JOAN SCHIMMELPENNINCK (54)

Jonkheer Joan Schimmelpenninck (Rhenen, 30 september 1887 – Leusderheide, Amersfoort, 29 juli 1943), binnen de vriendenkring Jaat genaamd, wasirecteur van hert Nederlandse kantoor van de Franse wijnfirma Mähler-Besse & Cie uit Bordeaux, die in Nederland twwe kantoren had, in Amsterdam aan de Prinsengracht en in Den haag aan de Anna Paulownastraat. Hij was een aangetrouwde neef van de luitenant-generaal b.d., oud-commandant Veldleger jonkheer W. Röell. Hij was goed ingevoerd in de hogere kringen in het Amsterdamse en Haagse wereldje. Voor de oorlog had Joan Schimmelpenninck nauwe contacten onderhouden met François van ’t Sant (Den Helder, 11 februari 1883 – Rotterdam, 3 juni 1966). Op 13 mei 1940 scheepte die zich in op hetzelfde schip als koningin Wilhelmina en stak over naar Londen. Zijn gezin bleef achter en zijn woning Huize Windekind werd later gevorderd door de Duitsers die er de Sicherheitsdienst onder brachten. In Londen werd Van ’t Sant raadsadviseur bij het ministerie van Justitie en hoofd van de Centrale Inlichtingsdienst (CID). Daarnaast bleef hij de particulier secretaris van de koningin. De opeenstapeling van functies leidde tot kritiek en op 14 augustus 1941 trad hij af als hoofd van de CID. Op aandringen van de koningin werd hij per 22 april 1942 benoemd tot hoofd van de afdeling Politie. In 1944 werd hij echter onder druk van Winston Churchill, Anthony Eden en Pieter Gerbrandy, die de hardnekkige geruchten rond Van ’t Sant omtrent het Englandspiel als een bezwaar gingen zien, door Wilhelmina ontslagen als haar secretaris. Na de oorlog keerde hij echter weer terug in als adviseur van Wilhelmina en Juliana. In de zomer van 1940, na de Nederlandse capitulatie, nam jhr. Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief tot het oprichten van een verzetsorganisatie, waarvan de leden werden gerekruteerd uit de kringen van adelborsten en cadetten. Deze beweging had twee doelstellingen. Ten eerste dacht zij dat de bezetting niet lang zou gaan duren en het moment van bevrijding zouden de geallieerden gesteund moeten worden en zou het ontstane machtsvacuüm tijdelijk moeten worden opgevuld ter voorkoming van wanorde. Deze gedachtegang lag geheel in lijn met die van de Ordedienst. De tweede doelstelling was het verzamelen van militaire inlichtingen voor de geallieerden. De inlichtingen moesten dus naar Engeland verstuurd worden, naar koningin Wilhelmina en waarschijnlijk via Van ’t Sant met wie Schimmelpenninck immers contacten had gehad. Beide mannen wisten dat ze elkaar konden vertrouwen, geen onbelangrijk gegeven.

Schimmelpenninck was een zakenman zonder enige politieke ervaring. Zoals velen in zijn omgeving wensten hij zich niet neer te leggen bij de Duitse bezetting, waarvan de gedachte was dat die niet al te lang zou duren en dat er bij de bevrijding een machtsvacuüm zou ontstaan, waarvoor een oplossing moest worden gezocht. Hij had enorm veel vertrouwen in de groep adelborsten en cadetten, waarvan de trouw aan het vaderland en koninklijk huis niet in twijfel hoefde te worden getrokken. Oppervlakkig kende hij een van die adelborsten, Kick Overhoff, omdat een broer van Schimmelpenninck in Den Dolder naast de grootouders van Overhoff woonde. Tijdens vakanties had hij in Den Dolder Overhoff leren kennen en aan het begin van de oorlog zocht hij hem op. Overhoff was penningmeester van de Contactcommissie Adelborsten, die in juli 1940 onder het voorzitterschap van Gerard A. Dogger was gevormd. Via Overhoff werd het contact gelegd tussen Schimmelpenninck en Dogger op het kantoor van de wijnfirma aan de Prinsengracht. Bij het gesprek in september 2940 vroeg Schimmelpenninck uniformen en wapens te verzamelen e veilig op te slaan. Als depot werd gekozen voor her huis van de familie Dinger in Den Haag. Op dat adres was namelijk een soort soos opgericht, waar de adelborsten elkaar konden treffen en verder was het het woonadres van de adelborst Otto van der Gronden. De familie Dinger introduceerde Schimmelpenninck bij de adjunct-inspecteur van de Haagse politie, Broer Moonen, die zich later zou ontwikkelen tot een sleutelfiguur binnen de Ordedienst. Moonen zou later bij hert Tweede OD-proces ook ter dood worden veroordeeld en op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd.

In Den Haag ontstond ook een zelfde informele groep van cadetten van de KMA te Breda. Tot de Haagse groep die de onderlinge contacten intact wilde houden behoorde onder meer de tweede-luitenants C. Navis en Johan Frederik Henri de Jonge Melly, de kornet Fritjof Dudok van Heel en de cadet Ton Abbenbroek. Tussen de groepen adelborsten en cadetten bestonden uitstekende contacten. De ongehuwde Schimmelpenninck had als schuilnaam ‘Oom Alexander’, dit naar aanleiding van de Alexanderstraat waaraan hij woonachtig was. Hij trachtte voor zijn verzetsgroep invloedrijke personen te winnen. Hij voerde daartoe gesprekken met Koos Vorrink en prof. dr. ir. J. Goudriaan, de op non-actief gestelde president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen. Over de militaire aspecten sprak hij met zijn aangetrouwde oom, jhr. W. Röell, commandant van de Ordedienst. Generaal Röell werd in oktober 1940 echter al door de Duitsers gearresteerd en als zogenaamde Indische gijzelaar naar het concentratiekamp Buchenwald afgevoerd. Door in het kamp een hartkwaal te simuleren, werd hij om medische redenen weer vrijgelaten en was Röell in februari 1941weer terug in Den Haag. Hij nam direct contact op met luitenant-kolonel Johan Westerveld om te informeren hoe ver deze in de tussentijd was gevorderd met de opbouw van de Ordedienst.

Schimmelpenninck had inmiddels de formatie ter hand genomen van een overgangsbewind dat bij de bevrijding de zaken in goede banen moest leiden, naar het voorbeeld van het driemanschap van 1813. Hij had daarvoor Röell en jhr. B.C. de Jonge, oud-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, al bereid gevonden. Toen er geen geschikte kandidaat voor de derde positie kon worden gevonden, naam Schimmelpenninck zelf deze plaats in, zeer tegen zijn ambities in. Eind 1940, begin 1941 raakte Schimmelpenninck steeds meer in het verzetswerk verwikkeld. Hij wist toen Gerard Dogger volledig in die activiteiten te betrekken; Dogger verhuisde er speciaal van Amsterdam naar Den Haag. Hij kreeg ook steeds intensievere contacten met de broers Johan en Willem van Hattem, de spil waren van een inlichtingengroepje dat nauw met de Ordedienst samenwerkte. De broers zouden in maart 1942 worden gearresteerd en werden op 20 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd. er was verder ook enige samenwerking met de verzetsgroepen Mekel en Schoemaker, de beiden verbonden waren aan de Technische Universiteit in Delft.

Door de nauwe onderlinge banden met die groeperingen en met de leiding van de Ordedienst ging de groep van Schimmelpenninck geruisloos in de Ordedienst op. Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd door Poos en Slagter, een berucht duo van de Haagse recherche. Hij werd gevangengezet in de gevangenis van Scheveningen. Tijdens de verhoren door de Sicherheitsdienst, waarbij tijdens de ondervragingen ‘gereglementeerd’ fysiek geweld gebruikt werd, heeft Schimmelpenninck geen woord losgelaten. Bijna een jar lang, tot 6 november 1942m, zat hij in eenzame opsluiting, ‘in strenge Einzelhaft ohne Begünstgung.’ Op 6 november 1942 werd hij op transport gesteld naar kamp Amersfoort. Op 18 januari 1943 kwam hij vanwege de ontruiming van kamp Amersfoort terecht in kamp Vught. Hij werd geregistreerd als Schutzhäftling 1988. Vanwege het Tweede OD-proces werd hij 11 maart 1943 overgeplaatst naar kamp Haaren. Op 27 april 1943 werd hij door de Wehrmachtjustiz ter dood veroordeeld. Toen hij aan het slot het word kreeg, vroeg hij samen met de OD-verbindingsofficieren Theo van Doorn, Ton Abbenbroek en Fritjof Dudok van Heel te worden gefusilleerd. Hij werd op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd, samen met zestien van zijn mede-verzetsstrijders.

Op 22 juni 1945 werd door rechercheurs van de Politieke Recherche Afdeling voor de provincie Utrecht o.l.v. Gerrit Kleinveld het massagraf blootgelegd waarin Schimmelpenninck begraven lag. Aan de hand van het signalement en de aangetroffen voorwerpen kon zijn lichaam worden geïdentificeerd. Joan Schimmelpenninck werd herbegraven op de gemeentelijke begraafplaats Rusthof te Amersfoort, Vak 12 Rij C en Nummer 141. Hij is postuum onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.

Dit item was geplaatst door Muis.
<span>%d</span> bloggers liken dit: