7 OKTOBER – ULRIKE MEINHOF

Ulrike Marie Meinhof (Oldenburg, 7 oktober 1934 – Stuttgart, 9 mei 1976) was een journaliste en een van de bekendste leden van de Rote Armee Fraktion (RAF). Haar vader Werner Meinhof was kunsthistoricus; hij stierf aan kanker in 1940. Haar moeder was historica. Nadat ook haar moeder het leven liet in 1948, kreeg Ulrike Renate Riemeck, een oude studievriendin van haar moeder, als voogd. In 1955 kon Ulrike dankzij een studiebeurs filosofie, pedagogiek, sociologie en germanistiek gaan studeren in Marburg. Het volgende academiejaar trok ze naar Münster, waar ze actief werd binnen de Sozialistische Deutsche Studentenbund (SDS) en er in 1957 woordvoerder werd voor de commissie anti-atoomdoden. Ze schrijft er ook over in het studententijdschrift. Van 1959 tot 1969 schreef ze voor het invloedrijke linkse blad Konkret en was er van 1962 tot 1964 hoofdredacteur. In de tussentijd is ze lid geworden van de verboden communistische partij, de KPD. In 1961 trouwde ze met Klaus Rainer Röhl, de uitgever van Konkret, met wie ze in 1962 een tweeling kreeg: Regine en Bettina. Eind 1967 gingen ze uit elkaar en uiteindelijk scheidden ze in 1968. Nog datzelfde jaar verhuisde ze met haar twee dochters naar West-Berlijn. Hier kwam ze in contact met de politieke activisten Andreas Baader en Gudrun Ensslin. Meinhof ontwikkelde snel sympathie voor de strijd van het tweetal en betuigt in haar artikelen steun. In deze periode radicaliseert ze.

Na de moordpoging op Rudi Dutschke in 1968 werd Meinhof steeds radicaler en steeds minder bereid compromissen te sluiten. Bij het proces tegen de Frankfurter warenhuisbrandstichters leerde ze de aangeklaagden Thorwald Proll, Horst Söhnlein en de latere RAF-oprichters Andreas Baader en Gudrun Ensslin kennen. In haar column in Konkret schreef ze: “De wet die door brandstichting wordt overtreden, beschermt niet de mens, maar de eigendom.” Daarmee gaf ze voeding aan een opvatting die in het najaar van 1968 populair werd in de kringen van de Ausser-Parlamentarische Opposition (apo), namelijk dat geweld tegen personen niet was toegestaan, maar tegen zaken wel. In 1970 produceerde Meinhof de televisiefilm Bambule, waarvoor ze ook het scenario schreef. Dit scenario werd een jaar later in boekvorm uitgegeven, onder de titel Bambule. Fürsorge – Sorge für wen? Het boek werd al snel een klassieker in de literatuur over de opvoedingsprincipes van de jaren 1960.

Op 14 mei 1970 nam ze deel aan de eerste gewapende actie van de RAF: de bevrijding van Andreas Baader uit het studiecentrum waar Baader – vanuit de gevangenis door bewakers begeleid – kortdurend documenten mocht raadplegen met Ulrike Meinhof (die samen met Baader een boek zou schrijven). Hierbij werden twee personeelsleden van het studiecentrum ernstig gewond door drie binnengedrongen, gewapende personen: twee vrouwen en een gemaskerde man. Sindsdien sprak de pers over de Baader-Meinhof Gruppe, hoewel beter over de Baader-Ensslin Gruppe kon worden gesproken aangezien Gudrun Ensslin zowel de activistische rechterhand als de geliefde van Baader was. Ensslin was het brein achter de overval. Consequentie van Meinhofs betrokkenheid bij deze actie was dat zij per direct haar twee kinderen moest achterlaten. In de zomer van 1970 vlucht Meinhof samen met Gudrun Ensslin, Andreas Baader en anderen, naar Jordanië om daar in een Palestijns kamp een militaire training te volgen. Ze reizen met valse paspoorten. Na haar terugkeer gaat Meinhof samen met de andere leden van de Baader-Meinhof-Gruppe ondergronds. Ze veranderen hun naam in Rote-Armee-Fraktion (RAF). Meinhof raakt betrokken bij een reeks misdaden, waaronder bankovervallen en aanslagen met springstoffen. In de avond van 15 juni 1972 werd gearresteerd in Langenhagen, waar ze zou overnachten in het appartement van Fritz Rodewald, een leraar en op dat momentvoorzitter van de Arbeitskreise Junge Lehrer van de Gewerkschaft Erziehung und Wissenschaft (GEW), die fel tegen de Vietnam-oorlog was en indertijd gedeserteerde Amerikaanse soldaten onderdak gaf. Hij had Meinhof en Gerhard Müller die middag bij de politie aangegeven. Hij werd sindsdien van de rechtse politieke hoek steevast weggezet als een RAF-sympatisant en door politiek links als een verrader. Vanuit die laatste hoek kreeg hij een tijdlang allerlei doodsbedreigingen.

Meinhof gaat samen met mede RAF-gevangenen meerdere malen in hongerstaking voor betere gevangenis-omstandigheden. In deze periode heeft Meinhof voor het laatst contact met haar twee kinderen. Hierin is Meinhof niet uniek, ook Ensslin en Baader laten hun kinderen achter voor hun strijd tegen de staat. Op 29 november 1974 werd Meinhof veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. In december 1974 wordt ze overgebracht naar de zwaarbewaakte Stammheim-gevangenis in Stuttgart, waar ook de andere RAF-leden gevangen worden gehouden. In mei 1975 begint het grote proces tegen de RAF. Het zou in totaal 192 zittingsdagen duren over een periode van twee jaar. De leden Meinhof, Baader, Ensslin en Raspe worden verdacht van onder andere 5 moorden, 54 pogingen tot moord, aanslagen met springstoffen en bankovervallen. Meinhof zit uiteindelijk 4 jaar gevangen, waarvan 3 jaar in afzondering. Ze wordt op 9 mei 1976 dood in haar cel aangetroffen, opgehangen aan haar celraam. RAF-leden betwijfelen of ze zelfmoord heeft gepleegd en geloven dat ze al dood was voordat ze werd opgehangen. Hoewel direct na haar dood gespeculeerd wordt over de mogelijkheid dat zij door bewakers of geheime agenten is vermoord, wordt daarvoor nooit bewijs geleverd. Over de graad van haar engagement in de RAF liepen de meningen in de toenmalige Duitse Bondsrepubliek uiteen, ook over de bewijzen die de staat en justitie aandroegen om haar te veroordelen. Ulrike Meinhof wordt op 41-jarige leeftijd begraven in het West-Berlijnse stadsdeel Mariendorf.

In 1974 schreef Heinrich Böll, winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, het boek De verloren eer van Katharina Blum waarin hij de demoniserende methoden van de journalistiek en de staatsrepressie duidelijk maakte en (bijna expliciet) Ulrike Meinhofs schuld in twijfel trok. In 1979 heeft Marianne Faithfull het nummer Broken English van het gelijknamige album opgedragen aan Ulrike Meinhof. Er is ook een opera over haar leven, geproduceerd door componiste Anna Backerra en librettist Arnoud Kremers. De ouverture van deze opera is in 2013 speciaal voor de radiodocumentaire Lieve Ulrike opgenomen en zal bij Holland Doc in première gaan. Het punkbandje Mort Subite maakte het nummer Ich liebe Ulrike om uiting te geven aan sympathie voor de RAF. Beter te pruimen is het nummer To Ulrike M van The Doris Days. Verder gebruikte ook de historicus Jacco Pekelder deze titel Ich liebe Ulrike voor zijn boek om te provoceren. Verder is er van Margreet den Buurman het boek Duitse herfst en de Rote Armee Fraktion en van Otto van der Haar de biografie Ulrieke Meinhof.

In 2006 verscheen een boek van Bettina Röhl, de dochter van Ulrike Meinhof, waarin ze behoorlijk radicaal afrekent met haar moeder en de idealen waarvoor zij streed. Ze schildert haar af als iemand die innam communist was en dat dat tot de laatste dag zou blijven, maar tegelijkertijd tot vlak voor haar radicalisering lid uitmaakte van de jetset. In De Groen verscheen hierover het volgende artikel: De witte handschoentjes van Ulrike Meinhof.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: