DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 1

4 mei 1945, Lüneburger Heide

Op 20 april vierde Adolf Hitler in de Führerbunker zijn 56e verjaardag, zijn laatste. Slechts een paar laatste getrouwen waren gekomen om hem te feliciteren, om daarna zo snel mogelijk Berlijn te ontvluchten. De stad lag al dagenlang onder aanhoudend Russisch artillerievuur. Het was voor iedereen overduidelijk dat het definitieve einde van de nazi’s nog slechts een kwestie van dagen was. Op die dag overwoog Hitler nog even om Berlijn te ontvluchten en vanuit Zuid-Duitsland dat nog geheel in Duitse handen was de oorlog voort te zetten. Joseph Goebbels overtuigde hem echter om in Berlijn te blijven.
Twee dagen later verklaarde Hitler aan zijn generaals dat de oorlog verloren was, maar Keitel en andere fanatieke nazi’s wilden echter kost wat kost verder vechten. Ze wisten dondersgoed wat er de voorgaande jaren aan oorlogsmisdaden was gepleegd en dat ze zeker van de Russen op geen enkele clementie hoefde te rekenen. Op 28 april waren door allerlei verwikkelingen voormalige kopstukken als Hermann Goering en Heinrich Himmler uit de gratie geraakt.
Op 29 april trouwde Hitler met Eva Braun en maakte zijn testament op. Terwijl in de bunker de resterende manschappen een ware orgie van drank en seks begonnen, raakte Hitler steeds radelozer omdat hij vernam dat zijn Italiaanse strijdmakker Benito Mussolini door zijn landgenoten was vermoord en aan de voeten was opgehangen aan een portaalbalk van een tankstation in Milaan. Zijn levensgezellin Clara Petacci en drie lotgenoten hingen naast hem, waar ze werden bespot en aangevallen door een grote menigte. Op 30 april pleegden Hitler en Eva Braun zelfmoord. Daarna gaf Goebbels de opdracht de beide lichamen met benzine te overgieten en in brand te steken. De lichamen zouden niet geheel verbrand zijn geweest, doordat de SS-lijfwachten die met dit karwei waren belast hun karwei door de constant neerkomende Russische granaten niet konden afmaken.

In zijn testament had Hitler vastgelegd dat hij als staatshoofd en opperbevelvoerder zou worden opgevolgd door Karl Dönitz en als rijkskanselier door Joseph Goebbels. Hitler had zelf de beide functies in zich verenigd, maar vond dat zijn dubbelpositie ‘uitzonderlijk en onherhaalbaar’ was. Goebbels weigerde echter om voor de Sovjets te capituleren en pleegde op 1 mei 1945, samen met zijn echtgenote en kinderen zelfmoord. Op dezelfde 1 mei 1945 ontving Karl Dönitz een radiobericht waarin hem werd meegedeeld dat hij door Adolf Hitler tot rijkspresident en opperbevelhebber van de Duitse strijdkrachten was benoemd en Joseph Goebbels als rijkskanselier naast zich kreeg. Hitler had nog een officier met een exemplaar van zijn testament naar Dönitz gezonden, maar het was onmogelijk dat bericht aan de nieuwe rijkspresident ter hand te stellen. Het hele bewind van Dönitz was gegrondvest op dat ene radiobericht. Tegelijkertijd bereikte hem het bericht dat Goebbels inmiddels ook dood was, zodat Dönitz nu was gedwongen ‘voorlopig’ ook de taken van rijkskanselier op zich te nemen. Dönitz nam de regering op zich, na zich ervan te hebben vergewist dat hij door de Wehrmacht en de SS als nieuw staatshoofd werd erkend.

Karl Dönitz (Grünau, 16 september 1891 – Aumühle, 24 december 1980) was sinds 1939 de marinecommandant en admiraal, wiens naam onverbrekelijk is verbonden met de onbeperkte duikbotenoorlog. Dönitz wist deze onderafdeling van de marine uit te bouwen tot het effectiefste wapen van de marine. Hij gold als een groot strateeg, die met zijn U-boten de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog grote verliezen wist toe te brengen.
Op 1 mei 1945 trad de regering-Dönitz aan in het Noord-Duitse Plön. In dat plaatsje bevond zich sinds 20 april namelijk al de tot dan toe bestaande rijksregering. Grootadmiraal Dönitz was vanuit Plön belast was met de verdediging van de ‘Noordvesting’. Op 3 mei 1945 verhuisde de president en zijn staf naar het iets noordelijker gelegen Flensburg, bij de Deense grens. Daar werd de marineschool het nieuwe hoofdkwartier van het opperbevel en ook de regeringszetel. Het korte leiderschap van Karl Dönitz wordt daarom de ‘Flensburgregering’ genoemd. Deze laatste regering van het Derde Rijk kreeg als belangrijkste daad een capitulatieovereenkomst namens Duitsland te ondertekenen en zou formeel ongeveer drie weken duren (van 1 mei tot 23 mei 1945). In de praktijk zou de regering slechts een weekje enige betekenis hebben.
Dönitz benoemde direct na ontvangst van het radiobericht enige medestanders tot minister, waaronder ook de op dat moment in Nederland residerende Arthur Seyss-Inquart. De regering die Hitler in gedachten had, kon er echter niet worden geïnstalleerd. Goebbels was dood, Bormann was spoorloos en Seyss-Inquart kon Flensburg niet bereiken en het was onbekend welke andere benoemingen Hitler aan het papier had toevertrouwd. Dönitz gaf daarom opdracht aan rijksminister van Financiën Lutz Schwerin von Krosigk om een ander kabinet te vormen. Dit Kabinet-Schwerin dat bestaat uit enkele oude nazibestuurders, vaak met dubbelfuncties, zal formeel tot 23 mei de macht in Duitsland hebben. De nieuwe president vroeg ondertussen dossiers en landkaarten op om de uiterst precaire militaire situatie te bestuderen. Hij had ook een ontmoeting met Himmler, maar wilde van samenwerking niets weten en verdween net zo snel als hij gekomen was.

Vervolgens begon hij zijn ambt met een radiotoespraak, waarin hij verklaarde dat hij de Duitse bevolking wilde redden van de bolsjewistische vijand (de Sovjet-Unie) en dat daarom de oorlog aan het oostfront voortgezet werd. Hij zond een aanbod voor capitulatie naar de Britse veldmaarschalk Montgomery, met de bepaling dat tegen de Russen verder gevochten zou worden. Door tegen de Sovjet-Unie te blijven doorvechten hoopte hij dat de Duitse militairen die aan het Oostfront vochten de kans kregen zich terug te trekken naar de Amerikaanse en Britse linies, zodat zij niet in handen van de bolsjewieken zouden vallen. Op woensdag 2 mei 1945 stuurde de nieuwe president en opperbevelhebber een delegatie onder leiding van admiraal Hans-Georg von Friedeburg (opperbevelhebber van de Kriegsmarine) naar het tactische hoofdkwartier van veldmaarschalk Bernard Montgomery op de Timeloberg bij de Lüneburger Heide om de Britse bevelhebber een capitulatie aan te bieden. Naast Von Friendenburg bestond de Duitse delegatie uit generaal Eberhardt Kinzel (Stafchef van het Duitse leger in Noordwest Duitsland), admiraal Gerhard Wagner (hoofd van het operationele departement van de Kriegmarine), kolonel Fritz Poleck (namens het Oberkommando der Wehrmacht) en majoor Hans Jochen Freidel (een stafofficier van Kinzel).

De Britse bevelhebber van de Brits-Canadese Noordelijke Legergroep weigerde de capitulatie van drie Duitse legers in Noordwest-Duitsland en Denemarken, zoals de Duitse delegatie die voorstelde. Hij eiste de onvoorwaardelijke capitulatie van de Duitse troepen in Noordwest-Europa die tegenover zijn legergroep stonden en dreigden met hernieuwde bombardementen op Duitse steden. De Duitse delegatie hield in Flensburg ruggespraak met Dönitz en de generaals van het Oberkommando der Wehrmacht, Alfred Jodl en Wilhelm Keitel. Ze keerde 4 mei 1945 om 18.00 uur terug bij Montgomery met de vereiste volmacht en om 18.30 uur tekende Von Friendenburg ten overstaan van Montgomery het capitulatiedocument (Instrument of Surrender), waarmee het Duitse Opperbevel instemde met de onvoorwaardelijke capitulatie van de Duitse strijdkrachten in Nederland, Noordwest-Duitsland, Sleeswijk-Holstein en Denemarken. De gecapituleerde troepen zouden zaterdag 5 mei 1945 om 08.00 uur alle vijandelijkheden ter land, ter zee en in de lucht staken. Op dat tijdstip van inwerkingtreding van de capitulatie op de Lüneburger Heide was de Tweede Wereldoorlog in die gebieden afgelopen. Nederland was vrij en viert daarom 5 mei haar Bevrijdingsdag.

Dit item was geplaatst door Muis.
<span>%d</span> bloggers liken dit: