HET VERBODEN BOEKENWEEKGESCHENK 1941

In 1932 werd de eerste Boekenweek georganiseerd met ook het eerste Boekenweekgeschenk, Bijdragen van Nederlandsche schrijvers en schrijfsters, samengesteld door A.M.E. van Dishoeck, C. Veth en C.J. Kelk. In de eerste jaren was ‘het geschenk’ vaak een wedstrijd waarbij schrijvers een ongepubliceerd werk konden inzenden, waaruit een jury dan koos wat werd opgenomen in de bundel. In 1940 werd de Nederlandsche Boekenweek gehouden van 2 tot 9 maart 1940 en was het Boekenweekgeschenk Drie Novellen, met bijdragen van Egbert Eewijck, Jan Campert, M. Vasalis. Verantwoordelijk voor de samenstelling waren Victor E. van Vriesland en Emmy van Lokhorst. Blijkbaar was dat geschenk goed bevallen, want in 1941 mochten Van Vriesland en Van Lokhorst opnieuw de samenstelling verzorgen. De Boekenweek vond toen plaats van 1 tot 8 maart 1941 en zoals gebruikelijk zou het Boekenweekgeschenk gratis beschikbaar zijn voor iedereen die voor minimaal fl. 2,50 aan Nederlandse of Duitse boeken kocht. Ditmaal hadden de samenstellers gekozen voor de bloemlezing Novellen en Gedichten, met in totaal 32 gedichten en korte verhalen van vaak jeugdige auteurs. Het 117 pagina’s tellende boekje werd in een oplage van 67.000 gedrukt.

Al voordat de Boekenweek officieel van start ging was er al volop commotie. Op 27 februari 1941 publiceerde de NSB-krant Het Nationale Dagblad een artikel waarin men schande sprak over het feit dat van ‘den Jood Maurits Mok‘ een bijdrage in de bundel was opgenomen en dat ook een van de samenstellers (Van Vriesland) van Joodse komaf was. Een nationaalsocialistisch boekhandelaar schreef op 28 februari 1941 een opgewonden brief naar de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, de toenmalige uitgever van de Boekenweekgeschenken, met de passage: ‘Een mooi gebonden werkje […] om een aantal Jodendichters […] naar voren te kunnen brengen.’

Namens de bezetter was het Referat Schrifttum belast met het toezicht op het boekenvak. Het was een afdeling van de Hauptabteilung für Volksaufklärung und Propaganda, die op zijn beurt weer ressorteerde onder het Reichskommissariat Niederlande van Seyss-Inquart. Het Referat Schrifttum, gevestigd in het voormalige paleis van prinses Emma aan de Kneuterdijk 20 te Den Haag,  bepaalde welke boeken in Nederland mochten worden gepubliceerd en welke Nederlandse uitgaven voor censuur in aanmerking kwamen. Het Referat Schrifttum had om die reden veel contact met de Afdeeling Boekwezen van het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, dat onder leiding stond van de fanatiek NSB’er Tobie Goedewaagen. De leiding van het Referat Schrifttum lag bij H. Lohse, een voormalig boekhandelsbediende van Köhler & Volckmar in Leipzig, die een reputatie als ongemanierde bestuurder had hoog te houden. M.J. Visser, de eigenaar van boekhandel Mensing & Visser, die schuin tegenover de ingang van het Referat Schrifttum was gevestigd, schreef later over hem: ‘Het was het type van een Duitscher met een minderwaardigheidscomplex, die zich laat gelden als hij de macht daartoe meent te hebben; Novellen en Gedichten 2opvliegend, onredelijk, argwanend en toch soms tembaar door een grooten mond, maar daarenboven corrupt. Wie een wit voetje bij hem wilde halen, moest spreken van Dr. Lohse, ofschoon hij een universiteit nimmer anders dan van buiten had gezien.’ Deze Lohse reageert direct op de verontwaardiging in de NSB-gelederen.

Nu volgde de uitgave van het Boekenweekgeschenk en de reactie vanuit de NBS-organisatie onmiddellijk na de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941, de eerste grootschalige verzetsactie tegen de Duitse bezetter en ook het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa. De aanleiding waren de eerste razzia’s in Amsterdam (22-23 februari 1941) waarbij 425 Joodse mannen waren opgepakt en naar het concentratiekamp Mauthausen werden afgevoerd. De schrik voor opstandige Nederlanders zat er dus goed in. Op de ochtend van de eerste maart 1941, de openingsdag van de Boekenweek, verbood Lohse namens de bezetter de verdere verspreiding van het boek vanwege het niet-arische karakter. Van de oplage waren inmiddels al 20.000 exemplaren onder de Nederlandse lezers uitgezet; de resterende exemplaren werden voorzien van de bericht dat het geschenk niet ten geschenke mag worden gegeven en exemplaren direct teruggestuurd moeten worden. Afgesloten werd met de dreigende zin dat voor de juiste uitviering ene meneer Th. Wind verantwoordelijk werd gesteld. Alle teruggestuurde werden vernietigd.

Een aantal later schreef Albert Kuyle, een berucht antisemitisch publicist, in het lijfblad van het fascistische Nationaal Front, in zijn bekende racistische taal: ‘Dat er angstvallig voor werd gezorgd dat een Jood mede de redactie voerde, had vanzelfsprekend tot gevolg, dat de keuze opzettelijk verkéérd en volkomen onaanvaardbaar is geworden. (..) Zijn George Kettmann, Gabriel Smit, Gerard Wijdeveld, Chris de Graaff, August Heyting, Henri Bruning, Paul Haimon, Martin Bruijns, Steven Barends, Anton Erwich, om slechts enkelen te noemen wèl gevraagd? Had men misschien hun adressen niet? Of ging de joodsche kabbalistiek zóó ver, dat men tevoren reeds wist dat deze dichters tóch, om in den stijl van de inleiding te blijven, niets in voorraad hadden? (…)’

Een opmerkelijke reeks van foute auteurs gedurende oorlog. Kettmann was uitgever van nazi-uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer die de Nederlandse versie van Mein Kampf verzorgde. De vertaling was van Steven Barends. August Heyting was leider van de Vakgroep Toneelschrijvers van het Gilde voor Theater en Dans van de Nederlandsche Kultuurkamer. Chris de Graaff en Gabriël Smit waren later correspondenten (lees: informanten) van het Letterengilde van de Kultuurkamer. Haimon was na de oorlog lang literatuurredacteur van het Limburgs Dagblad, Gabriël Smit had dezelfde functie heel lang bij  De Volkskrant.

Het Boekenweekgeschenk 1941 kan worden gezien als een openlijke daad van verzet, weliswaar een zee voorzichtige. Achteraf is het opmerkelijk dat Victor van Vriesland en enkele dichters niet ontmiddelijk zijn gearresteerd of zelfs zijn gefusilleerd. Uit de verzen spreekt een zeer onverzettelijke houding: vóór vrijheid, tegen onderdrukking. Twee gedichten hiervan ter illustratie: De ceder van Han G. Hoekstra en Na oorlog van A. Marja, waarvan eerder op deze site al een leuk sarcastisch Sinterklaasvers uit 1938 verscheen. Over De ceder verscheen al eens een lange uiteenzetting over de betekenis van het gedicht met als kerngedachte: ‘De strekking van het gedicht is duidelijk. Hier is iemand aan het woord die zijn droombeeld, zoals dat op symbolische wijze gestalte krijgt in de altijdgroene ranke ceder, recht overeind houdt, dwars tegen het geschamper van een realistische of gewaand realistische tegenspeler in.’

Han G. HoekstraDe ceder

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
– Een binnenplaats, meesmuilt ge, sintels, schillen,
En schimmel, die een blinden muur aanrandt,
Er is geen boom, alleen een grauwe wand. –
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen:
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
Stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
Niet te benaderen voor noodlots grillen;
Geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

NA. Marjaa oorlog

Ik weet niet, meisje, hoe je bent en waar,
ik kan je daarom zelf nooit laten weten
hoe ik je jongen, blond en achttien jaar,
vond in een berm, als had men hem vergeten.

Een donk’re bloedvlek kleefde in zijn haar;
als daar die kleine wond niet had gezeten
dan waren jullie nu weer bij elkaar,
maar hij heeft eenzaam in het gras gebeten.

En ik bedenk hoe uit zijn jongensdromen,
juist toen hij meende: hier is geen gevaar,
één enk’le kogel hem heeft weggenomen.

Toen viel hij in eenzelfde berm als waar
zijn hand nog nimmer verder was gekomen
dan, schuchter, tot jouw kleine borstenpaar.

Dit item was geplaatst door Muis.