DE WANDSCHILDERINGEN VAN MARIE HUBRECHT
Maria Hubrecht (Rotterdam, 21 november 1865 – Doorn, 8 juni 1950) was een schilder, wandschilder, tekenaar, etser en vervaardiger van houtsneden. Ze was een dochter van mr. Paul François Hubrecht (1829-1902), een secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en Staatsraad, en een zus van de schilderes Bramine Hubrecht. Maria kreeg maar een fragmentarische schilderopleiding, volgde lessen in Den Haag en Parijs en realiseerde een bescheiden oeuvre. Er werd over haar gezegd dat ze een dame in stijl was, maar ook een dame met ballen. Een vrouw uit gegoede kring, een amateurkunstenares want zonder kunstopleiding. Als ongetrouwde vrouw uit een rijke patriciërsfamilie verkeerde ze in kringen van wetenschappers en politici. Voor een vriendin in Oslo schilde ze in een klaslokaal ‘Het Paradijs’en toen de kinderen haar na de onthulling van de wandschildering huilend van ontroering in de armen waren gevlogen, nam ze het besluit om voor de jeugd ‘Het Ontstaan van de Wereld’ te gaan schilderen. Binnen haar werk bleef dat onderwijsaspect overheersend. Ze wilde jongeren via haar werk iets bijbrengen over het ontstaan van de wereld. Belangrijk hierbij zijn de wandschilderingen die ze in de jaren 1925 en 1926 maakte voor het toenmalige Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes, dat in 1925 van start ging aan de Reijnier Vinkeleskade in Amsterdam. Op dat moment was het voor meisjes zeer moeilijk een opleiding te volgen die gelijkwaardig was aan die voor meisjes. Er was wel een middelbare school voor meisjes, maar ondanks de steeds sterkere vraag was er nog geen school die toegang gaf tot de universiteit. Op het Gemeentelijk Lyceum konden meisjes onderwijs volgen dat voor een deel gelijk was aan de vakken die jongens op de HBS kregen, aangevuld met vakken die gericht waren op de ‘vrouwelijke vorming’.
Na de oorlog werden de mogelijkheden voor meisjes om onderwijs te volgen dat geheel gelijkwaardig aan dat van jongens. Ook werd de toegang tot universitair onderwijs zeer snel beter. De grondslag voor het Gemeentelijk Lyceum was daarmee weggevallen. Sinds 1984 heet het voormalige lyceum het Joke Smit College, met nog steeds een emanciperend onderwijsdoel door zich te richten op vrouwen die door ‘huwelijk en moederschap’ met een opleiding waren gestopt en nu alsnog een diploma wilden halen. Toen dit doel een decennium later ook wegviel, is het Joke Smit College een opleidingsinstituut geworden voor voortgezet algemeen onderwijs voor volwassenen.
Bij de oprichting van de school kreeg Marie Hubrecht de opdracht om op doek acht episoden uit de oertijd af te beelden: Cambrium, Siluur, Devoon, Carboon, Perm, Trias, Jura en Krijt. Op jaar zestigste dook ze weer in de boeken over de oertijd, met haar geologische tijdvakken tot meer dan 500 miljoen jaar geleden. Perioden die begonnen met alleen maar leven in zee van fossielen, sponzen, zeelelies en kwallen en pas veel later vissen en planten en weer later dinosaurussen en de eerste zoogdieren. In de periode 1926-1928 werden de wandschilderingen op totaal 65 m² doek door haar vervaardigd. Bij de opening van de school in 1926 waren de eerste daarvan al in de hal te bewonderen. De wandschilderingen, geschilderd op linnen en opgespannen op lattenramen, verbeelden het leven van planten en dieren uit de oertijd en bestrijken de geologische tijdperken van het Cambrium ( 542 tot 488 miljoen jaar geleden) tot aan het Krijt (145 tot 65 miljoen jaar geleden). De schilderingen hebben door de stilistische bruine kaders een typische twintigerjarenlook, maar de schilderstijl kent expressionistische elementen, maar over het algemeen meer educatieve schoolplaten dan daadwerkelijke schilderkunst. Biologen en paleontologen lieten weten dat Maria Hubrecht, slechts op basis van door haar bestudeerde boeken, aardig had weergegeven hoe de oertijd eruit moet hebben gezien. Binnen kunstkringen, waar expressionisme en kubisme de boventoon voerde, vielen de schilderingen van de amateur-schilderes amper op. Zie hier voor de acht wandschilderingen en de gedetailleerde weergave.
In de loop van de jaren waren de schilderingen ernstig beschadigd geraakt. In 2014 organiseerde het Joke Smit College een crowdfundingactie om de wandschildering te kunnen laten repareren en ook toekomstige generaties leerlingen laten profiteren van de educatieve waarde van het werk van Maria Hubrecht. De restauratie onder leiding van Astrid van den Berg kon in 2017 worden afgerond met een officiële opening door Hedy d’Ancona. Zie hier voor het uitnemen van de schildering van Jura/Krijt en van het weer op zijn plek hangen van Carboon.
Nadat Hubrecht de wandschildering had voltooid, werkte zij aan de publicatie van een boek over het onderwerp, wat een grootse internationale uitgave diende te worden. Dat ambitieniveau schrok zoveel uitgevers af, dat het boek Verdwenen Werelden pas in 1947 zou verschijnen. Daarover schreef de amateur-geoloog Pieter van der Lijn de volgende recensie: ‘Dit werk van twintig jaren studie, tekenen en schilderen, is ongetwijfeld het mooiste, dat we op palaeontologisch gebied bezitten. Goed gefundeerd door de jarenlange studie in de musea en aquaria van Londen, Parijs, Napels, Brussel, Stockholm, Amsterdam, enz.; profiterend van de voorlichting van bekende specialisten op palaeontologisch gebied, gebruik makend van reconstructies elders, ook steeds voeling houdend met de Nederlandse adviseurs, heeft de schrijfster en schilderes een documentatie geleverd van de verschillende perioden der dierenwereld, die zo nauwkeurig mogelijk is naar de vorm, en door vergelijkende studie met de tegenwoordige dieren, ook naar de kleur. Waar de anatomische details niet apart zijn betracht, zoals in Von Zittel e.a. leerboeken, kan dit werk niet als academisch studieboek worden beschouwd. Het heeft ook niet die pretentie, Marie Hubrecht wilde niet alles verklaren en opsommen zoals in een geleerd betoog, maar zij trachtte ,,verdwenen werelden” op te roepen, eenheden van vroeger tijden te herscheppen en vooral belangstelling te wekken voor het grootse mysterie van de oertijd. En deze belangstelling is er dadelijk, ook bij niet-ingewijden, zij gaat onder het bekijken der platen spoedig in bewondering over, wat a priori niet anders kan: de meeste composities zijn kleurige kunstwerken, waarbij we vanzelve stil worden en die het verlangen oproepen, ze in een lijst op te hangen. Uitvoerig en raak van tekening, harmoniërend van kleur, doen sommige denken aan Japanse schildertrant, aan de mozaïek van sommige Oosterse tapijten, of aan Balikunst op z’n best. Vooral de platen van het steenkolenbos en de vluchtende iguanodonten zijn in deze opmerkelijk, maar vele andere zijn eveneens van boeiende schoonheid. Voegen we hier nog bij, dat de tekst door de uitgevers typografisch keurig is verzorgd, met aangename grote letter is gedrukt, en elk hoofdstuk door fraaie typerende gestyleerde gidsfossielen als vignetten in zwartwit is verlucht, dan komen we tot de slotsom, dat dit boek is een prachtwerk, een schitterend geschenk van onze Hollandse kunstenares, waarop we trots mogen zijn en dat we in veler handen wensen.

