HOE KOMEN WE HEELHUIDS UIT DEZE HEL – 2

In het eerste deel van de recensie is ingegaan op de Nederlanders die zich in Sint Petersburg en Moskou bevonden op het momen dat de Russische Revolutie uitbrak. Behalve de afstammelingen van de Ruslui en het geprivilegieerde groepje ambassadepersoneel en zakenlui in Sint-Petersburg was er hier en daar in de enorme Russische rijk enkelingen die buiten de hoofdstad een bestaan probeerden op te bouwen. In hoofdstuk 4 gaat Janine jager in op de ervaringen van de Nederlanders in de zoutmijn Peter de Groote in Stupky (vroeger Stoupky), een gehucht op zo’n 1.750 kilometer van de hoofdstad en ruim 1.000 kilometer van Moskou. De dichtstbij gelegen stad is Bakhmut (het vroegere Artemivsk/Artyomovsk).

In december 1884 werd in Dordrecht de Hollandsche Maatschappij voor Zout-Exploitatie in Rusland (HZMER) opgericht. Deze ging in Stoupky in de Donbass een twintig meter dikke zoutlaag exploiteren, op een diepte van 600 voet en met een gehalte van 99% NaCl, zuiver keukenzout. Dit initiatief kwam voort uit ontmoetingen tussen de Russische ingenieur Tsjernov, die proefboringen had laten doen, en Nederlandse bouwers van een gasfabriek in Moskou. Het startkapitaal bedroeg 1 miljoen gulden. Naast een veertiental Nederlandse investeerders was ir. Tsjernov grootaandeelhouder van de Maatschappij. De ligging van de zoutmijn ‘Peter de Groote’ op een gepacht landgoed, direct aan de spoorlijn en vlakbij een station, was gunstig ten opzichte van die van de Franse concurrent. Op een kaart was ingetekend waar de beste prijzen te halen waren: tussen de Oeral en Warschau en tussen de Zwarte Zee en Sint-Petersburg. De Krim viel erbuiten. Na de start in het midden van de jaren 1880 liep de mijn goed (‘de zoutmijn werd een goudmijn’), maar in 1905-1906 kwam er een kentering: stakingen en prijsdalingen dreigden voor alle zoutmijnen. Dit leidde tot samenwerking met de voormalige concurrenten (kartel) in de vorm van prijsafspraken, waarna de inkomsten toch bevredigend bleven. In 1909-10 werd zelfs een tweede (service-)mijnschacht aangelegd. Ook leidde elektrificatie tot een schoner productieproces.

Het personeel van HMZER, december 1899

Rusland raakte in deze periode echter steeds meer op zichzelf gericht; kapitaal en expertise uit het buitenland werden gaandeweg minder op prijs gesteld. In 1914 voerde de tsaar een staatsmonopolie op zout in, waarmee de vaststelling van de zoutprijs in Sint-Petersburg kwam te berusten. Na de Russische revolutie van 1917 veranderde de hele situatie. In de mijn werd het bewind overgenomen door een arbeidersraad, waarin in eerste instantie de Hollandse medewerkers mochten meestemmen. Lange tijd woedde in dit gebied een burgeroorlog tussen bolsjewieken en de aanhangers van het oude bestel. Te midden van vernielzucht en wanorde werd de mijn zo goed mogelijk draaiende gehouden. Men deed ook wel goede zaken, vooral door ruilhandel, soms in wagonladingen tegelijk, maar vaker met individuele ‘zakkendragers’. Het contact met Holland was echter onderbroken, waardoor de inkomsten niet overgemaakt konden worden. Eind 1919 werd de situatie levensgevaarlijk, buitenlanders verlieten de Donbass. Met de ‘laatste trein’ en de ‘laatste boot’ zijn de meeste medewerkers nog weggekomen. Een Hollandse medewerker die met zijn Russische vrouw achterbleef kreeg de eer de papieren te mogen ondertekenen, waarbij de zoutmijn Peter de Groote voor één Roebel werd overgedaan aan de jonge Sovjetunie. In Nederland werd de waarde van de mijn gesteld op één miljoen gulden. Tja, ‘waar niet is, verliest de keizer zijn recht.’ Het faillissement van HMZER is in 1930 officieel gepubliceerd.

In de wederwaardigheden van de medewerkers van de zoutmijn wordt met name ingegaan op die van Leendert van den Muyzenberg, zijn zoon Kees van den Muyzenberg, Simon Fokker, de Nederlands consul-generaal in Kiev, en Sebald J. Rutgers. Rutgers was een communist die in de zomer van 1918 naar Rusland ging, waar hij goede banden met de bolsjewieken aanknoopte: ‘In Moskou maakte hij kennis met Lenin, die hem benoemde tot hoofdingenieur van de Russische waterwegen. (…) In november 1919 was Rutgers weer in Nederland om in opdracht van Lenin een Bureau van de Communistische Internationale op te zetten.’

Het gezin van Leendert van den Muyzenberg en Olga Kiessler, Warschau, juni 1905
Vlnr: Diederik, Cornelis, Erwin, Leendert Willem, Lydia en Olga Lilly Mary

Leendert Willem van den Muyzenberg ((Hellevoetsluis 1869-Soestdijk 1947) kwam in 1888 in dienst van de zoutmijn Peter de Groote. Op den duur werd hij daar aangesteld als directeur-koopman. Hij  en zijn echtgenote Olga Lilly Mary Kiessler (1873-1942) waren aanhangers van de  maatschappijvisie van Lev Tolstoj. Dit bracht hen tot een vegetarische en  non-conformistische levensstijl. Ze hadden een groot gezin, reden voor Olga om in  1911 voor de scholing van de kinderen naar Nederland te vertrekken. Zij vestigde zich tussen de christen-anarchisten (volgelingen van Tolstoj) in het Gooi. De kinderen zaten op de Humanitaire School. In 1920 kwam ook Leendert Willem berooid naar Nederland terug. Door het ‘huis op te eten’ en doordat de ouderen voor de jongeren betaalden, kregen de kinderen een goede opleiding. De hechte samenhang die zo onder de kinderen ontstond, is voortgezet door de Stichting Van den Muyzenberg-Kiessler, die familiebijeenkomsten en via een website de glorieuze dagen in Stupky in herinnering houdt. De vele historische documenten (brieven, fotoalbums, ansichtkaarten) zijn in bewaring gegeven bij het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.

Zijn zoon Leendert Willem van den Muijzenberg (Warschau, 7 november 1905 – Amsterdam, 9 februari 1987) maakte weinig zelf mee van de Russische ervaringen, maar de verhalen zullen hem ongetwijfeld hebben geïnspireerd op zijn verdere levenspad. Leendert studeerde elektrotechniek en trad in dienst bij Philips. Vanaf 1932 was hij lid van de Communistische Partij Holland en actief in de vakbond NVV. Vanwege deze activiteiten werd hij door Philips ontslagen. Op 14 augustus 1940 trad hij in het huwelijk met het latere parlementslid Brecht Willemse. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bouwden zij de CPN op in Rotterdam en hielpen ze met de verspreiding van de illegale brochure Om Neêrlands Toekomst. Willemse werd op 13 juli 1944 wegens haar verzetswerk gearresteerd en naar Ravensbrück gedeporteerd, maar Van den Muijzenberg ontsprong de dans. Na de oorlog was hij tot 1950 verbonden aan het Marx Instituut, de landelijke scholingsorganisatie van de CPN. In 1955 brak hij met de CPN. In 1959 was hij medeoprichter van de Associatie van Bedrijven op Coöperatieve Grondslag. Daarnaast was hij actief als bestuurslid van de Methöferstichting en als redacteur van Zeggenschap en Links-om. Ook was hij betrokken bij de Stichting voor Wetenschappelijk Onderzoek Vakcentrales.

Jager beschrijft kleurrijk welke ontberingen de Nederlandse ondernemers in het barre klimaat in Oekraïne al in vredestijd hadden en hoeveel erger het nog werd toen hun tweede vaderland beurtelings door de Roden en de Witten werd bezet. Hoe ze moesten proberen daar steeds tussendoor te manoeuvreren en wat er allemaal op hun pad kwam alvorens ze ruim 2,5 jaar na de Oktoberrevolutie eindelijk weer voet op Nederlandse bodem zetten. Berooid, dat wel, maar in leven. Ze hadden de hel toch nog heelhuids weten te verlaten.

Sfeerbeelden van de zoutmijn in Stoupky

.
.

.
Janine Jager
Hoe komen we heelhuids uit deze hel
ISBN: 9789045034362
Pagina’s: 248
Gepubliceerd: oktober 2017
Uitgever: Atlas Contact

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: