CÉSAR BALDACCINI
César Baldaccini (Marseille, 1 januari 1921 – Parijs, 6 december 1998), die meestal werkte onder zijn voornaamCésar, en zijn tweelingzus Amandine werden in de arbeiderswijk Belle-de-Mai in Marseille geboren in een Italiaans gezin van Toscaanse afkomst, die in de havenstad een café hadden. Hij was een absolute autodidact. In zijn jeugdjaren tekende en knutselde hij met blikken om karretjes voor zijn broertje te maken. Al op twaalfjarige leeftijd ging hij van school, eerst om in vaders zaak te hebben en ook om voor een karig salaris te werken voor de slager in de buurt. Van 1935 tot 1939 ging hij naar de École supérieure des beaux-arts de Marseille, waar hij in 1937 drie prijzen won, voor graveren, tekenen en architectuur. In de eerste jaren van de oorlog bekwaamde hij zich in allerlei oplichtingszaken om nog een beetje geld te verdienen. In 1943 trok hij naar Parijs waar hij werd toegelaten tot de École nationale supérieure des beaux-arts. In 1945 keerde hij terug naar Marseille om te trouwen met Maria Astruc, met wie hij een bedrijf oprichtte. Ze zouden in 1959 scheiden. In 1946 keerde hij terug naar Parijs, waar hij een studio bewoonde in een voormalig bordeel, waarvan de kamers waren toegewezen aan studenten. Daar ontmoette hij Émilienne Deschamps, die later een van zijn muzen zou worden.
Omdat hij vanwege de hoge kosten niet met steen kon werken, ging hij andere materialen gebruiken. Vanaf 1947 werkte hij met gips en ijzer; in 1949 bekwaamde hij zich in booglassen in een industriële timmerwerkplaats in Trans-en-Provence en gebruikte hij reliëf loodplaten en gelast ijzerdraad. In 1951 bezocht hij Pompeii en werd getroffen door de afgietsels van de lichamen van de inwoners die in de lava waren gevangen. In 1952 gebruikte hij goedkope gerecyclede materialen en creëerde hij zijn eerste sculpturen van gelast schroot. Zijn financiële mogelijkheden waren toen nog steeds bescheiden. Omdat hij zich nog steeds geen marmer kon veroorloven, haalde hij de materialen voor zijn eerste sculpturen uit schrootmetaalstortplaatsen: buizen, bouten, schroeven die werden omgetoverd in insecten of die terecht kwamen in de krachtige rondingen van zijn Venus van Villetaneuse (1962). In 1954 exposeerde hij in galerie Lucien Durand in Parijs en won hij een prijs voor een sculptuur getiteld Le Poisson, ook gemaakt in Villetaneuse, een stad waar hij twaalf jaar samenwerkte met een lokale industrieel, Léon Jacques. Hij werd beroemd toen zijn werk in 1955 voor 100.000 frank door de staat werd gekocht voor het Nationaal Museum voor Moderne Kunst (MNAM). In de daaropvolgende jaren kocht MNAM verschillende werken van hem. Vanaf 1954 maakte hij ook sculpturen van gelast metaal, en later van gedeeltelijk gepolijst brons, van voluptueuze vrouwen. In 1956 nam hij deel aan de Biënnale van Venetië, vervolgens aan de Biënnale van São Paulo en Documenta II in 1959. In 1958 tekende hij een contract met de Parijse galerie Claude Bernard.
In 1961 kwam hij in contact met Marino di Teana en sloot hij zich aan bij de groep van Nieuwe Realisten, een beweging opgericht door de kunstcriticus Pierre Restany, waar ook Arman, Jean Tinguely, Niki de Saint Phalle en Gérard Deschamps deel van uitmaakten. Toen hij in 1957 een studio in Parijs kon betalen, trouwde hij met Rosine Groult-Baldaccini, die hij tien jaar eerder in de Beaux-Arts had ontmoet. Een jaar later kregen ze een dochter. Hij begon ook het nachtleven te bezoeken. In 1968 ontwierp hij bij de Manufacture nationale de Sèvres een porseleinen asbak, waarvan vijftig exemplaren werden geproduceerd. In 1971, tijdens een première in het Lido, trof hij iemand die mediavriendelijker was dan hij: Salvador Dalí, de meester van de extravagantie. In 1976 creëerde hij de César- filmtrofee, een prijs die wordt uitgereikt door Franse filmprofessionals , waarvoor hij een bronzen exemplaar ontwierp. De nationale filmprijs met zijn naam bestaat nog steeds.
In mei 1960 veroorzaakte César op de XVIde Salon de mai een schandaal met zijn eerste ‘compressies‘. Dit waren tot een blok geperste autowrakken, het product van een nieuwe Amerikaanse schrootpers in een werkplaats in Gennevilliers. Met deze werken wilde hij zich keren tegen het conformisme van de abstracte kunst en wilde hij zijn werk integreren in de technologische realiteit van de eigen tijd. In 1965 toonde een nieuwe expositie, in het Parijse Musée des Arts décoratifs, een voortschrijdende evolutie in Césars techniek. Hij had ontdekt hoe hij bij het verwerken van polyester de materie kon manipuleren en maakte een serie expansies. Vergrote kopieën van zijn duim (Le Pouce) in rode polyurethaan en in brons reisden de wereld rond en werden gezien als zijn handelsmerk. César maakte vaak tijdens zogenaamde happenings zijn compressies en zijn expansies het bijzijn van toeschouwers als happening. Na 1970 maakte hij combinaties van beide sculptuurvormen en verwerkte vloeibaar kristal tot series ‘combustions’. Tijdens zijn leven werd César, ondanks zijn beroemdheid, lange tijd genegeerd door de kunstwereld. Zijn werk werd pas twintig jaar na zijn dood tentoongesteld in het Centre Pompidou in Parijs, dat toen zijn ‘belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de beeldhouwkunst’ erkende. De laatste jaren van zijn leven waren echter zeer voorspoedig. César nam deel aan een groot aantal tentoonstellingen in alle continenten en zijn werken verkochten goed. Hij sloot zijn carrière af met een reeks portretten en zelfportretten, een treffende confrontatie met de dood. Zijn werken bevinden zich in musea over de hele wereld. In 2001 werd een netwerk van vervalsers opgerold, dat honderden valse Caesars verkochten in kunstgalerieën en veilinghuizen. In 2009 leidde dat tot de veroordeling van handelaren, vervalsers en tussenpersonen die ervan werden beschuldigd de werken van de beeldhouwer te hebben nagemaakt. De hoofdverdachte, de vervalser Éric Piedoie Le Tiec, die eerder al was veroordeeld voor valsemunterij, inbraak, rijden onder invloed en drugshandel, werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf.







