het is een allerakeligste mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de charge der feestvreugde; het ideaal van een opwinding over niets; het tegendeel van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij wat een kermis is, Hildebrand? Het is de bacchantendienst der nieuwere tijden, de vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel groot marionettenspel, waarin wij ons vervelen en onze kleren vuil maken. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 040

.
Peter Paul Rubens
(Siegen,[1] 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640) was een Zuid-Nederlands schilder van Vlaamse barok, tekenaar, tapijtontwerper en diplomaat, werkzaam in Antwerpen. Hij begon als page bij de adellijke familie Lalaing in Oudenaerde, studeerde bij drie Vlaamse schilders en stelde daarna achtereenvolgens zijn diensten ter beschikking aan het hof van Mantua, de aartshertogen Albrecht en Isabella van Brussel en Ferdinand, die Isabella opvolgde als landvoogd van de Zuidelijke of Spaanse Nederlanden. Hij trad voor hen ook op als diplomaat. Rubens schilderde veel altaarstukken en had daarbij hulp van een groot atelier in Antwerpen, maar ook verbeeldde hij het levensverhaal van Maria de’ Medici in het Palais du Luxembourg in Parijs en dat van de Engelse koning Jacobus I in Whitehall in Londen. Rubens maakte ook werk voor de Spaanse koningen Filips III en Filips IV. Hij had een prachtig huis aan de Wapper, het ‘Rubenshuis’ en kocht later kasteel ’t Steen. Peter Paul Rubens bestudeerde zijn hele leven lang de kunst van de Oudheid en de renaissance en gebruikte veel mythologische motieven in zijn kunst. Met name was Titiaan van de Venetiaanse School een groot voorbeeld voor hem. Hij had nauwe contacten met de jezuïeten en zette zich met hart en ziel in voor de Contrareformatie en de verheerlijking van verschillende personen. Zijn liefde voor de Oudheid kwam onder meer tot uitdrukking in de diverse schilderijen die hij van de Drie Gratiën maakte. Zo schilderde hij in 1635 een versie, die tegenwoordig in het Prada in Madrid hangt. Een tweede versie bevindt zich in de Galleria Palatina di Palazzo Pitti in Florence. Deze derde olieverfschilderij dateert uit 1636 in is te bewonderen in de Dulwich Picture Gallery in Londen. Ook dit schilderij heeft weer de bekende volslanke dames, die zo kenmerkend voor zijn stijl zijn dat gesproken wordt over een Rubensiaans figuur als de betreffende dame wat aan de dikke kant is. Dit schilderij is waarschijnlijk bedoeld als een ontwerp voor een metalen kunstwerk of voor een graveur. Dergelijke samenwerkingen tussen verschillende vaklieden was in die periode niet ongebruikelijk.

VEEL VALSE HOOP

Katja Happe (1970) is een Duitse historica die in Siegen en Groningen studeerde en als afstudeeronderzoek zich verdiepte in de behandeling van de ‘moffenmeiden’ in Nederland. Sinds 2011 is ze geassocieerd onderzoeker bij het NIOD. Het is voor de eerste keer dat een Duitstalig onderzoek verschijnt over de Jodenvervolging in Nederland in de oorlogsjaren, met haast vanzelfsprekend een Nederlandse vertaling. Vanwege haar achtergrond lijkt Happe ook de uitgelezen persoon om de achtergronden, het verloop en de uitwerking van de Jodenvervolging in ons land voor een Duits publiek te presenteren. Een publiek waarvoor de massamoord op de Nederlandse Joden één van de vele grootschalige misdrijven namens het Duitse volk is geweest; met ‘slechts’ iets meer dan honderdduizend slachtoffers is men dan wellicht geneigd over het hoofd te zien welke enorme impact de grootschalige schending van de menselijkheid en Nederlandse rechtsorde en de brute moord van veel van haar onderdanen heeft gehad en nog steeds heeft in de Nederlandse samenleving.

De eerste boodschap die de Duitse bezettingsmacht in mei 1940 van de Nederlandse topambtenaren te horen kregen was dat er hier geen ‘Joods vraagstuk’ bestond. Wellicht met het naïeve idee dat die bezetter dat wel prettig vond, want bij het ontbreken van een vraagstuk hoeft er immers geen oplossing worden bedacht. Daar dachten Seyss-Inquart en zijn ondergeschikten echter anders over. Zij zagen wel een probleem en hadden de oplossingen ook al voorhanden. Er was in eigen land immers als jarenlang ervaring opgedaan en sinds bijna een jaar was men ook in Oost-Europa al drukdoende te werken aan ‘het Joodse vraagstuk’. Binnen de kortste keren werd een hele reeks anti-Joodse maatregelen afgekondigd, die leidden tot steeds verdergaande discriminatie, ontrechting, marginalisatie, deportatie en moord van de Nederlandse Joden en alle Joden die voor de Duitse inval vanuit Duitsland, Oostenrijk en Oost-Europa naar ons land waren gevlucht, in de hoop hier een veilig onderkomen in neutraal Nederland te hebben gevonden. Zoals de titel al aangeeft was het allemaal slechts valse hoop en de nazi’s hadden genoeg trucs in huis om alle denkbare illusies over veiligheid en barmhartigheid zo lang mogelijk in stand te houden. (meer…)

FUNGUS

FUNGUS

Fungus is een Nederlandse popgroep uit de jaren zeventig die een aantal hitjes had met gepopulariseerde volksliedjes. In de oorspronkelijke opzet speelden de groep met Fred Piek (zang en gitaar), Kees Maat (toetsen en zang), Sido Martens (gitaar, mandoline en zang), Louis Debij (drums), Koos Pakvis (basgitaar) en Rens van der Zalm (viool, gitaar, mandoline, doedelzak en zang). De bakermat van Fungus lag in Vlaardingen, waar op Martens na alle leden woonden en zich daar bezighielden met op volksmuziek geïnspireerde popmuziek. Ze hadden in 1973 door veldwerker Ate Doornbosch (de samensteller van het NOS-radioprogramma Onder de groene linde) thuisopnamen laten maken, waaronder een wondermooie versie van de oude Schotse ballad Farewell to Tarwathie. Het nummer bleef onopgemerkt bij het grote publiek. Dat werd anders toen van hun eerste elpee, simpelweg Fungus genaamd, een moderne versie van een oud Nederlands lied over de walvisvangst: Al die willen te kaap’ren varen, op single werd uitgebracht. Het nummer kwam tot hun eigen verrassing terecht in de Top 40. Aanleiding om meer elpees en singles uit te brengen. Echte hits kwamen er niet meer. Natuurlijk waren er de muziekpuristen die de aanpak van Fungus, met elektrische versterking en scherpe gitaarsolo’s, verguisde, maar goed, dat deden hun Angelsaksische collega-puristen ook toen Bob Dylan en Fairport Convention afstapten van het pure akoestische werk. Fungus zelf liet trouwens koeltjes weten nooit te hebben gepretendeerd volksmuziek te maken en zichzelf in de eerste plaats te zien als een popband. De groep trad in die jaren op bij Pinkpop en maakte tournees door Engeland en Zweden. (meer…)

MOISEJ KOGAN 2

Kasper Niehaus (Groningen, 29 oktober 1889 – Bergen, 29 april 1974) was een Nederlands kunstschilder, tekenaar, auteur, kunstcriticus, wandschilder en kunstverzamelaar, die tot de groep van de Bergense School wordt gerekend. Hij was als kunstcriticus verbonden aan het dagblad De Telegraaf en enkele magazines en schreef enige boeken op kunstgebied, onder meer over Daumier en Millet (1928), Gaugain en Rousseau (1928), W. Schumacher (1940) en Nederlandsche kunstenaar (1941). Over Moisej Kogan, waarvan gisteren een biografie is geplaatst, schreef hij in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift (1934, jrg 44, pag. 76-78) een artikel onder de titel ‘Werken van den beeldhouwer Moissy Kogan’. Bij het artikel een aantal werken van Kogan. Meer werken van hem zijn te vinden op Artnet en The Moissey Kogan Catalog.

De thans vijftigjarige beeldhouwer Moïssy Kogan komt uit het wonderland der kunst, uit het Oosten: hij is geboren te Orguiew in Bessarabië. Hij behoort tot de begenadigde menschen, die een stuk klei van den grond opnemen en als zij het weer uit handen geven, is het bijna van zelf en als spelend een vorm, de vorm het nobel lichaam van een jong meisje geworden. Sinds tientallen jaren maakte hij kleine figuren en reliefs in z’n atelier te Parijs. De kleine, gemeubileerde hotelkamer, die hij vroeger jaren lang bewoonde en den stoel in het café du Dôme kon men in ernst niet zoo noemen; het was hoogstens een atelier voor den teekenaar. Maar daarna had hij een echt beeldhouwersatelier in de cité-Falguière, een afgelegen atelierwijk in Parijs. Kogan heeft veel technischen zin, hij werkt in velerlei aesthetisch materiaal, in steen en klei, in hout en metaal, met wol en zijde; hij maakt gesneden steenen en gemmen, weef- en borduurwerken, terra-cottas, munten en médailles. En daarnaast figuren of reliefs in hout, cement en brons, zwart- en roodkrijtteekeningen, houtsneden en droge naald-gravures: elke schoone stof beeft voor dezen kunstenaar en wordt door hem bezield met het leven der kunst, dat een goddelijk leven is. De weef- en borduurwerken die de meester maakte, behooren tot de beste versieringen van onzen tijd. Als allen wien het hierbij op edel materiaal en goede techniek aankwam, is hij hiervoor bij Aristide Maillol in de leer gegaan. Er zijn overigens betrekkelijk weinig werken van zijn hand. Veel is verloren gegaan. (meer…)

MOISEJ KOGAN 1

Moisej Kogan (Orhei, Moldavië, 24 mei 1879 – Auschwitz, 3 maart 1943) was een Joods-Russische beeldhouwer en graficus. Kogan werd geboren in het voormalige Bessarabië, dat destijds deel uitmaakte van Rusland, als zoon van een kleine Joodse zakenman. In 1889 nam hij in de Hongaarse kunstenaarskolonie Nagybánya les van de Hongaarse schilder Sim Hollósy. Hij verhuisde in 1903 naar München, waar hij eerst het Lehr- und Versuchs-Atelier für angewandte und frei Kunst bezocht en vervolgens bij Wilhelm von Rümann studeerde aan de Akademie der Bildenden Künste. In 1908 nam hij in Parijs deel aan de expositie van de Salon d’Automne. In München werd hij in 1909 lid van de expressionistische kunstenaarsvereniging Neue Künstlervereiniging München. Karl Ernst Osthaus uit Hagen bood hem een docentschap aan de kunstopleiding van het Folkwang Museum aan, maar Kogan hield het er niet lang uit. Op uitnodiging van Henry Van de Velde gaf hij kortstondig les aan de Kunstgewerbeschule Weimar (het latere Bauhaus zu Weimar) in Weimar. De rusteloze kunstenaar woonde afwisselend in München, Berlijn, Zwitserland en Parijs, waar hij na 1911 voornamelijk leefde. Vanwege die rusteloosheid werd hij wel omschreven als ‘de beeldhouwer zonder thuisland’. Hij was als weinig succesvol beeldhouwer en graficus werkzaam en illustreerde boeken met litho’s en houtsnedes. Kogan kreeg wel erkenning voor zijn werk van de beeldhouwers Auguste Rodin en Aristide Maillol en was jurylid van de Salon d’Automne, waarvan hij in 1925 werd gekozen als vicevoorzitter. In 1927 maakte de jonge Duitse beeldhouwer Arno Breker (Elberfeld, 19 juli 1900 – Düsseldorf, 13 februari 1991) een buste van zijn leermeester (zie hieronder), die dan al 48 jaar oud was. Arno Breker zou uitgroeien tot een zeer omstreden beeldhouwer omdat hij in hoge mate betrokken was bij de ontwikkeling van de zogenaamde ‘arische’ of ‘nationaalsocialistische’ kunst onder Hitlers Derde Rijk. Breker herinnerde Kogan later als een bescheiden man, die nooit enige jaloezie had ten opzichte van succesrijkere collega’s en steeds bleek hopen op de grote doorbraak. Daniel-Henry Kahnweiler, de man die Pablo Picasso onder zijn hoede nam,  beschreven Kogan echter als een moeilijk kunstenaar, niet zozeer vanwege zijn karakter maar omdat Kogan zo langzaam werkte en erger, zijn werk nooit op de afgesproken tijd klaar had. Kahnweiler voegde eraan toe dat dit kunsthandelaren kopschuw maakte, want het is lastig de carrière van iemand te bevorderen als die persoon zelf in dit aspect niet betrouwbaar is. (meer…)

VAREN EN RIJDEN 4

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (36)
EERDERE AFLEVERINGEN

Dan, keren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed. Men komt vrolijk en luchtig, lustig, fris en vatbaar voor allerlei soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeglijk naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevreden naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk, de sofa alleruitmuntendst; het is een hele aardigheid zich op een vouwstoeltje te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men bestelt ontbijt; men praat, men lacht, men heeft anecdoten, stads- en staatsnieuws; men speelt met belangstelling een partij schaak; men is op zijn gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij ziet van tijd tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken en op dek komen, dit is de verveling nog niet; ’t is de ongedurigheid die haar voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld is; men wil in de lucht zijn; men wil de mooie gezichtspunten niet verbeuren; – men blijft een poosje boven, links en rechts en voor en achter kijkende; het twijfelziek gemoed vraagt: ‘Amuseer ik mij?’ De beurs antwoordt: ‘Ik wil het hopen.’
(meer…)