DE FAMILIE STASTOK (14)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (27)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (1)

De knorrigheid, waarmee Pieter was te bed gegaan, was mij in ’t geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheel avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van Koosje, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen, zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te knopen. Verder was het mij niet moeilijk gevallen te ontdekken hoe de goedkeuring hem gehinderd had, die de schone verzen van Victor (hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen) bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof ik, heel veel voorgesteld; maar Koosje was vertrokken zoo als zij gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd, tenzij dan ‘hou je nog al van evenveeltjes?’ Hij had er op den duur ‘ingezeten’: hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder zoo hij uit zijn humeur geraakt was?
Ik wilde meer van dit alles hebben.
‘Goeden morgen, Pieter;’ riep ik, toen de keukenmeid den anderen morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof; ik kon genoeg van hem zien.
‘Goeden morgen, neef!’ zei hij, op den rand van zijn bed in gedachten zittende, en nog zonder bril.
‘Ik heb waarlijk van Koosje van Naslaan gedroomd!’
Pieter bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zoveel inspanning dat het lijken moest of hij alleen daarvan een kleur kreeg.
‘Zoo,’ zei Pieter.
‘Ja,’ zei ik, ‘’t is een heel mooi meisje.’
‘Vind je dat?’ vroeg Pieter, zijn tweede kous aantrekkende en naar de wastafel gaande. ‘Ja, ’t is een lief gezichtje; maar zoo heel mooi kan ik ze maar niet vinden.’
‘Niet?’ riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten.
‘Waaratje niet!’ zeide hij.
Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich ontegenzeggelijk.
‘Ik wou dat meisje wel wat nader leren kennen, Piet! Zou er geen kans op zijn, haar tussen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?’
‘Ik weet niet,’ antwoordde Pieter, de lampetkom óverschenkende; ‘ga haar een bezoek brengen.’
‘Dat gaat niet, jongen!’ zei ik; ‘maar weet je er niets anders op?’
‘Wel neen!’ sprak Pieter.
‘Ik dan wel!’ zei ik uit bed springende. ‘Zeg reis, Piet,’ ging ik hem sterk aanziende voort; ‘hoe komt het dat je je bril vergeten hebt? – Kijk, ’t is alledag heerlijk weer: we willen een roeischuitje huren, en we gaan Koosje en nog een andere dame van je kennis, liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen eens met ons te gaan varen.’
‘Varen?’ vroeg Piet op den toon der alleruiterste verbazing.
‘Wel ja; vàren; dat ’s om te praten en te minnekozen veel beter dan rijden. Of wou je niet minnekozen? Heidaar! jongen! waarom trek je je pantalon verkeerd aan?’
‘Och!’ zei Petrus, de knorrigheid van gisteren weer opvattende, ‘schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te worden.’
‘Jongen!’ zei ik, ‘dat versta je verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag maar of je niet wilt minnekozen?’
‘Minnekozen,’ hernam hij, met een schuinse blik vol gramschap, van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn – ‘minnekoos jij zelf!’
‘Met pleizier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet hebben. Ik ben te lelijk.’
‘Je kunt mooi genoeg praten – mijnheer!’ zei Pieter, met de tanden op elkaar en bevende van haat.
‘Ja!’ antwoordde ik lachende, ‘maar ik geloof toch wel dat jij beter kunt minnekozen!’
Er kwam geen antwoord. Pieter haastte zich schrikkelijk met kleden en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij veilig onder de vleugelen van zijne ouders een pijp te roken, als een Frans romanticus zeggen zou: ‘enveloppé de sa colère’.
Na den ontbijt ging hij in den tuin; ik volgde hem op de hielen.
‘Laat me gaan,’ riep hij met een gezicht als een oorwurm.
‘Neen,’ zei ik, mijn hand uitstekende; ‘je moet niet boos zijn, Piet! Wat drommel; is nu ’t woord minnekozen een woord om boos om te worden?
Als ik u was, ik zou veel bozer zijn over het woord Instituten.’
Pieter glimlachte pijnlijk.
‘Maar weetje wat! Ik zal van de hele zaak niet spreken; maar we gaan roeien man; we gaan roeien met de dames. Kan je roeien?’
‘Wel, ik denk ja!’ zei Pieter verwaand.
‘Wil je roeien?’
‘Ja wel.’
‘Wil je dames vragen?’
‘Zij zullen niet willen.’
‘Dat vraag ik niet. Wil jij? Hoor reis, Piet! Ik beloof je dat ik discreet zal zijn.’
‘Nu ja,’ zei hij, ‘ik wil wel.’

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: