VALLEIKANAAL (1)

Queen Nzinga 1657Het Valleikanaal van ongeveer veertig kilometer lang stroomt in noordelijke richting door de Gelderse Vallei, een streek in Midden-Nederland die ruwweg voor twee derde deel in Gelderland en voor een derde deel in Utrecht (en een piepklein stukje in Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het gebied wordt begrensd door de Utrechtse Heuvelrug, de Nederrijn, de Veluwe en de Veluwerandmeren. Een daarvan is het Eemmeer, het deel waar de Eem in uitkomt. De Eem, vaak genoemd als de langste Nederlandse rivier omdat het de enige rivier is die in ons land ontspringt en uitmondt, begint in Amersfoort en mondde voorheen na achttien kilometer uit in de Zuiderzee, later het IJsselmeer en nu dus in het Eemmeer.

De Gelderse Vallei ligt voor twee derde in de provincie Gelderland, voor een derde in de provincie Utrecht en een heel klein stukje Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het kanaal heeft zijn naam ontleend aan het feit dat ze door deze Gelderse Vallei stroomt. Op een aantal plaatsen vormt het de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. Het kanaal begint aan de Nederrijn bij Rhenen, aan de voert van de Grebbeberg en mondt in Amersfoort uit in de Eem. Het doel van het kanaal was te zorgen voor een goede afwatering van de Gelderse Vallei en dus het voorkomen van wateroverlast voor de bewoners van de plaatsen waar het kanaal doorheen loopt: Rhenen, Wageningen, Veenendaal, Overberg, Scherpenzeel, Woudenberg, Leusden en Amersfoort.

Valleikanaal - Aanleg 3Grote delen van het kanaal bestonden al heel lang. Tussen Rhenen en Veenendaal werd in 1473-1481 onder leiding van Bisschop David van Bourgondië voor de turfwinning in de zogenaamde Rhenense of Stichtse Venen een afwateringskanaal gegraven dat de naam Bisschop Davidsgrift had, maar gebruikelijk kortaf Grift werd genoemd. Nadien veranderde de loop van dit kanaal steeds door de voortdurende afgraving van het hoogveen tussen Veenendaal en Woudenberg. Met de aanleg van het Valleikanaal wordt de Grift gevolgd tot aan het Stadspark in Veenendaal, waar deze overgaat in het Omleidingskanaal. Buiten Veenendaal volgt het Valleikanaal de loop van de Broekersloot, parallel aan de A12, en ten westen van Scherpenzeel (ter hoogte van Woudenberg) volgt het kanaal een gedeelte van de Lunterse Beek tot het landgoed De Boom. Vanaf de Lunterse Beek bij de Bruinenburgersluis moest tot aan de Moorsterbeek een nieuw stuk kanaal worden gegraven, naar de Moorsterbeek ten oosten van Leusden en ten noorden van Leusden de Modderbeek. Ook ten noordoosten van Amersfoort tussen de Barneveldse Beek en de Eem moest een nieuw stuk kanaal worden gegraven. Uiteindelijk komt het Valleikanaal via Amersfoort uit in de Eem.

Het kanaal is overigens alleen bevaarbaar voor kano’s en roeiboten, niet onlogisch dat het voor de scheepvaart niet geschikt is gezien de vaak heftige bochten in het kanaal. Bovendien zijn er om het waterpeil te kunnen regelen zeven stuwen gebouwd (Grebbesluis (Rhenen), Veenkampen (Wageningen), De Groep Scherpenzeel), Pothbrug en Roffelaar (beiden Woudenberg), Asschat (Leusden) en Balladelaan (Amersfoort). Als zwemwater is het kanaal ook uitermate ongeschikt, want er is veel vervuild slib onder meer vanwege het via het riool lozen van ongezuiverd proces- en afvalwater vanuit de industrie in Veenendaal. Ook op andere plaatsen is tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw ongezuiverd afvalwater geloosd op het Valleikanaal.

Door de aanleg van het Valleikanaal werd de waterhuishouding binnen de Gelderse Vallei sterk verbeterd. Tot in de jaren dertig stonden de weilanden in Hamersveld en Asschat bijna elke winter onder water. Het water van verschillende beken moest namelijk via de stadsgrachten van Amersfoort naar de Eem worden afgevoerd. Dit gaf regelmatig problemen als bij noordwesterstorm het zuiderzeewater de Eem werd opgestuwd.

In de periode 1821-1825 werd de Keulse Vaart aangelegd, een kanaal dat Amsterdam via Utrecht verbond met de Lek bij Vreeswijk. Dat sloot aan op het Zederikkanaal tussen de Lek bij Vianen en de Boven-Merwede bij Gorinchem. Voor het kanaal werd voornamelijk gebruikgemaakt van bestaande waterwegen, namelijk achtereenvolgens de Amstel, Weespertrekvaart, Gaasp, Smal Weesp, Vecht en Reevaart, de Utrechtse Stadsbuitengracht en de Vaartsche Rijn. Deze wateren werden verbreed en verdiept en er kwamen verbeterde schutsluizen en beweegbare bruggen. Al snel voldeed de Keulse Vaart niet meer en werden een ander plan opgezet om Amsterdam met de grote rivieren te verbinden. In 1892 werd de Keulse Vaart deel van Merwedekanaal., de verbinding in Utrecht van het Amsterdam-Rijnkanaal met de Boven-Merwede ten zuiden van Gorinchem om daarmee de verbinding met Duitsland verder te verbeteren. In 1919 werd ook gekeken naar een plan van de kanaalvereniging ‘De Gelderse Vallei’ voor Valleikanaal - Aanleg 4een scheepvaartkanaal door de Gelderse Vallei, die een kortere route zou betekenen en ook de waterafvoer in de Vallei zou verbeteren. In 1855 was de noodzaak hiervan duidelijk gebleken toen een doorbraak van de Grebbedijk grote delen van de Vallei onder water zette. Het Gelderse voorstel liep op niets uit, want in 1931 werd gekozen voor een verbetering van de bestaande verbinding en viel het besluit tot aanleg van het Amsterdam Rijn-kanaal.

De Commissie voor de Gelderse Vallei bleef echter nog jarenlang ijveren voor een kanaal met functies voor de scheepvaart en de afwatering. Tevergeefs, want in 1934 kozen Gelderland en Utrecht voor een afwateringskanaal. Vanwege de economische crisis werd besloten het Valleikanaal te realiseren. Met de aanleg werd in 1935 begonnen. Om zoveel mogelijk werklozen voor het behoud van hun uitkering te laten ploeteren, moest ket kanaal met de schep worden gegraven. Een uitgangspunt dat ook bij veel andere werkverschaffingsprojecten in het land werd aangehouden. Langs de spoorlijn naar Kesteren werden provisorische perronnetjes aangelegd om de werklui uit de grote steden naar het werk te brengen. Ingenieur A.F.C. Nieuwenhuyzen uit Amersfoort, die de leiding over de werkzaamheden had, vertelde later vooral aan de Amsterdammers goede herinneringen te hebben. Die waren spontaan en humoristisch, maar konden ook in tranen uitbarsten. Een aantal Hagenaars wilden thuis niet laten merken voor wat voor werk ze werden ingezet en kwamen in hun nette pak met de aktetas in de hand aan; ze kleedden zich hier om. Voor degenen die het zware werk echt niet aankonden regelde Nieuwenhuyzen administratief werk, zoals het invullen van alle loonstaten.

Behalve voor de afwatering had het kanaal ook als nevenfunctie te zorgen voor een versterking van de Grebbelinie en vanwege de oorlogsdreiging werd dan ook haast met het werk gemaakt. De militairen zagen namelijk de strategische voordelen, want het Valleikanaal kon worden gebruikt als tankgracht en het land kon gemakkelijk worden geïnundeerd. Daarom werden steeds meer mensen ingezet, tot wel 1.400 man die nu ook machines mochten gebruiken. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het kanaal nog niet klaar, maar het was al wel mogelijk het land bij Asschat onder water te zetten. In 1941 kwam ook het kanaalgedeelte tussen Bruinenburg en de Eem klaar en was het project afgerond.

In de Tweede Wereldoorlog was echter gebleken dat de Grebbelinie niet langer voldeed; ze werd in 1951 opgeheven. Dankzij de verbeterde afwatering was het gebied nu geschikt voor woningbouw en weldra verschenen er nieuwe woonwijken. Het Valleikanaal is, net als de dijken en de aarden verdedigingswerken van de Grebbelinie, nu onderdeel van een ecologische structuur geworden.

Valleikanaal - Aanleg

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: