TOBIAS PORTSCHY
81e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
Tobias Portschy (Unterschützen, 5 september 1905 – Rechnitz, 2 maart 1996) was een Oostenrijkse advocaat en nationaalsocialistische politicus. Portschy ging in zijn jeugd naar de lagere school in Unterschützen, een gehucht met een paar honderd inwoners. Daarna ging hij naar de Evangelische Hogeschool in Oberschützen, een iets groter dorp een paar kilometer verderop. Het lag niet al te ver verwijderd van de Siebengemeinde (Eisenstadt, Mattersdorf, Kobersdorf, Lackenbach, Frauenkirchen, Kittsee en Deutschkreutz), zeven Joodse gemeenten waarvan vooral Mattersdorf en Deutschkreutz een overwegend orthodoxe Joodse bevolking kende. In Deutschkreutz bevond zich een beroemde Talmoedschool, waar Joden van allerlei landen studeerde. De componist Karl Goldmark groeide daar op in de Joodse gemeenschap. Pas in 1920 was het westelijke, Duitstalige deel van Hongarije, dus ook Oberschützen, aan de Republiek Oostenrijk toegekend als uitkomst van het Verdrag van St. Germain (1919) en het Verdrag van Trianon (4 juni 1920). Het nietige Oberschützen was in de jaren dertig in Burgenland het centrum van de illegale NSDAP. Al in 1931 werd hier een lokale nationaalsocialistische afdeling opgericht.
Tobias Portschy studeerde rechten in Wenen en Göttingen. In die laatste plaats kwam hij in contact met de lokale NSDAP-afdeling en werd hier een overtuigd volgeling van Adolf Hitler. Op 23 juni 1931 werd Portschy lid van de NSDAP (lidnummer 511.418). Als partijfunctionaris werd de 28-jarige Portschy benoemd tot Gauleiter van Zuid- Burgenland. Toen op 19 juni 1933 in Oostenrijk de NSDAP een verboden partij werd, ging de partijpropaganda onverdroten verder. Vanwege de illegaliteit van zijn functie en zijn fanatieke handelswijze, kwam Portschy herhaaldelijk in conflict met het wettelijk gezag. Op 5 augustus 1933 werd hij vanwege het verspreiding van vlugschriften gearresteerd en tot 26 augustus in voorlopige hechtenis vastgezet. In een brief aan familie in de Verenigde Staten schreef hij het als zijn plicht te zien: ‘…die
Lehre von der Volksgemeinschaft zu verbreiten und dass ihn auch die Haftzeit nicht von seinen Idealen abbringen kann: „[…], weil ich mit allen Fasern meines Herzens an der Idee unseres Führers, Adolf Hitlers, hing und heute noch hänge. Als Deutscher, der weiß, was Ehre und Treue heißt, kann ich nichts anderes als Nationalsozialist sein. […] Es mag da kommen, was will, ich werde alles erdulden, wenn es gilt für die nationalsozialistische Weltanschauung zu leiden. Am Ende ist doch der Sieg unser!”
Vanaf 1935 tot 1938 was hij Gauleiter van heel Burgenland. Op 4 december 1937 werd hij gearresteerd vanwege zijn politieke activiteiten. Hij kwam in februari 1938 weer vrij op grond van het Berchtesgadener Abkommen. Nadat Oostenrijk door de Duitsers in 1938 was geannexeerd, nam Portschy de deelstaatregering van Burgenland over. Op 11 maart 1938 marcheerde de nationaalsocialisten onder leiding van Tobias Portschy naar het regeringsgebouw in Eisenstadt en namen zonder slag of stoot de macht over. Staande op de Haydn-gedenksteen voor het regeringsgebouw hield Portschy een toespraak. De volgende dag stuurt hij een telegram naar Adolf Hitler: ‘Burgenland, het meest oostelijke bolwerk van de gesloten Duitse leefruimte, het grondgebied van het Duitse volk sinds Karel de Grote, begroet de redder uit de diepste nood, onze leider, in deze wereldhistorische uren die de vurigste wens van de Burgenlanders in vervulling lieten gaan. Heel Burgenland hoopt de komende dagen zijn dankbaarheid en loyaliteit te kunnen tonen aan de stichter van het Groot-Duitse Rijk, dat zich uitstrekt van de Rijn tot het Neusiedler Meer, op deze grond waar de wieg van Theodorik de Grote stond en Josef Haydn het lied van de Duitsers schiep’. Twee weken later, in een toespraak op 2 april 1938 verkondigde Portschy: ‘De zigeuners en de joden zijn sinds de oprichting van het Derde Rijk ondraaglijk geweest. Geloof ons dat we deze kwestie met nationaalsocialistische consistentie zullen oplossen.’
Op 15 oktober besloot hij tot ontbinding van Burgenland, dat tot het eind van de oorlog verdeeld bleef in Reichsgauen Niederdonau en Steiermark. In 1938 presenteerde Portschy ook het memorandum ‘De zigeunerkwestie’, dat geheel op de rassenwetten van Neurenberg was gebaseerd. Een verontwaardigde Franz Horvath richtte zich rechtstreeks tot Hitler om zijn beklag te doen over deze brochure. In de brochure riep Portschy namelijk onder meer op tot een schoolverbod, gedwongen sterilisatie ven plaatsing in werkkampen voor de zigeunerbevolking. Van 24 mei 1938 tot de Duitse capitulatie op 8 mei 1945 was Portschy plaatsvervangend Gauleiter van Stiermarken. Op 1 juli 1940 sloot hij zich aan bij de SS, waar hij op 9 november 1940 gepromoveerd werd tot de rang van SS-Oberführer. Portschy was ook een van de slechts 6.000 nazi’s die het Ereteken van 9 november 1923 (de zgn. Bloedorde) ontving.
Na de oorlog werd Portschy door de geallieerden krijgsgevangen gemaakt. Hij verbleef tot 1947 in interneringskampen. In 1949 werd hij veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf vanwege zijn werk als nationaalsocialist. Het openbaar ministerie van Graz, dat zeer goed op de hoogte was van Portschy’s propagandabrochure ‘De zigeunerkwestie’, ondernam geen enkele poging zijn rol te onderzoeken in de gevangenschap en moord op Joden en zigeuners in Burgenland. Men stelde dat geen bewijs kon worden geleverd dat hij hiertoe persoonlijk opdracht had gegeven. Al in 1951 kreeg hij voorwaardelijk gratie van de Oostenrijkse bondspresident Theodor Körner (SPÖ ) na een gratieverzoek van het ministerie van Justitie. Als onderdeel van de ‘nazi-amnestie in 1957’ werd de resterende straf herzien en werd zijn veroordeling nietig verklaard. Na zijn vrijlating vestigde hij zich in Rechnitz, waar zijn echtgenote Hotel Rose runde. Daar ontving de weer zeer gerespecteerde burger Tobias Portschy zijn vrienden: oud-nazi’s, neonazi’s, rechtsextremisten en hoge geestelijken. In Graz leidde hij een elektronicagroothandel. In zijn woonplaats werd hij voorzitter was van de raad van toezicht van de spaar- en kredietbank en van de plaatselijke toeristenvereniging. In 1958 kende de Universiteit van Wenen hem weer zijn doctoraat. Dat in de eerste naoorlogse jaren tijdens de denazificatie was ingetrokken. Hij was echter een overtuigd nationaalsocialist gebleven. Nog in 1991 verdedigde hij op een congres van de liberale FPÖ (waarvan hij vanaf 1959 lid was) de FPÖ-politici Wolfgang Rauter en Jörg Haider over het ‘goede werkgelegenheidsbeleid tijdens het nationaalsocialistische tijdperk’. In 1992 gaf Portschy in de film “Guilt and Memory” van Egon Humer Portschy als commentaar ‘Parasieten zijn parasieten’ op zijn beruchte memorandum over de Oostenrijkse zigeuners. Zijn overlijden zorgde ervoor dat geen nadere procedure tegen hem werd ingesteld. In 2006 verscheen over zijn leven, specifiek zijn vooroorlogse jaren, van Ursula Mindler in de reeks Burgenländische Forschungen. Band 92 het boek ‘Dr. Tobias Portschy. Biographie eines Nationalsozialisten. Die Jahre bis 1945.
