PINKSTERBLOEM

De korte schets Pinksterbloem werd in 1889 opgenomen in de bundel ‘Uit den dood. En andere schetsen’. De bundel bevat een verzameling schetsen die handelen over de thema’s dood en lijden. De publicatie kreeg in 1889 (ten onrechte, natuurlijk) te weinig bijval en pas in 1984 verscheen een tweede druk. Wel werd de bundel in 1895 integraal opgenomen in ‘Novellen’. De titel ‘Pinksterbloem’ oogt wat vreemd gezien het verhaal. Wellicht is het een cynische verwijzing van Arnold Aletrino naar het bijna uitgestorven folkloristisch voorjaarsfeest dat rond Pinksteren werd gevierd en waarbij uit de jonge meiden van het dorp een ‘Pinksterblom’ of ‘Pinksterbruid’ werd gekozen, die daarna met bloemen en sieraden opgesmukt zingend en bedelend door het dorp trok. Voor jonge meisjes was het een grote eer om te worden gekozen, het ‘toppunt van geluk’ voor velen.

Een gelijke, heldere lucht, diep van onbeweeglijk blauw en hoog tegen de diepte een groote, gladde, glinsterende zon, alles verglanzend met wit, scherp licht. Kantige, donkere schaduwplekken, scherp-aflijnend tegen het licht; drooge stofwolken traag opwiegend van den grond en verguld nêerwemelend over de drooge grassprieten en verschrompelde boomen aan den wegkant. In ’t water langs den weg een lange, vermoeiende, trillende, breede plek, wit schitterend door de rechte zonnestralen, in korte lichtstukjes uitgolvend en bewegelijk stilstaand in een vermoeiende kabbeling.

In lange rijen, wandelende zondagsmenschen, voortschuivend in het stof dat in wolkjes opstoof onder de voeten en schoenen en broek bedekte met een grijze laag. Een gewarrel en gewriemel van donkere mannenfiguren met glimmende zondagshoeden en daartusschen de scherpe kleur van een vrouwendoek of de karakterlooze schijn van een lichte kinderjurk. Telkens spleet de donkere, bewegelijke massa uiteen voor een roodgele wolk waarin een rijtuig voortrolde en sloot zich wêer om opnieuw te wijken, onder joelig gedrang, wanneer de doffe hoeftred van een naderend paard in gelijkmatigen rythmus over de stofbedekte klinkers aanklopte. En langen tijd kon men de roode stofwolk volgen waaruit de wielspaken korte, glimmende lichtstrepen schoten of waarin de zon op een gladgepolijst portier een bewegelijke, kortdurende lichtplek brandde.

Heel in de verte de stad, in een breede kromming zich uitstrekkend aan beide zijden van het water, te voorschijn komend als uit een lichtgrijs, over hangend neteldoek, waaruit spitse torens vaag tegen de groenachtige lucht opstaken. Als een zonnig monster lag de vormlooze klomp huizen waarop ’t licht strepen boorde en de witte wegen aan beide zijden van het water lagen bochtig en zwaar als een paar reuzenarmen, waarop een troep donkere insecten heen en weêr krielde. Telkens kwamen tusschen de menschenhoop groote, leêge plekken, waarin de grond zichtbaar werd, wit-brandend onder het gloeiende licht. ’t Was of de zon onbewegelijk stond boven het water dat met korte, spitse golfjes voortglom tot heel ver aan een bocht van de weg en of de zonnestralen recht naar onder lijnden op den grond waar pinksterbloem 1zij afbraken en wegbrokkelden over het land, tusschen de huizen en over de glimmende daken, waarop de schoorsteenen lichte rookwolkjes recht naar boven ademden.

Een proletariërs-huishouden strompelde voort in het stof. Hij, voorop, duizelend van zon en jenever, met loshangend vest en een broek waardoor stukken rose vleesch schemerden. Zijn doorgeloopen schoenen schuifelden over den weg en schoven stofwolken op, die zijn bezweet gezicht grijsvuil maakten. Onder zijn gescheurde pet glommen de zweetdruppels naar onder langs zijn rooden drankneus in een vuilen stoppelbaard, die om de gemeene mondhoeken stekelde.

Zij kon niet met hem meêloopen en bleef telkens achter, door ’t jongetje op bloote voeten, dat zich vast hield aan haar rok en zich liet meêtrekken over den warmen weg, waar de zon hun in de oogen scheen. En zelf had zij ’t al moeielijk genoeg. Haar gezicht was rood, gloeiend geblakerd en de dunne, lange slangen, ongekamd haar vielen onder haar muts uit en kleefden tegen ’t natte voorhoofd. Haar jak was open en liet haar magere, groezelige hals zien die overging in een grijs vuil hemd, nat doorzweet op den langen weg. Zij liep voort in ’t kruis doorgebogen, met de armen langs de zijden, zwaar door een breede zwangerschap die haar ’t ondereinde van haar jak oplichtte en den vuil- zwarten rok optrok, zoodat de gescheurde pantoffels en afgezakte kousen te zien kwamen. En telkens bleef ze staan rusten en kruisde de handen onder haar zwaren buik samen of veegde, met den punt van haar jak, de dikke zweetdruppels af die over haar stoffig gezicht kleefden.

‘Kan je niet wat gauwer loopen?’ snauwde hij haar toe, van uit de verte.

En zij zette zich weêr in beweging, schommelend als een gans, met haar buik ver vooruit en nog meer doorbuigend in den rug, om zich in evenwicht te houden. Maar ’t jongetje was achtergebleven en ze moest op hem wachten. Toen dreigde hij met zijn vuist naar ’t kind, spoog een langen spriet bruin in het stof en ging voort. En toen de vrouw het kind bij de hand had genomen en opkeek, zag ze hem verdwijnen in een gemeen, klein kroegje. Zij zette zich neêr op een hoop klinkers aan den weg om te wachten en staarde naar de zondagsmenschen die ’t hoofd afwendden van haar schaamtelooze zwangerschap.

Dit item was geplaatst door Muis.