07 – DE DOLKSTOOTLEGENDE

Gedurende de gehele oorlog had de legertop beweerd dat het Duitse Keizerrijk onverslaanbaar was. Op 29 september 1918 berichtte generaal Ludendorff echter namens de Duitse legertop aan keizer Wilhelm II en de toenmalige Rijkskanselier Georg von Hertling (1843-1919) dat de oorlog uitzichtloos was geworden voor Duitsland. Hij deed een dwingend verzoek aan de Duitse regering om de geallieerden een wapenstilstand aan te bieden en deed ook de aanbeveling om, volgens artikel 1 uit de Veertien Punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson (1856-1924), in Duitsland een nieuwe, democratische regering te installeren om op die manier het gunstig mogelijke vredesverdrag te kunnen afsluiten. De tactiek van de legerleiding was op die manier de schuld over de nederlaag in de schoenen van de democratie te kunnen schuiven.

Op 3 oktober 1918 installeerde keizer Wilhelm II een nieuwe sociaaldemocratische regering onder kanselier Max von Baden (1867-1929). Deze regering bood de Entente (het militaire bondgenootschap van de geallieerden) een dag later de vrede aan. Pas op 5 oktober 1918 werd het Duitse volk geïnformeerd over de aanstaande nederlaag en begon volgens Friedrich Ebert (1871-1925), van 1919-1925 de Rijkskanselier in de Weimarrepubliek, der Geburt der deutschen Demokratie. Veel opties had de regering niet. In oktober 1918 is het Duitse leger weliswaar nog niet militair verslagen, maar door de heersende onvrede in de arbeidersklasse was er angst ontstaan dat Duitsland dezelfde kant op zou gaan als de Russen: eerst de oorlog verliezen en dan en een rode revolutie. De eerste signalen waren er al: diverse opstanden in het land, zeemannen wilden niet langer de zee op gaan n een laatste wanhoopsoffensief tegen de Britten en overal in het land werden raden van arbeiders en soldaten gevormd, die drastische sociale en politieke hervormingen eisten. Bovendien hadden een aantal van de Duitse bondgenoten al gecapituleerd en begon de handelsboycot tegen Duitsland echt merkbaar te worden doordat veel grondstoffen niet langer beschikbaar waren en er honger in de steden werd geleden,

Op 11 november 1918 tekent Duitsland voor een wapenstilstand en begint de regering (later door de nationalisten bestempeld als ‘de novembercriminelen’ met de vredesonderhandelingen, die uiteindelijk leidden tot de vermaledijde Vrede van Versailles.

Op 18 november 1919 moesten generaal-veldmaarschalk Paul von Hindenburg en Generaal der Infanterie Erich Ludendorff in de Duitse Rijksdag voor de Untersuchungsausschuss für die Schuldfragen des Weltkrieges verantwoording afleggen omtrent de oorzaken van de Duitse nederlaag. Samen met de rechtse politicus en bankier Karl Helfferich (1872-1924) hadden beide generaals een rede opgesteld waarin door Van Hindenburg de dolkstootlegende naar voren brachten als verklaring voor de Duitse nederlaag. Na deze verklaring kwam de dolkstootlegende echt ‘tot leven’ in Duitsland of zoals men het daar zo mooi omschreef ‘… wurde die Dolchstoßlegende gleichsam in Bronze gegossen’. Alle politieke en militaire blunders die Duitsland in de jaren 1914-1918 had gemaakt, werden vakkundig verzwegen en alle schuld werd in de schoenen geschoven van de sociaaldemocraten van de SPD, de communisten en de Joden. Naast economische, culturele en politieke factoren droef de legende bij aan de ondermijning van de Weimarrepubliek door rechtse nationalisten, ex-militairen en conservatieven. Zij vonden elkaar in de jaren 1920 in de nationaalsocialistische beweging van de NSDAP rond Adolf Hitler.

De Amerikaanse historicus Benjamin Carter Hett laat Max Bauer twee maal langskomen in ‘De Populist’, waarin hij de ondergang van de Weimarrepubliek beschrijft:
Vooral de opperbevelhebbers Hindenburg en Ludendorff en andere officieren om hen heen waren verantwoordelijk voor de geboorte van de ‘dolkstootlegende’. Na augustus 1918 erkenden deze mannen dat Duitsland de oorlog in militair opzicht verloren had. Er lag nog maar één rationele weg voor hen open: zelf er zo goed mogelijk mee weg zien te komen door de vredesonderhandelingen uit te besteden. Ze waren zo sluw om voor deze ondankbare taak het Centrumpartij-lid Mathias Erzberger te benaderen, die in 1917 in de Rijksdag de belangrijkste pleitbezorger van een vredesresolutie was geweest. Met hun emotionele beroep op zijn patriottistisch plichtsbesef wisten ze Erzberger tot tranen toe te roeren. Hij ging in op het verzoek en voerde de onderhandelingen voor een wapenstilstand. Zoals te voorspellen was, werd hij daarom door rechts zwartgemaakt en belasterd, totdat hij in 1921 werd vermoord.
In het voorjaar van 1919 publiceerde legerkolonel Max Bauer een pamflet met de titel ‘Hadden wij de oorlog kunnen vermijden, winnen of afbreken?’ Bauer was Ludendorffs belangrijkste adviseur op het gebied van politiek en economisch management geweest. Zijn antwoord op de vraag in de titel was duidelijk: Duitsland had aanvankelijk de oorlog gemakkelijk kunnen winnen. Zelfs later waren de vooruitzichten gunstig geweest. Hij stelde: ‘We hebben de oorlog uitsluitend en alleen verloren door de nalatigheid van het vaderland. Vooral de revolutie heeft het lot van Duitsland op het moeilijkste moment bezegeld.’
In november 1919 moesten Hindenburg en Ludendorff samen getuigen bij een hoorzitting van een commissie van de Nationale Vergadering, die was ingesteld om de oorzaken van de Duitse nederlaag te onderzoeken. Beide officieren droegen burgerkleding. Ze verklaarden in het openbaar dat het zou getuigen van te veel respect voor de parlementariërs die hun getuigenis zouden horen als ze in uniform zouden verschijnen. Toen de voorzitter van de commissie, de liberaal Georg Gothein, Hindenburg probeerde te ondervragen, negeerde de veldmaarschalk hem en las hij een verklaring voor die Ludendorff voor hem had opgesteld. Gothein probeerde hem te onderbreken, maar Hindenburg bleef rustig doorlezen. ‘Ondanks de superioriteit van de vijand in mankracht en materieel,’ zei Hindenburg, ‘hadden we de strijd tot een goed einde kunnen brengen.’ In plaats daarvan ‘begonnen uiteenlopende partijbelangen zich bij ons te manifesteren. Door deze omstandigheden begon onze wil om te zegevieren spoedig af te kalven.’ De ineenstorting werd vervolgens onvermijdelijk en ‘de revolutie was slechts het laatste zetje’. Hindenburgs verklaring sloot af met wat de gedenkwaardigste regel ervan zou zijn: ‘Het Duitse leger kreeg een dolkstoot in de rug.’

De dolkstootlegende is een complottheorie die tussen de beide wereldoorlogen vooral onder de nationalisten en conservatieven in Duitsland leefde, die inhield dat de Eerste Wereldoorlog niet op het slagveld verloren was, maar doordat de linkse revolutionairen het land met hun November-revolutie hadden ondermijnd en vervolgens een (linkse) burgerlijke regering aan de macht hadden gebracht die het bevel aan de legerleiding gaf om de strijd te staken. De dolkstootlegende begon als een leugen van de militaire opperbevelhebbers om hun eigen optreden te verontschuldigen. Nationalisten namen de leugen over om democraten het verlies van de oorlog in de schoenen te schuiven en de legitimiteit van de Weimarrepubliek te betwisten. Carter Hett beschrijft verder dat de mythe van de dolkstoot een sterke relatie had met de idee dat wilskracht van doorslaggevende betekenis is in een oorlog, veel belangrijker dan mankracht en materieel. Dat belang van de wilskracht zou terugkeren in het naziconcept van de Volksgemeinschaft, van een ‘nationale of volksgemeenschap’, waarmee de nazistaat de geest van 1914 (toen de Duitse natie nog eendrachtig was) zouden herscheppen. En hoewel de overgrote meerderheid van de Duitsers dondersgoed wisten, was er toch ook een breed verspreid geloof in de dolkstootlegende. ‘Het maakte niet uit of dat geloof redelijk was. Het sloot aan bij hun diepere ideologische opvattingen, misschien zelfs psychologische behoeften. Ze wilden erin geloven’. Het door iedereen gedeelde gevoel van onrechtvaardigheid over het Verdrag van Versailles was de bindende factor. Na de Eerste Wereldoorlog werd de wereld bepaald door de kapitalistische en imperialistische ambities van de overwinnaars, vooral van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De keuze waarvoor de Duitsers zich in de Weimarrepubliek geplaatst zagen was tussen het aanvaarden of afwijzen van deze Engels-Amerikaanse globalisering. De democratische politici van Duitsland wilden doorgaans de wereldorde accepteren, terwijl nationalistisch rechts het pad van het verzet koos. Waarbij een nationalist als generaal van Ludendorff precies aangaf dat hij streefde naar een totalitaire samenleving, conform de uitspraak die Max Bauer in 1919 al deed ‘Regeren is domineren’. Immers, “…als Duitsland de oorlog verloren had doordat de discipline aan het thuisfront was weggevallen, had de staat allereerst tot taak de samenleving zo effectief te controleren dat iets dergelijks nooit meer kon gebeuren. Afwijkende meningen moesten met harde hand de kop in worden gedrukt. Alle mensen moesten op welke manier dan ook voor de oorlogsinspanning worden gemobiliseerd, hetzij in de industrie, hetzij in het leger. Controle op ideeën en effectieve propaganda waren van vitaal belang. Alleen een dictatuur kon dit alles realiseren.’.
Vanaf begin jaren twintig begon Ludendorff zijn politieke ideeën door te gaven aan een voormalig soldaat eerste klas Adolf Hitler.

 

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: