HET VERHAAL VAN DOMINEE HAMBROEK 2

In essentie zijn er twee versies mogelijk om het verhaal van dominee Hambroek te kadreren. Het eerste is als onderdeel van onze vaderlandse geschiedenis, waarin de koloniale periode als een vanzelfsprekendheid aan bod komt, omringd met heldhaftige verhalen over onverschrokken helden die onbevreesd Spanjaarden, Portugezen en inheemse volkeren tegemoet kwamen. Het is een periode ‘waarin iets groots werd verricht’ en dankzij het continue ‘batig saldo’ de Nederlandse welstand en weelde groeide en groeide. In dat proces vielen uiteraard ook wel eens aan Hollandse zijde slachtoffers. Overigens, zelden lelieblanke slachtoffers, want aan bijna iedereen die in den vreemde vertoefde zat wel een krasje. Die krasjes worden de laatste jaren al wel vaker genoemd en bij de grote Hollandse ploerten wordt inmiddels steeds luider gevraagd of al die standbeelden en andere huldeblijken nog wel te handhaven zijn. Ook wordt de lange periode van kolonialisme minder en minder beschreven als een en al goedertierenheid en christelijke naastenliefde jegens de ‘edele wilden’, maar wordt ook het gewelddadig karakter van de veroveringstochten beschreven. Niet al te ruimhartig, zeker niet als we wat erg dichtbij in de tijd komen. Op het optreden tijdens wat zo fraai ‘de politionele acties’ wordt genoemd, rust nog steeds een groot taboe.

Gisteren ging het over de relatie Nederland-Formosa, waarin het verhaal van dominee Hambroek slechts een marginale rol speelde. In elk geval was duidelijk dat de Nederlanders er in dit politiek-correcte verhaal voorbeeldig vanaf kwamen. Brave en keurige handelaren, die zich staande moesten houden in een barbaarse omgeving met wrede en onbetrouwbare tegenstanders. Vandaag een pleidooi van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden om een gedenkteken te plaatsen voor hun oud-stadsgenoot. Ook hier een zelfde beeld als op Wikipedia, waarin Hambroek de allerdeugdelijkste van allen was.

Dominee Hambrouck. Het opmerkelijke levensverhaal van Antonius Hambrouck
door Jacques Moerman

Antonius Hambrouck werd in of kort na 1606 in Rotterdam geboren; in 1609 verhuisde hij met zijn familie naar Scheveningen. In 1623 keerden de Hambroucks weer terug in Rotterdam. Vader Hambrouck was niet onbemiddeld. Desondanks was er een beurs nodig om Antonius voor predikant te laten studeren aan de Universiteit van Leiden. Hier leerde hij Anna Vincenten Moij kennen. Op 1 juni 1632 huwde hij met haar in Rotterdam. Enkele maanden ervoor, op 4 april 1632, was hij tot predikant benoemd in Schipluiden. In het kerkenraadsregister schreef Hambrouck de belangrijkste gebeurtenissen op tijdens zijn vijftien jaar durende ambtsperiode. Net zoals zijn collega’s elders hield hij zich bezig met de levenswandel van de leden van zijn kerk. Hij sprak ze aan bij ruzie, dronkenschap, seksuele gemeenschap voor het huwelijk, overspel, mogelijk katholieke gezindheid of dansen op een bruiloft. Protestantse Schipluidenaren gedroegen zich – ook in die tijd – niet veel anders dan de andere inwoners. Een opvallend conflict had de kerk met de ambachtsheer, en bij afwezigheid, met de ambachtsvrouwe. Zij woonden op het kasteel Keenenburg tegenover de kerk. De heren en vrouwen van Keenenburg bezaten het patronaatsrecht van de kerken in Schipluiden, Maasland en Maasssluis. Bij een predikantsbenoeming hadden zij het laatste woord. Ook hadden ze enige bemoeienis met de uitgaven van de kerk. De ambachtsheren en -vrouwen rekten hun bevoegdheden zover uit, dat zij zelfs het eindoordeel over de rekeningen van de diaconie wilden geven. De kerkenraad van Schipluiden, onder leiding van Antonius Hambrouck, betwistte dit. De diaconie werkte ten dienste van de armen van de kerk en wenste hierbij geen inmenging van wereldlijke bestuurders. Uiteindelijk is er een compromis bereikt. De heer van Keenenburg mocht, op elk moment wanneer hij dit wilde, de rekeningen van de diaconie inzien. In de praktijk heeft hij dat echter nooit gedaan.

Een opmerkelijke gebeurtenis vond plaats eind 1637, begin 1638. Admiraal Maarten Harpertsz. Tromp vroeg Hambrouck met hem mee te gaan als predikant op het vlaggenschip van zijn vloot, die in Het Kanaal de Duinkerker kapers moest bestrijden. Waarom de keuze op de predikant van Schipluiden viel, is niet duidelijk. In ieder geval pakte Hambrouck dit avontuur gretig aan. Na een aantal maanden keerde hij weer veilig in het dorp terug. In Schipluiden kreeg het predikantsechtpaar tenminste vier kinderen: drie dochters en een zoon.

In april 1646 vertrok het gezin van Hambrouck vrij plotseling uit Schipluiden. Uit een verslag van de classis van Delft en Delfland blijkt dat de classis van Schieland het verzoek had gekregen een bekwame predikant naar Oost-Indië (in dit geval Formosa, nu Taiwan) te zenden. Mogelijk heeft de Delftse predikant Robertus Junius, die van 1629-1643 op Formosa heeft gewerkt, een stimulerende rol gespeeld om Hambrouck hiervoor te interesseren. Hij kende zijn collega in Schipluiden goed. Na het vertrek van het gezin Hambrouck op 26 april 1647 bleek de predikant een groot aantal onbetaalde rekeningen achtergelaten te hebben, voor onder andere geleverd brood, mout, gort, fruit, boter en kaas (de eerste levensbehoeften dus). Het ging om een totaalbedrag van 257 gulden, ongeveer het jaarsalaris van een schoolmeester, en ruim een half jaar traktement van een plattelandspredikant. Uiteindelijk heeft de classis deze kosten voor de kerk van Schipluiden betaald.

De reis van het gezin Hambrouck van Schipluiden naar Oost-Indië verliep snel. Op 9 november 1647 kwam de familie aan in Batavia. Enkele maanden later vertrokken de Hambroucks naar Formosa. In 1624 had de VOC een handelsnederzetting op dit eiland gesticht met als bestuurscentrum Fort Zeelandia aan de westkust. Van hieruit werd het Nederlandse gezag uitgebreid over een groot aantal dorpen in het achterland, en later ook in het zuiden en noorden. Formosa is ongeveer net zo groot als Nederland en bestaat voor zo’n 60% uit bergland. De oorspronkelijke bevolking van het eiland was niet-Chinees, maar van Maleisisch-Polynesische afkomst. De standplaats van de familie Hambrouck werd Mattau, zo’n 35 km van Fort Zeelandia, een beruchte streek omdat de Mattauwers lang verzet hebben geboden tegen de Nederlanders. Inmiddels heerste er rust. Er was een school, waar 145 jongens en mannen ‘s morgens vanaf het ‘hanengekray’ onderwijs kregen. ’s Middags ontvingen ook meisjes en vrouwen les. De Formosanen leerden lezen en schrijven in de eigen taal.

Hambrouck zien we in zijn gebied niet alleen als dominee (zendeling) optreden, maar ook als vertegenwoordiger van het VOC-gezag. Hij bemiddelde bij de inkoop van rijst en voerde de administratie over de visrechten. De Nederlanders wilden graag dagelijks voorzien worden van verse vis. Voor de landbouw werden Chinese werkkrachten, afkomstig van het vasteland, door de VOC ingezet. De inlandse bevolking leefde naast de landbouw ook van de hertenjacht. De hertenvellen waren voor de Nederlanders een belangrijk exportproduct naar Japan. Regelmatig klaagde Hambrouck bij het VOC-gezag over de gevolgen van orkanen en de overlast van sprinkhanen. Kerken, scholen en huizen werden meerdere malen verwoest door het natuurgeweld. Om de inlandse bevolking goed te kunnen bereiken, leerde de predikant een of meer Formosaanse dialecten. Hambrouck werkte mee aan de vertaling van de bijbelboeken Mattheüs en Johannes in het Formosaans, die in Amsterdam gedrukt werden. Hij leidde schoolmeesters op en pleitte voor een drukkerij op Formosa en voor een opleiding van inlandse schoolmeesters. Beide plannen gingen niet door, mede omdat het eiland in oktober 1660 werd bezet door een grote Chinese legermacht.

De Chinese krijgsheer Zheng Chenggong (consequent in het Nederlands aangeduid met de Fries klinkende naam Coxinga) was op het vasteland van China in het nauw gedreven, waarna hij met zijn troepen uitweek naar Formosa. Omdat Fort Zeelandia goed verdedigd werd, bezette hij eerst de VOC-gebieden in het achterland. Verschillende predikantenfamilies, waaronder die van Hambrouck, werden gevangen genomen. Hambrouck was niet bang voor de Chinese krijgsheer. Hij verlangde van Coxinga dat zijn persoonlijke goederen werden bewaakt; ook vroeg hij hem de uitoefening van de christelijke godsdienst toe te staan. Door zijn langdurige aanwezigheid op Formosa begreep hij de Chinese taal. Misschien was dat de reden, naast zijn status als seniorpredikant, dat hij door Coxinga werd ingezet om de Nederlandse gouverneur Coyett te overreden Fort Zeelandia over te geven, in ruil voor een vrije aftocht. Voor zijn vertrek naar het fort nam Hambrouck afscheid van zijn vrouw, een dochter en zijn zoon. In het fort verbleven zijn twee gehuwde dochters. Te paard reed hij met enige begeleiders vanuit het Chinese legerkamp naar het belegerde Fort Zeelandia. Hambrouck adviseerde de Nederlandse gouverneur om zich niet over te geven. Het moreel van de Chinese bezetters ging, mede door voedselschaarste, achteruit en er werden extra troepen uit Batavia verwacht om het fort te ontzetten. Toen de predikant wilde terugkeren naar het leger van Coxinga smeekten zijn twee dochters hem in het fort te blijven. De predikant ging toch. Hij had de Chinese krijgsheer immers zijn woord gegeven, maar hij kwam wel terug met een negatieve boodschap.

Enige maanden later – op 16 september 1661 – werd Antonius Hambrouck met nog drie predikanten en andere Nederlanders, waaronder zijn zoon, onthoofd. Coxinga vreesde een VOC-tegenaanval en wilde zich ontdoen van een groot aantal gevangenen. De weduwe van Hambrouck overleed enkele maanden later van uitputting. Ze was één dag voor de overgave, die er na een aantal maanden op 1 februari 1662 toch kwam, in Fort Zeelandia aangekomen. Dochter Cornelia, waarvan het gerucht ging dat ze een van de concubines van Coxinga was, overleefde de overgave, evenals de dochters die in het fort verbleven. Cornelia ging naar Batavia, waar ze kort na aankomst overleed. De gehuwde dochters woonden later in Colombo op Ceylon, waar verschillende kinderen werden geboren. Zij bleven in Azië, de wereld waar ze zich sinds hun vertrek uit Schipluiden toch het meest thuis voelden. Hun vader Antonius Hambrouck zou door zijn zelfopoffering later een Nederlandse held worden.

In het najaar van 2015 bezocht de auteur met zijn vrouw Taiwan. Ze waren we op zoek naar overzeese sporen van de predikant uit Schipluiden. Een bijzondere ontdekking in de winkel van het National Museum of History of Taiwan in Tainan was een heruitgave van een Nederlands toneelstuk uit de achttiende eeuw over Antonius Hambrouck. Op de kaft staat het schilderij met de zelfopoffering van Hambrouck dat in een van de musea van Fort Anping hangt, op de locatie van het vroegere Fort Zeelandia. Het boek bevat een Chinese vertaling van het toneelstuk en in het tweede deel de originele Nederlandse versie. Johannes Nomsz. schreef dit stuk in 1775 over het levenseinde van Hambrouck. Eind achttiende/begin negentiende eeuw is het toneelstuk verschillende malen in de grote Nederlandse schouwburgen opgevoerd. De uitgave van het boek illustreert de belangstelling in het huidige Taiwan voor de persoon Hambrouck. In de tweede helft van de zeventiende eeuw hebben verschillende Nederlandse schrijvers over het einde van Hambrouck op Formosa geschreven. Deze teksten gebruikte Nomsz. voor zijn toneelstuk. Ook beeldende kunstenaars werden door de zelfopoffering van Hambrouck gegrepen en toonden met name de episode waarin hij in het belegerde Fort Zeelandia afscheid nam van zijn twee dochters. Sommige auteurs en kunstenaars laten Hambrouck direct na zijn terugkeer in het legerkamp van de Chinese krijgsheer Coxinga onthoofden. In werkelijkheid gebeurde dat later. Zijn dood was gruwelijk; enkele collega’s van hem werden zelfs gekruisigd. Ook hiervan zijn afbeeldingen gemaakt. Het meest opvallende kunstwerk met Hambrouck is een groot schilderij van Jan Willem Pieneman, ’De zelfopoffering van predikant Hambroeck op Formosa’, dat hij in 1810 schilderde. Het bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Hambrouck werd door de publicaties en afbeeldingen in de negentiende eeuw een nationale figuur, die een vergelijkbare grootte verkreeg als bijvoorbeeld Jan van Schaffelaar en Michiel Adriaansz. de Ruyter. Zijn heldendom en geloof werden als voorbeeld gesteld voor alle Nederlanders. Voor jongeren werden speciale centsprenten ontwikkeld en schoolwandkaarten. De verering voor Hambrouck is de gehele negentiende eeuw doorgegaan. Pieter Louwerse, auteur van de vaderlandse liederen ‘Waar de blanke top der duinen’ en ‘Op de grote stille heide’, schreef aan het eind van de negentiende eeuw het boek ‘Krijgsman en Koopman’. In dit boek voert hij niet alleen het gezin van Hambrouck op, maar ook dat van een schoolmeester uit Schipluiden, die met hem zou zijn meegegaan naar Formosa.

Zelfs in de twintigste eeuw is er nog een aantal malen over de dapperheid van Hambrouck geschreven, bijvoorbeeld in 1972 in een stripverhaal in het weekblad Robbedoes, onder de titel ‘Hambroeck, de moedige dominee’. Niet zo lang geleden verschenen binnen de orthodox-protestante geloofsgemeenschap van Nederland nog enkele zendingsverhalen, waarin het leven van Hambrouck als voorbeeld wordt gesteld. De meest recente publicatie, waarin de predikant ter sprake komt, is van Pieter Winsemius. Hij schreef het boek ‘Niet zonder tranen. Het strijdbare leven van Arnoldus Winsemius’. Deze predikant was een verre oom van de oud-minister, maar hij was ook een vriend en collega van Antonius Hambrouck op Formosa. Hij is op dezelfde dag als zijn oudere collega onthoofd.

In 1930 liet een rijke Rotterdamse koopman ter nagedachtenis van dominee Hambrouck een bronzen beeldengroep in de St. Laurenskerk in Rotterdam oprichten. Hambrouck wordt hierin tweemaal afgebeeld: eenmaal terwijl hij onderwijs geeft aan enkele Formozanen en de andere afbeelding toont zijn onthoofding. Toen de auteur eind vorig jaar nog een keer deze sculptuur in de Rotterdamse kerk ging bekijken, bleek er op een dichtgemetseld venster, boven het kunstwerk, een metershoge schildering van het leven van Hambrouck te zijn gemaakt. Het is van de bekende striptekenaar Paul Bodoni en dateert van 2010. Hij toont het leven en het einde van Hambrouck. Het is toch wel heel bijzonder dat de stad waar Hambrouck slechts enkele jaren heeft gewoond zoveel aandacht besteedt aan deze persoon. Taiwan toont dominee Hambrouck in ten minste drie musea. Een predikant in het huidige Madou, het vroegere Mattau, de standplaats van de predikant uit Schipluiden, kende Hambrouck als de vertaler van bijbelboeken. In Schipluiden prijkt zijn naam alleen op het Predikantenbord.

Wordt het geen tijd om in de Dorpskerk van Schipluiden de Dorpskerk een meer zichtbare herinnering aan hem te plaatsen? Hambrouck heeft ten slotte vijftien jaar in het dorp gewoond en gewerkt. Zijn bijzondere leven is een plaquette of een kunstwerk waard. De Historische Vereniging Oud-Schipluiden heeft hiervoor een actie gestart. Als er voldoende geld binnen is, zoekt de vereniging contact met enkele kunstenaars – het liefst uit de omgeving – die een herkenbare en tastbare herinnering aan deze Oud-Schipluidenaar voor de kerk mogen ontwerpen, waarna er in goed overleg met het kerkbestuur een keuze wordt gemaakt. Het idee is om een zelfde herinnering in een Presbyteriaanse kerk in Madou, de standplaats van Hambrouck op Formosa, te laten plaatsen. De gulle gevers worden later uitgenodigd voor de onthulling in Schipluiden en voor een lezing over het interessante leven van dominee Antonius Hambrouck.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: