EEN ONVERBETERLIJK NATIONAALSOCIALIST

goedewaagenDe NSB’er Tobie Goedewaagen behoorde tijdens de eerste drie bezettingsjaren tot de leiding van het Duitse nationaalsocialistische bestuur in Nederland. Als secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten was hij verantwoordelijk voor de nazificatie van de Nederlandse cultuur. Hij nam omstreden maatregelen zoals de gelijkschakeling van de pers en omroepen. In het artikel “Dagblad De Gelderlander in oorlogstijd” op deze site wordt geïllustreerd hoe dat er in de dagelijkse praktijk uitzag. Ook was Goedewaagen ervoor verantwoordelijk dat kunstenaars werden gedwongen lid te worden van de Kultuurkamer. Als gevolg van deze twee maatregelen werd hij een alom gehate NSB’er, aan wie met een aardige woordspeling de scheldnaam “Rotkar” werd gegeven. Na de oorlog raakte Goedewaagen al snel in de vergetelheid, maar een belangrijk deel van zijn gedachtengoed, onder meer de subsidiëring van kunst en literatuur, bleef in stand en maakt tot op de dag van vandaag deel uit van het naoorlogse overheidsbeleid.

Historica Benien van Berkel (1965) haalde Tobie Goedewaagen in 2012 via haar proefschrift weer terug uit de vergetelheid. Van dat proefschrift is nu de populaire versie verschenen. In “Tobie Goedewaagen (1895-1980)” vertelt ze het verhaal van de man die opgroeide in een zeer welgestelde Amsterdamse bankiersfamilie. In zijn jonge jaren was hij bevriend met toonaangevende kunstenaars zoals de beeldhouwer John Rädecker en de dichter Adriaan Roland Holst. Goedewaagen ontwikkelde zich tot een redelijk vooraanstaand filosoof die vervolgens, tot ieders verbazen en afgrijzen, een overtuigd en rechtlijnig nationaalsocialist werd. En bleef, want tot aan zijn dood in 1980 was hij overtuigd van de juistheid van die idealen en verkeerde hij in rechts-radicale kringen in Duitsland. Zijn levensgeschiedenis is in een artikel op deze site uitgebreider besproken.

Over de enorme gedaanteverwisseling die Goedewaagen vanaf halverwege de dertiger jaren onderging, werd op basis van wat vóór het verschijnen van deze studie over Goedewaagen bekend was altijd betoogd dat zijn lidmaatschap van de NSB voornamelijk was ingegeven door puur opportunisme en uit frustratie vanwege een gemiste benoeming tot hoogleraar aan de universiteit van Utrecht. Na een tijdje binnen de NSB te hebben meegelopen zou hij zich pas in mei 1940 bij de partij hebben aangesloten om daar razendsnel in allerlei hoge functies binnen de partij en de politiek terecht te komen. Zijn lage stamboeknummer zou een persoonlijke gunst van Mussert zijn geweest.

Van Berkel betoogt dat opportunisme en frustratie aanzienlijk minder dan altijd werd verondersteld de bepalende motieven waren. Eerder zou bij Goedewaagen sprake zijn van een haast onvermijdelijke weg naar het nationaalsocialisme als de oplossing voor zijn morele en filosofische probleemstellingen. Hij werd door Lou de Jong niet voor niets omschreven als ‘au fond een zoekende ziel’ naar een absolute zekerheid in zijn leven. De politieke leer paste ook perfect bij zijn onverbiddelijke karakter en rechtlijnige overtuigingen. Zij meldt dat Goedewaagen al op 20 januari 1936 onder stamboeknummer 66390 werd ingeschreven als lid van de NSB. Een geheim lidmaatschap, omdat het voor ambtenaren en dus ook voor medewerkers aan de universiteit verboden was lid van de partij van Anton Mussert te zijn. Gezien de inspanningen van Goedewaagen vanaf 1936 voor de partij klinkt de uitleg van Van Berkel niet onlogisch. Goedewaagen schreef al in 1936 voor Nieuw Nederland, een aan de fascistische beweging gelieerd blad, vanaf 1937 sprak hij veelvuldig op NSB-bijeenkomsten, in 1938 werd hij ook redacteur van het rechts-radicale weekblad “De Waag” en vanaf dat jaar bracht hij samen met Robert van Genechten veelvuldig studiebezoeken in Duitsland aan nazi-instellingen en opleidingsscholen voor jonge partijkaders.

Na de oorlog zou Goedewaagen de mythe in het leven hebben geroepen dat hij pas in de meidagen van 1940 lid werd van de NSB. Er zijn argumenten te bedenken om aan te nemen dat deze verklaring klopte en niets met mythevorming te maken had. In tegenstelling tot wat de schrijfster aangeeft, was opportunisme Goedewaagen bepaald niet vreemd. Om in het gevolg van Arthur Seyss-Inquart te kunnen meelopen, moest hij de radicale politieke draai maken van de Groot-Nederlandse gedachte, die hij altijd jarenlang fanatiek had verdedigd, naar de Groot-Germaanse gedachte van de SS. Vanaf dat moment publiceerde hij ook felle antisemitische stukken, terwijl hij voorheen nooit uiting had gegeven van een afkeer van Joden. Ook door alle andere kopstukken van de NSB werd Goedewaagen gezien als een ‘meikever’, als een van de opportunisten dus die zich direct na de Duitse bezetting bij de partij aansloten om mooie baantjes te bemachtigen. Men zou echter mogen verwachten dat zeker het kader weet had van zijn geheime lidmaatschap. Pas in mei 1940 verloor Goedewaagen het laatste restje terughoudendheid ten opzichte van de NSB door de traumatische ervaring van zijn internering. Tot zijn verbijstering werd hij namelijk in mei 1940 door de Nederlandse autoriteiten gearresteerd en opgesloten, omdat hij werd gezien als een niet-betrouwbare Nederlander. Goedewaagen schreef nadat hij na vijf dagen werd vrijgelaten: “Ik was als toeschouwer de kazerne binnengegaan, ik kwam er als activist weer uit”. Als hij echt al een vooraanstaand NSB-lid zou zijn geweest, zou hij niet zo verbijsterd en gekrenkt zijn geweest als nu het geval was. Ook het feit dat hij vanaf het begin intern in de partij niet goed lag bij de top, niet in de laatste plaats bij Anton Mussert, kan er op duiden dat hij geen echte partijman was. Het zijn allemaal tegenargumenten die Van Berkel ook had kunnen aandragen, maar vreemd genoeg niet doet. Ze beschouwt haar hoofdpersoon toch min of meer als zowel een overtuigd nationaalsocialist als toegewijd lid van de NSB. In werkelijkheid lijkt Goedewaagen toch bovenal een nationaalsocialist en maar amper een echte NSB’er. Daarbij neemt hij min of meer dezelfde positie in als illustere partijgenoten als Meinout Rost van Tonningen en Henk Feldmeijer, een overeenkomst die Van Berkel mistte of niet van belang achtte. Het is het enige punt in de biografie waar de schrijfster niet volledig weet te overtuigen.

Goedewaagen en Seyss-Inquart

Goedewaagen op de rug gezien bij een receptie met Arthur Seyss-Inquart

Van Berkel heeft een diepgaande studie gemaakt van de geestelijke ontwikkeling die Goedewaagen vanaf de twintiger jaren heeft doorgemaakt. Hij promoveerde in 1923 op een proefschrift over de filosofieën van de 18e- en 19e-eeuwse Duitse filosofen Fichte, Schelling en Hegel, met als centrale gedachte dat politiek getinte wereldbeschouwingen geen rol mogen spelen in de filosofie. Met een aantal tussenstappen, onder meer de neokantiaanse Marburger Schule van de Joods-Duitse filosoof Hermann Cohen, kwam hij uiteindelijk terecht bij de nazifilosoof Albert Görland en ontwikkelde hij een eigen cultuurracistische levensbeschouwing, met als centrale idee dat door biologische en culturele veredeling een nieuwe “menschenadel” moest worden voortgebracht. Vooral in de eerste hoofdstukken van het boek wordt van de lezer een behoorlijke geestelijke inspanning verwacht, want de theorieën van een aantal filosofen die bepalend waren voor de metamorfose van Goedewaagen worden hier besproken. De inspanning loont echter zeer de moeite en leidt tot een goed begrip van het oprechte idealisme dat fascistische leiders als Goedewaagen hadden. Daarbij hoort de kanttekening dat het begrijpen van hun drijfveren niet inhoudt dat de auteur sympathie opbrengt voor Goedewaagen en zijn geestverwanten en dat op de lezer wil overbrengen. Integendeel, ze schetst een ontluisterend portret van een persoon die ook in de privésfeer of in de omgang met collega’s en vrienden als lastig en onsympathiek kan worden genoemd.

Het interessantste deel van het boek gaat over de manier waarop Goedewaagen zijn streven naar een biologisch-culturele omslag wilde bewerkstelligen toen hij secretaris-generaal was geworden van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Al tijdens en zeker na de oorlog werd hij vooral gehaat vanwege het biologische aspect, namelijk de uitbanning van Joden uit het culturele leven. In tegenstelling tot wat vaak werd gedacht sloten kunstenaars zich massaal aan bij de Kultuurkamer, een enkele dappere uitzondering daargelaten. De voordelen waren voor de kunstensector simpelweg aanzienlijk groter dan de weerzin tegen het gedwongen karakter en de anti-Joodse maatregelen. De beleidsmatige grondslag om vanuit de landelijke overheid de kunstensector te verenigen en behoorlijk financieel te gaan ondersteunen is na de oorlog dan ook geheel overeind gebleven. Met enig cynisme kan zelfs worden opgemerkt dat Goedewaagens naoorlogse opvolgers een tijdlang ook dat biologische aspect overeind hielden door zich te richten op andere “volksvreemde” invloeden die buiten de deur moesten worden gehouden. De eerste na-oorlogse minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Gerard van der Leeuw, wees daarbij specifiek op “…. de nieuw negerproducten”, daarbij vooral doelend op de in zijn ogen verderfelijke jazzmuziek. Het Nationaal Instituut (het latere Prins Bernhard Instituut) deed soortgelijke waarschuwingen de deur uit, omdat “… de Nederlandse cultuur ‘gedenatureerd’ dreigde te worden door swing, tango en schlager”. Dit racistische onderdeel is daarna snel gesleten, maar de ondersteuning van de kunsten sector is tot vandaag de dag overeind gebleven. De schrijfster wijst er terecht op dat dit gerust de verdienste van Goedewaagen mag worden genoemd.

Van Berkel beschrijft nauwkeurig hoe het beleid bij het cultuurdepartement tijdens de bezetting tot stand kwam, in welke politieke machinaties Goedewaagen al direct verzeild raakte, hoe snel zijn politiek carrière weer ten einde was en hoe hij in 1943 met een hoogleraarschap in Utrecht op een zijspoor werd gezet. Na de oorlog zette hij op verzoek van Lou de Jong zijn levensverhaal en gedachten op papier. De daaropvolgende 35 jaar bleef Goedewaagen in de maatschappelijke marge bivakkeren. Waar anderen in de loop der jaren hun maatschappelijke carrière weer konden oppakken, sommigen zelfs opvallend snel, werd Goedewaagen daartoe nooit de kans gegeven. Hem werd zijn nationaalsocialistische verleden nooit vergeven. Hij bleef vasthouden aan zijn idealen en weigerde zich te verontschuldigen voor zijn medewerking aan de bezettingsmacht. Het mondde uit in een leven waarin hij vol wrok bleef omkijken en steeds probeerde via allerlei obscure Duitse partijtjes zijn utopisch-racistische idealen vorm te geven. Toch weer dat opportunisme en die frustratie die om de hoek komen kijken. Kortom: een meeslepend boek over een onverbeterlijke nationaalsocialist.

tobie goedewaagen.
.

,

.

.

Bernien van Berkel
Tobie Goedewaagen (1895-1980) Een onverbeterlijke nationaalsocialist.

De Bezige Bij, 2013, 476 pagina’s
ISBN 978.90.234.7639
.
.
.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: