ZIGEUNERGEVANGENENKAMP LACKENBACH

Lackenbach appel83e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

In 1921 werd met het Verdrag van Saint Germain her Burgenland vanuit Hongarije overgeheveld naar Oostenrijk. Dat betekende voor de nieuwe republiek Oostenrijk een aanzienlijke uitbreiding van het aantal Roma in hun bevolking en deze bevolkingsgroep was er bepaald niet populair. De Roma in Burgenland werden nu beroofd van hun groot deel van hun levensonderhoud als rondtrekkende ambachtslieden, muzikanten, handelaren en losse arbeiders, omdat de toegang tot hun voormalige Hongaarse werkterrein was afgesloten. Bovendien dreigde deportatie naar Hongarije als ze geen doop- of geboorteakte van een Oostenrijkse gemeenschap konden overleggen. In 1924 werd ook nog eens een ‘Festsetzungserlass’ ingevoerd, dat bepaalde de Roma in Burgenland verbood hun dorpen te verlaten. Het maakte definitief een einde aan hun eeuwenlange praktijk van rondreizende handelaren en dus een einde aan het kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud. Door de mondiale economische crisis namen de werkeloosheid en armoede nog verder toe. De Roma kregen vanaf 1921 ook te maken met veel discriminatie door de Duits-nationalistische stromingen binnen Oostenrijk, die sterk in opmars waren. De website Burgenland-Roma geeft hiervan schrijnende voorbeelden. Illustratief hiervoor is de maatregel van het ‘Onderzoekscentrum voor Roma’, dat werd opgericht in 1928 en als eerste maatregel bepaalde dat alle Roma van 14 jaar en ouder moesten worden geregistreerd. Door deze ‘Zigeunerkartothek’ ging politie- en juridische willekeur steeds meer het dagelijks leven van de Roma bepalen. Op basis van de gegevensverzameling werd in 1935 een voor heel Oostenrijk geldend ‘centraal register’ opgezet. In Burgenland zelf werd al in 1933 een ‘Conferentie over de zigeunerkwestie in Burgenland’ gehouden, waarin de eis werd geformuleerd dat een speciale wet voor zigeuners moest worden ingevoerd, waarmee alle zigeuners die geen gereguleerd beroep hadden, hun burgerrechten moesten worden ontzegd en werd opgeroepen tot aanscherping van de straffen voor landlopers, namelijk dwangarbeid in de plaats van gevangenisstraf.

In augustus 1938 schreef gouverneur Tobias Portschy zijn beruchte memorandum ‘De zigeunerkwestie’, dat de ideologische basis werd voor alle daaropvolgende vervolgingsmaatregelen tegen de Roma uit Burgenland. Portschy beschreef de zigeuners als een ‘nomadisch parasietenras’ dat de lokale bevolking door talrijke besmettelijke ziekten in gevaar bracht en dat uitsluitend leefde van bedelen en stelen. Het Arische ras zou volgens hem ernstig worden bedreigd als het Duitse bloed met zigeunerbloed zou worden vermengd. De nationaalsocialistische oplossing voor de zigeunerkwestie moest volgens hem bestaan uit een algemene verplichte arbeid (dwangarbeid) en internering in werkkampen. Als langetermijnstrategie stelde hij sterilisatie voor die gelegitimeerd werd in een ‘Wet ter voorkoming van erfelijk zieke nakomelingen’. Portschy beschouwde de ‘vrijwillige migratie naar het buitenland of hervestiging in de Duitse koloniën als de meest perfecte oplossing’ voor de zigeunerkwestie.

Direct na de Anschluss werd begonnen met de eerste maatregelen. Bij decreet werd de zigeuners in Burgenland, waar de meeste zigeuners woonden en waar Portschy gouverneur was, uitgesloten van deelname aan het referendum van 10 april 1938 omdat volgens de nationaalsocialistische leer zigeuners niet konden worden beschouwd als volwaardige burgers van het Reich. Portschy en de zijnen beschouwden iedereen als asociaal die door anti-economisch en/of crimineel gedrag liet zien buiten de gemeenschap te staan en om die reden in preventieve politiehechtenis moest worden genomen. Bij de kort daarop (mei-juni 1938) volgende golf van arrestaties werden in Burgenland 232 Roma als ‘asocialen’ in “preventieve politiehechtenis’ genomen ter voorkoming van misdaden zoals ‘landloperij en bedelarij’. De politie maakte hierbij gebruik van de in 1928 aangelegde ‘Zigeunerkartothek’. Deze eerste arrestaties waren voor Franz Horvath en vijf medestanders uit Redlschlag aanleiding zich rechtstreeks met een klachtbrief tot Adolf Hitler te richten tegen de vervolgingsmaatregelen. Ze schreven over de economische ontberingen van de zigeuners in Burgenland, die vanwege het ontbreken van werk en overheidssteun wel gedwongen waren te bedelen. Ze schreven ook over de herhaalde aanvallen door de plaatselijke politie sinds de Roma hun burgerrechten waren afgenomen. Franz Horvath werd op 20 juni 1938 gearresteerd naar het concentratiekamp Dachau gestuurd, zijn vijf mede-ondertekenaars kregen een ernstige waarschuwing en ondergingen later hetzelfde lot als Horvath.

Vanaf augustus 1938 mochten weerbare Roma worden ingezet voor dwangarbeid in openbare gebouwen, op wegen en in steengroeven. Een maand later verbood Portschy Roma-kinderen in Burgenland om nog langer naar school te gaan. Korte tijd later ontnam hij Roma het stemrecht, verbood hij gemengdeRoma aus Jois september 1941-1 huwelijken van Roma en kwam met talrijke andere discriminerende bevelen die grote gevolgen hadden voor de levenssituatie van Roma in Burgenland: het verbod op het spelen van muziek in het openbaar, het verbod op de aankoop van bepaald voedsel en luxevoedsel en het verbod op het gebruik van openbaar vervoer. Met deze maatregelen liep men in Burgenland vooruit op het vervolgingsprogramma van de nationaalsocialisten.

De razzia in het dorp Jois in september 1941, waarna de Roma naar een verzamelpunt werden gestuurd. Daaronder de eerste gevangenen in het kamp op 23 november 1940. Boven een appel in het kamp,

In oktober 1940 liet het Reichsministerie van Binnenlandse Zaken schriftelijk weten dat de verhuizing van de zigeuners van Ostmark (de benaming voor Oostenrijk na de Anschluss van maart 1938) naar het Generalgouvernement in Polen tot nader order was uitgesteld. De vertegenwoordigers van verschillende provincies, waaronder Eisenstadt, Oberpullendorf, St. Pölten en Wenen, besloten toen in samenwerking met de Weense recherche een interneringskamp vooRoma aus Jois september 1941r zigeuners op te richten. Een vereniging, gefinancierd door de districten en onder bestuur van de recherche, koos hiervoor als locatie het Schaflerhof Lackenbach, een niet meer gebruikt landgoed van de familie Esterházy, vijftien kilometer ten westen van Deutschkreutz. Op 23 november 1940 werd het zigeuner-gevangeniskamp Lackenbach geopend onder toezicht van de Staatliche Kriminalpolizei, Kriminalpolizeileitstelle Wien, Afdeling II B. De eerste kampcommandant werd Hans Kollross, een officier bij de gerechtelijke politie in Wenen. Dit eerste concentratiekampachtige kamp in Burgenland was ondergeschikt aan het controlecentrum van de criminele politie, dat ook de kampadministratie leverde. Eind 1940 waren er slechts 180 gevangenen in het kamp. Het maximale aantal gevangenen in het kamp bedroeg ruim 2.300 mensen, wat met 2.335 opgesloten Roma op 1 november 1941 licht werd overtroffen. Kort daarna werden ze gedeporteerd naar het getto van het Poolse Lódz en verder liep het aantal eind 1941, begin 1942 sterk terug door een tyfusepidemie, die veel sterfgevallen tot gevolg had en dwong tot een tijdelijke top aan nieuwe gevangenen. Ook SS-Untersturmführer Hans Lackenbach eerste gevangenen 23 november 1940Kollross (1892-1942) stierf in januari 1942 aan tyfus. Hij werd in Wenen begraven op Grinziger Friedhof, ongetwijfeld met de nodige militaire eer, in PLZ 1190 dat vol ligt met gesneuvelden uit de beide wereldoorlogen. In hetzelfde graf werd later ook zijn vrouw Maria begraven, plus werd op de steen zoon Hans Kollross (1924-1944) herdacht die in Italië sneuvelde en daar op de Duitse begraafplaats Futa-Pass begraven ligt. Commandant Kollross werd voor een half jaar opgevolgd door SS-Obersturmführer Franz Langmüller. Die zou in 1948 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar wegens marteling en mishandeling van gevangenen, plus misdaden tegen de menselijkheid en menselijke waardigheid. Hij zou al na tweeëneenhalve maand weer worden vrijgelaten. Vanaf 1 september 1942 werd SS-Obersturmführer Fritz Eckschlag de commandant, die een jaar later werd vervangen door SS-Untersturmführer Julius Brunner.

In totaal zouden ongeveer 4.000 Roma het doorgangskamp passeren voordat ze werden doorgestuurd naar getto’s of concentratiekampen Dachau, Buchenwald, Ravensbrück, Mauthausen en vanaf april 1943 Auschwitz-Birkenau. De leefomstandigheden in Lackenbach waren vergelijkbaar slecht als in de bekende concentratiekampen, met erbarmelijke hygiënische omstandigheden, een totaal gebrek aan sanitaire voorzieningen  en overeenkomstige hoge sterftecijfers als gevolg. Tussen december 1940 en de ontbinding van het kamp in maart 1945 stierven 237 mensen in Zigeuner-Anhaltelager Lackenbach. Met uitzondering van de periode augustus-november 1941 (tussen de massa-arrestaties en de deportaties naar Lódz) werd het kamp daarna voor een belangrijk deel bevolkt door kinderen: 42% van de gevangenen was 15 jaar en jonger, 80 procent van de gevangenen was jonger was dan 40 jaar.

Het kamp diende niet alleen om ‘asociale zigeuners’ gevangen te zetten, maar diende ook als reservoir voor dwangarbeid in de regio. Het kamp diende financieel zelfvoorzienend te zijn. Het kampbestuur moest ervoor zorgen dat alle mannelijke gevangenen buiten het kamp werk konden verrichten en alle vrouwen en kleinere kinderen vanaf tien jaar oud binnen het kamp werkten. In het begin bestond uit werk aan de wegen naar het kamp, zorgen voor de inrichting en het onderhoud van het kamp zelf (het kamp had daarvoor een eigen houtzagerij) of arbeid op de eigen velden van het kamp. Later werden de gevangenen uitgeleend aan nabijgelegen gemeentebesturen en aan grotere projecten, bijvoorbeeld de bouw van een dam in Kobersdorf. Ander werk bestond uit de aanleg van de Reichsautobahn en andere wegenbouw projecten, de constructie van de radarpositie Selma op de Sonnenberg bij Hornstein (het hoogste punt in Burgenland), het onderhoud van rivieren en beken, arbeid in de nabijgelegen steenfabrieken van Julius Lautner en Josef Heinz, werk in de keramiekfabriek Stoob of in molens, dwangarbeid in fabrieken in Drassmarkt en Thies, op nabijgelegen landgoederen van onder meer Baron Rohonczy in Oberpullendorf en allerlei werkzaamheden bij kleine particuliere bedrijven, herbergen en boeren. Bijna alle werk was fysiek zwaar, kende lange werkdagen tot elf uur en vond plaats onder nauw toezicht van kampbewakers, die een strikte werkdiscipline nastreefde. Het kamplogboek meldde bijvoorbeeld een straf van zes uur eenzame opsluiting zonder eten of drinken voor een vrouw die tijdens haar werk eventjes had gepraat. Een vertegenwoordiger van de Sinti-gemeenschap in Oostenrijk en voormalig kampbewoner zei later dat kinderen in de winter op blote voeten bundels hout moesten halen voor verwarming. Gevangenen kregen weinig of geen loon voor al hun arbeid, want het volledige loon werd door de werkgevers aan de kampleiding uitbetaald.

Na de tyfusuitbraak eind 1941, begin 1942, waaraan ook kampcommandant Kollross bezweek, gaf zijn opvolger Franz Langmüller opdracht tot de bouw van kazernes en betere sanitaire voorzieningen, want de kampleiding was beducht geworden voor een nieuwe uitbraak. De omstandigheden verbeterden slechts marginaal. Onder Langmüller waren de fysieke straffen echter zwaarder en regelmatiger. Zelfs kleine overtredingen van de kampregels, zoals een verbod op roken of spreken, leidden tot draconische straffen zoals geseling, appèl, dwangarbeid, onthouding van voedsel, eenzame opsluiting of deportatie naar een concentratiekamp. Tijdens het proces van Langmüller in 1947 getuigden zowel voormalige gevangenen als politieagenten dat mishandeling bijna dagelijks voorkwam, dat gevangenen vaak zonder voedsel in isolatie werden geplaatst en dat de gezichten van gevangenen op bevel van Langmüller in de uitwerpselen waren geduwd.

Lackenbach GedenktekenNadat Langmüller in 1942 naar Polen was overgeplaatst en in september 1941 werd vervangen door Fritz Eckschlager, werden de kampregels versoepeld. Zo werden lijfstraffen afgeschaft. De voedselsituatie bleef echter gevaarlijk vanwege de slechte kwaliteit en het ontoereikende aanbod. Op woensdag 28 mei 1941 vermeldde het kamplogboek: ‘Vandaag konden we alleen een heldere bouillon koken voor de lunch, aangezien er geen proviand meer was.’. Uit de kampadministratie bleek dat de maaltijden bestonden uit ersatzkoffie als ontbijt, soep, rapen of aardappelen ’s middags en’ s avonds een soep van meel en water. Voor alle fysieke arbeid zwaar ontoereikend.

Na Eckschlager werd Lackenbach vanaf september 1942 tot maart 1945 bestuurd door kampcommandant Julius Brunner, die eerder als bewaker had gediend. Ook hij was net als de meeste bewakers ofwel afkomstig van de recherche in Wenen. Sommigen waren afkomstig van het plaatselijke politiebureau in Lackenbach. Anderen waren plaatsvervangende politieagenten die te oud of fysiek ongeschikt was om in de gevangenis of de Wehrmacht te dienen. In maart 1945 werd kamp Lackenbach opgeheven toen de Russen naderden. De kampleiding was met stille trom vertrokken, zodat de resterende 300-400 gevangenen een loodzware evacuatiemars bespaard bleef en iedereen kon worden vrijgelaten. Tot ver in de jaren tachtig werden de voormalige gevangenen door Oostenrijk compensatiebetalingen ontzegd omdat het kamp slechts een preventieve politiemaatregel was om ‘misdaad te voorkomen’. Slechts een enkeling van de kamcommandant en bewakers kwam voor het gericht en de opgelegde straffen waren, als ze überhaupt al werden opgelegd, belachelijk mild.

Dit item was geplaatst door Muis.