17 FEBRUARI – SAMUEL VAN HOUTEN

Samuel van Houten (Groningen, 17 februari 1837 – Den Haag, 14 oktober 1930) was een Nederlands liberaal politicus. Hij was de zoon van een doopsgezinde houthandelaar en liberaal lid van de Groningse gemeenteraad en provinciale staten. Zijn zus  was de schilderes Sientje van Houten, de echtgenote van Hendrik Willem Mesdag. Op 29 juni 1861 trad hij in het huwelijk met Elisabeth van Konijnenburg, met wie hij vijf dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 16 juni 1872 hertrouwde hij op 3 juni 1873 met Hermine Leendertz, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

In 1859 sloot Van Houten zijn rechtenstudie af met een dissertatie op het het gebied van de staathuishoudkunde. Onderwerp was de economische theorie over ‘de waarde’, waarbij hij als één der eersten afweek van het waardebegrip van de klassieke liberale theoretici over de vrije concurrentie. Hij stelde dat dit model teveel alleen economisch van aard was, te weinig rekening hield met sociale en historische factoren en daardoor te weinig geschikt was voor de dagelijkse praktijk. In het proefschrift nam hij daarmee stelling tegen de ideeën van Adam Smith en Ricardo en verkreeg enige bekendheid als theoreticus op het gebied van de economie. Hij zou vaker drastisch afwijken van de liberale grondprincipes (zie artikel op Huygens Ing), vooral in het begin van zijn carrière. Bij zijn binnenkomst in de Tweede Kamer gold hij als uiterst progressief. Zo zette hij zich af tegen de leer van staatsonthouding van Thorbecke, brak ook al snel met de liberale voorman, die door zijn vader juist werd vereerd. Geleidelijk kwam hij echter wel in steeds conservatiever vaarwater en keerde zich tegen de plannen van Tak voor algemeen mannenkiesrecht. Hij was in de dagelijkse omgang een beminnelijk man met een brede belangstelling; cultuurminnend en erudiet.

Na zijn promotie vestigde hij zich als advocaat in Groningen. Later combineerde hij zijn praktijk met het docentschap aan de Groningse Landbouwschool. In 1864 stelde Van Houten zich verkiesbaar voor de vrijgekomen plaats in de gemeenteraad. Hij werd verkozen en werd in 1867 wethouder. Bij een tussentijdse verkiezing voor een vrijgekomen Groningse zetel was Van Houten kandidaat voor de Tweede Kamer. Tegenstander was het voormalig Kamerlid J. Dirks. Van Houten werd verkozen en zou 25 jaar Tweede Kamerlid blijven. Van Houten was van mening dat de staat geen kunstmatige nivelleringspolitiek moest uitoefenen. Wel moest de overheid corrigerend optreden wanneer bepaalde partijen door de markt in een zwakkere positie werden gebracht.

Hij werd vooral bekend door zijn Kinderwetje uit 1874, waarin bepaalde vormen van kinderarbeid werden verboden. Dit was de tweede sociale wet in Nederland, na de Armenwet in 1854. De liberalen die na de grondwetswijziging van 1848 in de regering zaten, wilden de vrijheid van ondernemers inperken. Die waren namelijk voorstander van kinderarbeid, omdat ze die minder hoefden te betalen waardoor beter kon worden geconcurreerd met het buitenland. Vanaf 1870 kwam een nieuwe liberale beweging tot stand die tegen kinderarbeid was. Van Houten, die in 1869 in de Tweede Kamer kwam, behoorde tot deze hervormingsbeweging en wilde sociale wetten invoeren. Het fabrieksleven kwam door propaganda van artsen meer onder de aandacht en men ging inzien dat het leven in de fabriek schadelijk was voor kinderen. In 1871 stelde Van Houten het afschaffen van kinderarbeid voor. Johan Thorbecke, die de leiding had over het kabinet, antwoordde: ‘Wat door de kracht van de burgerij kan worden te weeg gebragt, al duurt het iets langer, dat moet de wetgever niet willen doen.’ Een liberaal wilde niet ingrijpen in de economie, maar Van Houten was het hier in dit geval niet mee eens. De kinderen die in fabrieken werkten, konden niet voor zichzelf opkomen. Van Houten zag het nut niet in van de economische gevolgen van kinderarbeid. De reden voor hem om kinderarbeid af te schaffen was dan ook het economisch voordeel dat de afschaffing volgens hem op zou leveren. Hij zag kinderarbeid als roofbouw op het nationaal productieve vermogen. In 1873 diende Van Houten een initiatiefwetsontwerp in. Hij wilde kinderarbeid voor kinderen tot twaalf jaar oud verbieden en daarnaast kregen gemeenten de bevoegdheid om de leerplicht in te voeren voor kinderen van acht tot twaalf jaar. In Engeland was kinderarbeid op dat moment al afgeschaft. Het aantal medestanders voor Van Houten groeiden snel en op 3 mei 1874 werd na zes dagen debatteren zijn het wetsvoorstel goedgekeurd. Met 64 van de zeventig stemmen was 91% van de Tweede Kamerleden voor het voorstel.

Later kon de wet, die in de volksmond het Kinderwetje van Van Houten werd genoemd, gezien worden als een succes, maar in eerste instantie gebeurde er niet veel tegen kinderarbeid. De wet verbood namelijk het ‘in dienst nemen’ van kinderen tot twaalf jaar en niet de ‘arbeid’. Kinderen die onder toezicht van hun ouders werkten, vielen buiten de wet. De leerplicht was bij de wet van Van Houten buiten beschouwing gebleven. Pas 27 jaar later, in 1901, bij de invoering van de leerplicht was er pas een echte verandering in gang gezet.
Zijn argumentatie voor zijn streven naar een corrigerende overheid berustte op economische motieven. Kinderarbeid zou roofbouw zijn op het nationaal productieve vermogen. Van Houten pleitte ook voor seksuele hervorming en anticonceptie, omdat beperking van het kindertal bij de onderste lagen van de samenleving volgens hem het ‘proletariaat’ op den duur zou doen verdwijnen. Ook dat was niet zozeer ingegeven door medelijden met dat proletariaat.

In 1894 werd Van Houten minister van binnenlandse zaken in het kabinet-Röell, dat ook wel kabinet Röell-Van Houten wordt genoemd. Zijn voorganger Tak van Poortvliet was gestruikeld over zijn poging het kiesrecht uit te breiden, wat een zwaar bediscussieerd thema in de verkiezingscampagne zou zijn. Van Houten bracht op zijn beurt in 1896 een nieuwe kieswet tot stand die stemrecht verleende aan de helft van de mannelijke volwassenen boven de 25 jaar. Deze uitbreiding was een flinke stap op weg naar het algemeen kiesrecht.

Van Houten was zijn leven lang een actief publicist. Zo schreef hij onregelmatig verschijnende ‘staatkundige brieven’, waarin hij zijn visie op politieke ontwikkelingen gaf. Toen in 1921 een zevental liberale groeperingen samenkwam in de Vrijheidsbond, bleef Van Houten daarbuiten. Hij richtte een nieuwe Liberale Partij op. Vanwege zijn hoge leeftijd van 85 jaar was hijzelf in 1922 geen kandidaat voor de Tweede Kamer, maar schoof hij Lizzy van Dorp naar voren. Deze feministische econoom was zijn buurvrouw in Bloemendaal bij Haarlem. De partij haalde één zetel en Van Dorp werd de eerste vrouwelijke fractieleider in Nederland. Met haar stem droeg ze bij aan de verwerping van de Vlootwet in 1923.

Van Houten overleed in Den Haag op 93-jarige leeftijd. Hij ligt begraven op begraafplaats Oud Eik en Duinen. In 2018 ontdekte de Groningse historicus Coen Brummer, die een biografie schrijft over Van Houten, bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid een historisch filmfragment van Van Houten. Het gaat om een fragment van 13 seconden uit het Polygoon bioscoopjournaal ‘Hollands Nieuws’ van 21 mei 1932, waarin Van Houten in een boek bladert. Mogelijk zijn de journaalbeelden gemaakt ter ere van het vijftigjarig bestaan van zijn kinderwet.

 

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: