JAN WILDSCHUT (33)

Jan Wildschut (Den Bosch, 28 november 1913 – Leonberg, 31 januari 1945) was een wachtmeester-vlieger die vanaf 1932 bij het 1e Regiment Huzaren diende. In 1937 werd hij toegelaten tot de opleiding tot vlieger en diende vervolgens bij het 2e Luchtvaartregiment. Op 10 mei 1940 werd zijn vliegveld Gilze-Rijen gebombardeerd en weken de vliegtuigen uit naar een reserveveld bij Haamstede in Zeeland. Van daaruit werden vluchten uitgevoerd tegen de oprukkende Duitsers, onder meer bij de linies van de Grebbeberg. Uiteindelijk werden alle toestellen vernietigd en neergeschoten. Wildschut maakte drie vluchten, werd bij die laatste vlucht door Duitse vliegtuigen aangevallen en wist aan zijn belagers te ontsnappen door zeer laag te vliegen. Toen de Nederlandse militairen in april-mei 1943 werden opgeroepen om in krijgsgevangenschap te gaan, dook hij onder in Nieuwlande (Drente), waar hij Johannes Post leerde kennen. Vanaf juni 1943 voerde ze overvallen uit in Steen, Zweeloo, Oosterhesselen, Nieuweroord en Hollandscheveld, waarbij veel distributiebonnen en officiële papieren werden buitgemaakt. Daarna verplaatste het werkterrein zich naar Noord-Brabant, Zuid-Holland en Noord-Holland.

Hij was actief in Rijnsburg, het succesvolste bolwerk van het verzet bij het redden van joodse kinderen. In die groep speelde verzetsman Piet van Egmond een belangrijke rol. Bij deze Van Egmond was een driejarig joods meisje ondergebracht, Saartje Philipson genaamd, die door de SS werd getraceerd. Van Egmond was niet thuis toen de SS’ers het kind kwamen ophalen. Samen met Jan Wildschut en Marinus Post ging Piet van Egmond tot actie over, waarbij Saartje werd bevrijd maar Jan Wildschut zich gedwongen zag de nationaalsocialistische buurman en jodenjager Willem de Groot dood te schieten. De dag daarop ging Wildschut in Katwijk naar de rooms-katholieke kerk om de moord te biechten. Van Egmond wordt later opgepakt, maar zou de oorlog overleven. Hierna werd Wildschut de leider van de plaatselijke verzetsgroep. Met succes werden overvallen gepleegd op distributiekantoren en politieposten, onder ander van de Sicherheitspolizei.

Op 23 juni 1944 werd hij echter bij een mislukte overval op een distributiekantoor in Haarlem gearresteerd. Aan de overval, een opdracht die door Johannes Post was afgegeven, was ook Frits Conijn van de partij. Wildschut en een ander lid van de knokploeg lieten zich op 22 juni insluiten om de daarop volgende dag ’s morgens vroeg de deur voor de rest van de knokploeg open te kunnen doen. Door een ongelukkige samenloop van omstan-digheden stonden echter de andere dag een groep schoonmaaksters voor de deur, die dachten dat er werd ingebroken en onmiddellijk alarm sloegen. De knokploeg trachtte zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken, wat bij de meesten ook lukte. Wildschut lukte dat echter niet. Hij werd door de Duitsers opgepakt door toedoen van een NSB’er, die zijn fiets voor Wildschut gooide waardoor hij viel. Wildschut werd naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam gebracht, waar ook al andere verzetsstrijders zaten, waaronder Hendrik Dienske. Johannes Post werd hierover enkele dagen later op de hoogte gebracht. Zijn overval op het Huis van Bewaring had als belangrijkste reden zijn vriend Jan Wildschut te bevrijden. Deze overval mislukte echter; Post en zijn metgezellen werden opgepakt en vrijwel meteen gefusilleerd. Niet lang hierna is Jan Wildschut naar de bunker in Vught vervoerd en van daaruit in september 1944 werd hij naar Duitsland afgevoerd. Jan Wildschut overleed op 31 januari 1945 in Kamp Leonberg, een Aussenlager van concentratiekamp Natzweiler-Struthof. Het kamp was vanaf de lente van 1944 tot en met april 1945 in gebruik. Het was afgezet met prikkeldraad en wachttorens en de gevangenen moesten er zware lichamelijke arbeid verrichten voor de Presswerk Leonberg, een onderdeel van Messerschmitt AG, in Augsburg. Sanitaire voorzieningen waren er minimaal en er was sprake van voedseltekorten. Nadat het kamp in april was ontruimd omdat Franse troepen naderden, resteerde slechts een massagraf voor overleden gevangenen. De merendeel van de lokale bevolking had altijd geprobeerd het kamp te negeren voor de andere kant op te kijken als er weer eens een groep haveloze gevangenen passeerden; slechts een enkeling stak een helpende hand toe.  Wildschut werd ook in Leonberg begraven. 

Jan Wildschut was de enige cavalerist aan wie het Verzetskruis is toegekend. Zijn weduwe, mevrouw Wildschut-Hermse, ontving het Verzetskruis uit handen van H.M. Koningin Juliana in het Paleis op de Dam op 23 januari 1953. Op 13 januari 1985 werd Jan Wildschut de Medaille der Rechtvaardigen onder de Naties van Yad Vashem toegekend wegens zijn grote inzet bij het redden van joodse onderduikers. In ’s-Hertogenbosch, Rijnsburg, Gorkum en Best zijn straten naar hem genoemd.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: