ROME 1

DRUKTEMAKER DOWN UNDER

Elly Molenaar (1979) schrijft en fotografeert voor verschillende websites, bladen en kranten, waaronder oppad.nl en Kek Mama. Reizen is wat ze het liefste doet. Eerst in haar eentje, maar tegenwoordig samen met haar vriend en dochter. In Druktemaker Down Under reist Elly Molenaar zes maanden lang met vriend Richard en dochter Nika (3) door Nieuw-Zeeland en Australië. Een half jaar vol onvergetelijke belevenissen, dikke pret en bijzondere momenten. Van een aanvaring met een zeehond in Oamaru en een driftbui in de rugdrager op een bergkam in Western Australia tot een heuse ‘kolala’-expeditie in New South Wales. Immers, ook met jonge kinderen kun je de wereld ontdekken. Op reis gaan, verre landen bezoeken en genieten van andere culturen en prachtig natuurschoon hoeft echt niet te stoppen zodra er gezinsuitbreiding plaatsvindt. Juist niet! Bedenk eens wat al die mooie en leerzame avonturen met je kind doen. Druktemaker Down Under neemt je mee langs tal van kindvriendelijke plekken in Nieuw-Zeeland en Australië, beschrijft grappige en ontroerende situaties en geeft massa’s handige tips voor het reizen met kind(eren).
.
. (meer…)

HOE OM TE GAAN MET BAUDET

Hendrik Adams (Gasselternijveen, 24 juli 1900 – Velp, 23 december 1980) was een Nederlands landbouwkundige en politicus, die heel kort voor de Boerenpartij in de Eerste Kamer heeft gezeten. Adams, de zoon van de burgemeester van Gasselte, was afgestudeerd aan de Landbouwhogeschool Wageningen en werkte daarna onder meer als rijkspluimveeconsulent voor de provincies Drente en Overijssel en leraar aan de rijkslandbouwwinterschool in Emmen. In de Tweede Wereldoorlog was hij medewerker van het antisemitische sensatieblad De Misthoorn, dat verscheen tussen februari 1937 en september 1942. Het wordt allerwegen gezien als het meest virulente antisemitische scheldperiodiek dat ooit in Nederland verscheen. De Misthoorn trachtte een imitatie te zijn van het Duitse antisemitische scheldblad Der Stürmer; het blad verscheen twee keer per maand, later wekelijks. Op 22 augustus 1940 verklaarde Fritz Schmidt, Generalkommissar zur besonderen Verwendung, dat De Misthoorn stevig gesteund en vergroot diende te worden. Het verscheen sindsdien in een oplage van 20.000 exemplaren, maar het telde weinig abonnees. Het grootste deel van de oplage werd gratis verspreid. Tot medio 1941 ontving De Misthoorn fl. 40.000 (wat vandaag zo’n 3 ton zou zijn) aan financiële steun van Schmidt. Vanaf begin 1942 werd het blad steeds meer de spreekbuis van de Nederlandsche SS en was daarna het middelpunt van de ideologische strijd binnen de nationaalsocialistische beweging, tussen de NSB en Nederlandse SS. In deze strijd, de zogenaamde Misthoorn-affaire, wist de NSB aan het langste eind te trekken. Op aandringen van de NSB werd het blad door de bezettingsautoriteiten verboden. Het laatste nummer verscheen op 26 september 1942. In dat blad had Hendrik Adams een artikel geschreven, waarin hij onder meer schreef over ‘kromneuzige leiders, die ons volk doelbewust offerden op het altaar van de Engels-Joodsche belang’. Adams was ook lid van de aan de SS gelieerde organisatie Saxo-Frisia, een volkenkundige stichting die in januari 1941 werd opgericht door de Groninger hoogleraar oudgermanistiek J.M.N. Kapteyn en tot doel had naspeuringen te doen naar de oorsprong van de ‘Dietse geest’. De stichting had een duidelijk politiek en ideologisch doel. De stichting viel vanaf de oprichting onder toezicht van Der Vaderen Erfdeel, ook wel Volksche Werkgemeenschap genaamd, en was daarmee automatisch ondergeschikt aan de SS-organisatie Ahnenerbe. Vanaf november 1941 viel de stichting onder rechtstreeks gezag van Henk Feldmeijer, de leider van de Nederlandsche SS. Toen Kapteyn na Dolle Dinsdag schielijk Nederland verliet, kwam er een einde aan het bestaan van de stichting. Hendrik Adams werd  na de bevrijding veroordeeld voor collaboratie en verloor voor tien jaar het kiesrecht. (meer…)

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (10)
EERDERE AFLEVERINGEN

In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan rukt de voorhoede der Haarlemse wandelaars er in. Zij bestaat voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen; de boekhouders met watten in de oren; ambachtsbazen met hoge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hun vrouwen één, en met hun dochters drie graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit bijzondere geval met hun zonen, wanneer deze het niet zó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen; want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men reeds nu een enkel jong mens uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij geen schepsel wist te verzinnen, aan wie hij na kerktijd een bezoek schuldig was, nu maar naar Stoffels stapt en, verbaasd van daar nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met de hond van den kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijnheer habitué is.

Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldse kinderen van den geestelijke, zonder hun ouders. Ook komen nu de bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleziergeld betaalt, alreeds tegenkomt; voorts de demi-fortune van de kleine rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelde makelaar, en het rijpaard van de kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbijgereden van Amsterdamse char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laatsten in de stad uitspannen.
(meer…)

MARK LENNON 2

MARK LENNON 1

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (9)
EERDERE AFLEVERINGEN

Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hij de nadeligheid van de eerste zonder melk te drinken, waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij ’t altijd aan iemands teint zien kon ‘want het teint werd er lelijk van’; maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht geschikt om een medicinae candidatum in zijn studiën aan te moedigen, terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring ‘dat er niet één medicus in de wereld was, wien hij, Robertus Nurks, wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde’.

Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun gestelde tijd. De nachtegalen komen in ’t voorjaar, de vinken en lijsters in ’t najaar; de zon schijnt bij dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met de mensensoorten. Al wie met de duizend en een species van het genus Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar verschillenden wandeltijd hebben; iets, ’t welk zeer natuurlijk wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in ’t oog houdt dat er veel mensen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze speciës rangschikt, en men tevens acht slaat op de vreemde vogelen, die uit andere luchten op een zonnige zondag komen aanwaaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der elkander, naar de schone vergelijking van Homerus, als boombladeren wegstotende geslachten in het bestaan van het mensdom, of aan die der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 5

Het is een goede dag, stukken beter dan gisteren toen de temperatuur opnieuw dik boven de veertig graden uitkwam. Elk jaar wordt het warmer hier in Nederland en dan zijn wij nog goed af. In Zuid-Europa is een zomerse temperatuur van meer dan zestig graden geen uitzondering meer. De mensen trekken op vakantie naar Scandinavië, waar de temperaturen nog draaglijk zijn. Het barst er wel van de muggen en muskieten. Wie verstandig is, blijft gewoon thuis. Binnen, want dan hoef je niet constant een mondkapje te dragen en heb je ook geen last van die warme lucht die je inademt.

Iedereen heeft last van de warme, verontreinigde lucht. Onophoudelijk tranen je ogen en die vervelende kuch schijnt bij niemand meer over te gaan. Echt schone lucht is een zeldzaamheid geworden, op elke stukje aarde. Het is verstandig ’s morgens eerst naar het weerbericht te luisteren om te weten of het verstandig is zonder masker even naar buiten te gaan. De smeltende permafrost stoor al jarenlang grote hoeveelheid oude microben uit. Microben waartegen de mensen geen weerstand hebben. Massaal sterven de mensen in je omgeving, jong en oud. Alle experts vertellen dat de komende decennia de aarde nog warmer gaat worden.

De beide drabbles zijn geïnspireerd op onderstaand verhaal uit The Guardian van 15 februari jl., een fragment uit het boek The Future We Choose en nog wel uit het best case scenario
(meer…)

ADAMO 2

ADAMO 1

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (8)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren, want ik ben nog zo jong; dat mijn neef Nurks mij op zaterdag de 14de Juli – gij kunt de almanak nazien of het uitkomt – weder een steen zond, die mij dan ook als zodanig op het hart viel. Hij zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en ’s avonds met den wagen van achten weer vertrekken. De uren daartussen zouden wij aan de vriendschap en het genoegen offeren. – Ondertussen had ik plan gemaakt voor een andere vriendschap en een ander genoegen. Ik had een Leidse makker bij mij gelogeerd, met wie ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wij den nacht zouden doorbrengen om ’s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseren, waarvan wij beide grote liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom verachten zal, naar de gewoonte van vele mensen, die aan de waarde en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn te beoordelen. Mijn neef Nurks behoorde tot dezulken.

Het opgemelde plan was met grote opgewondenheid en wederzijdse goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik beloofde mijnen medische student; wiens naam omdat hij bang voor recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te verzwijgen, en wie ik daarom voor ’t gemak Boerhave zal noemen; ik beloofde mijnen medische student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis, op de weg tussen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook een verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of ’t zo niets is. Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden, en het ganse plan moest worden uitgesteld onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, de gehele dag in Den Hout te zitten; want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.
(meer…)

BREXIT-GEDACHTEN 5

MAANDAG-DRABBLE 4

Een nieuwe fase naar Singapore-on-the-Thames. Een waanidee gebaseerd op een overheersende economische rol van Engeland binnen Europa, een eenpartijstaat, minder democratische rechten en inperking van de vrije meningsuiting. Johnson en zijn conservatieve kornuiten hebben al maandenlang kritiek op de BBC, in de wereld gezien als het toonbeeld van onberispelijke en onafhankelijke journalistiek. Het Britse kabinet heeft de aanval ingezet. Men wil af van het kijk- en luistergeld, waarvan de BBC bestaat. De publieke omroep moet een betaalde zender worden, hun website moet worden uitgekleed en het aantal regionale zenders gedecimeerd. Het Britse volk zal dan worden geïnformeerd door de tabloids.

Een tabloid is een ‘krant’ met een beperkter formaat dan vroeger gebruikelijk was, maar allereerst een blaadje dat gericht is op sensationele misdaadverhalen, gossip over beroemdheden, triviale nieuwsfeiten, soms uit de bekende duim gezogen, vaak gelardeerd met vrouwelijk naakt. Aan politiek wordt weinig gedaan, tenzij er onder de categorie gossip wat te melden valt. En als men al aan politiek doet, is het vooral door rechtse politici blindelings te volgen en de linkse hoek aan te vallen. Stel je voor, dat je voor je nieuwsvoorziening geheel afhankelijk zou zijn van De Telegraaf. In Engeland dreigt de nachtmerrie waarheid te worden.

U2

U2

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (7)
EERDERE AFLEVERINGEN

Onbegrijpelijk veel mensen hebben familiebetrekkingen, vrienden of kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had er voor een paar jaren nog een verre neef. Waar hij nu is, weet ik niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval hebben zij een nauwgezette, maar onvriendelijke bezorger gehad, als uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk worden zal. Inderdaad, ik ken vele mensen, die nog al ophebben met hun Amsterdamse neven, vooral als ze tot de ‘Lezers’ in Felix behoren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent de persoon van mijn neef Robertus Nurks; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan, inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het gemelde bos heb, maar wel iets tegen ZEd.

En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond goedhartig. Maar er was iets in hem – ik weet het niet – dat maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents, in één woord iets volmaakt onaangenaams.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 3

De aandacht van anderen, vrolijk op weg naar huis of naar de binnenstad, weet ze al heel lang te ontwijken. Ze weet dondersgoed wat die anderen zich afvragen. Wat doet dat mens daar? Ze ziet er keurig uit. Goed verzorgd, make-up op en oorbellen in. Een handtas op schoot en een niet al te grote koffer naast haar op het bankje in de bushalte. Ze zullen wel denken dat ze op vakantie gaat. Of de kinderen een tijdje gaat bezoeken. De meeste mensen zullen haar niet aanzien voor een dakloze zwerver, laat staan voor een junkie zonder huis of haard.

De hele dag door laat ze elke bus aan zich voorbijgaan. Bijna niemand die dat opvalt. Slechts een enkeling die regelmatig bij deze bushalte komt, vindt het vreemd dat zij hier alweer zit. Of nog steeds. Met haar handtasje en koffer. Pas als ze er ’s nachts om twee uur in de kou nog steeds zit, lang nadat de laatste bus langs is geweest en in de meeste woningen het licht al lang is uitgegaan, begint het een enkeling te dagen. Deze bushalte is haar thuis, al maandenlang. Een dakloze, maar wel eentje die haar waardigheid nog helemaal heeft behouden.
. (meer…)

SANDY DENNY 2

SANDY DENNY 1

BREXIT-GEDACHTEN 4

Eind vorig jaar schreef Edward Hayward een interessant boe over de Brexit: Slaying Brexit Unicorns; The truth about our decision to leave the EU. Hayward is studeerde informatica, verbleef na zijn afstuderen vijftien jaren in Japan en richtte zich na terugkeer in Groot-Brittannië op allerlei zaken die verband houden met het internet (beheren van websites, handel in domeinnamen, beveiliging, e.a.) Hij gaf met zijn boek een waarschuwing wat de Britten na de Brexit nog te wachten staat, want de onderhandelingen zijn aanstaande en zullen een aantal onneembare bergen op het pad naar  de ‘control back’ opleveren. Hij geeft ook aan welke geheime agenda er achter de Brexit zat. Hij prikt door de diverse mythes die de hardliners met succes aan de onwetende massa wist te verkopen. Zoals het verhaal dat er snel mooie nieuwe internationale overeenkomsten zullen zijn omdat de buitenlandse handelspartners de Britse producten zo hard nodig hebben. Hij toont aan onder verwijzing naar de handelsovereenkomsten van de EU en van de WTO wat het in werkelijkheid gaat betekenen als de Britten op zichzelf staan. Via een aantal berichten op Twitter deelde hij op 5 februari mee dat hij die nacht een verwarrende droom had, die hem op een lumineus idee bracht: waarom sluit Groot-Brittannië zich niet aan bij de Europese Unie, om vervolgens 72 grote voordelen van zo’n lidmaatschap te geven. Ze staan in onderstaand overzicht.
(meer…)

EEN BEESTENSPEL (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (6)
EERDERE AFLEVERINGEN

Als gij in ’t midden van deze tent staat, tussen staatsiegordijnen en schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels – waan niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyena’s, beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hun broederen, zoo zij ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood, steek die portefeuille op, gij tekenaar! Maak hier geen schetsen. Gij hebt geen wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is dood in den tijger. Uwe tekening zou zijn als een portret naar een lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw tot model voor een zijner Germaanse vaderen stellen, of een mummie afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij hun vormen, hun omtrekken, hun evenredigheden zien of berekenen onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het eigenaardige van hun houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevige staat van ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het licht hindert hen. Ze zien er dom, verstompt uit. Dans la nature ils sont beaucoup moins bêtes.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 2

Uitbraken zijn dynamisch, maar gelukkig doven sommigen uit. Meestal toevallig. Andere uitbraken exploderen. Het nieuwe dodelijke coronavirus, niet toevallig opgedoken op de Chinese dierenmarkt, verspreidt zich gestaag. De wetenschap staat half-machteloos te kijken naar het nieuwe raadsel. In 2009 doodde het vorige virus (H1N1) 579.000 mensen. Het nieuwe virus is amper ontwaakt, maar de Chinese economie voelt zich al ziek, zwak en misselijk. De export daalt, de koers van de renminbi keldert en op de beursvloer in Sjanghai begint langzaam de paniek toe te slaan. Alles te wijten aan de Chinese veeteelt, vooral van varkens. De natuur slaat terug. Ongenadig.

LEWIS CAPALDI 2

LEWIS CAPALDI 1

 

EEN BEESTENSPEL (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (5)
EERDERE AFLEVERINGEN

Les peines infamantes sont:
1⁰. Le carcan;
2⁰. Le bannissement;
3⁰. La dégradation civique.’
Code pénal. L. I. Art. 8

Neen, ik wil niet naar ’t beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar, van den lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één hok; – herhaal mij niet dat men ten minste één ongeluk heeft moeten zien ‘bijna gebeuren’ en één bijzonder tekenachtige houding van ’t een of ander gedrocht bespied hebben, in een ogenblik, ‘dat er niemand anders naar keek’; zeg mij niet dat men moet gaan kijken hoe de vrucht van ’t zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in één ogenblik door den gulzige pelikaan verslonden wordt, en hoe de boa constrictor een Leidse bok met hoornen en al, in een oogwenk tijds verzwelgt; – roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel; en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten.

Een beestenspel! Weet gij wat het is? – ‘Een verzameling,’ zegt gij, ‘van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den dierkundigen…’ Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? ‘Neen, als voor ieder mens, die er belang in stelt zijn medeschepselen op dit wijde wereldrond te kennen.’ Gij zegt wèl; maar dan wenste ik mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iedere prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen in hun natuurlijke houding: de leeuw, met een opgeheven voorpoot, als op brullen staande; de kakatoe, van een boomtak nederkijkende, als om te onderzoeken wat voor kleur van haar Adam heeft; en niet, och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort van grote lijsterbogen) in eeuwige beweging; de boa in ’t verschiet, om den boom in schone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den noodlottige appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende, als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel onzichtbaar, dan zó als ik hem in een beestenspel zie… Zoo zou het mij aangenaam en belangrijk zijn. – Maar hier in deze enge, bekrompene hokken, achter die dikke tralies, in die slaafse, weerloze, gedrukte, angstige houding, – o! een beestenspel is een gevangenis, een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken; een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 1

Een drabble? Een drabble is een kort, fictief stuk proza van precies honderd woorden. Niet eentje meer en ook niet eentje minder. Het doel van een drabble is dat een schrijver een kort, maar betekenisvol verhaal vertelt. Bij uitstek dus een mooie uitdaging om interessante ideeën met een beperkt aantal woorden aan de lezers voor te leggen. In februari 2019 schreef ik al eens over het fenomeen, ooit door het fameuze vijftal van Monty Python geïntroduceerd. Dit naar aanleiding van een (gratis) boek van het onvolprezen Belgische weblog De Laatste Vuurtorenwachter. Vanaf heden ga ik wekelijks een actuele maandag-drabble publiceren.

KINDERRAMPEN (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (4)
EERDERE AFLEVERINGEN

Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men denkt. Het groot worden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding ook, is de oorzaak van vele smarten. Want vooreerst, men steekt lange blote armen uit de mouwen, grote enden kous uit de broek. Daarbij schaamt men zich dan gewoonlijk, dat men nog rijglaarsjes of schoenen met gespen draagt, omdat er altijd enige voorlijke knapen zijn, die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar ’t schijnt niet op, dat niet alleen de benen, maar het gehele lichaam groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het overige gedeelte van dat kledingstuk hetzelfde blijvende, men een niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt, en zelfs zó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden het verwijtende kleinblijven overstaat. Nu is het niet plezierig, ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij Lodewijk of Doortje spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw, of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen Lodewijks of Doortjes rug gezet te worden, om met de ververste overtuiging, dat men een hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men ’t op het morele toepast, taxeren; en die taxatie van ’t physieke is de enige, waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen, ’t is niet aardig van de grote mensen, dat ze ’t de kleinen aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: ‘Wat ben je groot geworden!’ op den duur bevallen kan.
(meer…)

KINDERRAMPEN (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (3)
EERDERE AFLEVERINGEN

Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een brave jongen, zo braaf, zo zoet, zo gehoorzaam, zo knap en zo goedleers, dat gij hem met plezier een paar blauwe ogen zoudt slaan, als gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wie na te volgen u pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk een samenspraak is heen gevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij ook al geen de minste sympathie gevoelt, al ‘staan zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man’, daar vader Eelhart of Braafmoed van verhaalt. Het volgende uur hebt gij geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zo gij groot schrijft, het woord wederwaardigheid opmerkelijk door twee moeilijke W’s, zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tussen de lijn: Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid; bij welke gelegenheid gij in twee regels het lidwoord der hebt overgeslagen, wat ten gevolge van de laatste lettergreep van het woord moeder zeer licht gebeuren kon, en eenmaal voorwijzigheid in plaats van voorzichtigheid hebt gezet, welke omstandigheden, zo ieder op zichzelf als in onderling verband, u enigszins angstig doen denken aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen doen. Om niet te spreken, dat gij gekweld zijt geweest met een linkse pen, ontelbare haren in de inkt, een klad of drie, met kunstenaars achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet, dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken door een ondermeester, die even zo ver is in die kunst als gij in ’t schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zo dikwijls te vroeg is gekomen. (meer…)

KINDERRAMPEN (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (2)
EERDERE AFLEVERINGEN

Ik kom nog eens terug op het versje van Hölty.

Hoe zalig, als de jongenskiel         Niets, niets ter wereld doet hem aan
Nog om de schouders glijdt!          Of baart hem ongemak,
Dan is het hemel in de ziel,             Dan stuiters die te water gaan,
En alles even blijd.                             Of ballen over ’t dak.

Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door mensen van leeftijd, of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker, zeker is dat een droevig bewijs voor den treurige toestand van later dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op de Hollandse school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande uit heren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelf gekozen en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat, tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven heeft met een optelling der genoeglijkheden of een uitweiding over ’t ongestoord geluk des kinderleeftijds. (meer…)

ELIZABETH COTTON 2

ELIZABETH COTTON 1

JONGENS

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (1)
EERDERE AFLEVERINGEN

Jongens2
(meer…)

GELUKKIG NIEUWJAAR 2020

DUITSE KOLONIËN 7

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod, in Duitse Koloniën 5 werd Duits-Oost-Afrika besproken en in Duitse Koloniën 6 werd het verblijf in Duits-Witu besproken. Nu de laatste Duitse kolonies in Afrika: Duits-Kameroen en Neukamerun.
(meer…)

DANIEL SPOERRI

Daniel Spoerri (Galați, 27 maart 1930) is een Zwitserse kunstenaar, regisseur en beeldhouwer. Hij werd in Roemenië geboren als Daniel Isaac Feinstein, een zoon van de zendeling Isaac Feinstein die zich als jood tot het christendom had bekeerd en actief was als evangelist. Hij werd in 1941 door de nazi’s opgepakt en weggevoerd naar een vernietingskamp, waar hij werd vermoord. Samen met zijn Zwitserse moeder, broers en zussen vluchtte Daniel in 1942 naar Zwitserland. Daar werden de kinderen geadopteerd en opgevoed door hun oom, Theophil Spoerri, die rector van de Universiteit van Zürich was. Daniel Spoerri kreeg vervolgens een handelsopleiding, was werkzaam als boekhandelaar, fruithandelaar en fotograaf. Op aanraden van Max Pfister-Terpis ging hij een dansopleiding volgen. Na een danscarrière (als solodanser en als regisseur van avant-garde-stukken van Eugène Ionesco, Pablo Picasso en Jean Tardieu) probeerde hij als filmregisseur te werken. In Zwitserland had hij verder al kunstenaars als Jean Tinguely en Eva Aeppli ontmoet. In de jaren vijftig bevond Spoerri zich in het gezelschap van het internationale netwerk van Fluxus-kunstenaars, die in die periode nog een los verband waren van progressieve multidisciplinaire kunstenaars die hun draai in de kunstwereld maar niet konden vinden. In 1959 trok Spoerri naar Parijs, waar hij kennis maakte met andere kunstenaars en zijn eerste objectkunstwerken ontstonden, door hem Tableaux Pièges genoemd. Op 27 oktober 1960 werd in het atelier van Yves Klein de groep Nieuw realisme (Nouveau Réalisme) gesticht, waarbij naast Klein en Spoerri ook Jean Tinguely, Arman, François Dufrêne, Raymond Hains, Pierre Restany, Jacques de la Villeglé en Martial Raysse bij waren betrokken. Ook Wolf Vostell, César Baldaccini, Niki de Saint Phalle, Gérard Deschamps en Christo voegden zich bij de groep, die sterk werd beïnvloed door bewegingen als Dada, Fluxus en Pop-art. Vanaf 1961 kwam de assemblage-kunst in het middelpunt van de belangstelling stond en werden de werken van de groep kunstenaars steeds meer gewaardeerd. (meer…)

29 DECEMBER – JOSEPH LIMBURG

Joseph Limburg (Den Haag, 29 december 1866 – Den Haag, 15 mei 1940) was een Nederlandse advocaat en politicus. Hij groeide op in een joods middenstandsgezin als zoon van de koopman Elkan Limburg (1821-1906) en Jansje van Raalte (1837-1915). Hij was een volle neef van de architect en naamgenoot Jos Limburg (1864-1945), de zoon van de joodse winkelier in manufacturen Levy Joseph Limburg (1825-1907) en Hester van Raalte (1831-1911).  Deze Jos Limburg bouwde veel kantoren, villa’s en volkswoningen, waarvan er een aantal op de lijst van beschermde rijksmonumenten staan. Als gevolg van de Holocaust moesten hij en zijn vrouw onderduiken in de Haagse wijk Bezuidenhout. Aangenomen wordt dat beide omkwamen bij het bombardement op het Bezuidenhout in 1945. Joseph Limburg studeerde rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden en promoveerde in 1890 op zijn dissertatie Strafbare opruiing. Hij vestigde zich als advocaat in zijn geboorteplaats. In 1898 verdedigde hij Pieter Jelles Troelstra, die wegens belediging van de officier van justitie in Leeuwarden terechtstond. Limburg was van 1898 tot 1926 rechter-plaatsvervanger van Arrondissementsrechtbank in Den Haag en had daarnaast tal van nevenfuncties (lid van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks tucht- en opvoedingswezen (1903-1925), voorzitter en mede-oprichter van het curatorium Het Nederlandsch Lyceum te ‘s-Gravenhage (1909-1940), deken van de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad (vanaf 1921), lid van de Raad van Defensie (1922-1940), voorzitter van de Commissie van Advies voor Volkenrechtelijke vraagstukken (1924-1940), lid van de Staatscommissie voorbereiding Codificatie Internationaal Privaatrecht (1924-1940) en voorzitter van de Bond van Verenigingen voor Volkenbond en Vrede). (meer…)

OF THE WAND & THE MOON

Of the Wand & the Moon is een Deens experimentele neofolkgroep, die in essentie bestaat uit de muzikant Kim Larssen die zich bij zijn diverse optredens en plaatopnamen laat begeleiden door diverse muzikanten. Bij het blog over het nummer After the rain van de Oost-Duitse neo-folkgroep Sonne Hagel heb ik al opgemerkt dat ik die neo-folkbeweging moeilijk kan plaatsen vanwege de onduidelijke verwijzingen naar de nationaalsocialistische beweging (provocatie? symbolische aanduiding? verkapte steunbetuiging?), maar dat ik het ook wel intrigerende en vaak bloedmooie muziek vind. Ook bij een ander blog over Sonne Hagel (met de nummers Over the stone en Vengeance) is kort teruggekomen op de ongemakkelijke associaties die de teksten oproepen. Dat geldt ook voor deze Deens groep. Laat ik bij hen volstaan met de onschuldig ogende tekst (de taalfouten heb ik er maar even uitgehaald) die het Helmondse kunstencentrum De Cacaofabriek ooit plaatste bij een optreden van de band: ‘Of The Wand And The Moon wordt wereldwijd gezien als één van de grootste acts binnen het zogenaamde ‘neofolk’ genre. Het album The Lone Descent wordt binnen dit vaak niet-begrepen genre gezien als een mijlpaal. Of The Wand & The Moon is de creatieve uitlaatklep van de Deense muzikant Kim Larsen, veelal aangevuld met verschillende gastmuzikanten. Hij maakte voorheen deel uit van de formatie Saturnus, maar Larsen wilde een andere muzikale weg inslaan en begon aan dit nieuwe project. Zijn folk songs worden gekenmerkt door gebruikelijke thema’s als liefde, verlies, angst en geluk, maar daarnaast ook door minder gebruikelijke – veelal religieuze – thema’s. Of The Wand & The Moon is het best te omschrijven als experimentele, donkere, ambient neofolk.(meer…)

MATHILDE VERSPYCK (39)

Mathilde Adrienne Eugenie Verspyck (Semarang, 16 juni 1908-Ravensbrück, 11 februari 1945) was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Nederlandse verzetsstrijder. Ze werd geboren in de patricische en deels adellijke familie Verspyck die in het toenmalige Nederlands-Indië fortuin maakte. De oudst bekende voorvader was Lenhardt Verspycken, die oorspronkelijk azijnmaker was in Venlo, in 1614 verhuisde naar Nijmegen om er brouwer te worden en er omstreeks 1650 overleed. De familie leverde onder andere militairen, bestuurders en medici op. Gustave Marie Verspyck (1822-1909) werd in 1881 verheven in de Nederlandse adel en dus stamouder van de adellijke tak van de familie, die sindsdien werd opgenomen in het Nederland’s Patriciaat. Blijkbaar was het platbranden van verschillende kampongs hiervoor geen belemmering. Een broer van Gustave was Rudolph Paul Verspyck (1837-1929), die eind negentiende eeuw een van de belangrijke generaals in de kolonie was en die Mathilde’s grootvader was. Haar vader Rudolph Verspyck (1869-1949) was firmant in het bedrijf Dunlop & Kolff, dat in Nederlands-Indië vanuit Batavia, Semarang en Soerabaja handelde in vis, suiker, thee en andere veelgevraagde luxe goederen. Haar ouders scheidde omstreeks 1920; haar vader vestigde zich in Londen en hertrouwde daar, haar moeder bleef achter in Semarang. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonde Mathilde in Brussel (Jan van Lutenslaan 4) en raakte ze al snel betrokken bij een ontsnappingslijn voor neergeschoten geallieerde piloten en werd ze betrokken bij het netwerk Comète (Komeet), een ontsnappingsroute om vanuit België naar Engeland te gaan. Dat netwerk werd in het begin van de oorlog opgericht door Andrée de Jongh, een 24-jarige vrouw uit Brussel. Het Comètenetwerk bracht tijdens de jaren 1942-1945 zo’n achthonderd geallieerde soldaten en ongeveer driehonderd vliegeniers in veiligheid. (meer…)

TWEE KERSTGEDICHTEN

Kerstmis

Klokken haalden mij uit de slaap vandaan:
Kerstmis over den Haag om middernacht.
Hij, die ik dagelijks te wezen dacht,
trok uit mij weg en kwam alleen te staan.

Ik keek tegen mijn eigen leven aan,
alsof een ander het had doorgebracht.
Een lege helderheid betrok de wacht
tussen mij en het opgeschoven raam.

De stad verstomde. Mijn verbeelding ging
over de torens heen naar Bethlehem.
2000 jaren her is daar een kind
zojuist geboren en de moeder windt
het in een doek. De ezel en de man
maken het nuchter mee. Een engel zingt.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
(meer…)

JAC. VAN LOOY – KERSTMIS 1915

Regent het in den nacht?
De stille, de heilige nacht?
Spritst het niet duister en zacht?

Neen,’t regent niet in den nacht,
De alles omhullende nacht,
De nacht is stom en wegend is de nacht.

Ik weet dat onder de nacht
Een menschdom grijnst en smacht
En dat de wolken waren
Als wijlen van doodenbaren.

En dat in reutelingen
Veel duizend lippen zich wringen,
En dat er duizenden sluipen,
Met messen uit holen kruipen. (meer…)

HOE OVERLEEF IK KERSTMIS?

Kerst is zogenaamd een tijd om samen te komen, om je familie te zien, voor knipperende lichtjes, Mariah Carey oneindig op repeat en een oneindige hoeveelheid voedsel dat vaag naar kruidnagels en cranberry’s smaakt. De hele novembermaand werd je al getrakteerd op goedkope eurohousevarianten van sinterklaasliederen en zodra die goedheiligman terug naar Spanje gesodemieterd is, zit jij met Wham opgescheept. In het winkelcentrum, op kantoor, op het centraal station… Er is geen plek meer veilig. Als je de reclames mag geloven is niemand alleen met de kerst. Sterker nog, niemand mág alleen zijn met kerst, ook niet als je helemaal geen zin hebt in mensen. Dus wordt je verplicht om naar je familie te gaan, krijg je als je niet oppast een kriebeltrui over je hoofd heen gewrongen en moet je tegen heug en meug met een kerstmuts op meegourmetten. Er zijn genoeg redenen om kerst te haten. Een beetje kerst-hater herkent onderstaand lijstje meteen. Er zijn meer dan genoeg mensen die totaal geen behoefte hebben aan al die geforceerde gezelligheid en alle knipperende glitterende blokkerballen en actionkitsch, die wekenlang een kleine kortsluiting in die kop veroorzaken. Toch proberen sommigen tegen beter weten in toch om kerstmis een vrolijk feest te maken. Dat mislukt vaak jammerlijk, maar kan een mooi verhaal opleveren, zoals dit verhaal van Flor VandeKerckhove die onder de naam De Laatste Vuurtorenwachter een interessant blog bijhoudt. (meer…)

BREXIT-GEDACHTEN 3

Een groepje hardcore Brexiteers schijnt ervan overtuigd te zijn dat na het vertrek uit de Europese Unie het verenigd Koninkrijk kan worden omgetoverd tot een soort ‘Singapore on the Thames’. Binnen die gedachtegang maakt het niet zoveel uit of er nu met of zonder deal met de EU wordt vertrokken. Ook een eind aan de eeuwenlange verbintenis met Schotland lijkt hen niet echt te deren. Waarom kijkt deze ‘Singapore Fanclub’ met zulke gretige ogen naar de Aziatische stadstaat? Het is duidelijk dat het Singapore economisch voor de wind gaat. De Republiek Singapore, een landje dat bestaat uit een groep van eilanden met één groot hoofdeiland en 62 kleine eilandjes, wordt van Indonesië gescheiden door de Straat van Singapore en van Maleisië door de erg smalle Straat van Johore. Dat hoofdeiland, Singapore of Pulau Ujong, is door twee bruggen en wegen met het vasteland van Maleisië verbonden en heeft ook vaste verbindingen met een paar omliggende binnenlandse eilanden. Er vindt veel landaanwinning plaats om de toenemende bevolking te kunnen huisvesten en nieuwe bedrijfsterreinen te kunnen aanleggen. Men verwacht nog zo’n 100 km² aan oppervlak te kunnen winnen en ook een groot aantal eilanden te kunnen samenvoegen tot grotere functionele eilanden. Ter vergelijking: Nederland had in 2017 op haar 41.543 km² iets meer dan 17 miljoen inwoners, wat neerkomt op 411,3 per km²; Singapore herbergt in 2017 op haar 716 km² iets meer dan 5,8 miljoen inwoners, wat neerkomt op 8.224,8 per km². Van het oppervlak, dat oorspronkelijk geheel uit tropisch regenwoud bestond, is nog steeds 23% bos en natuurreservaat. Als we het in Nederland wel eens hebben over ons dichtbevolkte landje aan zee, bedenk dan dat het in Singapore zo’n twintig maal erger is. Overigens, slechts zeven jaar eerder waren dat er in Singapore maar 3,7 miljoen, dus het inwonertal is snel stijgend terwijl toch vanaf de jaren zestig een streng beleid van gezinsplanning wordt aangehouden. Per gezin mag men maximaal twee kinderen hebben. (meer…)

22 DECEMBER – NIBERCO

Niberco was de artiestennaam van Nico van Berkel (Rotterdam, 22 december 1925-Den Haag, 18 januari 1993), een Nederlandse goochelaar. Hij was de zoon van Johannes Cornelis van Berkel (2 april 1895-?), een andere beroemde Nederlandse goochelaar, die het ook nodig vond de achternaam te wijzigen om internationaal beter aan de bak te kunnen komen. Onder de artiestennaam Bercelini trad hij gedurende de Eerste Wereldoorlog meer dan zeshonderd keer op voorde Nederlandse militairen die langs de grens de Nederlandse neutraliteit moesten garanderen. Hij bouwde later on de naam The Great Bercelini een grote internationale carrière op en had ook samen met zijn echtgenote een ‘Second Sight act‘, een act waarbij de twee partners schijnbaar elkaars gedachten kunnen lezen en waarbij de ene partner geblinddoekt op het podium achterblijft en de ander zich tussen het publiek begeeft. De suggestie is dat er een vorm van telepathie is tussen de twee personen. Hij was de uitvinder van diverse goocheltrucs en heeft enkele boekjes met kaarttrucjes uitgegeven, die met wat zoeken nog steeds te vinden zijn en voor beginnende goochelaars interessant kunnen zijn. Zijn twee dochters zouden Leonie en Mary zouden als gedachtelezers in het artiestenvak gaan werken. Ook Niberco zou helemaal in de voetsporen van zijn vader treden en ook een grote internationale carrière als ‘manipulator’ opbouwen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte Niberco deel uit van het gezelschap van cabaretier Wim Sonneveld. Die trad voor de oorlog op in Parijs maar nadat in september 1939 de oorlog was uitgebroken besloot hij terug te keren naar Nederland. (meer…)

FAIRPORT CONVENTION / BOB DYLAN

Bob Dylan is hier al twee keer langsgekomen, een keer met The ballad of Hollis Brown en een keer met All Along The Watchtower. Van dat laatste nummer had ik ooit de gedachte een groot scala van covers langs te laten komen, maar daar is het nog steeds niet van gekomen.Toch binnenkort maar eens oppakken. Het nummer van vandaag is een protestlied dat hij schreef in de winter van 1962-1963, verscheen op het album The Freewheelin’ Bob Dylan (1963) en helaas nog niks aan relevantie verloren heeft. De melodie was gebaseerd op de folktraditional Nottamun Town, waarvan de oorsprong en betekenis wordt betwist. Er zijn speculaties dat het een Engels lied is uit de tijd van de Engelse Burgeroorlog (1642-1651) en verwijst naar de stad Nottingham of zelfs een nog oudere Engelse oorsprong heeft, namelijk naar Mummers Play uit de Middeleeuwen. Er zijn ook nog andere interpretaties met verwijzing naar Engeland in omloop, maar andere musicologen houden het op een Amerikaanse traditional. Fairport Convention nam de traditional in 1969 op voor hun album What we did on our holidays, waarvoor slechts een deel van de oorspronkelijke tekst werd gebruikt. Een aantal jaren daarvoor had Bob Dylan de melodie van de herontdekte traditional al gebruikt voor zijn protestsong. Het nummer is een felle aanklacht tegen de wapenwedloop in de Koude Oorlog. Het is Dylans meest directe, onomwonden aanval, met duidelijk afgelijnde personages, met een ‘ik’ en een ‘jij’ en die ‘jij’ (die laatste heeft het overduidelijk helemaal bij het verkeerde eind), en met geen enkele ruimte voor empathie met de ander, een oorlogsmisdadiger immers: Nottamun Town en Masters of War. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 034

Frans van den Muijsenberg / 2 juni 2019 / Kunstroute Bronckhorst

D.B. COOPER

D.B. Cooper is de veronderstelde naam van een vliegtuigkaper die verantwoordelijk was voor een van de spectaculairste ontsnappingen in de Amerikaanse geschiedenis. Meer dan 45 jaar lang duurde het onderzoek van de FBI naar de identiteit van de mysterieuze man, waarvan ook onbekend is gebleven of hij de kaping wel had overleefd. Pas in 2016 liet de misdaadonderzoeksdienst weten niet langer tips over D.B. Cooper in behandeling te nemen, tenzij mensen nog geld of parachutes van Cooper vinden. Op 24 november 1971 had deze kaper onder de naam Dan Cooper voor 12 dollar en 04 cents een ticket gekocht voor een korte vlucht Northwest Orient Airlines van Portland, Oregon naar Seatle, Washington. Waarschijnlijk had Cooper zijn naam ontleend aan de naam van het Belgisch-Franse stripverhaal Dan Cooper. Het verhaal, gepubliceerd in het blad Kuifje, ging over een Canadese piloot die regelmatig zijn parachute gebruikte. In het eerste persbericht dat na de kaping werd uitgegeven werd om duistere redenen de naam D.B. Cooper genoemd, die vervolgens door alle media werd overgenomen en nog steeds geldt als de officiële naam van de vliegtuigkaper.

Vlucht 305 zou slechts een half uurtje moeten duren, maar al snel gebeurde er wat opmerkelijks. De passagier op stoel 18C, een lichtgetinte man met een zonnebril en gekleed in een donker pak, gaf aan stewardess Florence Schaffner een briefje met daarop de mededeling dat hij een bom bij zich had. Hij dreigt het vliegtuig, een Boeing 727, op te blazen als hij niet 200.000 dollar (in 2018 zou dat een waarde vertegenwoordigen van $1.180.000 in 2018) en vier parachutes zou krijgen. Aanvankelijk negeerde de stewardess het briefje, in de veronderstelling dat de man met haar probeerde te flirten. Die sprak haar echter direct aan met de woorden: ‘Miss, you’d better look at that note. I have a bomb’. Hij vroeg haar vervolgens naast hem te zitten, waarna hij zijn koffer valies opende en haar een indrukwekkende reeks cilinders met draden niet zien. (meer…)

BREXIT-GEDACHTEN 2

De recente verkiezingsuitslag wordt vaak versimpeld tot een wedstrijd tussen de Conservatieve Partij van premier Boris Johnson en de Labour Partij van Jeremy Corbyn. Waarbij een stemmer dat sentiment fraai , maar niet treffend, verwoordde: ‘Het was kiezen tussen twee kwaden, maar uiteindelijk koos iedereen alsnog voor de grootste oen’. Dat Corbyn groot onrecht wordt aangedaan door hem te vergelijken met de nitwit Johnson is onderwerp van een later blog. Veel stemmers lieten weten dat ze blij zijn dat eindelijk de impasse rond de Brexit voorbij is. Dat is echter maar schijn, want het land is nog steeds tot op het bot verdeeld. Een groot deel van de Britten is nog steeds fel tegen de Brexit en voelt zich met deze uitslag niet gehoord. En bovendien weet men nog steeds amper welke zegeningen en rampspoed hen boven het hoofd hangt. Te vrezen is dat het vooral veel rampspoed zal worden.

De Amerikaanse kunstenaar Mathew McFarren (7 december 1957), die zijn hele leven al woont in Ohio, beschreef op zijn Facebookpagina hoe hij aankijkt tegen de manier waarop de Amerikaanse samenleving is ingericht, maar aangezien hij er een foto bij plaatst waarop Trump en Johnson elkaar de hand schudden en diep in de ogen kijken, geeft hij er ook mee aan wat hij na de Brexit vreest voor de Britten: ‘Leven in een land als Amerika, waar socialisme een vies woord is, verandert je psychologisch. Je geeft je gezondheid niet langer prioriteit, je gaat niet naar een dokter omdat ze je zorgen maakt over bepaalde ziekteverschijnselen, want je andere rekeningen die betaald moeten worden. De verschijnselen zullen hopelijk vanzelf wel verdwijnen. Je kijkt naar mensen in je lokale winkel op de hoek die voedselbonnen bij zich hebben en je beschouwt dat als normaal. Die mensen hebben een baan, maar hebben die bonnen echt nodig. Ze hebben waarschijnlijk geen verzekering. Je houdt de hand vast van een vriendin die zich zorgen maakt dat ze zwanger is en huilt over het feit dat ze nooit in staat zal zijn om zelf de $ 8,000 te betalen om te bevallen, laat staan dat ze de $ 600 per maand kan opbrengen om te zorgen dat ook haar baby toegang tot de gezondheidszorg krijgt. Mijn persoonlijke wens voor de toekomst zou zijn dat de ene groep mensen ermee stopt een andere groep mensen steeds de schuld te geven voor de achteruitgang van Amerika. Gebrek aan gezondheidszorg, een salaris waarvan je niet kunt  rondkomen, de achteruitgang van de middenklasse, scholen die steeds slechter functioneren en een snel slechter wordende infrastructuur …. de arme burgers van dit land zijn hiervan niet de schuld.. Nee, de algemene hebzucht en een regering van, voor en door de bedrijven, dat is het probleem.  (meer…)

BREXIT-GEDACHTEN 1

Vorige week werden in Groot-Brittannië verkiezingen gehouden en op vrijdagmorgen stonden de krant bol van superlatieven om de uitslag te beschrijven. De algemene mening die uit de ‘analyses’ van alle zogenaamde deskundigen naar voren kwam is: de Conservatieven hebben een overweldigende verkiezingswinst gehaald, Labour heeft enorm op zijn falie gekregen (wat vooral aan Jeremy Corbain wordt toegeschreven), de Schotse nationale partij heeft het uitmuntend gedaan en de Liberaal Democraten zijn de allergrootste verliezers. De laatste wordt zelfs verweten dat ze wellicht de grote winst van Johnson mogelijk hebben gemaakt, terwijl vreemd genoeg niemand nog spreekt over het opzetten dat Johnson en Farage hebben gemaakt om Labour zo veel mogelijk de wind uit de zeilen te nemen. Of de invloed van de media wordt al helemaal weinig gezegd. Nu valt niet te ontkennen dat de zetelverdeling in Groot-Brittannië ingrijpend is veranderd, maar in werkelijkheid is er verdomd weinig veranderd als we kijken naar de percentages van de stemmen. Dan kunnen de volgende conclusies worden geschrokken. (meer…)

THEODORE BARON VAN HEEMSTRA (38)

Theodore Willem Lodewijk baron van Heemstra (Sassenheim, 27 maart 1883 – Zutphen, 31 maart 1945) was een hoofdingenieur van het seinwezen te Nijmegen en beheerder van het grote district Nijmegen. De gereformeerde Van Heemstra, telg van een oude Friese familie met vele militairen, bestuurders en politici die vanaf 1814 tot de Nederlandse adel behoorde en vanaf 1816 de titel van baron of barones mochten voeren, was gehuwd en had acht kinderen. In 1910 behaalde hij in Luik het ingenieursdiploma, waarna hij als constructeur in dienst trad bij Siemens-Schuckert in Berlijn. In 1912 stapte hij over naar de Staatsspoorwegen in Nederland, waar hij adjunct-ingenieur bij het Seinwezen werd. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 meldde hij zich vrijwillig aan als 1e luitenant bij de artillerie; in 1918 volgde de bevordering tot reserve-kapitein. In 1919 werd hij geplaatst bij het Seinwezen in Zutphen als ingenieur, in 1925 volgde de benoeming bij het Seinwezen in Amersfoort en na een reorganisatie volgde de overplaatsing naar Nijmegen, waar hij na enige tijd hoofdingenieur van het Seinwezen werd. Direct na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij actief in het verzet. Hij weerde NSB-ers uit zijn afdeling bij de Spoorwegen, ondersteunde personeelsleden die vanwege de Arbeitseinsatz onderdoken en steunde ook actief de spoorwegstaking in september 1944 en daarop volgende maanden. Namens de directie had hij de opdracht om voedselbonnen en geld te verstrekken aan ondergedoken spoorpersoneel in Oost-Nederland. Als zodanig ging hij ook te werk in Nijmegen. Samen met dr. ir. E.J. Bosch van Rosenthal gaf hij leiding aan de sabotageactiviteiten binnen de Nederlandsche Spoorwegen. Hij hield kantoor in een villa aan de Spoorstraat 34, op de hoek met de Nassausingel (ter hoogte van later de Tunnelweg zou worden). (meer…)

15 DECEMBER – MIMI HAMMINCK SCHEPEL

Mimi Hamminck Schepel (Venlo 15 december 1839 – ‘s-Gravenhage, 25 september 1930) was een vrijdenkster, schrijfster, vertaalster en onderwijzeres. Ze is echter vooral bekend omdat ze gehuwd was met de schrijver Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli (Amsterdam, 2 maart 1820 – Ingelheim am Rhein, 19 februari 1887). Mimi  was een dochter van de militair Johannes Christiaan Pieter Hamminck Schepel (1808-1870) en Maria Volck (1815-1863), als oudste in een gezin van vijf meisjes en twee jongens (zie foto hieronder). Haar vader had simpelweg besloten zijn laatste doopnaam aan zijn achternaam toe te voegen aan zijn achternaam, waarna het weinig deftige ‘Schepel’ ineens werd gewijzigd in het adellijk klinkende ‘Hamminck Schepel’.  Vanwege de vele verplaatsingen die een militaire loopbaan met zich meebracht, verhuisde het gezin veel. Omstreeks 1860 woonde Mimi in Den Haag, waar ze dat jaar een eerste onderwijsakte haalde, in 1861 volgden de lagere akten voor Frans en Engels en op 11 april 1863 de akte als hoofdonderwijzeres. In die jaren volgde zij ook de lidmatencatechisatie (voortgezet godsdienst-onderwijs voor leden van een bepaalde protestante kerk) van de ‘moderne’ predikant J.C. Zaalberg. In die periode maakte ze via de feministische schrijfster Marie Anderson kennis van de Minnebrieven (1861) van Eduard Douwes Dekker (Multatuli), met daarin de revolutionaire ‘Geschiedenissen van gezag’. Uit eigen beweging schreef zij de schrijver een brief. Daarop deed Multatuli bij de aflevering van zijn Ideën van 22 april 1862 een oproep aan haar om een postadres aan hem bekend te maken: ‘Zijzelve kan begrijpen dat ik haar iets te zeggen heb’. (meer…)

GENE KRUPA / ANN PANAGULIAS

Op 6 maart 1894 vermoorde dominee Johan Barger in zijn woning Cato Mirande, nadat zij niet was ingegaan op zijn avances. Over deze Barger wordt verteld dat hij de bijnaam ‘De blikken dominee’ had, maar het is onduidelijk of hij die bijnaam al voor de moord had of pas daarna verkreeg. Het kan best al een oude uitdrukking zijn geweest, want F.A. Stoett merkt in zijn ‘Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925)’ op: ‘Een blikken dominee, volgens het Ndl. Wdb. III, 2784 ‘een zeer rechtzinnig en dientengevolge “stijf” predikant’. De beteekenis van blikken is echter niet die van ‘stijf’, maar van onecht, niet vol, van weinig waarde; vgl. hd. blech, Sache von geringem Wert; sinnloses Zeug; blecherne Weisheit, nietsbeteekenende wijsheid; ndl. een blikken, een officier van de administratie1). ‘Een blikken domine’ is een straatprediker of een oefenaar (Ndl. Wdb. II, 2847). Voor plaatsbewijzen zie Nav. XXIX, 262; Nkr. II, 6 Dec. p. 6: Daarbij plechtige gebaren makend, van een blikken dominee afgekeken; IV, 25 Dec. p. 6; VIII, 10 Jan. p. 2; Amst. 62: Hij is fijn geworden!… ’t is de blikken dominee, hij is van ’t hondje gebeten; Kmz. 50; Kent. 35: Toen kijkt-ie me an met z’n valsche smoel, als ’n blikke dominée bij ’n sterfbed; Twee W.B. 91: Ach, blikke domenee, wou je met mij ruzie zoeken? Groot Nederland, Oct. 1914, bl. 419: Laat onzen lieven Heer ‘r buiten – stel je niet as ’n blikken dominee an; Handelsblad, 2 Maart 1914 (avondbl.) p. 1 k. 2: De vroegere minister joeg op de Jantjes een blikken dominée af, die onder den eenen arm den Heidelbergschen catechismus droeg en onder den anderen Bunjam’s pelgrimsreis naar de eeuwigheid; 24 Dec. 1915 p. 2 k. 1 (ochtenbl.);Amsterdammer, 13 Dec. 1914 p. 7 k. 1: Als niet te kwader ure op commando van een of anderen ‘blikke-domine’ van ’n legislateur wij Amsterdammers zoo buitengewoon fatsoenlijk waren geworden; enz. Vgl. hd. ein blecherner Heiland, religionslehrer’. (meer…)

DE SOEPLOODSOPROER

50e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Amsterdam heeft een lange geschiedenis van grote en kleine opstanden.De stad moest altijd zijn centjes bijeen sprokkelen door het heffen van accijnzen op meel, vlees, boter, wijn, turf, steenkool, brandhout, etcetera. Allemaal eerste levensbehoeften van de stedelingen. Daarnaast werden alle mogelijke opcenten bedacht, zoals bij verhuur en verkoop van onroerend goed en dan natuurlijk lig- en vrachtgelden voor binnenvaartschepen, marktgelden en sluis- en bruggelden. Niet verwonderlijk dat dit met enige regelmaat tot spanningen leiden. In de vorige aflevering is de Jordaanoproer (1934) beschreven, op 28 juni 1917 was er het Aardappeloproer (dat een week duurde en waarbij 9 doden en 114 gewonden vielen) en in juli 1886 vond het Palingoproer plaats, een heftig protest tegen het (verboden) volksvermaak van het trekken aan een levende paling, dat eindigde met vijfentwintig doden, veertig zwaargewonden en honderd lichtgewonden. Langer geleden vond  het Soeploodsoproer plaats, een protest tegen de Wet op de Personele Belasting uit 1833. Artikel 24 par.3 van de wet bepaalde dat de belasting van percelen met een huurwaarde van minder dan tachtig gulden per jaar door de eigenaars zelf moest worden opgebracht. De eigenaars hadden in beginsel wel de bevoegdheid het geld op de huurders te verhalen, maar als die huurders niet wilden of konden betalen, stonden ze machteloos. Ze misten het recht van parate executie ofwel hadden niet de bevoegdheid om bij huurders die in gebreke bleven zonder voorafgaand rechterlijk vonnis in het openbaar de inboedel te verkopen. (meer…)

PETRUS GONSALVUS

Petrus Gonsalvus (1537-1618), de gelatiniseerde naam van Pedro Gonzalves, werd rond 1537 geboren op Tenerife, een van de Canarische eilanden. Naar verluidt was hij een afstammeling van de oorspronkelijke Guanche-koningen van Tenerife. De Canarische eilanden werden begin 15e eeuw door het koninkrijk Castilië veroverd, de Guanchen, de toenmalige bewoners van de eilanden, werden toen gevangen genomen en als slaaf verkocht. De jonge Pedro was als kind al zwaar behaard als gevolg van een genetische erfelijke afwijking hypertrichose, ook bekend als het Syndroom van Ambras of het Weerwolfsyndroom. Pedro kreeg dan ook  de bijnaam Hombre Lobo Canario (ofwel de Weerwolf van Canario) en werd vanwege zijn uitzonderlijke aandoening al gauw een beroemdheid, die ook de aandacht trekt van de Spanjaarden.  Op tienjarige leeftijd werd hij door een gezant van het Castiliaanse Hof naar het vasteland overgebracht. In die tijd was het ‘bon ton’ voor koningen en edelen om aan hun hof allerlei curiositeiten te verzamelen. In deze periode van grote ontdekkingsreizen werden allerlei nieuwe diersoorten, nieuwe planten, nieuwe cultuurvoorwerpen van over de hele wereld naar Europa getransporteerd en gretig verzameld door adellijke families en collectioneurs. Elk zich respecterend hof bezit een rariteitenkabinet met daarbij als vanzelfsprekend ‘levende curiosa’: kleurrijke papegaaien, exotische reptielen, dwergen en mensen met een bizar uiterlijk. Een freakshow die nu van weinig goede smaak getuigt, maar toen model stond voor universele belangstelling.

In 1547 komt Pedro aan in Parijs, want ook de Franse koning Henry II had belangstelling voor het weerwolfkind en liet hem overkomen. De koning was blijkbaar opgetogen over zijn nieuwe aanwinst en gaf hem een prinselijke opvoeding in Parijs en in het paleis van Fontainebleau. Omdat de Europeanen dachten dat de inwoners van de Canarische eilanden oorspronkelijk in grotten woonden, zou men zelfs een artificiële grot hebben gemaakt in de tuinen van het paleis, waar Pedro zich dan thuis zou kunnen voelen. In werkelijkheid verbleef hij gewoon in het paleis als bevoorrechte beschermeling van de vorst: Le sauvage du Roi. (meer…)

HELEN AHPORNSIRI

Helen Ahpornsiri maakt kleine collages waarvoor ze echte bloemen en gebladerte gebruikt, die ze eerst zorgvuldig kweekt en er daarna op de traditionele manier droogbloemen van maakt. Dat houdt in dat de bloemen en gebladerte op z’n kop in een donkere, liefst goed geventileerde plaats worden opgehangen. Over het algemeen zijn harde of stevig aanvoelende gewassen hiervoor het meest geschikt zijn, maar ook zachtere bloemen als rozen kunnen worden gebruikt. Deze droogbloemen worden vervolgens door haar gerangschikt op bijvoorbeeld grootte, vorm of kleur en daarna via een pincet blaadje voor blaadje heel voorzichtig op een blad aangebracht. Ze maakt er kleine voorstellingen van: libellen, vlinders, vogels, insecten en andere beestjes, met ingenieuze minuscule patronen. Het is een oude methode om met gebruik van alle natuurlijke elementen een artistieke compositie te ‘schilderen’ stamt uit het zestiende eeuwse Japan, waar het Oshibana wordt genoemd. Men zegt dat het in Japan werd ontwikkeld voor de samurai als een van de disciplines om hen te onderwijzen in het leven in harmonie met de natuur, maar ook om hun concentratie en geduld te trainen. Vanuit Japan schijnt het eind negentiende eeuw te zijn overgewaaid naar het Midden-Oosten en via de souvenirs die reizigers meebrachten vanaf het begin van de twintigste eeuw over de wereld te zijn verspreid. Vooral in het Victoriaanse Engeland was het niet ongebruikelijk fotoboeken te verfraaien met voorstellingen die uit droogbloemen waren gemaakt. Van lieverlee ontwikkelde het in West-Europa tot een aparte kunstvorm, waarbij vooral de rol van Grace Kelly (prinses Grace van Monaco) die in 1980 een boek uitbracht waarin ze de kunstvorm beschreef. Voor een maakster als Helen Ahpornsiri vergt het maken van haar werken een behoorlijk inspanning, maar ook de kijker moet er moeite voor doen om ze op hun waarde te kunnen schatten. De illustraties zijn namelijk vaak niet groter dan een munt en lijken op het eerste gezicht bedrieglijk eenvoudig te maken. Alleen wie echter goed kijkt, ziet hoe gedetailleerd de illustraties zijn. De beloning is de schoonheid die zowel in de details als in een grote plaatje zit. De werken van Ahpornsiri zijn verkrijgbaar via haar eigen website en via Etsy, zowel originele werken als allerlei bewerkingen. Verder is ze te volgen via Facebook, is op YouTube te zien hoe ze haar werken fabriceert en heeft ze ook een aantal boeken vol met werken op de markt gebracht. Er zijn massa’s mooie ‘schilderijen’ van haar, maar hier wordt er slechts één van haar afgebeeld, inclusief allerlei detailopnames: een glicéeprint op een zwarte achtergrond die in een beperkte oplage is gemaakt en ook is opgenomen in haar boek A year in the wild uit 2018: De Kerkuil. (meer…)

SIGARENZAKJES

Een sigarenzakje is een papieren zakje waarin sigaren verpakt werden. In een sigarenzakje werd gewoonlijk een enkele sigaar of hooguit een klein aantal daarvan verpakt. Het zakje vrijwaarde de sigaar van beschadigingen en hield het aroma beter vast. Het sigarenzakje is in de eerste helft van de 19e eeuw ontstaan; de oudst bekende exemplaren stammen uit omstreeks 1840. In die tijd werd het roken van sigaren steeds meer een gewoonte en omdat de sigaar een relatief duur product was, kreeg elke winkelier/handelaar de noodzaak zijn product een goede verpakking te geven. Omdat de sigaar per stuk of zeer kleine aantallen werd verkocht en het een erg kwetsbaar product was, lag een verpakking per sigaar voor de hand. Zo’n verpakking beschermde de sigaar niet alleen tegen beschadiging, stof en vuil, maar zorgde er ook voor dat het aroma beter werd geconserveerd. Verpakt in een eenvoudig bedrukt papieren zakje was de sigaar geschikt voor transport en kon door de koper in de binnenzak of onder de hoed worden meegenomen. Die oudste sigarenzakjes werden van stevig papier gemaakt en kreeg daarmee bijna de uitstraling van de toen gangbare papier machee sigarenkoker. Het was niet zomaar een zakje, maar eerder een enveloppe met een sluitdriehoek. De luxe uitvoering, die nog erg lijkt op de sigarenkoker, wordt ook nog extra benadrukt door de opdruk in gravurestijl. Rond 1870 was het sigarenzakje een algemeen gangbaar verpakkingsmiddel geworden. Met de opkomst van de commerciële drukpers vanaf circa 1860 kwam ook in zwang deze sigarenzakjes te bedrukken, soms met op de achterzijde een rebus (zie hieronder een voorbeeld). De zakjes werden fraai bedrukt met gestileerde tabaksplanten, allegorische voorstellingen van handel en scheepvaart, rokende morianen of dito andere personen of afbeeldingen van spraakmakende gebouwen. Vaak werd op een sigarenzakje ook de winkelpui van de sigarenhandel weergegeven, met de naam van de winkel en winkelier. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 035

Ossip Zadkine (Vitebsk, 14 juli 1890 – Parijs, 25 november 1967) was een Franse beeldend kunstenaar van Wit-Russische komaf. Hij is vooral bekend geworden als beeldhouwer, maar hij laat ook een belangrijk oeuvre na van gouaches en litho’s. In Nederland is hij vooral bekend van het beeld De Verwoeste Stad in Rotterdam, een icoon voor het bombardement op de stad in mei 1940. Zadkine had een Joodse vader die docent klassieke talen in Smolensk was en een Schotse moeder. In 1905 stuurde zijn ouders de vijftienjarige Ossip naar Engeland, waar hij vanaf 1908 onder meer lessen volgde aan de Arts and Crafts School in Londen. In oktober 1909 vestigde hij zich in Parijs, maar hij werd opgenomen in de kunstenaarsgroep met Fernand Léger, Alexander Archipenko, Marc Chagall en Amedeo Modigliani. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als vrijwilliger in het Franse leger als soldaat-brancardier. Eind 1917 raakte hij bij een gasaanval gewond. Rond 1918 verkreeg hij de Franse nationaliteit en in 1920 huwde hij de kunstenares Valentine Prax. In 1928 verhuisden zij naar de Rue d’Assas 100, waar Zadkine beschikte over een atelier en een tuin. Er is nu het Musée Zadkine gevestigd. Ook in het Franse Les Arques in het département du Lot, waar Zadkine een zomerverblijf had, bevindt zich een Zadkine-museum met enkele van zijn werken. In de crypte van het Romaanse kerkje tegenover dit museum staat een Piëta van Zadkine. Vanaf 1918 werd zijn werk sterk beïnvloed door het kubisme, waarvan hij na 1926 langzaam wat afstand nam om een geheel eigen stijl te ontwikkelen die werd geïnspireerd door de primitieve kunst. (meer…)

8 DECEMBER – JOHAN BARGER

Johan Barger (Amsterdam, 8 december 1853 – Leeuwarden, 2 mei 1900) was een Nederlandse dominee en moordenaar. Hij was de zoon van de timmerman Petrus Barger en Johanna ten Broekhorst. Hij studeerde theologie te Utrecht en bracht in 1975 een redelijk goed ontvangen dichtbundel uit, getiteld Van Bloesems en knoppen. Vanaf 2 mei 1880 was hij predikant te Goudswaard. Hij was toen al getrouwd, maar blijkbaar was was dat een weinig gelukkig huwelijk. In 1882 ontvluchtte hij wegens huwelijksproblemen zijn woning en legde zijn ambt in Goudswaard neer. In 1883 werd hij hulppredikant te Lettelbert,een gehucht in het Westerkwartier van de provincie Groningen met minder dan tweehonderd inwoners. Een jaar later werd hij er predikant en weer een jaar later werd hij benoemd te Garnwerd. Op 16 juli 1885 trouwde hij in Leek voor de tweede maal, met Eilke Venema (1864-1944), de 21-jarige dochter van schoolmeester Jan Venema en zijn Doortje Kooij. In 1888 maakte hij opnieuw een promotie met zijn aanstelling als predikant in Harlingen, waar hij een statig pand aan de Noorderhaven 29 betrok.

Hij leerde in Harlingen al snel de 17-jarige Catharina Helena Mirande (Harlingen, 25 maart 1870 – Harlingen 6 maart 1894) kennen, die catechisatielessen bij hem volgde. Cato, zoals ze gebruikelijk werd genoemd was de dochter van winkelier Carel Louis Mirande (1829-1895), de jongste in het gezin. Ze had twee broers en twee zussen; een jonger zusje overleed jong en de moeder Laurina Jacoba van den Broeke (Middelburg, 1836 – Harlingen, 1874) stierf toen Cato vier jaar oud was. Het gezin leidde een teruggetrokken leven in hun woning op de Grote Bredeplaats 21, vlak bij de haven van Harlingen. Er ontstond via de catechisatielessen al snel een vriendschap tussen mevrouw Eilke Barger-Venema en Cato, die Cato twee dagen per week in dienst nam als naaister. Cato werd in de domineeswoning kind aan huis en zo kwam ze steeds meer in privécontact met de dominee. (meer…)

THE MAMAS AND THE PAPAS

The Mamas and the Papas was een toonaangevende Amerikaanse zanggroep uit het midden van de jaren zestig, die bestond uit John Phillips, Cass Elliot, Denny Doherty en Michelle Phillips. Het verhaal gaat dat ze de naam ontleedde aan een discussie in een populair praatprogramma op televisie. Tijdens een brainstormsessie had iemand de televisie aangezet en men belandde direct ineen gesprek met een Hells Angel. De eerste zin die ze hoorden was ‘Now hold on there, Hoss. Some people call our women cheap, but we just call them our Mamas’. Cass sprong op en riep uit ‘Ja! Ik wil een Mama zijn!’ Michelle stemde daarmee in en wilde ook een Mama zijn. John en Denny keken elkaar aan en John zei ‘Papas? Okay, probleem opgelost’. De band had zijn naam. De groep had direct in 1965 een wereldhit met California Dreamin’, dat nog steeds hun bekendste nummer is. De groep stond erom bekend dat in hun omgeving altijd voldoende marihuana of andere populaire drugs voorhanden waren en er ook driftig gebruik van werd gemaakt. De leden gaven zelfs toe dat ze de drugs gebruikten voor de ogen van hun kinderen, die ook vaak bij de opnamesessies aanwezig waren. Het einde van de groep is ook al zo’n mooi verhaal. Al lang voor het ontstaan van de band waren John en Michelle met elkaar getrouwd. Al snel na het ontstaan van de groep kregen Michelle en Denny echter een verhouding, die ze lang van de twee andere bandleden geheim konden houden. Tijdens een reeks optredens in Mexico nam Michelle hierover echter Cass in vertrouwen, die hierover woedend was omdat ze zelfs stiekem een oogje op Denny had. Niet lang daarna kwam ook John erachter en was het huwelijk naar de vaantjes. John vertrok uit hun woning en trok verrassenderwijs in bij zijn concurrent in de liefde, Denny. Dat leverde natuurlijk tussen beiden ongemakkelijke situaties op, zodat werd besloten Michelle voor het blok te zetten. Na enige besluiteloosheid koos ze voor John en ging weer met hem samenwonen. Dit hield echter niet lang stand, waarna Michelle haar toevlucht zocht in de armen van Gene Clark, een lid van de bevriende band The Byrds. Toen Michelle na een concert kushandjes blies in de richting van Clark, die op de eerste rij zat, was de maat voor John vol. Het huwelijk strandde definitief en Michelle werd uit de band werd gezet. Nadat de fans om de terugkeer van Michelle bleven schreeuwen, kwam ze toch weer terug in de groep, maar de sfeer was inmiddels om te snijden. Denny ging aan de drank om zijn verdriet te vergeten. Toen bij een optreden John in Londen John grove, beledigende opmerkingen maakte over het uiterlijk van Cass, verliet deze per direct de band. Er werd vanwege de contractuele verplichtingen nog een album uitgebracht, maar in juli 1968 was het definitief afgelopen met The Mamas and The Papas. Tussen het drugsgebruik en onderling geruzie zag men echter wel kans een aantal formidabele nummers op te nemen, met een overdaad aan love and peace. Zoals dit magistrale Safe in my garden. (meer…)

SINT NICOLAAS 1938

Sint Nicolaas 1938

Weer doen wij ons aan marsepein tegoed:
al ligt de wereld machteloos te bloeden,
God zal òns feest, òns Neerland wel behoeden.
o, Sinterklaas, wij waren braaf en zoet!

Verstop de krant, die riekt naar rook en bloed:
nòg walmt de puinhoop, nòg zwiept ginds de roede
en striemt den Jood; wij kunnen ’t niet verhoeden…
o, speculaas, o, marsepein, zo zoet!

Vanavond deert ons vluchteling noch beul,
wij zoeken slechts bij koek en snoepgoed heul,
en lezen, voor ’t naar bed gaan, ’t woord des Heren,

dat ons, als steeds, weer ernstig stemt en sticht,
maar verder vrijlaat en tot niets verplicht
zolang wij koek en snoepgoed niet ontberen.

A. Marja (1917-1964)

DUITSE KOLONIËN 6

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod en in Duitse Koloniën 5 werd Duits-Oost-Afrika besproken. In dit blog: Duits-Witu.
(meer…)

DOKTER, DOKTER, ALLEMAAL DOKTERS (11)

DOKTER, DOKTER, ALLEMAAL DOKTERS
De onbekende kant van de gezondheidszorg
Verhalen met en over dokters
(deel 11)

door
JOEP SCHOLTEN
.
.
.
.
.
(deel 1) (deel 2) (deel 3) (deel 4) (deel 5) (deel 6) (deel 7) (deel 8) (deel 9) (deel 10)


4. Money money (Liza Minelli, Joel Grey)
deel 2

Sinds 2006 leven we in een nieuwe werkelijkheid. Nederland vergrijst en al jaren worstelt de politiek met de stijgende kosten van de zorg. Marktwerking, onderlinge concurrentie tussen zorgaanbieders, artsen, ziekenhuizen, enzovoort moet het allemaal meer betaalbaar maken. Toegenomen concurrentie is goed voor de aanpak van de wachtlijsten in ziekenhuizen en zal de kwaliteit van de dienstverlening verbeteren, is de veronderstelling.
Sindsdien wordt er door de medische stand, vooral door huisartsen, onverminderd tegen deze werkelijkheid gefulmineerd. Maar elke minister van VWS, goed of slecht, kan zich geen betere tegenstander wensen. Met name huisartsen zijn onderling verdeeld tot op het bot, bovendien zelden bereid de daad bij het woord te voegen. De LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging) heeft inmiddels een concurrent. De één roept nu vooral wat de ander nalaat te doen.
Patiënten zouden lijden onder het nieuwe systeem. Dat is maar zeer de vraag. Eerder hebben die last van een andere beroepsinstelling onder huisartsen. Steeds meer deeltijdwerkers, groepspraktijken en zogenaamde HAP’s (huisartsenposten) waar de arts-patiëntrelatie meer en meer verwatert. Vooral oudere artsen kijken er naar met gemengde gevoelens. Zij vinden dat huisartsen hun unieke positie verkwanselen en die ontwikkeling is al langer aan de gang dan sinds de komst van het nieuwe zorgstelsel. (meer…)

DOKTER, DOKTER, ALLEMAAL DOKTERS (10)

DOKTER, DOKTER, ALLEMAAL DOKTERS
De onbekende kant van de gezondheidszorg
Verhalen met en over dokters
(deel 10)

door
JOEP SCHOLTEN
.
.
.
.
.
(deel 1) (deel 2) (deel 3) (deel 4) (deel 5) (deel 6) (deel 7) (deel 8) (deel 9)


4. Money money (Liza Minelli, Joel Grey)
deel 1

Geld gedraagt zich binnen de medische stand als vreemdelingenhaat bij nette mensen. Daar loop je niet mee te koop. Slechts onder gelijkgezinden valt die gêne weg. Op websites, speciaal voor huisartsen, zie je dan ook dat vooral geld het thema is waarvoor men in de pen klimt. Alles passeert: achterblijvende tariefaanpassing, het schijntje voor de ANW-dienst (avond-, nacht- en weekenddienst), de vergoeding per verrichting of voor ICT-investeringen. Ook bij artsen lijkt het erop dat bij het reageren via internet elk gezond gevoel voor schaamte verdampt. Daar ook krijg je zicht op de vreemde positie waarin vooral huisartsen zich hebben gemanoeuvreerd. Hoewel ze zich ondernemer noemen, lijkt hun gedrag eerder op dat van ambtenaren die het allemaal overkomt. Ondertussen verkruimelt het zorgvuldig gekoesterde imago van de onbaatzuchtige zorgverlener. Soms krijg je de indruk dat patiënten in dit verhaal nog slechts een gemarginaliseerd verschijnsel zijn. In plaats daarvan regeert Money Money.

En toch kun je nog bijna de tijd aanraken dat een huisarts zich beledigd voelde, zodra je een toespeling maakte op zijn verdiensten of hem een idee aan de hand deed waarmee hij zijn concurrentiepositie kon verbeteren.
‘Ik ben arts.’ (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 27

KARL SCHMIDT-ROTTLUFF

Karl Schmidt-Rottluff (Rottluff, 1 december 1884 – Berlijn, 10 augustus 1976) werd als Karl Schmidt geboren in het dorp Rottluff, dat tegenwoordig een stadsdeel is van Chemnitz. Vanaf vanaf 1905 noemde hij zich Schmidt-Rottluff, misschien wel gelijktijdig met de oprichting van de Künstlergemeinschaft Die Brücke die op 7 juni 1905 in Dresden werd opgericht door hem, Ernst Ludwig Kirchner, Fritz Bleyl en Erich Heckel, vier studenten aan de Technische Hochschule te Dresden. In zijn beginjaren schilderde Schmidt-Rottluff in pointillistische stijl, maar onder invloed van het fauvisme begon hij wilder te schilderen. Voor de Eerste Wereldoorlog schilderde Karl Schmidt-Rottluff vooral landschappen en naakten. Daarbij werd hij ook beïnvloed door Afrikaanse primitieve beeldhouwkunst. Die Brücke had in november 1905 haar eerste tentoonstelling bij een kunsthandel in Leipzig. Blijkbaar maakte ze de nodige indruk, want reeds kort daarna meldde de voraanstaande kunsthistorica Rosa Shapire zich als passief lid van de vereniging. Karl Schmidt-Rottluff, die zij als hoogste inschatte, maakte in de periode 1911-1919 enkele portretten van haar. De expressionistische kunstenaarsgroep Die Brücke zou slechts een kort bestaan kennen in de beeldende kunst (1905-1913), maar een langdurende invloed uitoefenen. De naam werd door Karl Schmidt-Rottluff bedacht en was vermoedelijk afkomstig uit het werk Also sprach Zarathustra van Friedrich Nietzsche, die daarmee de overgang tussen oud en nieuw (verleden en toekomst) bedoelde. Snel na de oprichting sloten Emil Nolde, Max Pechstein, Otto Mueller en Cuno Amiet zich bij dit viertal aan. In latere jaren zou de Nederlandse schilder Kees van Dongen een tijdje bij Die Brücke betrokken zijn. (meer…)

ALPHAVILLE

Alphaville is een Duitse synthpop-rockband, die bestond uit Hartwig Schierbaum, Bernhard Gößling en Frank Sorgatz uit Münster. Omdat ze internationale ambities hadden en beseften dat hun erg Duitse namen daarbij lastig zou kunnen zijn lieten ze zich hernoemen in respectievelijk Marian Gold, Bernhard Lloyd en Frank Mertens. Inderdaad een stuk beter uit te spreken in de Angelsaksische wereld. Oorspronkelijk noemde de band zich bij de oprichting in 1982 Forever Young, maar een jaar later werd de naam gewijzigd in Alphaville, naar de sciencefictionfilm Alphaville uit 1965 van Jean-Luc Godard. In 1984 bracht Alphaville zijn debuutsingle Big in Japan uit, dat direct een wereldhit werd. De zinsnede ‘Big in Japan’ werd later gebruikt om westerse bands te beschrijven die wel populair zijn bij het Japanse publiek, maar weinig aandacht trekken in hun eigen land. Nog hetzelfde jaar bracht de groep eerst een LP uit die ook Forever Young heette. Van deze LP werd in 1984 twee andere nummers uitgebracht die internationaal een groot succes werden: Sounds like a melody en Forever Young. De grote successen konden niet verhinderen dat Frank Mertens (Frank Sorgatz) de band nog in 1984 verliet en werd vervangen door ene Ricky Echolette. Er zouden in latere jaren nog meerdere wijzigingen volgen, slechts Marian Gold resteert van de oorspronkelijke bezetting. Er zijn sindsdien 15 LP’s uitgebracht, de laatste in 2017 wat al aangeeft dat Alphaville nog steeds optreedt. De successen blijven sinds de drie hitsingles uit 1984 echter uit, wellicht is dat ook al lang niet meer het doel van de band. Misschien willen ze simpelweg forever young en on the road blijven. Maar die singles (Sounds like a melody in veel mindere mate dan de twee andere ‘evergreens’) liggen dan ook bij iedereen nog steeds in het hoor. Sinds de tachtiger jaren sluit de band onveranderd elk concert af met het nummer dat vorig jaar nog steeds op nummer 298 van de Top 2000 stond: Forever Young. (meer…)

DIVERSITEIT/DIVERSITY

Op 14 november ontving Lily Monori van Dijken in Utrecht de prestigieuze Boerhaaveprijs voor haar werk in het Utrecht Medisch Centrum (UMC). Tegelijkertijd hiermee verscheen haar gedichtenbundel Diversiteit/Diversity met een stuk op 90 Engelstalige en Nederlandstalige gedichten van haar. Gisteren vond in het UMC een eerste bijeenkomst plaats van het Poëziecafé, een initiatief van de Medisch Studenten Faculteitsvereniging Utrecht (MSFU) en de Projectgroep Poëzie UMC Utrecht, die als motto heeft dat in iedereen een dichter schuilt. Het ligt in de bedoeling van deze bijeenkomst een maandelijks terugkerend evenement te maken. Voor deze eerste bijeenkomst was Lily Monori de gastdichter, wat een goede gelegenheid was om haar gedichtenbundel onder de aandacht te brengen. Met succes want na afloop van de bijeenkomst werden de laatste dichtbundel van de eerste druk afgenomen. De tweede druk van Diversiteit/Diversity is inmiddels in de maak. De komende weken staan naar aanleiding van de bundel nog enkele interviews met haar gepland. Tevens heeft ze zich inmiddels ingeschreven De Grote Poëzieprijs. Deze prijs is sinds begin dit jaar de opvolger van de VSB Poëzieprijs en de prijzen van De Gedichtenwedstrijd, voorheen de Turing Gedichtenwedstrijd. Er zijn prijzen voor de beste bundel en het beste ingezonden gedicht. De wedstrijd staat open voor zowel professionele dichters als amateurdichters uit het hele Nederlandse taalgebied. Een van degenen die de ontwikkeling van Lily Monori op de voet volgt is de schrijver Aloysius Keller (1948), waarvan een paar jaar geleden de debuutroman Symfonie der dagelijkse dingen verscheen, waarin de liefde voor zijn geboorteland Indonesi, zijn bevindingen over posttraumatische stressstoornis en zijn betrokkenheid bij therapeutische schrijfprojecten de belangrijke thema’s zijn. Aloysius schreef naar aanleiding van het Poëziecafé: ‘Als frequent ziekenhuispatiënt en jarenlange mantelzorger krijg ik tijd om na te denken, maar het zijn juist de vele gedachten die verwarren. De gedichtenbundel Diversiteit/Diversity van Lily Monori van Dijken helpt door het direct taalgebruik mijn focus beter te vinden. De gedichten spreken aan en geven houvast. Bij sommige huiver ik, ervaar ik spanning of merk dat ze verwachting scheppen, maar steeds is er die onzichtbare aanwezigheid die in de verzen wordt opgeroepen. Een prachtige bundel, van een prachtige vrouw. Enkele gedichten hoop ik na verloop van tijd beter te kunnen begrijpen.’ Daar hoef ik verder niks aan toe te voegen. Wel wil ik iedereen laten delen in twee van mijn favoriete gedichten van Lily Monori.

De gedichtenbundel is overigens rechtstreeks bij de dichteres te bestellen: lily.vandijken32@gmail.com. De prijs van de bundel is € 15,-.
(meer…)

FRANS DUWAER (37)

Frans Duwaer (Amsterdam, 1 januari 1911 – Overveen, 10 juni 1944) was directeur van NV Drukkerij J.F. Duwaer, een drukkerij en uitgeverij aan de Nieuwe Looiersgracht in Amsterdam. Duwaer zat tijdens de oorlog ook in het verzet en richtte zich erop goede valse persoonsbewijzen te maken, inclusief een goed ondergrondpatroon en watermerk. Toen in juli 1942 begonnen werd met de transporten van de Joden werd Duwaer door Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, gevraagd te gaan zorgen voor vervalste persoonsbewijzen. Duwaer ging onmiddellijk in op dat verzoek. Hij schafte speciale zet- en gietmachine aan, waarmee hij het goede lettertype kon maken. Het persoonsbewijs was ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacob Lentz, die in samenwerking met de Duitse bezetter het beste persoonsbewijs van Europa ontwierp. Het is het Nederlandse verzet eigenlijk nooit gelukt om dit persoonsbewijs goed te vervalsen en na te maken. Dat kwam omdat een speciale inktsoort voor het persoonsbewijs werd gebruikt: onder een kwartslamp werd de inkt onzichtbaar. Ook reageerde het karton van het persoonsbewijs met aceton, waardoor veranderingen in de geschreven tekst direct opvielen. Verder was het niet mogelijk om de pasfoto in het persoonsbewijs te verwijderen omdat dan een doorzichtige zegel aan de achterkant werd verbroken, waarop een vingerafdruk stond. De lijm van de zegel was buitengewoon moeilijk te verbreken zonder dat de zegel ook verbrak. De vingerafdruk op de achterkant van de pasfoto moest weer overeenkomen met de vingerafdruk aan de linkerkant. Vervalsingen met een pasfoto waren daarom vrijwel uitgesloten. Om het kopiëren nog moeilijker te maken werd een schaduwarchief van de persoonsbewijzen bijgehouden, zodat vervalste nummers zouden opvallen. Deze paspoortnummers staan bovenaan het persoonsbewijs. Dit Duitse archief in Huize Kleykamp in Den Haag werd op verzoek van het Nederlandse verzet op 11 april 1944 om 15:00 uur gebombardeerd door de geallieerden. Het ambtelijk personeel was nog aan het werk toen het bombardement begon. Er vielen 59 doden, waaronder ook een aantal Nederlanders die aan het verzet hand-en-spandiensten verleenden.
(meer…)

COLONNE HENNEICKE

Zodra de Duitsers in mei 1940 Nederland hadden bezet, werd begonnen met de vervolging van het Joodse deel van de bevolking. Al na twee maanden kwam de eerste van een eindeloze reeks maatregelen, die er op waren gericht de Joodse bevolking stapsgewijs te isoleren, te beroven en uiteindelijk uit de samenleving te verwijderen. De zogenoemde Colonne Henneicke was werkzaam gedurende de slotperiode van de vervolging van de Joodse bevolking in Nederland. De groep, onder leiding van Willem Henneicke en Willem Briedé, was actief in de periode maart – september 1943. Het was een gezelschap van omstreeks vijftig Nederlandse premiejagers die ondergedoken Joden opspoorde en aan de Duitse instanties uitleverde. Ook verrijkten de premiejagers zich met het opsporen en zich toe-eigenen van Joodse bezittingen. In de Duitse organisatiestructuur was Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart de hoogste autoriteit in bezet Nederland. Direct onder hem viel Hanns Rauter, de Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer, daarmee de hoogste politiechef van de bezetter. Onder Rauter werkte dr. Wilhelm Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (= Sicherheitsdienst), tevens de baas over het kamp Amersfoort. Binnen Harster’s staf kwam een afdeling IVB4 (een naam die precies is overgenomen van de afdeling van Adolf Eichmann in zijn Berlijnse hoofdkwartier), met Willi Zöpf als hoogste landelijke baas en Willi Lages als eindverantwoordelijke voor de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, de instelling die verantwoordelijk was voor de deportatie van de Nederlandse Joden. Lages liet de dagelijkse leiding over de Zentralstelle over aan Ferdinand Aus der Fünten en Karl Wörlein. Vanaf 1942 begon de Duitse oorlogsmachine op volle toeren te draaien. Hoofdzakelijk een Duitse aangelegenheid, maar ondersteund door Nederlandse handlangers. Van de ruim 160.000 geregistreerde Joden werden wekelijks duizenden naar de vernietigingskampen in Polen gestuurd. Later zou blijken dat meer dan 100.000 Joodse Nederlanders de oorlog niet hadden overleefd. (meer…)

SABINE WISMAN

Sabine Wisman laat op haar site weten dat ze vroegtijdig de kunstacademie verliet en ging werken op een reclamebureau. Later volgde ik een schrijfopleiding, met als resultaat dat ze inmiddels zo’n twintig boeken en meer dan honderd columns in magazines heeft geschreven. Ook combineert ze haar twee liefdes (schrijven en tekenen) en ontwikkelde programma’s voor mensen met een creatief beroep en creatieve solo-ondernemers: Artist Wake Up Call en Creative Biz om creatieve ondernemers te begeleiden bij hun groei in zelfvertrouwen als centen. Wat dat laatste betreft zegt ze op haar website: ‘Geld. Je hebt het nodig voor huis, voeding en versiering. En hoe geweldig is het dat je het kan verdienen met doen waar je veel plezier in hebt? Ben je zelfstandige creatieve ondernemer (hallo fotograaf, vormgever, illustrator, schrijver, kunstenaar, ontwerper, artiest, maker), dan heb je naast dat plezier ook nog eens vrijheid. Iets waar ik persoonlijk nooit meer afscheid van wil nemen. Maar creatief én commercieel zijn is geen vanzelfsprekende combinatie en dat is zonde. Maar wacht … we’re here to help. Geld vragen voor iets wat je met zoveel plezier maakt is vaak een heikel onderwerp. Maken is jouw gave en een cadeau van heb-ik-jou-daar. Daarmee geld verdienen vinden we niet altijd makkelijk. Want ja, je doet gewoon wat je graag doet. Wat je moet doen, misschien, omdat het simpelweg is wie je bent. Het is eng om daar een bedrag aan te hangen. Dat kan ik met zekerheid zeggen na zoveel creatieve ondernemers in mijn programma’s te hebben gehad. Het is niet alleen eng in het prille begin van je creatieve carrière maar ook als je al een jaren bezig bent.’ Daar is geen woord teveel van gezegd, want als kleine ondernemer weet ik uit ervaring hoe lastig het is om te bepalen wat het juiste bedrag is om aan een potentiële klant te vragen. Sabine heeft dat dilemma op een aardige manier in beeld gebracht. Ze heeft er een zestal tips bij geleverd die hier na te lezen zijn. Doe er uw voordeel mee. Trouwens, ook voor andere problemen heeft ze handige en komische lijstjes. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 033


.
Frans van den Muijsenberg / 12 september 2019 / Belfort, Frankrijk

24 NOVEMBER – MAX LÉONS

Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) was een Nederlands verzetsstrijder. Hij groeide op in een liberaal joods gezin weigerde, dat toen hij een puber was naar Amsterdam verhuisde. Begin 1942 zag de jonge Léons dat van de Duitse bezetters niet veel goeds te verwachten was. Hij geloofde niks van de verhalen die werden verteld over Joden die naar Oost-Europa werden getransporteerd en was ervan overtuigd dat ze daar allemaal zouden worden vermoord. o die reden weigerde hij ook een baantje dat hij bij de Joodsche Raad kon krijgen. Toen zijn familie werd opgeroepen zich te melden voor deportatie naar Polen, wist hij ervan te overtuigen onder te duiken. Op 12 juli 1942 volgde zijn ouders en anderen zijn advies en doken onder. Max zelf zwierf enige tijd door het land om buiten bereik van de nazi’s te blijven. Uiteindelijk belandde hij begin 1943 in het grotendeels gereformeerde Drentse dorp Nieuwlande. Hij legde zich echter niet neer bij zijn positie als onderduiker, neemt de schuilnaam Nico aan (eigenlijk niet zo slim, omdat het zijn tweede voornaam is en dus redelijk makkelijk te traceren), zorgde ervoor dat hij goed integreerde in de lokale bevolking en ging zelfs bij het verzet. Daarbij was hij in contact gekomen met de domineeszoon Arnold Douwes uit Laag-Keppel, die inmiddels zelf ook als ondergedoken was. Samen zochten zij in de wijde omgeving voor onderduikadressen voor anderen, zorgden ervoor dat die onderduikers op dat adres werden afgeleverd en onderhielden allerlei contacten om te zorgen dat de onderduik kon blijven bestaan. dat betekende onder meer zorgen voor voedsel, kleding, informatie en afleiding. Ze redden honderden joden het leven, vooral veel kinderen. Op deze manier runden Léons en Douwes het meest vreedzame deel van de almaar uitdijende organisatie van Johannes Post, de vermaarde verzetsstrijder. Die had inmiddels zelf de kant van het gewapende verzet gekozen. (meer…)

ZJEF VANUYTSEL

Zjef Vanuytsel (Mol, 6 juli 1945 – Leuven, 30 december 2015) was een Belgisch kleinkunstzanger, gitarist en architect. Hij begon tijdens de middelbare school te zingen en muziek te componeren waarmee hij doorging toen hij in Brussel zijn architectuurstudie volgde. Conform de progressieve spelling die indertijd in de mode was (en gelukkig grotendeels achter ons ligt) herschreef hij zijn voornaam in de artiestennaam Zjef. In 1970 debuteerde hij met het album De Zotte Morgen, waarvan enkele nummers in België kleinkunstklassiekers werden. Uit de nummers bleek duidelijk dat hij sterk beïnvloed was door Jaap Fischer en Jacques Brel. Zjef Vanuytsel zong in het Nederlands maar wilde liever niet in het vakje kleinkunst ondergebracht worden. ‘Ik verkies liedjesmaker. Of Nederlandstalige chansonnier. Die woorden dekken een veel grotere lading. Kleinkunst dat zijn luisterliedjes. Een woord dat je niet meer hoort. Zijn ballades ook luisterliedjes?’ Van het album werden meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Zijn grote succes werd verklaard door zijn vakmanschap en talent voor melodie en arrangement, zijn romantische en poëtische luisterliedjes en de wijze waarop hij popinvloeden vermengde met traditionele kleinkunstelementen. De sfeer is weemoedig, met thema’s zoals het voorbijgaan der dingen, de twijfel, maar ook warmte, meevoelen en troost. Zijn thema’s zijn vaak uit het leven gegrepen en autobiografisch. Zjef bracht tijdens de jaren zeventig nog drie albums uit en bevestigde zijn talent. In 1983 verschijnt nog ‘Tederheid’ maar daarna zet de zanger er een punt achter. Succes interesseerde hem niet, de tanende interesse voor het Nederlandstalige lied deed hem voor de zekerheid van een architectenbestaan kiezen. Eind 2007 bracht Vanuytsel onverwachts weer een album uit en in 2008 begon hij zelfs weer door Vlaanderen te toeren. Hij gaf ook één concert in Goirle, maar in Nederland is hij eigenlijk altijd een grote onbekende gebleven. In 2009 was hij de centrale gast op de Nekka-nacht in het Antwerpse Sportpaleis, waar hij uiteraard veel oud werk speelt maar ook nieuwe liederen laat horen, de meeste als sterke duetten, zoals ‘Lief en Leed’ met Boudewijn De Groot, ‘Ouwe makkers’ met Thé Lau en Jan de Wilde en een prachtige versie van ‘Als je zomaar weg zou gaan’ met Sarah Bettens. Zjef Vanuytsel overleed op 30 december 2015 aan kanker in Leuven en werd op 9 januari 2016 begraven. Bij de uitvaartplechtigheid was de fine fleur van de Belgische artiestenwereld aanwezig. Vanuytsel behoort volgens velen tot de belangrijkste liedjesschrijvers van de voorbije decennia. Zijn debuutplaat ‘De Zotte Morgen’ uit 1970 was een stijlbreuk met het toenmalige Nederlandstalige kleinkunst/troubadour-genre en zette zich resoluut af tegen de toenmalige schlager- en balmuziek. De Zotte Morgen kan misschien wel beschouwd worden als de eerste echte volwassen chansonplaat in Vlaanderen en is zeker een mijlpaal binnen de Nederlandstalige muziek. Hier het openingsnummer van zijn eerste album, een nummer dat in 2008 werd opgenomen in de eregalerij van Belgische klassiekers: De zotte morgen. (meer…)

PAKISTAN: PESJAWAR EN LAHORE

.
Fragment uit Eindpunt: U-Tapao van Ellen van Boggelen-Heutink

12 – Don
Pakistan: Pesjawar en Lahore
11 februari 1969 – 12 februari 1969

Het visum was geregeld en we konden verder reizen. We kochten kaartjes voor de bus naar Pesjawar (41) in Pakistan. Halverwege de middag kwamen we aan bij de grens en reden in ongeveer een half uur door de legendarische Khyber Pass (42), de veelbevochten bergpassage van Afghanistan naar Pakistan. Indrukwekkende bergen, angstaanjagende dieptes. Gaandeweg zakte ze zon steeds dieper weg achter de bergen en werd het te duister om veel van de omgeving te zien. Rond vier uur kwamen we aan in Pesjawar, waar het zomers warm was. We kochten kaartjes voor een slaapcoupé in de trein van tien uur naar Lahore en liepen vervolgens de stad in. Deze was onaangenaam druk, de mensen luidruchtig en ongeduldig, het landschap eromheen was echter prachtig. Grazige weiden en verre uitzichten over glooiende heuvels.
In slaap gewiegd door het ritmische kadunkkadunk van de trein, kwamen we om halfnegen de volgende ochtend uitgerust in Lahore (43) aan. Op zoek naar een slaapplek liepen we de lobby van het Shahib Hotel binnen en tot onze grote verrassing kwamen we Ted en Yvette tegen. We hadden hen ontmoet tijdens ons verblijf in de jeugdherberg in Athene. Nadat we ons snel een beetje hadden opgefrist, trokken we met z’n vieren de grote, drukke stad in. Overal zagen we paarden met rijtuigjes en ossenkarren. (meer…)

ODALISKEN – 026

Jean-Auguste-Dominique Ingres (Montauban, 29 augustus 1780 – Parijs, 14 januari 1867) was een Frans kunstschilder, eentje die behoorde tot de allerbeste schilders aan het begin van de 19e eeuwe en die een grote invloed zou hebben op Franse schilders na hem. Hij kreeg zijn eerste lessen van zijn vader, die schilder-beeldhouwer was. In 1791 ging hij naar de Academie in Toulouse en kwam in 1797 in Parijs bij Jacques-Louis David in de leer, nog zo’n icoon. In 1799 werd hij aangenomen aan de École des Beaux-Arts in Parijs. In 1801 won hij de “Prix de Rome” met het neoclassicistische werk Achilles ontvangt de afgezanten van Agamemnon. Ingres schilderde portretten die sterk afweken van die van zijn leermeester David. Hij streefde naar een voorname houding en een realistische weergave van kleding. In Parijs kreeg zijn werk echter scherpe kritiek, omdat men de scherp omlijnde, precieze schilderwijze waarin de penseelstreken onzichtbaar waren en de verf een vlakke techniek vertoonde, ‘gotisch’ vond. De critici beperkte hun commentaar echter niet tot hun commentaar op de werken, maar nog scherper vielen ze de persoon Ingres aan. Blijkbaar was Ingres uiterst impopulair binnen de artistieke Parijse wereld. De sterkste tegenstander was de kunstcriticus Théophile Silvestre (Fossat 1823 – Parijs 1876), die Ingres in een van zijn boeken als volgt omschreef: (meer…)

DE JORDAANOPROER

49e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Op 24 oktober 1929 begon met de beurskrach in New York een grote mondiale economische crisis, In de dertiger jaren zou dat ook in Nederland leiden tot steeds ernstiger economische problemen en toenemende werkloosheid. Bij het uitbreken van de crisis in 1929 waren er 109.000 werklozen (1,7% van de beroepsbevolking) , maar al in 1930 was de werkloosheid in Nederland sterk toegenomen. In 1936 zou dat aantal zijn opgelopen naar 502.000 man en op het hoogtepunt van de crisis waren er 584.000 afhankelijk van de steun (11,9% van de beroepsbevolking). Bij het opstellen in 1931 van de begroting voor het daarop volgende jaar werd een begrotingstekort voorzien van 75 miljoen gulden. Dat betekende volgens de toenmalige inzichten (en ook nu nog, want liberalen zijn hardleers) dat er flink moest worden bezuinigd op de overheidsuitgaven. Het kabinet had een commissie benoemd, waarvan Charles Welter de voorzitter was, die met voorstellen moest komen. Begin 1932 kwam die commissie met haar rapport en stelde voor de rijksbegroting die 590 miljoen bedroeg met eenzesde te verlagen. De bezuinigingen in dat eerste jaar waren: een flinke belastingverhoging op de benzineprijzen, salarisverlaging voor alle ambtenaren, een verhoging van de invoerrechten. Voor de daarop volgende jaren werden nog verdere bezuinigingen voorzien, namelijk nog verdere bezuinigingen op de ambtenarensalarissen, verzekeringsfondsen, de vloot en het onderwijs. Verder werden de belastingen en (opnieuw) de invoerrechten verhoogd. In 1933 en 1934 volgde onrustige jaren, met onder meer de muiterij op de Zeven Provinciën (1933) en het Jordaanoproer (1934). (meer…)

ELLEN VAN BOGGELEN-HEUTINK

Ellen van Boggelen-Heutink werd op 3 april 1948 in Amsterdam geboren en emigreerde in 1956 met haar ouders, broers en zus naar Canada. Ze bracht al tekenend haar kinderjaren door en wist toen al dat ze later illustrator wilde worden. In 1967 keerde ze terug naar Nederland om een opleiding aan de AKI (Akademie voor Kunst en Industrie) te Enschede te gaan doen. Ontevreden met de manier van lesgeven, stopte ze ermee en ging als au pair in Duitsland werken. Toen dat was afgelopen, is ze een jaar lang liftend en met openbaar vervoer door Europa en het Midden-Oosten en het Verre Oosten gereisd. Onderweg hield ze een dagboek bij en maakte vele foto’s en tekeningen. Aansluitend woonde en werkte ze een jaar lang in Thailand waar ze indirect betrokken raakte bij de Vietnam Oorlog. Na ruim anderhalf jaar werd de reis in U-Tapao afgesloten en restte de terugreis. Na een verblijf van een jaar in Canada keerde ze in 1971 definitief terug naar Nederland, hervatte haar opleiding aan de AKI, ontmoette daar haar man en bleef plakken. Na de geboorte van hun eerste zoon hebben ze zich aangemeld bij Jeugd Onder Dak en een half jaar later hadden ze hun eerste pleegkind. Ze werden al vrij snel een groot pleeggezin met gemiddeld zes tot acht pleegkinderen en vier bio-zoons. In 1991 ging ze als zzp’er aan de slag als illustrator met een tekenstudio aan huis. Ze werkt voor binnen- en buitenlandse opdrachtgevers en treed daarnaast regelmatig op als sneltekenaar. (meer…)

STANLEY BROUWN

Stanley Edmund Brouwn (Paramaribo, 25 juni 1935 – Amsterdam, 18 mei 2017) was een Nederlands conceptueel kunstenaar van Surinaamse afkomst. Hij woonde en werkte vanaf 1957 in Amsterdam. Brouwn ontwikkelde zich als kunstenaar als autodidact en werkte vooral op het gebied van performance en conceptuele kunst. Zijn conceptuele werken werden vaak in boekvorm gepresenteerd. Het centrale thema in Brouwns werk is het overbruggen en opmeten van afstanden. In zijn vroege werk is hij sterk gericht op de interactie met het publiek. Hij laat passanten een route uitleggen of voetafdrukken achterlaten op vellen papier. Deze werken visualiseren voor Brouwn de begrippen afstand en richting. Sinds het begin van de jaren zeventig maakt hij werken die ontstaan door het tellen van voetstappen die hij binnen een bepaald tijdsbestek op een bepaalde plaats of in een bepaalde richting zet. Hij legt de verhoudingen tussen tijd, ruimte, afstand en richting met precisie vast. De alledaagsheid van het lopen wordt door hem benadrukt. ‘Het is niet uitgesloten’, schrijft hij in 1971, het is zelfs zeer waarschijnlijk, dat ik alle projecten, welke ik gedurende mijn leven zal realiseren, zal kunnen samenvatten onder één titel, namelijk de volgende: Man loopt op de planeet aarde.’ Voor zijn project ‘this way brouwn’ spreekt hij willekeurige voorbijgangers aan op straat en vraagt hen een bepaalde route te beschrijven en te schetsen. Er zijn verschillende versies van ‘this way brouwn’. Ze verschillen sterk van elkaar omdat ze door verschillende mensen zijn getekend. Vaak bestaat een werk uit niet meer dan een wit velletje papier, niet groter dan 35 x 33 cm., met daarop wat zwarte lijnen. Soms met een enkele staatnaam of belangrijk gebouw. Onder aan het papier zijn de woorden THIS WAY BROUWN met behulp van een stempel op het papier gedrukt. Er is door Brouwn geen selectie gemaakt, elke tekening is even goed. Hij heeft het uitgangspunt bedacht en iemand anders heeft het uitgevoerd. Het idee dat aan het kunstwerk ten grondslag ligt, is dus belangrijker dan de uitvoering ervan. Door deze werkwijze wordt Brouwns werk gerekend tot de conceptuele kunst. (meer…)

17 NOVEMBER – JOHN FREDERIK HULK

John Frederik Hulk (Amsterdam, 17 november 1855 – Vreeland, 14 juni 1913) was een Nederlandse kunstschilder, etser, aquarellist, tekenaar en conservator. Hij werd in 1855, een zoon van de winkelier in verfbenodigdheden, fotograaf en kunstschilder Johannes Frederik Hulk sr. (Amsterdam, 9 januari 1829 – Haarlem, 12 juni 1911. Hulk sr. maakte vooral landschappen, stads- en dorps- en haven- en zeegezichten. Hij gaf zijn zoon schilderles, maar ook aan andere fameuze schilders zoals Bernard de Hoog, Bertha Müller en Elias Stark. Hij was lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in Amsterdam. Zijn winkel in schilder- en tekenbenodigdheden ‘De Rembrandt’ was gevestigd aan het Amsterdamse Rokin. Na de opkomst van de fotografie bekwaamde hij zich ook in deze nieuwe discipline en ook dit fotoatelier kreeg de naam ‘De Rembrandt’. Onze John Frederik Hulk volgde in de periode 1871 tot 1880 de opleidingen aan de Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam en aan de Académie Julian in Parijs. Behalve van zijn vader kreeg hij les van Gustave Clarence Rodolphe Boulanger, Jules Joseph Lefebvre, Carel Frans Philippeau, Johan Adolph Rust en Joannes Christoffel Vaarberg. Hij werkte in Amsterdam, Parijs, München en Haarlem. Daarnaast werkte hij lang  in Engeland, waar hij veel taferelen van de Engelse vossenjacht met honden schilderde. In 1895 werd er in Londen een tentoonstelling van zijn werk gehouden. Na zijn terugkeer in Nederland ging hij zich toeleggen op het schilderen van diertaferelen, zoals eenden- en hazenjachten en afbeeldingen van honden en varkens. Net als zijn vader was ook Hulk jr. lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in Amsterdam, waarvan hij van 1898 tot 1907 ook secretaris was. In 1907 werd hij benoemd tot conservator van het Teylers Museum in Haarlem, tot hij die functie in april 2013 vanwege gezondheidsreden moest neerleggen. Een maand later verhuisde vanwege zijn gezondheid naar het platteland, naar Vreeland aan de Utrechtse Vecht. Vlak daarna overleed hij daar echter, op slechts 57-jarige leeftijd. Hij werd op woensdag 18 juni 1913 begraven op de Familiebegraafplaats in Muiderberg. (meer…)

GORDON LIGHTFOOT

Gordon Lightfoot (Orillia, 17 november 1938) is een Canadese folkzanger, componist en tekstschrijver. Hij volgde op jonge leeftijd muzieklessen in Hollywood, Californië, maar keerde al in de jaren zestig terug naar zijn geboorteland. Niet bepaald de gebruikelijke stap om het te gaan maken in de muziekbusiness, maar Lightfoot schijnt de uitzondering op de regel te zijn. daar zag het in het begin niet echt naar uit, want in het begin trad hij alleen maar op in de koffiehuizen in Toronto. In 1966 bracht hij zijn debuutalbum uit, heet origineel Lightfoot! genaamd. In die fase moest hij het trouwens toch niet hebben van optredens en eigen platen, want hij bouwde al een stevige reputatie op als songwriter. Een eindeloze rij artiesten nam zijn nummers op. Een bekend nummer van hem uit die tijd is bijvoorbeeld Early morning rain. Vanuit zijn thuisland bouwde Lightfoot een carrière op in Canada en de Verenigde Staten. In Canada kreeg Gordon Lightfoot 15 Juno Awards en in de VS werd hij vijf maal genomineerd voor een Grammy Award. In eigen land volgde verder allerlei onderscheidingen. In Nederland genoot hij slechts in een beperkt circuit een naam. In de roemruchte Top 2000 stond hij in 2006 nog met twee nummers, die tot het allerbeste horen wat hij heeft geschreven: Sundown en If You could read my mind. Nog steeds evergreens op de radiostations die ‘classic rock’ draaien. Na 2008 zijn beiden nummers echter uit de ranglijst verdwenen. Dat nummer Sundown kreeg hij omdat hij zich grote zorgen maakte over zijn relatie met zijn toenmalige vriendin Catherine Evelyn Smith. Zij zat namelijk heel vaak met vrienden op café. Toen hij het nummer componeerde ging de zon onder op de boerderij waar hij op dat moment verbleef. Die Catherine Evelyn Smith was trouwens ook de vrouw die later veroordeeld werd omdat ze de acteur John Belushi de fatale mix van cocaïne en heroïne had toegediend. Belushi heeft het niet overleefd. Lightfoot heeft echter alle stormen overleefd. Morgen viert de troubadour zijn 81e verjaardag. Dus laten nog maar eens goed naar die tekst luisteren: Sundown. (meer…)

LILY MONORI VAN DIJKEN

In mei 2017 werd ik benaderd door Lily Monori van Dijken. Ze liet me weten dat ze erg veel bezig was met poëzie en een beetje met proza. Haar grote wens was om een gedichtenbundel uit te brengen. Nu gaf ik als kleine uitgever op dat moment alleen reisverhalen en sportboeken uit en uitbreiding naar gedichtenbundels lag allesbehalve in de planning. Maar de paar gedichten en teksten die ze mee stuurde triggerde me. Erg staccato-achtig opgeschreven en een tragische jeugd spatte haast van de bladzijden. Er volgende nog een paar mails met als advies van mijn kant een schrijfcursus te volgen of een taalcoach in de arm te nemen. ‘Het talent is er, de ambitie ook, het verhaal eveneens… nu moet de ruwe diamant geslepen worden. Ik wens je veel succes en vooral veel schrijfplezier’, liet ik weten, met de toevoeging dat als ze een manuscript had afgerond ze me best nogmaals mocht benaderen om naar dat manuscript te kijken voordat ze het naar uitgevers ging sturen. Daarna werd het stil, tot een maand of acht later het bericht kwam dat ze inderdaad een schrijfcursus had gevolgd plus een taalcoach in de arm had genomen. Weer een half jaar later, het is inmiddels 19 oktober 2018, werd in Utrecht het contract getekend waarmee uitgeverij Sylfaen zich verplicht Lily’s autobiografie te gaan uitgeven. De verwachting is dat begin 2020 dat boek op de markt kan komen. (meer…)

AHMET ALTAN

Ahmet Altan (Ankara, 2 maart 1950) is een Turkse journalisten schrijver. Hij schreef columns voor verschillende belangrijke Turkse kranten, zoals Hürriyet, Milliyet en Radikal, produceerde tv-programma’s en schreef een groot aantal boeken. In 1995 werd hij bij Millliyet ontslagen vanwege zijn column Atakürt, waarin hij zijn land beschreef als een Koerdische staat waarin de Turkse landgenoten werden onderdrukt en gedwongen te assimileren. In 2007 was hij de oprichter van de krant Taraf, waarvan hij ook de hoofdredacteur zou zijn tot 14 december 2012 toen hij samen met drie collega’s opstapte. In september 2008 schreef hij een artikel over de Armeense genocide, wat hem kwam te staan op een vervolging omdat hij met het artikel de Turkse samenleving had beledigd. Het had ook allerlei bedreigingen vanuit de rechts-nationalistische hoek tot gevolg, wat Altan de ingeving gaf dat het voortaan veiliger voor hem zou zijn in het vervolg altijd gewapend op pad te gaan. Als uitgever van Taraf zette Altan er zich voor in stelselmatig de beschuldigingen te weerleggen dat de Gülen-beweging ermee bezig was in allerlei overheidsfuncties te infiltreren om daarmee hun invloed in de staatszaken te vergroten. Op 23 september 2016 werd Altan door de Turkse staat gearresteerd, op de verdenking dat hij door zijn artikelen eraan en bijdrage had geleverd aan de veronderstelde staatsgreep van juli 2016. Ondanks de inzet van vele schrijvers, journalisten en wetenschappers in binnen- en buitenland om hem vrij te pleiten van deze beschuldiging werd Altan in februari 2018, samen met zijn broer, tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Op 4 november 2019 werd die straf verlaagd naar 10,5 jaar, maar tevens direct en voorwaardelijk uit de gevangenis ontslagen. Tijdens zijn detentie schreef hij zijn memoires getiteld ‘Ik zal de wereld nooit meer zien’. Over dat boek en zijn vrijlating verschenen op respectievelijk 16 april 2019 en 12 november 2019 artikelen in De Kanttekening, beiden overgenomen uit de Engelse krant The Guardian en beiden vertaald door Mark van Harreveld. (meer…)

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 2

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. In een eerdere reeks van zeven blogs is al bericht over de dertien de schilderijen die Monet in Amsterdam en Zaandam maakte. In Monet in Zaandam 1 is nader ingegaan op zijn verblijf in Zaamdam en op het enige portret dat hij gedurende zijn drie verblijven in Nederland maakte, het portret van juffrouw Guurtje van de Stadt. Guurtje (20 oktober 1854 – 5 januari 1936). Verder schilderde Monet in Zaandam alleen maar riviergezichten aan de Zaan, vaak met molens of kleine zeilboten en een aantal havengezichten. In totaal, inclusief dat zeldzame portret, 25 Zaanse werken van de Fransman. De Zaanse schilderijen vormden de eerste grote groep werken van één locatie en één ononderbroken periode. Terug in Frankrijk paste Monet deze werkwijze steeds vaker toe, wat leidde tot beroemde series zoals de korenmijten, de populieren langs de rivier l’Epte, de kathedraal van Rouen en de waterlelies in Giverny. Monet was net op tijd om het oude Zaandam vast te leggen, toen de molens nog maalden en de schepen nog zeilden. De industriële revolutie kwam in bijna heel Europa op gang en door de opkomst van stoommachines veranderde binnen een paar jaar voorgoed het kenmerkende molenlandschap van de Zaanstreek, zoals Monet dat nog net kon waarnemen. (meer…)

HITLER ALS KUNSTENAAR

Al vanaf de opkomst van Adolf Hitler en de NSDAP hebben talloze wetenschappers, journalisten en schrijvers zich gebogen over het mysterie dat Adolf Hitler heet. Telkens weer wordt vanuit een ander perspectief gekeken naar de persoon die zo’n destructief stempel heeft gedrukt op de vorige eeuw en het leven van vele tientallen miljoenen mensen heeft bepaald. De historicus Lambert Giebels (in de periode 1973-1977 lid van de Tweede Kamer en auteur van de biografieën van Louis Beels en Soekarno) wil in dit boek een aspect uit het leven van de dictator onder de aandacht brengen waarvan hij vindt dat het ten onrechte aan de aandacht is ontsnapt van veel biografen: de ambities van de jonge Hitler om beeldend kunstenaar en architect te worden. Ambities die zijn hele leven intact zijn gebleven en slechts vanwege zijn politieke activiteiten naar de achtergrond werden gedrongen. Het zijn immers niet zijn politieke maar zijn kunstzinnige aspiraties die de eerste dertig jaren van het leven van de latere Führer hebben beheerst. Giebels concentreert zich in dit boek wel op de ontwikkeling van Adolf Hitler als beeldend kunstenaar om vervolgens na te gaan of diens eerste dertig levensjaren inderdaad herkenningspunten bieden voor de latere charismatische leider van het Derde Rijk. (meer…)

HERMAN DE VRIES

Herman de Vries (Alkmaar, 11 juli 1931) is een Nederlands beeldend kunstenaar, die zijn naam zonder hoofdletters spelt om ‘hiërarchieën te vermijden’ te vermijden. Hij gebruikt hoofdzakelijk natuurlijke en gevonden materialen, omdat hij de natuur als onze primaire realiteit beschouwt en deze vaak als document weergeeft, ontdaan van andere betekenissen, om de poëzie van de werkelijkheid te kunnen ontdekken. Herman de Vries volgde in 1949-1951 een opleiding aan de Rijkstuinbouwschool in Hoorn, werkte daarna een tijdje als landarbeider in Frankrijk en trad in 1952 als plantkundige in dienst bij de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen. In 1953 begon hij zich naast zijn werk als plantkundige bezig te houden met het maken van kunst. Zijn vroege werk bestaat onder andere uit collages van gevonden materiaal, zoals een van de muur afscheurde laag posters. Hij gebruikte hiervoor de noemer collages trouvés, verwijzend naar de objets trouvés van Marcel Duchamp. Eind jaren vijftig schilderde hij vaak in witte, grijze en zwarte tonen, een aantal jaren later nog enkel met witte verf. De Vries hoorde in 1961 samen met Armando en Henk Peeters tot de oprichters van het tijdschrift nul = 0 op, de uitgave van de Nul-beweging. Na twee uitgaves viel de redactie echter uiteen en De Vries zet het tijdschrift nog twee nummers alleen voort. Intussen heeft hij zijn baan als plantkundige verruild voor een aanstelling als biologisch onderzoeker aan het Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur (ITBON) in Arnhem. In zijn werk gebruikt hij nu kanswerking als een belangrijk beeldend middel. Dit levert werken met willekeurig geplaatste blokken, stippen en letters op. In 1970 verhuisde De Vries naar het Beierse dorp Eschenau en vanaf deze tijd zijn de natuur en Oosterse filosofieën belangrijke elementen in zijn werk. in de natuur komen bijvoorbeeld tot uitdrukking in werken met gevallen boombladeren of in een verslag van een onderzoek naar planten gevonden op een afgeperkt stuk weiland. (meer…)

10 NOVEMBER – WILLEM PENNING

Willem Levinus Penning (Schiedam, 10 november 1840 – Den Haag, 29 februari 1924) was een Nederlands schrijver en dichter, een telg uit een bekende familie Penning uit Schiedam. Hij woonde ruim veertig jaar in zijn geboorteplaats en werkte binnen het notariaat en in de administratie. Dit werk moest hij opgeven doordat zijn gezichtsvermogen door een oogkwaal steeds verder achteruit ging. Na zijn 58e jaar was hij nagenoeg geheel blind. Van 1882 tot 1884 woonde hij in Delfshaven; zijn gezichtsvermogen was toen al zo verslechterd dat hij geen beroep meer kon uitoefenen. Daarna ging hij naar Kampen en in 1886 verhuisde hij naar Rotterdam. In 1898 was zijn gezichtsvermogen bijna verdwenen. Vanaf toen hielp Albert Verwey hem met zijn publicaties. Van 1907-1922 woonde Penning in Rijswijk, samen met zijn zuster en haar dochter. Zijn tachtigste verjaardag werd meegevierd door bekende dichters (Jacques Bloem, Jan Greshoff, Hein Boeken en Albert Verwey), die het ook mogelijk maakte dat een jaar later zijn laatste bundel ‘Levensavond’ verscheen. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Den Haag. Penning werd door de leden van de beweging der Tachtigers gezien als een van hun belangrijke voorlopers. De stroming kwam in sterke mate in verzet de clichématige, bloedeloze literatuur van haar voorgangers. Pennings liet een eigen geluid horen en hoorde daar dus voor de Tachtigers niet tot de dichters tegen wie ze zich verzetten. (meer…)

FREE

Free was een Engelse blues- en rockband die in 1968 in Londen werd opgericht door vier jonge muzikanten. Gitarist Paul Kossoff was net 18 jaar geworden en drummer Simon Kirke was 19 jaar oud. Ze kenden elkaar van een bandje waarin ze samen speelden. Ze kwamen zanger Paul Rodgers, ook 19 jaar, tegen die als zanger van de band Brown Sugar al indruk op hen had gemaakt. Als laatste kwam bassist Andy Fraser erbij, pas 16 jaar maar hij speelde al bij John Mayall en dat was bepaald niet de eerste de beste. In 1969 brachten ze hun LP uit, een jaar later een vervolgalbum en weer een jaar later hun legendarische album Fire and Water met hun grote hit Allright Now. Het vierde studioalbum kwam nog hetzelfde jaar uit en heette Highway. De band was op dat moment zo overtuigd van hun eigen kwaliteit dat de naam van de band niet eens werd vermeld op de hoes. Simpelweg de afbeelding van hun gezichten voldeed. Kort daarna was het echter afgelopen met Free. In 1972 werd het uiteengaan gevierd met het vijfde album Free At Last. Er verscheen een jaar later met een andere samenstelling nog nog wel een nieuwe plaat, maar op dat moment was Fraser al elders aan de slag en Kossoff trachtte in een afkickkliniek van zijn verslaving af te komen. Wat niet zou lukken. Op 19 maart  1976 overleed Kossoff op 25-jarige leeftijd aan hartfalen (lees overdosis) in een toilet in een vliegtuig tijdens een vlucht van Los Angeles naar New York. Na het definitief uiteenvallen van de band ging ieder zijn eigen pad. Paul Rodgers bleef erg succesvol met zijn nieuw band Bad Company en later als vervanger van Freddy Mercury bij Queen. Van hun eerste afscheidsplaat Free At Last mijn favoriete nummer, een nummer dat behoorlijk afwijkt van het ruigere repertoire van de band: Child. (meer…)

HENRI BAAIJ

Henri Baaij (19 september 1900 – 31 mei 1943) was een Nederlandse voetbalspeler en militair. Baaij maakte op twintigjarige leeftijd op 28 maart 1921 zijn debuut in het Nederlands voetbalelftal in de vriendschappelijke wedstrijd tegen Zwitserland, die Nederland met 2-0 zou winnen (doelpunten van Boelie Kessler in de 2e minuut en van Wim Guppfert in de 15e minuut). De wedstrijd vond plaats in het Nederlandsch Sportpark aan de Amstelveenseweg in Amsterdam, waar het Nederlands Elftal in de jaren 1919-1928 in totaal 26 interlands zou spelen. Daar kwam met de bouw van het Olympisch Stadion een eind aan. Op 8 mei 1921 speelde Henri Baaij in hetzelfde sportpark voor 30.000 toeschouwers zijn tweede interland. Tegen de grootmacht Italië werd met 2-2 gelijkgespeeld, na doelpunten van Giuseppe Forlivesi (2′), Luigi Cevenini (49′) Jan van Gendt (80′) en Dé Kessler (84′). Op de onderste foto het moment dat het scorebord op de eindstand werd gebracht. Baaij was in beide wedstrijden slechts de vervanger voor Harry Dénis, die vanwege olympische ergernissen uit de selectie was gehaald. In de wedstrijd tegen Italië was Baaij een uitblinker, maar desondanks moest hij bij de eerstvolgende interland (november 1921) zijn plaats afstaan aan de Ajacied Fons Pelser.

(meer…)

FREERK DATEMA (36)

Freerk Datema (Oosterhesselen, 30 april 1922 – Assen, 30 december 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werkte als bankbediende bij de Nederlandsche Middenstandsbank te Meppe. Toen hij in 1943 werd opgeroepen voor de arbeidsdienst in Duitsland dook hij onder en werd hij lid van het georganiseerde verzet. Eerst was hij actief voor de illegale krant Trouw, daarna sloot hij zich aan bij een knokploeg in noord-Drente. Hij was daarbij vooral actief bij het organiseren van wapendroppings en ook nam de pas 21-jarige deel aan overvallen. Op 11 december 1944 was hij een van de twaalf verzetsstrijders van de overval op het Huis van Bewaring in Assen, waarbij eenendertig gevangenen werden bevrijd die door de Duitsers met executie werden bedreigd. Later is gebleken dat de Duitsers de executie voor 12 december hadden gepland. Alle bevrijde gevangenen overleefden de Tweede Wereldoorlog. Er werden na de overval en de bevrijding van de verzetsmensen in Assen en omgeving geen represaillemaatregelen genomen door de Duitsers. In de documentaire De Gideonsbende vertellen de inmiddels overleden Jan Bulthuis en zijn zuster Marie, samen met nog enkele bevrijde verzetsmensen, het spectaculaire verhaal van hun overval op de gevangenis in Assen, die slecht een kwartier heeft geduurd. Op Drenthe in de oorlog trof ik over de overval het volgende verhaal aan. (meer…)

THUISKOMST EN VERTREK 3

Apie Prins
Thuiskomst en vertrek
De Nieuwe Stem (tijdschrift), jrg. 11(1956)
deel 1 ; deel 2

‘Nee, de Tien Geboden waren niet aan hen besteed. ‘Gij zult niet begeren Uws naasten vrouw, noch zijn os, noch zijn ezel, noch zijn dienstmaagd’, of hoe was het ook weer. ‘In het zweet Uws aanschijns zult Gij Uw brood verdienen’? Ze peinzen er niet over. Als de lucht betrekt zaaien ze gauw een handjevol rijst. De kippen worden niet gevoerd. Die scharrelen zelf hun voer op en deponeren haar eieren zoals het uitvalt, maar nooit ver van honk. En als ze niet meer leggen worden ze opgegeten.
Als ze eens wat anders willen graven ze yamswortels uit en braden die. Van de vruchten van de broodboom bakken ze een smakelijk bruin brood. Ze hebben schildpadsoep vooraf en ananas na. Voor winst en bezit werken ze niet. Er wordt niet meer gewerkt dan nodig is om in leven te blijven en volop van het leven te kunnen genieten. Ze lachen om de westerse beschaving die daar nog lang niet aan toe is. Dat ik het roerend met ze eens was, was een van de redenen waarom ze zonder terughouding met me praatten in bêche-de-mer Frans of pidgin Engels.
Zo had ik ongemerkt zowat een maand lief en leed met mijn vrienden gedeeld. Wat een dwaze uitdrukking in dit verband. Leed was er niet. En die maand? Het had net zo goed een dag of een jaar kunnen zijn. Toch voelde ik een verraderlijke onrust in me opkomen. Een drang, maar bij mij was het geen instinct zoals bij de trekvogels. Het was eerder de trek van het water boven een waterval. Of kreeg ik last van mijn geweten? Zouden ze op den duur toch genoeg van me krijgen omdat ik op de gemeenschap parasiteerde? Maar ik kostte hun niets. Ik probeerde die akelige gedachten van me af te zetten, maar het lukte niet. De Anaä zou over een paar dagen terugkomen, had ik gehoord. Ik moest kiezen of delen. Voorgoed op Bora Bora blijven of voorgoed weggaan. (meer…)

THUISKOMST EN VERTREK 2

Apie Prins
Thuiskomst en vertrek
De Nieuwe Stem (tijdschrift), jrg. 11(1956)
deel 1

‘Well, I’ll be damned,’ riep hij in extase, ‘maar hoe weet U wie ik ben?’
‘Omdat ik op het postkantoor achter U stond,’ en ik noemde mijn naam en zei dat ik a Dutchman was en in Klondike als dagloner gewerkt had bij de ontginning van een zilvermijn in het Mayo district, een heel eind noordelijker dan Dawson en vlak bij de Poolcirkel.
En wat kon de man anders doen dan me met zijn linkerhand met de open brief er nog in op mijn schouder slaan en met zijn rechterhand de mijne op en neer pompen, zoals alleen onvervalste en rechtgeaarde Canadezen en Amerikanen dat kunnen?
Hij sleepte me mee naar het hotel en daar onderhielden we ons tot diep in de nacht over rijke goudaderen, over ‘pockets’, zoals de Bonanza, waar de goudklompjes en het goudgruis voor het oprapen lagen, over Gauguin, Banfield, Laurids Bruun, de literatuur en het Heelal.
De volgende morgen werd ik wakker met een afschuwelijke kater. Niet zozeer vanwege al de rum en whisky met of zonder kokosmelk en citroen, maar omdat het besef dat er nu werkelijk niemand meer bestond die niet op Tahiti was, geweest was of er gestorven was, loodzwaar op me drukte. Stanley en Livingstone waren er nu ook al bijgekomen. En de Zweed, niet te vergeten. En Mme de Savigny. Er zat maar één ding op. Ik moest weg. Zo gauw mogelijk. (meer…)

THUISKOMST EN VERTREK 1

Apie Prins
Thuiskomst en vertrek
De Nieuwe Stem (tijdschrift), jrg. 11(1956)
.

Ik was dus gestrand op Tahiti, al was ik geen schipbreukeling in de letterlijke zin des woords, want ik was er op eigen verzoek. Ik was met de barkas van de Marama door de enige bres in het koraalrif naar de bladstille blauwe laguna geloodsd en netjes op het strand afgezet. Met mijn handkoffer.
De Marama braakte zwarte rookwolken uit en was al weer op weg naar het 4.000 km. verder gelegen Wellington, waarheen ik zelf op weg geweest was om ‘in de schapenfokkerij te gaan’. En ik was het eerlijk van plan geweest, maar het was weer het oude liedje. Waar ik heen moest ging ik niet heen en ik was dus wel degelijk op Tahiti gestrand, al was het nog zo vrijwillig. Waarom? Ten eerste was er een Amerikaan aan boord met een varkenskop en die was een obsessie voor me geworden omdat ik hem niet ontlopen kon. Ten tweede had de purser gezegd dat ik op Tahiti niet landen kon omdat ik geen Frans visum had en ten derde had ik aan boord The Moon and Sixpence van Somerset Maugham gelezen en wou ik nu wel eens zien waar Gauguin geleefd, bemind en geschilderd had en krankzinnig gestorven was, na de schoonheid en de vrede gevonden te hebben die hem in Frankrijk steeds door de vingers geglipt waren. Nu, naar dat visum werd mij door niemand gevraagd. (meer…)

3 NOVEMBER – APIE PRINS

Apie Prins (Heemstede, 3 november 1884 – Amsterdam, 1 juli 1958) was een Nederlands journalist, vertaler en schrijver, maar hij was ook enfant terrible, rebel, avonturier, fellowtraveller, schrijver en vertaler, echtgenoot en vader, vrijbuiter, globetrotter en pestkop. Hij beschreef in zijn boek Ik ga m’n eige baan zijn zwerftochten door de wereld en zijn volle en chaotische leven. Toen in 199 HP/De Tijd een lijst samenstelde van de beste honderd boeken van de 20 eeuw plaatste de journalist Max Pam dit boek op de 89ste plaats. Verrassend, want de non-conformist Apie Prins was zo goed als vergeten. Het boek was ook nergens meer te koop en zelfs in het antiquariaat niet verkrijgbaar. Tijdens zijn leven was de bohémien echter in Amsterdam een beroemdheid. Prins werd in Heemstede geboren als zoon van een huisarts, die later zou promoveren op de uitwerking van terpentijn als bloedstollend middel. In 1897 verhuisde de familie naar Haarlem, waar Apie naar het gymnasium ging en een gewaardeerd voetballer werd bij de (later Koninklijke) HFC, Haarlemsche Football Club. Prins beschreef de club als volgt: ‘Het was een uitgemaakte zaak dat H.F.C. – de Good Old – de netste club van Nederland was. Ten eerste omdat we geen bonte kleuren hadden zoals ‘Haarlem’ (een rood broekje met een blauwe trui en geeneens een shirt!). […] Ten tweede omdat we altijd keurig op het veld kwamen met prachtige scheidingen – meestal in het midden – en ons zelfs met halftime wasten en verkleedden om de indruk te maken alsof we pas begonnen. […] Ten derde omdat we altijd fair speelden en nooit ‘op de man'”. (meer…)

BILL CALLAHAN

Bill Callahan (Silver Spring, Maryland, 3 juni 1966), is een Amerikaans singer-songwriter. Als tiener schreef hij zijn eerste liedjes en op tweeëntwintigjarige leeftijd nam hij voor het eerst experimentele folk- en rockmuziek op met behulp van vier- en achtsporencassettes en een akoestische gitaar. Hij zong met een hoge, nasale stem over thema’s als vervreemding en zelfverachting. Naarmate zijn carrière vorderde, verliet hij het experimentele pad en richtte zich meer op traditionele folk. Hij maakte een tijdlang gebruik van de nom de plume Smog en varianten daarop, bracht toen een stuk of tien LP’s uit, maar gebruikt sinds het album Woke on a whaleheart (2007) zijn eigen naam. Zijn handelsmerk zijn de hyperpersoonlijke songs met een vaak wat onbestemde emotie. Een echt grote bekendheid heeft hij er niet mee opgebouwd, ook niet nadat nadat andere artiesten nummers van hem opnamen of nadat nadat in oktober 2007 Cadillac zijn nummer Held (nog onder de naam Smoke uitgebracht) in een commercial gebruikte. En laat ik eerlijk zijn, tot vorige week had ik ook nog nooit van hem gehoord. Totdat ik afgelopen week op Netflix naar de serie Wild Wild Country zat te kijken, waarin op de achtergrond een geweldig nummer te beluisteren was. Via Shazam kwam ik snel bij Callahan terecht. Het nummer gaat over de lange, eenzame tocht die een veedrijver maakt, die als opdracht heeft een kudde door een onherbergzaam en koud landschap naar de bestemming te brengen. De veedrijver is alleen met zijn gedachten, dromen, twijfels en eenzaamheid. ‘One thing about this wild wild country,’ zingt Callahan, ‘It takes a strong strong, it breaks a strong strong mind.’. Een mooi en levendig portret van de eenzame cowboy die met moet opnemen tegen de elementen: Drover. (meer…)

010 – KAN SRIJIRA

HOOG WATER OP HET GELDERS EILAND

Overstromingen zijn er op het Gelders Eiland de afgelopen eeuwen volop geweest, net als overigens in de rest van de delta Nederland. En als er geen overstromingen op het Gelders Eiland waren, was er wel erg hoog water en dus een behoorlijke dreiging dat het water weer over de dijken zou kletsen. In 1906 ondervond men in maart veel overlast van de hoge stand van het water in de Rijn. Op vrijdag 13 maart 1914 is er bij Spijk om 16.00 uur een dijkdoorbraak die het hele dorp blank zet. Alle huizen komen onder water te staan en ook de gloednieuwe kerk en de steenfabrieken houden het niet droog. Veel bewoners vluchten naar de zolders, anderen zoeken hun toevlucht op daken. Veel huisgezinnen verliezen ‘al hun have en goed’. In 1920 is het weer hoogwater. Als gevolg van grote massa’s smeltende sneeuw en overvloedige regen staat het water in de rivieren eind 1919 en begin 1920 uitzonderlijk hoog. Op 29 december loopt de Pannerdense Waard onder. Via de Oude Rijn en de Wildt stroomt veel water naar de Oude IJssel, waardoor Wehl en Angerlo te maken hebben met wateroverlast. In Lathum gaat men op Nieuwjaarsdag ‘s morgens zoals gewoon om 05.00 uur aan het werk, maar vijf uur later staat alles onder water. Begin januari 1920 kamperen op het Gelders Eiland honderden gezinnen op de dijken. Door een defect aan een sluis raken ook de dorpen Aerdt en Herwen onder water. In Herwen staat het water tot het dak van de zuivelfabriek. Hieronder twee foto’s van het hoogwater in 1908 (boven) en 1920 (onder).
(meer…)

ANTON VAN TEIJN

Anton van Teijn (Naaldwijk, 3 november 1863 – Amersfoort, 28 mei 1943) was een Nederlands schilder, etser en illustrator. Na de middelbare school in zijn geboortestad volgde hij een teken- en schilderopleiding in de traditie van de Haagse School. Hij vestigde zich vervolgens in Den Haag als kunstschilder. Hij legde in de stad contacten met Jozef Israëls en de gebroeders Matthijs en Willem Maris. In 1892 vestigde hij zich in Parijs, waar ede bevriende beeldhouwer August Alexander hem al was voorgegaan. In Frankrijk ontmoette hij Vincent van Gogh en diens broer Theo; hij exposeerde in Parijs in de Salon des Indépendents. In Frankrijk was hij niet alleen bekend als schilder, maar ook als boekillustrator. Zo maakte hij bijvoorbeeld aquarellen voor een uitgave van Quinze jours en Hollande van Paul Verlaine. Voorts schilderde hij aan de Middellandse Zee, in Portugal en wanneer hij Nederland bezocht, bezocht hij verschillende streken en steden waaronder het Westland. In 1939 keerde hij noodgedwongen vanwege de dreigende Tweede Wereldoorlog terug naar zijn familie in Amersfoort; hij trok in bij een nicht. Hij had toen al lang afstand genomen van zijn familie in Naaldwijk en van de dogmatische joodse traditie waarin hij was opgevoed. Met alle veranderingen in zijn leven wilde hij ook zijn naam weer schrijven zoals zijn voorvaderen. Hij noemde zich doorgaans Anton van Teyn en soms zelfs Van Teyne. Na een aantal maanden in Rotterdam, kwam hij weer terug bij zijn familie in Amersfoort waar hij in 1943 op 79-jarige leeftijd overleed aan een maagtumor. Gezien dit feit is het wat vreemd dat Van Teijn als oorlogsslachtoffer is opgenomen in Joods Monument. Hij werd  begraven op de begraafplaats Rusthof in Amersfoort. Van zijn geboortestad Naaldwijk heeft hij een hele serie tekeningen en schilderijen gemaakt. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 032


.
Frans van den Muijsenberg / 10 september 2019 / Melisey, plateau des mille étangs

27 OKTOBER – ELIZABETH LUPKA

Elizabeth Lupka (Klein-Dammer), 27 oktober 1902 – Krakau, 8 januari 1949) was een Duits SS-lid. Ze werd geboren in het gehucht Klein-Dammer, een verzameling houten huizen voor een paar honderd inwoners, dat voor de oorlog in Silezië in het oostelijk deel van Duitsland lag. Na 1945 kwam het in west-Polen te liggen en werd de naam aangepast in Dąbrówka Mała. In 1934 trouwde ze, maar het huwelijk werd al in 1937 ontbonden. Het huwelijk bleef kinderloos. Lupka ging daarna in 1937 werken in de luchtvaartindustrie in Berlijn, wat ze tot 1942 bleef doen. Er is over haar opleiding niks bekend, maar waarschijnlijk was ze ongeschoold en kwam ze in het bedrijf waarvoor ze werkte aan de lopende band te staan. In 1942 verliet zij het voor haar vervelende baantje en melde zich aan voor een opleiding tot SS-Aufseherin in het concentratiekamp Ravensbrück.

Een Aufseherin was tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland een vrouwelijke bewaker van een concentratiekamp. Van de 55.000 bewakers die in de Duitse concentratiekampen gewerkt hebben, waren er ongeveer 3.600 vrouw. Halverwege de oorlog ontstond er een tekort aan mannelijke bewakers, waarna men een campagne begon om vrouwen voor deze baan te werven. De Duitse overheid plaatste advertenties in de kranten waarin gezonde vrouwen werden opgeroepen hun liefde voor het Reich te tonen. Ze werden goede arbeidsomstandigheden en een goed salaris in het vooruitzicht gesteld. Een belangrijke voorwaarde was wel dat ze Rijks- of Volksduitsers waren. De eerste vrouwelijke bewakers arriveerden in 1942 na het volgen van een opleiding in Ravensbrück in de kampen Auschwitz en Majdanek. Het is dus zeker dat Lupka behoorden tot de eerste groep Aufseherinnen. (meer…)

FUNGUS

Fungus was een Nederlandse popgroep uit de jaren zeventig die een aantal bescheiden hitjes had met gepopulariseerde volksliedjes. Folkmuziek was ineens ‘hot’, met Bob Dylan, Donovan, Fairport Convention als grote voorbeelden en in navolging een groot scala andere artiesten. Uniek aan Fungus was dat zij naast de gebruikelijke Ierse en Engelse traditionals ook vergeten Nederlandse nummers uit lang vervlogen tijden in een modern jasje op de plaat zetten. Jaren later zou de Achterhoekse band Normaal furore maken met Nederlandstalige rocknummers, met als bijzonderheid dat het regionale dialect een belangrijke plaats innam. Vanwege dat succes van Jolink en zijn maten stapten ook andere groepen af van het gebruik van vaak armzalig Engels en gingen in de eigen taal nummers schrijven, opnemen en live uitvoeren. Fungus mag echt aan het begin van deze trend geplaatst worden, met de kanttekening dat zij zich niet beperkte tot Nederlands. In 1974 braken ze door met het nummer Kaapren Varen, een traditional die verwees naar het oude lied waarin de walvisjacht werd bezongen door mannen met stevige baarden. Het nummer zou later jarenlang in de Top 2000 staan, tot het in 2010 uit die lijst werd verdrongen. Na hun succes met Kaapren Varen hadden ze nog een bescheiden hitje met Een boer ging naar de wei. De band, die overigens zichzelf zag als een gewone rockband en niet als een folkband, stamde overwegend uit Vlaardingen. Daar hielden Fred Piek (zang en gitaar), Kees Maat (toetsen en zang), Louis Debij (drums) Koos Pakvis (bas) en Rens van der Zalm (viool, gitaar, mandoline, doedelzak, zang) zich bezig met op volksmuziek geïnspireerde popmuziek. Het vijftal zou al snel worden aangevuld met de Friese gitaarvirtuoos Sido Martens (gitaar, mandoline). Uiteraard was er een groepje muziekpuristen die het maar helemaal niks vonden dat traditionals werden uitgevoerd met elektrische versterking en scherpe gitaarsolo’s, maar daar hadden de al genoemde Amerikaanse en Britse voorgangers ook al mee te maken gehad. In 1979, na het uitbrengen van hun vijfde en laatste LP met de toepasselijke titel De Kaarten zijn geschud, hield de groep ermee op. Zanger Fred Piek ging deel uitmaken van het duo The Amazing Stroopwafels en begon in 1981 met een solocarrière, die nog steeds voortduurt. In april 2000 verscheen onverwachts de dubbel cd The Fungus Collection en ging men in een nieuwe bezetting af en toe weer optreden. Van de originele bezetting waren Fred Piek, Sido Martens en Louis Debij van de partij. De laatste is in 2018 op 80-jarige leeftijd overleden. Sido Martens timmert met wisselend succes nog steeds aan de weg. Eigenlijk zou ik nu een Nederlandstalig nummer moeten plaatsen, maar ik kies toch voor wat ik hun allermooiste opnamen vind, een zeldzame Ierse traditional waarvan ik slechts één andere opname vond (van Mary Story, erg ingetogen en mooi): Irish Girl. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 034

Charles André van Loo (Nice, 15 februari 1705 – Parijs, 15 juli 1765) was een Franse schilder en de jongere broer van Jean-Baptiste van Loo (Aix-en-Provence, 14 januari 1684 – Aix-en-Provence, 19 december 1745), een gerenommeerd ontwerper en portretschilder. Deze Jean-Baptiste kreeg schilderles van zijn vader Lodewijk Abraham van Loo, die in 1653 in Amsterdam was geboren. Jean-Baptiste vervaardigde al op jonge leeftijd platen voor decoratie in de kerk en andere publieke gebouwen in Aix-en-Provence. Charles André zou echter de beroemdste schilder uit de succesvolle schildersfamilie van Nederlandse origine worden. Zijn oeuvre bestaat uit genrestukken, portretten, allegorische taferelen en historische en religieuze werken. Op jonge leeftijd volgde hij zijn oudere broer Jean-Baptiste naar Turijn en daarna naar Rome in 1712. Daar kreeg hij les van de schilder Benedetto Luti onderwezen en de beeldhouwer Pierre Legros. Hij verliet Italië in 1723 en ging werken in Parijs. In 1727 kreeg hij de eerste prijs voor historische schilderkunst, gedeeld met zijn toekomstige rivaal François Boucher. Na een bezoek aan Turijn in 1727 werd hij gecontracteerd door koning Victor Amadeus II van Sardinië, voor wie hij verschillende schilderijen maakte van series uit het leven van Torquato Tasso. In 1734 verhuisde hij weer na Parijs en in 1735 werd hij lid van de Koninklijke Academie voor Schilder- en Beeldhouwwerk, waar hij snel steeg in de hiërarchie van de academie. Hij werd onderscheiden met de Orde van de Heilige Michaë en werd benoemd tot eerste schilder van Koning Lodewijk XV van Frankrijk in 1762. Hij stierf uiteindelijk in Parijs op 15 juli 1765. Door zijn eenvoud van stijl en correctheid van ontwerp, voortkomend uit zijn studie van de grote Italiaanse schilders, deed hij veel om de moderne Franse school te zuiveren. Zijn ‘Huwelijk van de maagd’ is te zien in het Louvre. Dit schilderij van de drie gratiën van hem hangt in het kasteel van Chenonceaux.

DE HEILIGE GERASIMUS EN DE LEEUW 2

Waar Gerasimus ging, daar ging ook de leeuw. Het heerlijkste uur van de dag was wel dat waarop Leo, zijn dagelijkse plicht vervullend, water mee uit de rivier ging halen. Want dan hadden zij samen een lange wandeling in de open lucht en een heerlijk oponthoud aan de oever van de Jordaan. Op een dag waren zij weer zoals gewoonlijk uitgegaan, Gerasimus, de leeuw en de ezel, die de gevulde waterkruik op lijn rug droeg, toen zij, vrolijk naar huis teruggaand, een arme man uit zijn kleine hut bij de rivier zagen komen, die Gerasimus smeekte met hem mee te gaan om zijn ziek kindje te genezen. Natuurlijk was de goede Gerasimus dadelijk daartoe bereid, want dit was een van Je dingen, die hij juist het liefste deed. ‘Blijf hier broeder,’ beval hij Leo, die met hem mee wilde gaan, ‘blijf hier en pas goed op de domme ezel.”

Gerasimus ging mede met den man in de vaste overtuiging dat de leeuw trouw zijn plicht zou doen. Nu wilde Leo ook niet anders dan dat, maar het was een zeer warme en slaperig makende dag en hij was daarbij erg moe. Hij legde zich naast de ezel neer en hield één oog open om hem te bewaken, terwijl hij het andere voor een minuut slechts sloot. Maar dit is een zeer gevaarlijk iets, want voordat hij het zelf wist, viel ook het andere oog dicht. Weldra was Leo in diepe slaap gevallen en lag hij snurkend met zijn kop op zijn poten geleund. Toen gebeurde het dat de onnozele ezel erg onrustig begon te worden. Hij zag een klein grasveld beneden zich dat er zeer aanlokkend uitzag en ging er heen. Toen zag hij een nog groenere plek in de laagte en toen weer een andere, nog wat lager, zodat hij langzamerhand in zijn onnozelheid een heel eind afgedwaald was.
(meer…)

DE HEILIGE GERASIMUS EN DE LEEUW 1

Op een mooie morgen wandelde de heilige Gerasimus vrolijk langs den oever van de rivier de Jordaan. Naast hem liep met loomen tred een klein ezeltje, dat een aarden kruik op den rug droeg, want zij waren naar de rivier geweest om water te halen en brachten dat nu naar het klooster op de heuvel, waar de monniken het moesten drinken bij hun middagmaal.
Gerasimus zong een vrolijk lied, terwijl hij nu en dan het domme ezeltje een tikje met een olijventak gaf om hem wakker te houden. Het was in het verre Oosten, in het Heilige Land, waar de hemel diepblauw is en de grond gloeiend heet. De vogels zongen rondom hem in de bomen, en boven hun hoofden vlogen allerlei vreemde en mooie vogels rond. Doch plotseling hoorde Gerasimus een kreet, zoals hij nog nooit van een vogel vernomen had ; een kreet die op de zang van geen enkele vogel leek, tenzij er misschien een nieuwe soort geboren was met een basstem, wiens lied eindigde in een soort van gehuil. Het ezeltje stond opeens stil en zijn voorpoten strekkend en zijn lange, slappe oren naar voren opzettend, keek hij angstig en onnozel rond. Gerasimus stond ook stil. Maar hij was zulk een wijs man, dat hij niet dom en onnozel kijken kon. En hij was een te goed mens dan dat hij voor iets bevreesd zou zijn. Toch was hij een weinig verrast. ‘Lieve Deugd,’ zei hij hardop, ‘wat klonk dat vreemd. Wat zou dat geweest zijn?’
(meer…)

CORNELIS VLOT (35)

Cornelis Vlot (Koudekerke, 29 november 1906 – Haarlem, 26 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was bedrijfseconoom van beroep en voor de oorlog voorzitter van het Nederlands Jongeren Verbond. Aan het begin van de oorlog was hij gewestelijk commissaris van de Nederlandse Unie in de provincie Utrecht; hij was een van de medeoprichters van de Unie. Toen in december 1941 de Unie echter op bevel van de bezetter werd verbonden, raakt Vlot betrokken bij de illegaliteit. Zijn eerste streven was de onderlinge contacten tussen de leden van de nu verboden Unie in stand te houden, waarvoor hij in mei 1942 samen met Johan Wüthrich met een landelijk informatieblad, het Bulletin genaamd, voor de oud-Unieleden. Dit blad ging samen met het illegale krantje B.C. Nieuws in februari 1943 op in een ander illegaal blad, Je Maintiendrai. Het nieuwe blad had een oplage van enkele tienduizenden exemplaren per keer en verscheen twee keer per maand. Er was veel aandacht voor de actualiteit en nieuwsfeiten en in tegenstelling tot de andere grote verzetskranten Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Waarheid was Je Maintiendrai niet verbonden aan een bepaalde levensbeschouwelijke zuil. Qua politiek gedachtegoed kwam het blad namelijk voort uit de politiek-neutrale Nederlandsche Unie. Men bepleitte voor de naoorlogse samenleving dan ook voor een ontzuilde samenleving met brede, niet-confessionele volkspartijen. Kort na de Tweede Wereldoorlog hield het blad op te bestaan. Naar schatting waren er bij de redactie, productie en distributie van Je Maintiendrai in de periode 1943 – 1945 drie- tot vierduizend mensen betrokken geweest. Dat blad had wel een zekere samenwerking met het rooms-katholieke blad Christofoor, waarvan ook prof. dr. Jan de Quay artikelen schreef. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 26

20 OKTOBER – JACOB HAMEL

Jacob Hamel (Amsterdam, 20 oktober 1883 – Sobibór, 9 juli 1943) was een Nederlands musicus en dirigent. Hij was de zoon van Meijer Hamel (Amsterdam, – Amsterdam, – Amsterdam, Jansje zou meer dan 56 jaar op het adres Tilanussraat 39 in Amsterdam wonen. Het echtpaar zeven kinderen, waarvan Jacob de oudste was. Een dochter met de zeldzame naam Vogeltje (20 juli 1895 – 7 september 1895) zou al enkele maanden na de geboorte overlijden. Drie kinderen zouden tijdens de Tweede Wereldoorlog in Sobibór door de Duitsers worden omgebracht: Marie Hamel zou op 28 mei 1943 samen met haar man, de musicus Meijer Frank, om het leven komen. (Hun zoon, de musicus Abraham Frank, zou op 24 april 1945 op 34-jarige leeftijd in het Aussenkamp Mühldorf van Dachau sterven). Helena en haar man, de diamanthandelaar Arnold Berlijn, stierven op 2 juli 1943 is de gaskamers van Sobibór. Hun 21-jarige zoon Philip Berlijn stierf daar een week later. En Jacob Hamel en zijn vrouw Jeannette stierven op dezelfde 9 juli 1943 in Sobibór; hun zoon Jacques Hamel, 26 jaar en ook een musicus, was er al op 11 juni 1943 vermoord. De andere zoon, Meijer Hamel, zou de oorlog wel overleven en op80-jarige leeftijd in augustus 1992 in Amsterdam overlijden. Een andere dochter van het echtpaar Hamel-Speijer, Heintje Groen-Hamel, was al in 1935 in Amsterdam gestorven. Resteerde slechts de twee andere kinderen Elisabeth (7 januari 1890) en Rachel (25 september 1897) die blijkbaar wel de oorlog hebben overleefd. De geschiedenis van het gezin Hamel-Speijer is te volgen op de website Joods Monument. (meer…)

CHRIS FARLOWE EN JIMMY PAGE

Chris Farlowe is vorige week ook al aan bod geweest, met zijn grote hit Out of time. Hij verdween echter na 1970 niet van het toneel. Integendeel zelfs. In september 1970 sloot hij zich aan bij de jazzrockgroep Colosseum, waarbij hij enkele LP’s opnam en toerde. Vanaf februari 1972 maakte hij deel uit van Atomic Rooster. Beide groepen hadden een vaste schare fans, maar zouden vanwege hun experimentele muziek nooit echt doordringen tot de grote massa. Farlowe leverde ook muzikale bijdragen voor diverse BBC-series. Jarenlang toerde hij veelvuldig in Duitsland met de Hamburg Blues Band, wat nogmaals onderstreepte dat bij bluesmuziek toch echt het hart van Farlowe heeft gelegen. Sinds 1999 vaak als supporting-act bij optredens van Van Morrison, Maggie Bell en tal van andere artiesten. In 1982 nam hij twee tracks op met Jimmy Page (Led Zeppelin) voor diens album Death Wish II en in 1988 drie nummers met dezelfde Page voor diens album Outrider. Van deze plaat hier het geweldige Prison Blues.
(meer…)

JACQUES POLI

Werk in mijn bezit:
Kunstenaar: Jacques Poli
Titel: Composition I
Jaartal: 1977
Afmetingen beeld: 104 x 75 cm
Oplage: 101/120
Gesigneerd: ja, handgeschreven met potlood (rechtsonder)
Werk: litho
Materiaal: geschept papier

Ingelijst: Nee

Meer zien van Jacques Poli:
Jacques Poli
Galerie Sylfaen / Kunstenaars

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

JACQUES POLI

Jacques Poli (Nîmes, 1 juli 1938 – Vincennes, Parijs, 12 april 2002) was een Franse schilder. Van 1960 tot 1962 kreeg hij een opleiding aan de École des beaux-arts in Avignon. In 1966 vertrok hij naar Parijs om daar aan de l’École nationale supérieure des beaux-arts de Paris zijn studie te vervolmaken. Deze school, waarvan de lange naam in de wandelwagen graag wordt afgekort in ‘Ensba’, is de bekendste Franse universitaire opleiding in de beeldende kunst.  De opleiding in Parijs is de oudste, bekendste en meest gerenommeerde van de Franse kunstacademische opleidingen. Poli kreeg er les van Roger Chastel (1897-1981), die binnen Frankrijk een reputatie vanwege zijn abstracte werken. Zijn invloed is dan ook goed terug te vinden in de latere werken van Jacques Poli, maar ook in die van zijn medeleerlingen in de klas van Chastel, zoals Claude Viallat, Daniel Buren, Niele Toroni, François Rouan, Vincent Bioulès, Michel Parmentier, Pierre Buraglio en Joël Kermarrec. Vanaf 1968 bouwde Poli aan een oeuvre van enkele honderden olieverfschilderijen, tekeningen en zeefdrukken. Vanaf 1974 hield hij zich ook bezig met industriële ontwerpen. In 1976 werd hij docent aan de École des beaux-arts de Rouen.
. (meer…)

CHARLES WELTER

48e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Charles Welter (Den Haag, 6 april 1880 – Den Haag, 28 maart 1972) was een Nederlands politicus met een indrukwekkende staat van dienst, waaronder vijf maal minister van het ministerie van Koloniën. Het ministerschap voor Koloniën vloeide eigenlijk logisch voort uit zijn opleidingen en vroegere functies. Na de HBS schreef Welter zich in 1898 in bij het Indisch Instituut te Delft voor een driejarige opleiding voor het grootambtenaarsexamen voor de Indische dienst. Na afronding startte hij zijn ambtelijke loopbaan bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar in het najaar 1902 vertrok bij naar Nederlands-Indië. Zes jaar lang werkte hij op Java als (aspirant-)controleur in de residenties Kedoe en Pekalongan, waarmee hij veel ervaring opdeed over de Indische plattelandssamenleving. In 1908 volgde Welters overplaatsing naar de Algemene Secretarie te Batavia. In 1911 ging hij met ziekteverlof naar Nederland en werd daar gedetacheerd op het ministerie van Koloniën. In 1915 keerde hij terug naar Indië, als ambtenaar van het Algemeen Secretariaat belast met speciale opdrachten. Zo moest hij onderzoek doen naar de wenselijkheid om op Java regentschapsraden in te voeren en was hij betrokken bij de herziening van de grondslagen van de staatsinrichting van Nederlandsch-Indië. De commissie waarin Welter zitting had stelde voor de Volksraad te promoveren van adviserend naar medewetgevend orgaan en deze Volksraad bijna geheel te laten bestaan uit gekozen personen vanuit de inlandse bevolking gekozen. In een minderheidsnota pleitte Welter voor terughoudendheid omdat gewaarborgd moest blijven dat de niet-inheemse inwoners ‘een passende vertegenwoordiging’ moesten behouden. Welter had inmiddels snel carrière gemaakt, resulterend in de benoeming op 17 april 1921 tot Algemeen Secretaris, waardoor de 41-jarige Welter aan het hoofd kwam te staan van het gehele administratieve bestuur in Indië. In 1924 werd hij benoemd tot lid van de Raad van Nederlandsch-Indië. (meer…)

009 – ELS GHESQUIERE

WILLEM SANTEMA (34)

Willem Santema (Scharnegoutum, 2 maart 1902 – Vught, 10 augustus 1944) werd geboren als tweede zoon van boer op het Friese platteland. Hij volgde de Mulo in Sneek, werkte daarna een tijd bij zijn vader op de boerderij en haalde in 1921 een diploma aan de Rijkslandbouwwinterschool te Leeuwarden. In 1926 trouwde hij met Tryntsje Atsma uit het naburige Oppenhuizen. Aanvankelijk betrokken het jonge echtpaar een boerderij in Scharnegoutum, maar in 1932 begonnen ze samen een radiozaak. Santema was in de jaren twintig een enthousiaste radiopionier; samen met broer Pier knutselde hij een radiotoestel in elkaar. Hij was lid van het provinciaal comité van de NCRV en hield regelmatig radiolezingen. In de jaren dertig kwam hij diverse keren in Hitler-Duitsland, waar hij het nationaalsocialisme van nabij zag en zijn afschuw daarover ventileerde in artikelen, onder meer in het orgaan van de Christelijke Werkmansbond waarvan hij hoofdbestuurslid was. Dit had wel tot gevolg dat zijn naam op de zwarte lijst van de Duitse staatspolitie terecht kwam, zodat hij voor de oorlog al niet meer veilig in Duitsland kon reizen. Santema was ook, zoals het een Fries betaamd,een verwoed schaatser. Vijf keer voltooide hij de Elfstedentocht, het laatst in 1942. Santema verhuurde ook auto’s, soms met zichzelf als chauffeur. Dat leverde soms mooie reisjes op, zoals in 1934 toen hij dominee W.A. Dekker en diens vrouw naar Hongarije reed, waar de dominee een eredoctoraat in ontvangst nam. Santema schreef over de reis een verslag, dat onder de titel Per B-2001 naar het randje van de Balkan in twaalf delen verscheen in het tijdschrift Land en Volk. In zijn reisverslag waarschuwde Santema tegen het nieuwe regime in Duitsland. Voor degenen die de Friese taal machtig zijn is hier een recensie te lezen van Henk van der Veer. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog verhuisden Santema naar Sneek, waar ze hun elektrotechnische bedrijf voortzetten en uitbreidden met een tweede vestiging. Santema werd in 1939 lid van de gemeenteraad van Sneek, nadat hij van 1931 tot 1938 gemeenteraadslid geweest was van Wymbritseradeel, beide keren voor de CHU. (meer…)

13 OKTOBER – ALBERT RITSERVELDT

Albert Ritserveldt (Ophasselt, 13 oktober 1915 – Zottegem, 11 maart 2002) was een Belgisch profwielrenner van 1938 tot 1948. Hij staat in een select rijtje van Belgische renners die in drie verschillende categorieën nationaal kampioen werd. In 1933 werd hij kampioen bij de nieuwelingen door in de sprint Peter De Vooght en Jean Keymolen te verslaan, twee jongelingen waarvan later niks meer werd vernomen. In 1936 werd hij bij en nieuwelingen nationaal kampioen door de beide Antwerpenaren Martin Van Den Broeck en Karel Thijs te verslaan, twee coureurs die later wel een bescheiden erelijst bij elkaar fietsten, maar waarvan net als bij Ritserveldt de veelbelovende carrière door de Tweede Wereldoorlog werd gefrustreerd. Op 30 mei 1937 werd Ritserveldt bij de onafhankelijke Belgisch kampioen in Floreffe (Namen) bij de Onafhankelijken, voor Albert Carrier en Karel Van Stichelen. Eerder dat jaar was Ritserveldt op 18 april 1937 al als derde geëindigd in de Ronde van Vlaanderen en op 13 mei 1937 al als tweede in Gent-Wevelghem. Zijn wielerloopbaan zat dus duidelijk in de lift, maar een nationaal kampioenschap heeft er nooit ingezeten. (meer…)

CHRIS FARLOWE

Chris Farlowe werd op 13 oktober 1940 in Islington, Noord-Londen geboren onder de naam John Henry Deighton. Morgen viert hij dus zijn 79ste verjaardag. Hij geldt als een van de vele one-hit-wonders, maar daarmee wordt de man toch wel behoorlijk onrecht gedaan. Vooral in het Verenigd Koninkrijk had hij een aantal singles in de hitparade, waarvan er ééntje in 1966 wekenlang op nummer één in de charts stond. Ook in Nederland scoorde hij hiermee goed; het nummer stond tot en met 2004 in de Top 2000. Farlowe begon zijn carrière in 1957 als zanger van de John Henry Skiffle Group, stapte een jaar later over naar het Johnny Burns Rhythm and Blues Quartet en weer een jaar later naar The Thunderbirds, waarmee hij een aantal singles opnam. Daarna nam hij onder de naam Litlle Joe Cook een aantal bluesnummers op, wat velen de indruk gaf te maken te hebben met een zwarte blueszanger. Vervolgens ging hij in zee met Andrew Loog Oldham, die op dat moment de manager was van de Rolling Stones. Niet verwonderlijk dus dat daarna een aantal covers van de Stones werden opgenomen (Paint It Black, Think, Ride On, Baby, (I Can’t Get No) Satisfaction en Out of Time. Dat laatste nummer maakte hem onsterfelijk, maar hij had ook nog een bescheiden hit met Handbags and Gladrags, een nummer van Michael d’Abo, de zanger van Manfred Mann, en met My Way Of Giving, een cover van een nummer van de Small Faces, geschreven door Steve Marriott en Ronnie Lane. Hij nam ook nog een mooie versie op van Its’s all over now, baby blue van Bob Dylan. Misschien was dat wel de makke bij Farlowe: geweldige covers van andermans werk, maar geen eigen composities. Vanaf 1970 verdween Farlowe voor het grote publiek wat uit beeld. Hij werd slechts herinnert door die ene grote hit uit 1966: Out of time. (meer…)

ODALISKEN – 025

Ferdinand Max Bredt (1868-1921) geldt als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse oriëntalisme, dat wat kuiser was dan de Franse schilders in dit genre. Dat was in de beide vorige werken van Bredt in deze categorie al te zien, maar ook in talrijke andere haremtaferelen die hij schilderde, zoals nevenstaande Königin des Harems. Bredt werd in zijn geboortestad Leipzig aanvankelijk opgeleid tot boekhandelaar, maar schakelde al snel over tot een schildersopleiding. Eerst in Stuttgart, daarna in München waar hij een leerling was van Wilhelm Lindenschmit jr. Ferdinand Max Bredt maakte tijdens zijn leven talrijke reizen naar Griekenland, Italië, Turkije en Tunesië; hij produceerde daarbij een omvangrijk oeuvre aan olieverfschilderijen en aquarellen. Hij schilderde voornamelijk vrouwen, die hij plaatste in exotische oorden, tuinen of binnenvertrekken. Hij was zo gefascineerd door de cultuur van het Midden-Oosten dat hij zijn huis in Ruhpolding geheel in Arabische stijl liet optrekken. Tijdens zijn leven was hij zeer vermaard, zo werden twee van zijn doeken gekozen om Duitsland in 1893 te vertegenwoordigen in de World’s Columbian Exposition. Momenteel is Bredt wat in de vergetelheid geraakt. Een van zijn fraaiere odalisken is de ‘Ruhende Odaliske’ (Odalisk 005). Nu werd een odalisk bij voorkeur uitgebeeld terwijl ze in een of andere bevallige positie op een divan lag (zie de inleiding), maar bij Bredt lijken ze nog extra lui te zijn, met de linkerhand wat in het koele water spelend en luisterend naar de mede-harembewoonster die op de achtergrond musiceert (Odalisk 007). Ditmaal een odalisk uit 1909, dat zich in een privécollectie bevindt: ‘Selbstbewusst’ en waarin Bredt voor zijn doen behoorlijk vrijpostig is. (meer…)

SINT KENEDUS EN DE MEEUWEN

Meer dan duizend jaren geleden vloog op zekeren dag een grote, witte zeemeeuw met langzame vleugelslagen boven de golven der zee tussen Zuid-Engeland en Wales. Zij deed alsof dit enkel een grapje was en dood op haar gemak, alsof zij zeer lui en slaperig was, liet zij zich dan weer zonder merkbare inspanning op hare wieken drijven. Maar in werkelijkheid was zij op voedsel uit, al wilde zij niet dat iemand dit vermoeden zou en hoopte stil de een of anderen onvoorzichtige vis, die zich waagde aan de oppervlakte van het water, duikend in haar grote klauwen te vangen. Met haar wakkere, grijze oogjes zag zij aanhoudend scherp toe en niet veel van wat er onder haar op het water gebeurde ontsnapte haar aandacht.
Op eens viel haar oog op een klein zwart plekje op de golven. ‘Aha’, zei zij in zichzelf, ‘ik geloof dat ik daar iets te eten ziel’ en schoot opeens uit de lucht er op neer. Wel niemand zou vermoed hebben hoe iets, dat zo rustig en onbeweeglijk bijna zweefde door de lucht, zo snel, als een bliksemstraal, zou kunnen neerschieten. Maar een meeuw is gelijk aan een luchtschip, dat zinken kan wanneer het dit wenst. Wanneer zij een vis tot haar maaltijd heeft uitgenodigd kan deze dit moeilijk weigeren.
Ditmaal echter was hetgeen de hongerige meeuw bespeurd had geen vis en voodat zij het water nog bereikt had, zag zij haar dwaling reeds in. Snel, zoals een meeuw dit slechts doen kan, klapwiekte zij weer hoog in de lucht, een kreet van verrassing uitstotend.
‘Krriee-e-e !’, riep zij, ‘het is geen geschubde vis, waarvan ik zoveel houd. Het is een van die gladde landvissen met geel zeewier groeiend op hun hoofd. Wat doet die hier? Ik moet dit toch eens even zien. Krriee-e-e.’ (meer…)

DUITSE KOLONIËN 5

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod. In dit blog: Duits-Oost-Afrika.
(meer…)

PANORAMA 03 – ROBERT BARKER

In het oude China werden al routepanorama’s op boekrollen geschilderd, zoals Langs de rivier tijdens het Qingmingfestival). Het eerst volronde panorama was van Anton van den Wyngaerde en dateerde uit halverwege de zestiende eeuw. Pas in 1792 komt de eerste panoramaschildering op de markt zoals we die ons heden ten dage voorstellen.
De Engelse schilder (met Ierse voorouders) Robert Barker (1739-1806) bedacht in 1787 de naam panorama, afgeleid van de Griekse woorden ‘pano’ (alles) en ‘horama’ (gezicht), terwijl hij op Calton Hill wandelde en een overzicht had over zijn woonplaats Edinburgh.Hij was zo snugger direct patent aan te vragen voor het woord ‘panorama’, dat hij omschreef als een grootse schilderij waarin een magnifiek tafereel vanuit elke hoek werd vastgelegd en het zodanig tentoon te stellen dat voor de toeschouwers de scheidslijn tussen kunst en realiteit verdween. Zijn eerste schilderijen in deze richting betroffen Edinburgh. In 1788 stelde hij in zijn eigen woning het Panorama of Edinburgh From Calton Hill. Dit eerste panorama had weinig succes, maar vooral was Barker teleurgesteld omdat hij zijn visie er onvoldoende in terugvond. Het doek was niet 360 rond, maar slechts een halve cirkel. In 1792 schilderde hij het Panorama of London from the Albion Milles, waarvan eerst een kleine versie in de eigen woning te zien was geweest. Hij liet dit doek vergoot eze serie op een cilindervormig oppervlak aanbrengen en in Londen tentoonstellen. Om zijn droom echt te kunnen realiseren lieten Barker en zijn zoon in 1793 aan Leicester Square in Londen The Rotunda bouwen, waar het enorme doek van 250 vierkante meter in volle glorie kon worden gezien.  (meer…)

JOSEPH MERRICK

Joseph Merrick (Leicester, 5 augustus 1862 – Londen, 11 april 1890) was een Engelsman die bekend werd vanwege zijn afwijkende lichamelijk voorkomen en daar de naam The Elephant Man aan overhield. Aan het begin van zijn leven zag hij er als een gewone jongen uit, maar tussen zijn derde en vijfde levensjaar veranderde dat. Als eerste viel op dat zijn armen niet gelijkmatig groeiden en dat zijn voeten opmerkelijk groot werden. Zoals in die tijd niet ongebruikelijk werd als verklaring voor deze vreemde afwijkingen gekeken of zich geen opvallende gebeurtenis tijdens de zwangerschap had voorgedaan. Volgens het volksgeloof konden baby’s ernstige misvormingen oplopen wanneer hun moeder tijdens de zwangerschap erg schrok. Volgens de familie Merrick was dat in dit geval ook gebeurd, want moeder Mary Jane zou toen ze vier maanden zwanger was van Joseph namelijk  door een kermisolifant omver zijn geduwd en daar heftig van zijn geschrokken. Joseph Merrick zou zijn leven lang geloofd hebben dat dit de oorzaak was van zijn ziekte. Aan de rechterkant van zijn gezicht en lichaam begonnen in snel tempo bulten te groeien. De artsen die hem onderzochten gingen ervan uit dat hij aan de zeldzame aandoening elefantiase ofwel olifantsziekte leed, die wordt veroorzaakt door parasieten en bij een deel van de patiënten lijdt tot een dikker wordende huid, heftige pijnen en overmatige zwelling in de armen, benen of geslachtsdelen. Bijna altijd zorgen de veranderingen in het lichaam ervoor dat personen met deze ziekte sociale en economische problemen krijgen. Dat was ook bij Merrick het geval, want door zijn misvorming raakte hij geïsoleerd van normale omgang met kinderen en kon hij nauwelijks nog naar school aangezien hij zwak was en gepest werd. De meeste mensen vonden hem te afschrikwekkend om naar te kijken. De artsen konden niets voor hem doen en Merrick werd al snel door zijn omgeving uitgestoten. (meer…)

6 OKTOBER – JULIA TULKENS

Julia Tulkens (Tienen, 6 oktober 1902 – 12 maart 1995) was een Vlaams dichteres. Ze werd geboren als Julia Boddaer als dochter van een Vlaamse vader en een Waalse moeder. Ze volgde een tweetalige opleiding op de kweekschool van Jodoigne en studeerde later aan de Nederlandstalige afdeling van de kweekschool te Geldenaken. Als zestienjarige meisje werd ze verliefd op de drie jaar oudere Franstalige dichter Maurice Carême die aan dezelfde kweekschool zijn opleiding genoot. In 1922 trouwt ze met Leo Tulkens (†1967), een leraar en historicus, die haar aanspoort om Nederlands te schrijven. In 1931 debuteerde ze met Heibloempjes, daarna volgde De liedjes van Hilda (1932), Liederen bij schemeruur (1933), Krans (1934) en Veertien kinderliederen (1936). Dit waren vooral klassieke huiselijke poëzie onder de invloed van de gedichten van Alice Nahon. Het gaat om emotioneel sterk geladen, maar sobere poëzie, niet echt ‘klassiek’, maar toch mijlenver verwijderd van het expressionisme.Die werden niet slecht ontvangen, maar toch ook weer met de nodige kanttekeningen. Zo schreef Jan Vercammen in zijn recensie in De Tijdstroom, tijdschrift voor kunst en letteren (jaargang 4, 1933-1934) over Liederen bij schemeruur:  ‘Dat deze bundel gedichten voorafgegaan is van een inleidend woord van Hélène Swarth vinden we minder gelukkig. Het zegt trouwens niet veel. De reproduksie naar een schilderij van Pierre Abattucci is niet bizonder gelukt. Het beste van dit boek zijn gelukkig de gedichten zelf, en hierom gaat het. Deze bundel bevestigt, wat hier reeds werd gezegd bij de bespreking van haar bundel kindergedichten, dat Julia Tulkens een zeer eigen en lief geluid in onze poëziewereld heeft aangeheven. In ‘Liederen van Hilda’ lag een schone verwantschap met de Duitse dichteres Ruth Schaumann in haar kinderpoëzie. En dat is veel gezegd. Hier lijkt de dichteres meer verwant aan Alice Nahon, ze is zelfs in sommige passi pregnanter. (meer…)

SONNE HAGAL

Sonne Hagal is een maandje geleden al een keer langsgekomen, toen met After the rain en voorzien van een lange tekst en uitleg over de naam van de groep. Ditmaal wordt volstaan met de tekst van twee nummers, opnieuw in het Engels. Onderaan de beide nummers de teksten, waarbij passages als ‘Many warriors bones are laid, fighting for their land they fell, none but thou can truly tell. Secrets keeping, ever sleeping, dream’st thou of the past, old stone?” erg onschuldig klinken, maar toch ook weer wat ongemakkelijke associaties (kunnen) oproepen. Ik blijf een wat ongemakkelijke combinatie ervaren van zeer mooie muziek en een bedenkelijke achterliggende gedachte. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 031

Frans van den Muijsenberg / 5 januari 2019 / Delft

008 – JIM LARIMER

SUMMERBREEZE

MINISTERIE VAN KOLONIËN

47e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Het Ministerie van Koloniën was een Nederlands ministerie dat alle zaken met betrekking tot de Nederlandse koloniën regelde. Vanaf 1829 was het ministerie gevestigd in het Huygenshuis. In 1860 werd een eigen ministeriegebouw in Den Haag gebouwd, het eerste ministeriegebouw dat als zodanig werd ontworpen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het ministerie van 1940 tot 1945 in Londen gevestigd. Het kabinet was vanaf 1959 gevestigd op Plein 1813.

In 1674 was de eerste West-Indische Compagnie ontbonden, omdat het bedrijf in grote financiële problemen was geraakt. Een jaar later werd een tweede West-Indische Compagnie opgericht, want er waren immers nog wel koloniën waarvan de zaken behartigd moesten worden en de vraag naar de handel met het westen (die overigens vooral de handel in slaven betrof) bleef ook groot. Deze compagnie zou het langer volhouden, maar in 1792 waren de inkomsten zo ver teruggelopen dat besloten werd ook deze West-Indische Compagnie op te heffen. Rond 1800 werd zonder succes gekeken of er voldoende belangstelling was om voor een derde keer een compagnie op te richten. Na ontbinding van de West-Indische Compagnie in 1792 werd er een Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen opgericht, die in 1806 onder koning Lodewijk Napoleon Bonaparte weer werd opgeheven. In de plaats hiervan werd op 29 juli 1806 het Ministerie van Koophandel en Koloniën opgericht, met aan het hoofd Paulus van der Heim, de zoon van de Rotterdamse burgemeester Jacob van der Heim, de man die steeds in één adem werd genoemd met Kaat Mossel, de fervente Orangiste. Op 8 juni 1808 werd dat ministerie omgedoopt in het Ministerie van Marine en Koloniën, met wederom Pauls van der Heim als bewindsman, de eerste in een lange lijst van ministers voor dit ministeries en haar opvolgers. (meer…)

JAN WILDSCHUT (33)

Jan Wildschut (Den Bosch, 28 november 1913 – Leonberg, 31 januari 1945) was een wachtmeester-vlieger die vanaf 1932 bij het 1e Regiment Huzaren diende. In 1937 werd hij toegelaten tot de opleiding tot vlieger en diende vervolgens bij het 2e Luchtvaartregiment. Op 10 mei 1940 werd zijn vliegveld Gilze-Rijen gebombardeerd en weken de vliegtuigen uit naar een reserveveld bij Haamstede in Zeeland. Van daaruit werden vluchten uitgevoerd tegen de oprukkende Duitsers, onder meer bij de linies van de Grebbeberg. Uiteindelijk werden alle toestellen vernietigd en neergeschoten. Wildschut maakte drie vluchten, werd bij die laatste vlucht door Duitse vliegtuigen aangevallen en wist aan zijn belagers te ontsnappen door zeer laag te vliegen. Toen de Nederlandse militairen in april-mei 1943 werden opgeroepen om in krijgsgevangenschap te gaan, dook hij onder in Nieuwlande (Drente), waar hij Johannes Post leerde kennen. Vanaf juni 1943 voerde ze overvallen uit in Steen, Zweeloo, Oosterhesselen, Nieuweroord en Hollandscheveld, waarbij veel distributiebonnen en officiële papieren werden buitgemaakt. Daarna verplaatste het werkterrein zich naar Noord-Brabant, Zuid-Holland en Noord-Holland. (meer…)

29 SEPTEMBER – ANITA EKBERG

Anita Ekberg (Malmö, 29 september 1931 – Rome, 11 januari 2015) was een Zweeds actrice, fotomodel en sekssymbool die vanwege haar tamelijk koele uitstraling de bijnaam IJsberg verwierf. Ze groeide op in een gezin met zeven broers en zussen. In 1950 werd ze gekozen tot Miss Zweden, waardoor ze mee kon doen aan de Miss Universe-verkiezing die toen in de Verenigde Staten werden gehouden. Eigenlijk was ze helemaal niet zo lang (slechts1.69 meter), maar ze gaf altijd de indruk minimaal een centimeter of tien langer te zijn. Ze had een welgevormde gestalte, met horizontale maten die gaandeweg 39-22-37 werden en een fraai, bijna klassiek gelaat, omlijst door weelderige blonde lokken. Zo iemand viel natuurlijk al snel op, dus de Amerikaanse modellenbureaus en filmmakers, die na Marilyn Monroe driftig op zoek waren naar nieuwe spectaculaire blonde sterren, boden haar direct een contract bij zowel een modellenbureau als aan filmmaatschappij, Universal in dit geval. Op die manier ontmoette ze ook de excentrieke filmproducent Howard Hughes, die van haar een ster wilde maken. Eerste werkte ze echter in enkele nachtclubs en deed ze wat modellenwerk. In 1953 maakte ze dan eindelijk haar filmdebuut en de jaren daarna gehad ze ook in diverse andere films een kleine rol. Eigenlijk werd er ook niet meer van haar verwacht dat ze er mooi en sexy uitzag. Het was voldoende om in de jaren vijftig bekend te worden als sexsymbool. (meer…)

MIDNIGHT OIL

Midnight Oil is een Australische rockband die in Nederland in 1988 bekendheid kreeg via het nummer Beds are burning. Het hele repertoire van de band getuigt van één groot protest tegen imperialisme, neokolonialisme, milieuverontreiniging en tegen het vergeten van het verleden. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat leadzanger Peter Garrett later in de politiek verzeild raakte en het uiteindelijk bracht tot minister van Milieu, Erfgoed en Kunst en later tot minister van Onderwijs. Hij had jarenlang gestreden voor de ondertekening van het Kyoto-protocol, dat hij ook graag namens de Australische regering had ondertekend, maar tot Garretts teleurstelling werd een aparte minister van Klimaatbeleid benoemd die deze ondertekening mocht doen. Midnight Oil nam in 1990 een nummer op dat was geïnspireerd op de ervaringen van de mijnwerkers in de beruchte asbestmijnen in Wittenoom, die als gevolg van hun werk verschillende aan asbest gerelateerde ziekten opliepen. Het ‘blue’ in de tekst heeft betrekking op het mineraal roebeckiet (genoemd naar haar Duitse ontdekker Emil Riebeck (1853 – 1885), waarbij het opvalt dat deze opvallend jong stierf. De ‘sugar refining company’ is in werkelijkheid de Colonial Sugar Refining Company Ltd (CSR), de eigenaar van de mijnen. Zoals de naam al aangeeft was men begonnen in de suikerindustrie, maar in latere jaren werd het werkterrein verbreed. Tussen 1948 en 1966 had het bedrijf in Wittenoom mijnen waar ruim 161.000 ton roebeckiet-asbest werd gewonnen. Daarbij werden jarenlang alle adviezen van de Western Australia Health Department in de wind geslagen, waardoor duizenden mijnwerkers en hun gezinnen, maar ook bezoekers, toeristen, inspecteurs van de regering en adviseurs van diverse bedrijven werden blootgesteld aan het gevaarlijke ‘blauwe asbest. Voor velen betekende het dat ze longkanker of andere aan asbest gerelateerde zieketen opliepen. Pas onder grote druk werden in 1966 de mijnen gesloten. Bij Midnight Oil spat de woede hierover van de muziek: Blue Sky Mine. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 4

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In dit blog een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent: Togoland.
(meer…)

JACQUES PERK – DRIE GEDICHTEN

In 1882 werd postuum Mathilde. Een sonnettenkrans in vier boeken van Jacques Perk uitgegeven, die in november 1881 op 22-jarige leeftijd was overleden. Perk had in 1879 een vakantie doorgebracht in de Belgische Ardennen en daar de schoonheid Mathilde Thomas ontmoet. Na vijf dagen komt een einde aan het aangename verblijf. Bij de romanticus Perk wordt de bewondering of wellicht ontluikende verliefdheid omgezet in een bijna goddelijke verering van Mathilde, die voor de dichter steeds minder een persoon werd en meer en meer het symbool van de perfecte en onbereikbare vrouw. Hij schreef meer dan honderd zogenaamde Mathilde-sonnetten. Na zijn dood werden een deel daarvan door Willem Kloos uitgegeven, waarbij Kloos de vrijheid had genomen te bepalen welke gedichten in de bundel werden opgenomen, in welke volgorde ze kamen te staan en welke tekstuele aanpassingen hij wenselijk vond. Na de voorrede van Carel Vosmaer schreef Kloos ook twee inleidingen. In Inleiding 2 uit september 1882 ging hij in op de persoon Jacques Perk en het ontstaat van de cyclus. Veel belangrijker was Inleiding 1 uit augustus 1882, die allerwegen wordt gezien als een manifest waarin Kloos zich afzet tegen de literaire toestand in Nederland anno 1880 en de opkomst van een nieuwe beweging aankondigde, die als de Beweging van Tachtig de geschiedenisboeken zal ingaan. Hij begint deze inleiding met de wonderschone inleiding, aan Perk refererend: ‘Wien de goden liefhebben, nemen zij jong tot zich, zeiden de ouden; maar dichters genieten ook hierin een voorrecht boven hunne medeschepselen, dat een vroegtijdige dood hun, behalve de goddelijke, nog die andere genade verzekert, welke in de oogen der menschen gevonden wordt’. Hieronder een drietal sonnetten uit de bundel, alle drie heel direct aan Mathilde gericht. (meer…)

DE KAMELEN VAN DE HEILIGE FRONTO

Midden in een grote, gele zee van zand in Egypte lag een klein, groen eilandje, een oase. Overal elders brandde de zon op het zand, op de rotsen, op de laagvlakten en de kale heuvels tegen het westen. Maar hier was er schaduw onder de palmen en een bron met koel, helder water. Het leek op een klein paradijsje, maar toch waren de mensen die daar woonden verre van gelukkig. Want er heerste misnoegdheid en ontevredenheid en er werd gemurmureerd en gemord. Toch wilden juist deze mensen leven als heilige kluizenaars, een leven leiden van goedheid en gehele zelfopoffe­ring. Doch het is moeilijk goed te zijn, wanneer men bijna sterft van honger. Zeventig van hen leefden in dit eenzame kamp te midden van de woestijn, zeventig hongerige monniken, die dagen achtereen niet anders gehad hadden dan enkele olijven om zich mee te voeden. Zij gaven één onder hen de gehele schuld van dit hun leven vol ont­beringen. Het was Fronto, die hen overgehaald had hun heerlijk kloos­ter te Nitria te verlaten, waar de overige broeders nog altijd in vrede en overvloed leefden. Het was Fronto, die hen gevoerd had naar deze ellendige woestijn om daar in eenzaamheid God te dienen zo­als de heilige mannen deden in de eerste dagen van het Christendom. Maar Fronto was een heilige, vol moed en vast geloof. Hij had hun voorspeld dat het hun ook in de woestijn niet zou ontbreken aan het nodige, wanneer zij maar niet bezorgd zouden zijn over zich­zelf en vertrouwden. Zij hadden hem geloofd en zo pakte iede­re monnik wat olijven in zijn knapzak en wat tuingereedschap om te spitten en koren te planten en volgde Fronto naar de woestijn. (meer…)

03 – JULIANAKANAAL (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Julianakanaal. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een fotografische sfeerimpressie van het kanaal. 

Limburgs kolenkanaal

Ten noorden van Maastricht mag de Maas haar gang gaan. Zwierig meandert ze omhoog naar Maasbracht. Ze hoeft alleen maar grens te zijn, tussen België en Nederland. En grind te leveren. Het Julianakanaal is er voor de serieuze doorvaart.
Het begon met steenkool, die moest naar het noorden, en glas, keramiek, cement, papier, het kwam allemaal uit Limburg. Transport was een groot probleem. Het Julianakanaal was het antwoord. Jaren hebben de Belgen en Nederlanders geruzied om de Maas gezamenlijk te kanaliseren, tot Nederland tussen 1925 en 1935 een apart kanaal groef op eigen grondgebied.
Het Julianakanaal ligt tussen hoge flanken. Vanaf de weg is alleen een grashelling te zien, het dak van een boot schuift voorbij. Boven op de dijk fietst een echtpaar over het asfaltlint. Een verveloos schip, de Kasia uit Werkendam, dobbert dwars op het water terwijl een groen sleepbootje in zijn zij port en van inspanning zwarte rookwolken uitstoot. Op het dek begeleiden twee mannen met walkietalkies de manoeuvre. De Kasia moet naar scheepswerf Maasdok in de insteekhaven. In de verte komt uit Maastricht MS Santana aangegleden, ze maakt lome golven in het water. (meer…)

03 – JULIANAKANAAL (1)

Rond 1900 was in Limburg de kolenindustrie sterk in opkomst en ontstond er een dringende behoefte aan een bruikbare waterweg. Nederlandse en Belgische ingenieurs overlegden hoe ze de Maas bevaarbaar kunnen maken, maar dat initiatief strandde als snel omdat de Belgen de rivier op sommige plekken niet dieper dan 2,60 meter wilden maken. Daardoor zouden grote schepen alleen via de haven van Antwerpen naar Luik kunnen varen en bleef de haven van Rotterdam, de grote Belgische concurrent, buiten bereik. Nederland was uiteraard weinig enthousiast over de Belgische insteek. In 1912 ligt er een plan om de Maas aan te passen, maar België en Nederland hebben genoeg van de samenwerking en willen nu elk een eigen kanaal, langs weerskanten van de Maas. De Belgen graven hun Albertkanaal, in Nederland beginnen in 1925 de werkzaamheden voor het Julianakanaal. ‘Ze werkten van twee kanten, vanuit Maastricht en vanuit Maasbracht. Bij Elsloo en Stein kwamen ze bij elkaar. Op dit punt moesten ze zich door een hoogte heen graven, de Scharberg, en bovenop die berg lag het dorp Elsloo. Bij deze werkzaamheden werd een grondlaag die rijk was aan haaientanden uit het Mioceen aangesneden. De school, het gemeentehuis en 43 huizen moesten wijken. De kerk kwam vlak langs het kanaal te liggen. De mensen kregen aardig geld voor hun stulpjes en konden daarvan nieuwe huizen laten bouwen. De meeste bewoners vonden eigenlijk dat het dorp er eigenlijk heel mooi van was geworden. Niemand was er verdrietig over, hooguit wat melancholiek. (meer…)

22 SEPTEMBER – ELOI MEULENBERG

Eloi Meulenberg (Jumet, 22 september 1912 – 26 februari 1989) was een Belgisch wielrenner. Zoals de naam af aangeeft had hij Vlaamse ouders, maar tegen de tijd dat hij werd geboren waren zij als vertrokken naar Ransart, in de omgeving van Charleroi. Eloi werd geboren in Jumet, een andere voorstad van Charleroi. Hij groeide geheel Franstalig op, waardoor hij als een Waalse coureur geldt. Hij had een lange en succesrijke carrière (1934-1950), die hinderlijk werd onderbroken door de oorlog. Het is bijna onthutsend hoe weinig er over hem te vinden. Hij won immers in de jaren 1936-1939 in totaal maar liefst negen etappes in de Tour de France, won in 1935 de GP Fourmies (in Nederland wellicht niet zo bekend, maar toch al sinds 1928 een erkende klassieker over tweehonderd kilometer en met een formidabele erelijst) en finishte als tweede in de Ronde van Vlaanderen, was in 1936 eerste in een andere klassieker Parijs-Brussel, in 1937 ging hij als eerste over de streep van Luik-Bastenaken-Luik én hij werd in dat jaar de eerste Waalse renner die wereldkampioen op de weg werd en in 1943 was hij zegevierend in de Scheldeprijs. Dat wereldkampioenschap in 1937 in Kopenhagen is nog steeds het langste dat ooit werd verreden. De renners moesten over een vlak parcours in 35 rondjes een afstand van 297,5 kilometer afleggen. In de twaalfde ronde onstond een kopgroep van zes man (de Belg Eloi Meulenberg, de Zwitser Paul Egli, de Duitser Emil Kijewski, de Fransman Georges Speicher, de Luxemberger Jean Majerus en de Italiaan Cesare Moretti). De Italiaan viel vanwege een valpartij uit de kopgroep en zou de wedstrijd moeten staken. Meulenkamp won de sprint van de kopgroep in een tijd van 7.59.48, vóór Kijewski en Egli. Kopgroep is eigenlijk wat veel gezegd, want het suggereert dat er daarna een peleton over de meet kwam. Dat was echter niet het geval. Met een achterstand van iets meer dan zeven minuten, kwamen nog drie man (de Nederlander Aad van Amsterdam, de Belg Michel d’Hooghe en de Duitser Ooto Weckerling) over de streep gekomen. Slechts acht man reden de wedstrijd reglementair uit. Er waren ook nog twee Denen (Werner Grundahl Hansen en Osvald Falck Hermansen) gefinisht, maar beiden werden gediskwalificeerd omdat Hermansen zijn landgenoot, die een lekke band had gekregen, op zijn fiets meegenomen naar de materiaalpost om daar een andere fiets te krijgen. Eigenlijk had Meulenberg, een geducht sprinter op de fiets en befaamd womanizer als hij eenmaal was afgestapt, ook de eerste uitgave van de Waalse Pijl in 1936 moeten winnen, maar in het zicht van de finish werd hij in winnende positie door een motorrijder omver gereden. (meer…)

ROLLING STONES

The Rolling Stones behoeven geen introductie; het lijkt of ze er altijd zijn geweest en altijd zullen blijven. In 1962 hadden ze hun eerste optreden en nu, 57 jaar laten, maken ze nog steeds platen en treden ze ook nog op. Het echte hoogtepunt lag zo’n beetje in de periode 1963 toen hun eerste single Come On uitkwam, een cover van een nummer van Chuck Berry) tot omstreeks 2000. Er is een eindeloze lijst van albums en hits en daarvan springt er wat mij betreft één echt uit: Gimme Shelter. Het nummer stond op de LP Let it bleed, die in 1969 door Decca Records werd uitgebracht. Naast de gebruikelijke Stones (Mick Jagger, Keith Richards, Bill Wyman, Charlie Watts) spelen Nicky Hopkins op piano, Jimmy Miller op maracas en Merry Clayton als ondersteunende zang mee. De twee eerste waren gerenom-meerde muzikanten die vaker met de Stones optraden en opnamen, maar ook bij een hele reeks andere groepen meespeelden. Merry Clayton was een onbekende soulzangeres, die in de jaren zestig deel uitmaakte van The Raelettes, het achtergrondkoortje van Ray Charles. Er is een vermakelijke video waarin Clayton uit de doeken doet hoe ze gevraagd werd door een bandje uit Engeland (‘The Rolling .. somethings, or so!) om mee te doen, inclusief de indrukwekkende ‘naked voice’ van wat ze op te opname inbrengt. Ze heeft later trouwens een eigen interpretatie van het nummer opgenomen en een hele carrière opgebouwd als ‘the original Gimme Shelter-diva’. Het nummer zou door Keith Richards in twintig minuten tijd zijn geschreven op een regenachtige dag toen hij zich in zijn appartement wat verveelde. Het wordt veronderstelt te gaan over  het ongelukkige verloop van het Altamont Free Concert in december 1969, waarbij Hells Angels de bewaking verzorgden en voor de ogen van de band iemand in het publiek door messteken kwam te overlijden. Het staat daarmee ook symbool voor de teloorgang van de idealen van de sixties. In allerlei lijstjes van beste nummers aller tijden (wat die ook waard mogen zijn) staat het nummer steevast erg hoog genoteerd. Op mijn lijstje beste Rolling Stones-nummers staat het al decennia op nummer één: Gimme Shelter. (meer…)

007 – ROSHAN BK

MARCELLUS EMANTS – OP REIS DOOR ZWEDEN

Marcellus Emants was van gegoede afkomst en kon zich een leven lang wijden aan zijn studie, de letteren en het reizen. Na de dood van zijn vader in 1871 ging hij op reis naar de Alpen, de Nijl, Amerika en het Verre Oosten. Kort na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1875 trok de jonge Emants naar het noorden. Zijn Zweedse reis zou leiden tot zijn prozadebuut in boekvorm: Op reis door Zweden. Zijn naturalistische levensvisie is in zijn latere werk te herkennen in zijn sobere, directe stijl en zijn streven naar wetenschappelijkheid en objectiviteit, maar in dit eerste boek is het slechts spaarzaam terug te vinden. Integendeel, er zijn humoristische schetsen van het noorden van Europa en haar bewoners, een schril contrast met zijn karakteristieke pessimisme. Een objectief verslag van zijn reis naar het noorden was ook niet echt de bedoeling. In de inleiding van Op reis door Zweden stelt Emants onomwonden dat de waarde van een reisverslag in de weergave van de subjectieve ervaring ligt. Hij zet zich ook behoorlijk af tegen het ‘moderne toerisme’. Het is maar goed dat de man er geen weet van heeft gehad wat anno 2019 de stand van zaken met het toerisme is. Ook in latere reisverhalen komt hij met regelmaat terug tot het verschil tussen reizen en toerisme, waarbij met alle tegenzin in hem op dat laatste wordt gescholden. Uit het verhaal hieronder het vijfde hoofdstuk, over zijn bezoek aan Trölhattan.
(meer…)

JOSEF STALIN (1910-1911)

Jozef Stalin (Gori, 18 december 1878 – Moskou, 5 maart 1953) werd geboren als zoon van een schoenmakersknecht in het Georgië, in het gouvernement Tiflis. Het gezin leefde onder armoedige omstandigheden en de andere kinderen van het gezin stierven allemaal op jonge leeftijd. Stalin kwam met de aangeboren voetafwijking syndactylie ter wereld, wat inhoudt dat enkele van de tenen aan elkaar vastgegroeid zijn. De zeldzame keren dat zijn vader thuis was, mishandelde hij de jonge Jozef en zijn moeder. Hij zou een paar keer bijna zijn doodgeslagen, maar na het vertrek van zijn vader kwam er rust in het gezin. Stalin bezocht het Russisch-orthodoxe seminarie in Tiflis, waar het onderwijs indertijd beter was dan op andere scholen. In 1899 werd hij van de opleiding verwijderd wegens niet afgelegde examens en het koesteren van revolutionaire ideeën. Hij las heimelijk teksten over Karl Marx en na vijf jaar priesterstudie werd hij van het seminarie verwijderd vanwege zijn revolutionaire denkbeelden. Hij kwam in contact met de bolsjewieken en nam aanvankelijk de schuilnaam Koba aan, dat ‘de onbedwingbare’ betekende in het plaatselijke dialect. Later, toen hij op nationaal niveau opereerde, zou hij zich Stalin laten noemen, wat een verbastering is van het woord staal (dus man van staal’ betekent), omdat hij meende dat een Georgische naam op nationaal niveau niet sympathiek zou worden ontvangen. Hij zat enige malen gevangen en werd ook verbannen, maar in 1903 wist hij te ontsnappen uit zijn verbanningsoord Novaja Oeda in Siberië. In 1904 sloot hij zich aan bij Lenins bolsjewistische vleugel binnen de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij (RSDAP). (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 033

Sophia Harms-van Estrik zoekt bij het maken van een beeld naar het meest wezenlijke: de emotie of zoals ze het zelf graag uitdrukt: ‘beelden met een ziel’. Mensen en dieren inspireren haar, maar een goed verhaal, een opmerkelijke vorm of een bijzondere steen evengoed. Het resultaat kan figuratief of abstract zijn. Ze volgt haar intuïtie om de meest geëigende uitdrukkingsvorm te vinden in brons, steen of marmer. Haar klassieke basis en vaktechnische kennis zijn in Nederland onderwezen door onder meer Jos van Oosterhout van de Gooise Academie voor Beeldende Kunsten en door de Amsterdamse beeldhouwer Leo van den Bos. In het buitenland volgde Sophia Harms-van Estrik opleidingen aan de Ecole des Beaux-Arts, Parijs en de Florence Academy of Art in Florence. Tevens heeft zij zich bekwaamd in sculpturen van mensen op ware grootte aan de Europaïsche Kunstacademie in Trier, Duitsland. Haar vrije werk is te vinden in vele particuliere verzamelingen vinden. Ze voert graag opdrachten uit, zoals (familie-)portretten, borstbeelden, bedrijfslogo’s, relatiegeschenken, geboortegeschenken, jubileumgeschenken, huwelijksgeschenken, awards, prijzen of een cadeau voor een speciale gelegenheid. Een proeve van bekwaamheid is te vinden op de website van Sophia Harms-van Estrik.

ALEXANDER IDENBURG

46e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Alexander Willem Frederik Idenburg (Rotterdam, 23 juli 1861 – Den Haag, 28 februari 1935) was de zoon van een scheeps- en huisarts. Hij bezocht in Utrecht de lagere school en HBS en werd als zestienjarige naar Breda gestuurd om daar aan de Koninklijke Militaire Academie een opleiding te volgen tot officier bij het wapen der genie van het Indische leger. In 1881 werd de twintigjarige Idenburg benoemd tot tweede luitenant; eind 1882 vertrok hij naar Indië, waar hij aanvankelijk diende in het korps genietroepen. In 1883 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en in 1885 volgde overplaatsing naar de gewestelijke geniedienst te Soerabaja. Van 1886 tot 1889 was hij adjudant van de commandant van het korps genietroepen. In 1889 werd Idenburg overgeplaatst naar de gewestelijke geniedienst in Atjeh. In 1892 volgde de bevordering tot kapitein. In de periode 1883-1892 nam hij deel aan militaire campagnes in van Borneo (1884) en Atjeh (1889-1890) zonder rechtstreeks bij gevechtshandelingen betrokken te zijn. In 1894 ging hij voor een periode van twee jaar met verlof naar Nederland, maar in 1896 was hij weer terug in Indië terug. Hij werd eerst te werk gesteld bij het Departement van Oorlog te Weltevreden en werd kort daarna benoemd tot lid van de generale staf. Vanaf 1896 tot 1901 was Idenburg adjudant van verschillende commandanten van het Indische leger. In 1901 werd hij eervol uit de militaire dienst ontslagen. Afkomstig uit een orthodox-protestants milieu trad Idenburg spoedig na zijn aankomst in Indië tot de Gereformeerde kerk toe. Zijn streng christelijke levensovertuiging baarde in de Indische samenleving van die dagen wel enig opzien. Zo weigerde hij als jong officier de zondagse recepties van meerderen bij te wonen. Te Batavia was hij ouderling en ging hij bij afwezigheid van de predikant in 1899 gedurende een aantal maanden voor bij godsdienstoefeningen in de Kwitang-kerk. (meer…)

15 SEPTEMBER – JAN ERNST MATZELIGER

Jan Ernst Matzeliger (Paramaribo, 15 september 1852 – Lynn, Massachusetts), 24 augustus 1889) was een Surinaamse uitvinder. Hij werd in 1852 aan de Cotticarivier geboren als zoon van een Duitse vader en Surinaamse moeder, waarvan wordt verondersteld dat ze nog slavin was toen Jan Ernst werd geboren en de zoon dus ook als slaaf ter wereld kwam. Matzeliger is de uitvinder van de schoenzwikmachine, die ervoor zorgde dat goedkoper bovenschoen en schoenzool met elkaar verenigd worden. Daarmee werden schoenen voor veel mensen betaalbaar en niet slechts beschikbaar voor de ‘happy few’. Hij kreeg het octrooi voor deze machine op 20 maart 1883. Drie weken voor zijn 37e verjaardag overleed Matzeliger te Lynn aan tuberculose. In 1985 vernoemde de stad Lynn een brug naar de uitvinder en te zijner nagedachtenis gaven de Amerikaanse posterijen op 15 september 1991 een speciale postzegel uit. In het boek Emancipatie 1863-1963 schreef R.A. Raan onderstaande biografie over Jan Ernst Matzeliger. Het boek verscheen in 1964 en het pleidooi aan het slot laat zien dat er de laatste vijftig nog niet veel progressie is geboekt. In Suriname is een paar jaar geleden een Stichting Matzeliger Instituut in het leven geroepen die een voordracht heeft ingediend bij de Anton de Kom Universiteit van Suriname om een postuum eredoctoraat in de Technologische Wetenschappen toe te wijzen aan Jan Ernst Matzeliger. Ik heb nog geen bericht gelezen dat een en ander inmiddels is gerealiseerd. (meer…)

GERRY RAFFERTY

Gerry Rafferty (Paisley, 16 april 1947 – Bournemouth, 4 januari 2011) was een Schots zanger en liedjesschrijver, die in 1970 een piepklein hitje schoorde in Nederland als lid van The Humblebums met Shoeshine Boy (28e plaats in de Top 40). In de Britse charts deed het echter niets en ook een eerste soloplaat in 1971, Can I Have My Money Back, deed niks. Een jaar later richtte hij met zijn oude schoolmakker Joe Egan de groep Stealers Wheel op, waarmee hij wel diverse wereldhits had. Vanaf 1977 ging Gerry Rafferty opnieuw solo met de zeer succesvolle plaat City to City en ook het volgende album Night Owl (1979) verkocht meer dan goed. Daarna werd het succes minder en minder, wat grotendeels te wijten was aan Rafferty’s alcoholisme dat ertoe leiden dat hij weigerde zijn albums te promoten door middel van optredens. Van City tot City kwam hét nummer, waaraan Gerry Rafferty altijd zal worden herinnerd. Baker Street heeft een uit alles herkenbare saxofoon-intro, met zijn lange, snerpende uithalen van Raphael Ravenscroft. Waar het nummer eigenlijk precies over gaat, is niet altijd even herkenbaar en ook wat de associatie is met Baker Street, toch vooral bekend als het verblijf van ene Sherlock Holmes. De tekst is geheimzinnig, maar de muziek en vooral die saxofoon raakt ons elke keer. Naderhand heeft Rafferty verklaard dat het nummer gaat over zijn jarenlange gevecht tegen de platenmaatschappij waarbij hij een wurgcontract had getekend. (meer…)

GABRIËLE MÜNTER

Gabriele Münter (Berlijn, 19 februari 1877 – Murnau am Staffelsee, 19 mei 1962) was een Duitse expressionistische schilder en grafisch kunstenaar. Ze was de jongste van de vier kinderen van tandarts Carl Münter en zijn vrouw. Het echtpaar verhuisde een jaar na haar geboorte naar Herford in Westfalen en later naar Koblenz. In 1886, toen Gabriële nog maar negen jaar oud was, overleed haar vader. Haar moeder leidde een teruggetrokken leven en liet haar kinderen zonder erg veel opvoeding opgroeien. De kunstenares zou later over zichzelf verklaren dat de gebrekkige opvoeding waarschijnlijk de verklaring was voor haar onbeholpen manier van omgaan met anderen. In haar schooltijd werd haar kunstzinnige aanleg opgemerkt en in 1897 volgde zij korte tijd een kunstopleiding voor vrouwen in Düsseldorf. De kunstacademie was destijds voor vrouwen nog niet toegankelijk. In hetzelfde jaar overleed haar moeder en gaf ze haar opleiding op. Door de erfenis was ze nu financieel onafhankelijk geworden en konden Gabriele en haar zusters het zich veroorloven op familiebezoek gaan in de Verenigde Staten. Zij bleven er twee jaar en maakten een reis door Missouri, Arkansas en Texas, een reis die door meer dan vierhonderd foto’s werd gedocumenteerd. (meer…)

ABRAHAM ASSCHER

Abraham Asscher werd op 19 september 1880 in Amsterdam geboren. Zijn vader en diens broer werkten in de diamanthandel en hadden in 1891 een eigen bedrijf opgericht, de Diamantmaatschappij. Later werd Abraham Asscher de directeur en enige aandeelhouder van het bedrijf. Onder zijn leiding verwierf de firma wereldwijde bekendheid. Het absolute hoogtepunt in de geschiedenis van Asschers diamantfabriek was ongetwijfeld het slijpen van de Cullinan, de grootste diamant die ooit ter wereld werd gevonden. Asscher behoorde van jongs af tot de Joodse religieuze elite, hoewel hij zeker geen orthodox levende of vroom opgevoede Jood was. Slechts op hoogtijdagen bezocht hij de synagoge. Zijn politieke betrokkenheid was beduidend groter dan zijn religieuze engagement. Al op jeugdige leeftijd was hij de lijsttrekker en fractievoorzitter van de Liberale Staatspartij, waarvoor hij in 1917 lid werd van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Zoals gebruikelijk onder de Joodse religieuze elite waarvan hij een prominent lid was, had Asscher een enorme afkeer van het socialisme, de politieke stroming die juist onder het Joodse proletariaat een enorme aanhang kende. Als belangrijk industrieel en vooraanstaand politicus was hij een man met grote status binnen de Amsterdamse wereld en verbonden aan bijna alle belangrijke Joodse instituten en commissies. Asscher was een man die alles groots aanpakte. Het liefst sprak hij voor volle zalen met prominente mensen in het publiek. Als bestuurder en vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap volgde hij dr. Dünner op als voorzitter van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, de koepelorganisatie van de Joodse gemeenten in Nederland. Verder maakte hij deel uit van het bestuur van de kerkenraad van de grootste lidorganisatie van deze koepel, de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge Amsterdam . Ook zat hij in het bestuur van Keren Hajesod, een opbouwfonds voor Palestina. Vanwege zijn grote verdiensten benoemde men hem in 1935 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die onderscheiding kreeg hij opgespeld in aanwezigheid van vele vooraanstaande mensen uit politiek en bestuurlijk Nederland. (meer…)

WALTER LEBLANC

Walter Leblanc (Antwerpen, 26 december 1932 – Opzullik, 14 januari 1986) was een Belgisch beeldend kunstenaar. Hij was stichtend en richtinggevend lid van de groep G58 (1958-1962) in het Antwerpse Hessenhuis haar activiteiten had. Daarna maakte hij deel uit van de internationale beweging ‘Nouvelle Tendance’, die vanaf 1961 tot 1968 bestond en participeerde ook in tentoonstellingen van de Nederlandse Nul-beweging, die in 1960  werd opgericht. Deze beweging waarin onder meer de kunstenaars Armando, Jan Schoonhoven, Jan Henderikse (zie ook 2, 3, 4 en 5) en Henk Peeters actief waren, zette zich sterk af tegen Cobra en streefde naar objectieve kunst. Ofwel kunst, die van elke emotionele waarde werd ontdaan. Leblanc had zijn opleiding gekregen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (1949-1954) en aan het Nationaal Hoger Instituut (1955-1956) in Antwerpen. Beide studies stonden nog geheel in het teken van de figuratieve kunst. Later ontwikkelde Leblanc zich in de richting van de monochrome kunst, de op-art en de kinetische kunst. In 1959 introduceerde Leblanc de torsie als basiselement in zijn werk. In de Twisted Strings werden getorste katoendraden gespannen op een monochroom, meestal wit, oppervlak. Afhankelijk van de verplaatsing van de toeschouwer en de wisselende lichtinval op het reliëf ontstaat in het oog van de participant een vibrerend, optisch effect. In de Mobilo Statics, werden de katoendraden vervangen door tweekleurige polyvinyl-linten. De Torsions ontwikkelden zich verder tot vrijstaande sculpturen uit gelakt metaal of hout. In 1975 ontstonden de Archetypes, wat geprogrammeerde reeksen waren waarin Leblanc via tekeningen en sculpturen uit geoxideerd staal de combinatiemogelijkheden onderzocht van geometrische grondvormen, zoals de driehoek, het vierkant, de cirkel en hun afgeleiden. (meer…)

BOK DE KORVER

Bok de Korver (Rotterdam, 27 januari 1883 – Rotterdam, 22 oktober 1957) werd geboren aan de Oude Binnenweg 91 in Rotterdam, als tweede zoon van een pakhuisknecht.Thuis heette hij gewoon Jo, maar iedereen kende hem als ‘Bok’. Waar de bijnaam vandaan kwam, valt niet met zekerheid te zeggen. Sommigen menen dat deze te maken had met het onverzettelijke en koppige in zijn spel, anderen houden het op de manier van koppen van De Korver. Zijn ouders waren in 1879 uit Den Haag verhuisd en openden twee jaar na de geboorte van Jo, zoals hij binnen het gezin werd genoemd, een kleine winkel in ijzerwaren en huishoudelijke artikelen aan de Kruiskade, op de plaats waar nu het Hilton Hotel staat. De Korver leerde op straat voetballen met een tennisbal, waarmee hij met enkele vrienden op kleine terreintjes rond de Kruiskade en de Diergaardelaan oefende. Pas na de middelbare school (HBS) schreef hij zich op 17-jarige leeftijd in bij de kleine voetbalclub Constantia, die later zou opgaan in het grotere Volharding. De vereniging speelde op het Schuttersveld, hetzelfde veld waar ook Victoria, Celeritas, Rapiditas en het grote Sparta speelden. Sparta had natuurlijk een enorme aantrekkingskracht op de spelers van die kleine clubs en ook De Korver maakte de overstap toen de gelegenheid zich voordeed. In september 1902 werd hij door de ballotagecommissie van Sparta aangenomen als actief. Direct daarna maakte hij zijn debuut in het eerste elftal in een vriendschappelijk treffen tegen een elftal van Delftse studenten (D.S.V.V. Ouwe Schoen). Zijn eerste competitiewedstrijd vond plaats op 19 oktober 1902 tegen het Amsterdamse RAP, op dat moment nog steeds een grote club maar al wel lichtjes in verval. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 030

Frans van den Muijsenberg / 20 januari 2019 / Lalique Museum Doesburg

8 SEPTEMBER – WILLY KRUYT

Willy Kruyt (Amsterdam, 8 september 1877 – Berlijn, juli 1943) was een Nederlands predikant, Tweede Kamerlid en spion tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 30 april 1901 trad hij in het huwelijk met Truus Hogerzeil, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 18 oktober 1922 hertrouwde hij op 18 september 1923 met Nelly Dentz, musicus, met wie hij twee zoons kreeg. Dit huwelijk werd op 4 juni 1932 ontbonden en nog hetzelfde jaar hertrouwde hij met Gustel Schmidt, een maatschappelijk werkster. Dit huwelijk bleef kinderloos. Kruyt had het grootste deel van zijn schooltijd doorgebracht op een Engelse kostschool doorbracht (zijn moeder was Schotse) en hij ging daarna aan de slag in de uitgeverij van zijn vader. Buiten werktijd verdiepte hij en zijn eerste vrouw in maatschappelijke vragen en socialistische literatuur. Truus was hiervoor de grote inspirator, want ze was als dochter van een Hervormd predikant een brede religieuze, culturele en maatschappelijke belangstelling. Kruyt ging steeds meer het ambt van predikant ambiëren en besloot alsnog naar het christelijk gymnasium in Utrecht te gaan. In 1907 begon hij zijn studie theologie in Utrecht. In 1909 traden Willy Kruyt en zijn vrouw toe tot de redactie van het christelijk-sociale tijdschrift Wereldvrede. Zij ontwikkelden zich steeds meer naar het christen-socialisme en traden in 1910 toe tot de Bond van Christen-Socialisten, een christelijk-marxistische partij, opgericht in 1907, die het kapitalisme en particulier bezit afwees en het principe van de klassenstrijd aanvaardde. Zijn vrouw werd redactielid van het bondsorgaan Opwaarts, hij in 1913 bestuurslid en in 1914 de voorzitter van de bond, die zich afzette tegen de SDAP, de concurrerende partij. (meer…)

STEELERS WHEEL

Stealers Wheel was een Britse folkrockband die in 1971 in Paisley (Schotland) werd opgericht door drie folkzangers/liedjesschrijvers: Joe Egan, Gerry Rafferty en Rab Noakes, aangevuld met drummer Rod Coombes, bassist Tony Williams, sologitarist Paul Pilnick. Noakes zou de band snel verlaten en deed al niet meer mee op hun debuutalbum Stealers Wheel dat in 1972 uitkwam en werd geproduceerd door Jerry Leiber en Mike Stoller, indertijd gezamenlijk een succesvol en invloedrijk duo van liedjesschrijvers en producenten. De plaat leverde twee grote hits op: Late Again en Stuck in the middle with you. Reden voor popjournalisten om de band in de vroege jaren zeventig uit te roepen tot de Britse versie van Crosby, Stills, Nash & Young, wat natuurlijk een verwachting was die nooit waargemaakt kon worden. Tussen beide hits was met weinig succes een andere single uitgebracht, wat voor Gerry Rafferty en Tony Williams reden was uit de groep te stappen. Nadat Stuck in the middle with you echter een enorm succes werd, kwam Rafferty halsoverkop weer terug. De band nam toen een nieuwe single op, Everything will turn out fine, maar Rafferty vond dat Leiber en Stoller het nummer veel te veel een kopie maakte van Stuck in the middle with you. Hij haalde Joe Egan over als duo verder te gaan, de overige bandleden werden aan de kant gezet. Het duo bracht een tweede album uit in 1973. Ferguslie Park bevatte een her-opname van Everything will turn out fine zoals Rafferty die voor ogen had gestaan. De plaat leverde met Star een bescheiden hitje op, maar daarna liep het snel spaak. Egan en Rafferty konden het er niet over eens worden of ze als duo of als band verder zouden gaan en er waren ook heftige meningsverschillen op artistiek niveaus. Toen de derde plaat, Right or Wrong, uitkwam bevatte Stealers Wheel geen leden meer op de plaat te promoten en optredens te verzorgen. In 1973 heb ik direct Ferguslie Park van hen aangeschaft, alleen maar vanwege dat ene nummer, dat maar een bescheiden hit was, maar voor mij nog steeds een wereldnummer is. Het werd geschreven door Joe Egan en ging over de beperkte duur van de roem. Eerst ben je onbekend, vervolgens wereldberoemd, maar daarna weer even snel vergeten. Het lied was eigenlijk best wel profetisch zijn, want Stealers Wheel verdween snel naar de anonimiteit en werd geheel overschaduwd door de succesvolle solocarrière van Gerry Rafferty, die vervolgens ook in de vergetelheid raakte en ten onder ging aan alcoholisme. Maar het blijft een geweldig nummer: Star. (meer…)

ROB CLOUS

Werk in mijn bezit:
Kunstenaar: Rob Clous
Titel: Park
Jaartal: 1978
Afmetingen beeld: 46 x 62,5 cm
Oplage: 5/200
Gesigneerd: ja, handgeschreven met potlood (rechtsonder)
Werk: zeefdruk
Materiaal: papier

Ingelijst: Nee

Meer zien van Rob Clous:
CollectersNet
Art Zaanstad

Galerie Sylfaen / Kunstenaars

.
.
.
.
.

ROB CLOUS

Rob Clous (Haarlem, 28 april 1940) is een beeldend kunstenaar uit Haarlem. Rob volgde teken- en schilderles bij gerenommeerde Haarlemse kunstenaars als Henri Boot, Wim Vellekoop, Louis Schutte en Poppe Damave. In diezelfde tijd werkte hij ook zes jaar als decorschilder bij de Nederlandse Comedie te Amsterdam. Als graficus is hij autodidact. Zijn heldere en kleurige prenten ontstonden uit zijn vroege eenvoudige zwart-wit prenten, die hij maakte op oud dakdekkers-zink. Zijn onderwerpen waren zeer uiteenlopend, hij maakte werken over jazzmuziek, schepen, schroot en vuilnisbelten. De latere etsen werden vervaardigd met vier kleurplaten, die bij het afdrukken op de etspers precies over elkaar passen en zo een rijkdom aan kleur opleveren. Ook van zijn reizen door Zweden, Engeland, Spanje, Frankrijk, Tunesië, de verenigde Staten, Indonesië (Bali – Borneo) en Egypte maakte hij een groot aantal etsen. Hij maakte verder een serie etsen, Regenwoud genaamd, waarvoor hij zich heeft laten inspireren door zijn reis naar Nieuw Guinea. Ook maakte hij prenten over zijn verblijf op Bali en over het Indonesische poppenspel, Wayang Golek. Clous was jarenlang werkend lid van het Kunstcentrum Bergen (KCB) het Grafisch Genootschap Bergen en de Boterhal Hoorn. Een aantal kunstuitleencentra heeft zijn werk in de collectie. Soms maakt hij prenten in opdracht van bedrijven, als relatie- of jubileumgeschenk. Dat deed hij onder meer voor het Energiebedrijf Noord Holland, de Kamer van Koophandel te Haarlem, Vroom & Dreesman en de Nederlandse Basketbalbond. Hij heeft een groot aantal exposities op zijn naam staan. De laatste jaren werkte Clous aan een serie prenten over de restauratie van Tuinwijk-Zuid, een woonwijk in Haarlem van de architect J.B. van Loghem en landschapsarchitect L.A. Springer. Clous woont zelf in een van de huizen in deze wijk die volgens de tuinstadsgedachte is gebouwd. (meer…)