DE ZWARTE HAND

In 1993 schreef Tjen Mampaye het boek De Zwarte Hand, opgedragen aan alle leden van de gelijknamige Belgische verzetsgroep voor hun moedige verzet, in het bijzonder aan de twaalf leden die op 7 augustus 1943 In Lingen werden gefusilleerd. In augustus 2018 verscheen een herziene tweede druk van het boek. De Zwarte Hand was tijdens de Tweede Wereldoorlog vooral actief in Klein-Brabant (De Vlaamse streek langs de Schelde en de Rupel) en de Rupelstreek (onderdeel van het Scheldeland, dat onder meer bestaat uit de gemeenten Boom, Rumst en Willebroek). De groep had haar oorsprong in de gemeenten Puurs en Rumst, beiden net iets onder Antwerpen gelegen. De meesten waren slechts 20 tot 25 jaar, de jongste nog maar 15 jaar oud. In de directe nabijheid van Puurs lag het beruchte Fort van Breendonk dat door de nazi’s tijdens de oorlog werd gebruikt als werk- en doorgangskamp. Het is het enige kamp dat nog volledig intact is gebleven. In het fort bevindt zich het ‘Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk’. Mampaye was onderwijzer verbonden aan de Gemeenschapsschool in Puurs. Hij koppelde de geschiedenislessen zoveel mogelijk aan lokale gebeurtenissen, gebouwen en andere historische restanten uit de directe omgeving om daarmee het geschiedenisonderwijs levend te houden en betrokkenheid bij het onderwerp te genereren. Jarenlang kwam Luc De Geyter, een voormalig lid van de verzetsgroep De Zwarte Hand, vertellen over de verzetsbeweging en over de lijdensweg langs de Duitse concentratiekampen. De Geyser ontpopt zich als een meesterlijk verteller; tijdens de lessen kunnen je een speld horen vallen. De Geyser verzorgt ook de rondleidingen door het sinistere en sombere Fort van Breendonk, wellicht de ergste van de Nederlandse en Belgische Kampen, en vertelt ook daar over het lot van zijn medestrijders, die vaak eerst hier terechtkwamen voordat ze gefusilleerd werden of doorgestuurd naar de Duitse kampen. Hij weet ook steeds goed de link te leggen met de actualiteit, want op dat moment is in België het Vlaamse Blok in opmars, een club met bedenkelijke politieke idealen. Door hun verschijnen op het politieke toneel was het fascisme niet langer slechts een donkere periode uit de geschiedenis, maar meer en meer een actueel onderwerp.

In 1991 komt De Geyser voor de laatste keer praten in de klas. Hij is inmiddels een eindje in de zeventig en zwaar ziek. Hij maakt zich zorgen over de toekomst, want Vlaams Blok heeft pas daarvoor haar programma gepresenteerd, dat vol staat met racistische en discriminerende opmerkingen. Hij vraagt zich af of al het lijden van hem en zijn vrienden allemaal voor niks is geweest en of alles nu opnieuw gaat beginnen. ‘Zijn de mensen dan al vergeten wat de gevolgen kunnen zijn van ondemocratische regimes?’ Mampaye, wiens grootvader lid was van de verzetsgroep Witte Brigade-Fidelio in Sint-Amands, besluit dat het hoog tijd wordt het levensverhaal van De Geyser op te schrijven en andere acties op te gaan zetten of daaraan mee te gaan doen. Hij begint aan de hand van gesprekken met De Geyser en historisch onderzoek diens levensverhaal op te schrijven, waarbij hij kiest voor de formule van een avontuurlijk verhaal in plaats van een droge opsomming van feiten. Aan de hand van de ervaringen van De Geyser wordt de geschiedenis van De Zwarte Hand vertelt. 

De beweging werd opgericht door Marcel De Mol, de koster van Tisselt. Al in juni 1940 begon hij met Auguste Vivijs het doen en laten van de collaborateurs in de streek te inventariseren, zodat deze gegevens na de oorlog zouden kunnen worden gebruikt. Ze begroeven hun documenten in flessen. Omstreeks augustus werd De Zwarte Hand officieel gesticht. Na contact te hebben gehad met verzetsleden uit Brussel begonnen ze ook pamfletten te maken die waren gericht tegen het gemeentebestuur dat bestond uit leden van het Vlaamsch Nationaal Verbond. Hun pamfletten kregen ze via de Brusselse Maria Moens. Om burgers moed te geven kalkten ze de letter V (van victorie) op de gevels van huizen, om aan te geven dat de bezetter nog niet definitief had gewonnen. De eerste verzetsdaad bestond eruit op de luchthaven van Hingene een ketel met kerosine te laten leeglopen. Via hun radiozender zonden ze op 21 juli, de Nationale feestdag van België, het Belgisch volkslied uit, en riepen ze de bevolking op tot verzet. Op 20 september werden Petrus Demul en Jozef Thijs betrapt door de Feldgendarmerie terwijl ze pamfletten aan het bussen waren. Negen dagen later werd Louis Houthooft gearresteerd, maar hij zou later ontsnappen. In oktober 1941 namen de Duitsers verschillende mannen gevangen en uiteindelijk vonden ze in de kerk van Tisselt de volledige ledenlijst, inclusief foto, van alle leden van De Zwarte Hand. Slechts een paar leden wisten aan arrestaties te ontsnappen. De gearresteerden werden opgesloten in de gevangenis van Mechelen, waarna bijna dagelijks leden werden vervoerd naar het fort van Breendonk om te worden ondervraagd en/of gemarteld. Na enkele dagen werden de meeste leden van de Zwarte Hand verhuisd naar de gevangenis van Antwerpen om te worden verhoord door de Gestapo onder leiding van August Schneiders en de Vlaming Eugeen Dirckx. Op 15 maart 1942 werden de leden van De Zwarte Hand verhuisd naar de Gevangenis van Sint-Gillis, waar een volledige vleugel werd ontruimd om de leden te huisvesten. Op 29 juni 1942 werden ze per trein vervoerd naar Wuppertal, waar ze weer in de gevangenis werden opgesloten. Ze werden tijdens hun opsluiting gedwongen aan het werk gezet om te helpen bij de productie van legermateriaal. Op 14 januari 1943 werden 25 leden voor de rechter gebracht, waarvan zestien ter dood werden veroordeeld, de anderen werden veroordeeld tot vijf tot tien jaar tuchtstraf. Vier van de ter dood veroordeelden (Camiel Bastiaens, Lodewijk Meeus, Joris Van Lent en Petrus Van Obbergen) kregen uiteindelijk genade, maar enkel Van Lent zou de latere deportatie naar een concentratiekamp overleven.

Door de bombardementen op Wuppertal brandde de gevangenis af op 5 of 6 juli 1943, waarna de leden weer werden getransporteerd, met uitzondering van Jozef Peeters die was overleden aan tuberculose. Op 7 juli kwamen ze toe in het Kamp Esterwegen, een van de zogenaamde Emslandkampen, waarvan Kamp Börgermoor de grootste was. Op 7 augustus 1943 werden twaalf man van de Zwarte Hand weggevoerd uit het kamp Esterwegen en gefusilleerd te Lingen. Later overleden nog enkele leden door ziekte en ontbering; door rest werd in maart 1944 vanuit Kamp Esterwegen vervoerd naar Gross Strehlitz (dat thans Pools is en Strzelce Opolskie heet), waar ze ook hun proces kregen en veroordeeld werden tot de Nacht und Nebel-straf, wat neerkwam op levenslange gevangenisstraf, waarbij ze geen contact meer mochten hebben met de buitenwereld. Voor die buitenwereld leek het daardoor alsof ze van de aardbodem waren verdwenen, wat ook uitdrukkelijk de bedoeling van de straf was. Na hun veroordeling werden de leden voor het eerst uit elkaar gehaald en verspreid over verschillende werkkampen. Een enkeling wist te ontsnappen, maar de meesten bleven opgesloten in de werkkampen tot de Russische legers naderden, waarna de leden die de werkkampen hadden overleefd werden getransporteerd naar concentratiekampen zoals Sachsen-hausen, Bergen-Belsen en Buchenwald. Net voor de bevrijding van deze kampen werden verschillende leden op dodentreinen vervoerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Opmerkelijk veel leden van De Zwarte Hand overleden in de laatste drie maanden van de Tweede Wereldoorlog, op een ogenblik dat allang duidelijk was dat het nazi-regime de oorlog onherroepelijk zou verliezen. Van de 111 leden van Zwarte Hand zouden er maar 37 van hen zouden terugkeren uit ballingschap.

Mampaye laat zien dat de verzetsgroep vanwege haar korte bestaan geen grootse sabotagedaden kan voorleggen, zoals dat bij het latere verzet het geval was. Hij geeft ook aan dat de snelle ondergang van de beweging en het hoge aantal gearresteerden te wijten is aan de enorme naïviteit van de beweging. Vooral het verplichte ondertekenen van een Bewijs van Lidmaatschap die in de kerk van Tisselt op een niet al te lastig te vinden plaats werden opgeborgen was daaraan debet. Het was een ongelijke strijd van een groep jonge idealistische amateurs tegen een professionele en ervaren Duitse opsporingsorganisatie, die meedogenloos te werk ging. Mampaye betoogt dat het belang van de beweging er nu juist in zit dat het ging om jonge mensen die zich niet langer wilden neerleggen bij de naziterreur, wilden vechten voor de vrijheid en bereid waren daarover grote offers te brengen. Een indrukwekkend verhaal.

.
Tjen Mampaye

De Zwarte Hand
Het verzet tegen de nazi’s in Klein-Brabant en de Rupelstreek
uitgeverij EPO
september 2018, 176 pagina’s
ISBN 978.94.6267.138.6

.

.

.

.

.

.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: