De Leidse universiteit heeft haar ontstaan in 1575 te danken aan het verzet tegen de Spanjaarden. Noblesse oblige: het is dan ook niet verwonderlijk dat op 27 november 1940, nog in het eerste jaar van de Duitse bezetting van Nederland, de Leidse universiteit door een Duitse strafmaatregel gesloten werd. Dat ging als volgt.
Op 21 november 1940 kregen Nederlandse universiteiten ten departemente te horen dat al het joodse universitaire personeel ontslagen moest worden. Een dag later vergaderde de Leidse rechtenfaculteit over de kwestie en nam een moedig besluit. De decaan, prof. mr. R.P. Cleveringa, hield dinsdagmorgen 26 november 1940 een indrukwekkende toespraak waarin hij de ontslagmaatregel veroordeelde en zijn joodse collega prof. mr. E.M. Meijers verdedigde. Een dag later sloten de Duitsers de Leidse universiteit en zetten Cleveringa gevangen. Wie de roman Soldaat van Oranje van Erik Hazelhoff Roelfzema leest, of de gelijknamige film van de oud-Leidse wiskundestudent Paul Verhoeven ziet, herkent de scene bij het Leidse Academiegebouw ongetwijfeld.
(meer…)
Vital Dreyfus (Besancon, 2 0ktober 1901 -Pyreneeën, december 1942) was een Franse huisarts, die ten tijde van de oorlog aan de Boulevard Malesherbes 147 te Parijs woonde met vrouw en twee kinderen. Dreyfus was een goede vriend van Jean Weidner (Brussel, 22 oktober 1912 – Monterey Park, Californië, 21 mei 1994), een vooraanstaande Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereld-oorlog. Deze Weidner groeide op in Zwitserland, net over de Franse grens bij Collonges-sous-Salève (Haute-Savoie) doceerde zijn vader Latijn en Grieks aan het Kerkgenootschap der Zevendedags Adventisten. Zijn vader hoopte dat Jean hem zou volgen in zijn voetsporen, maar hij besloot het bedrijfsleven in te gaan en opende in 1935 een import/export textielzaak in Parijs. Rond deze tijd woonde hij in Genève vergaderingen bij van de Volkerenbond en was getuige hoe ineffectief dit apparaat was bij het voorkomen van het uitbreken van de oorlog in 1939. Tijdens de bezetting van Frankrijk door Duitsland vluchtte hij met een aantal anderen van Parijs naar Lyon in het onbezette deel van Frankrijk. Omdat hij zijn Parijse textielzaak in de steek had moeten laten, begon hij in Lyon een nieuwe textielzaak.
In 1941 richtte Jean “Dutch-Paris” op, waarvan de Lyonse textielzaak al gauw het hoofdkwartier werd. Om aan passen te komen om het Zwitserse grensgebied in en uit te gaan, zette hij aan het eind van 1942 een tweede textielwinkel op in Annecy. Dutch-Paris groeide uit tot één van de belangrijkste en meest succesvolle ondergrondse netwerken om gezochten voor geloof en ras, geallieerde piloten en personen van groot Nederlands belang te helpen ontsnappen via Zwitserland en Spanje. Deze ontsnappingsroute werd ook gebruikt voor de smokkel van documenten. (meer…)
Florence Nightingale
Brits Verpleegkundige en sociaal hervormster
Florence, 12 mei 1820 – Londen, 13 augustus 1910
DE ENGEL VAN DE SOLDATEN
Velen van ons hebben bij Dickens gelezen over “zuster” Sairey Gamp, die een glaasje nam “wanneer ze daarvoor in de stemming was”. Maar we weten niet allemaal dat minder dan een eeuw geleden Sairey Gamp, de domme, dronken, liederlijke verpleegster, echt en veelvuldig voorkwam. Omstreeks 1870 waren er zo heel wat in het Bellevue-ziekenhuis te New York. In die tijd, vertelt een vooraanstaande arts, “werden de zieken in Bellevue gedeeltelijk verpleegd door drankzuchtige prostituees, die de keus kregen tussen gevangenisstraf of werken in een ziekenhuis. Vaak trof men ze slapend aan onder het bed van een overleden patiënt, van wie zij de drank hadden gestolen.”
Wij die zonder aarzelen ons leven toevertrouwen aan de goede verzorging in onze ziekenhuizen, kunnen ons dergelijke toestanden haast niet voorstellen. Maar toch was dat omstreeks 1850 de betreurenswaardige praktijk van de ziekenverpleging, niet alleen in Amerika maar ook in Engeland, waar Florence Nightingale — de latere heldin van de Krimoorlog — voor haar toekomst streed. Alle verpleegsters waren “zonder uitzondering aan de drank verslaafd; er zijn daar maar twee bij wie de arts erop aan kan, dat ze de patiënten de voorgeschreven medicijnen geven” — zo beschrijft een medicus de toestand in een Londens ziekenhuis. (meer…)
Jules Verne
Frans schrijver
8 februari 1828 – 24 maart 1905
HIJ VOORZAG DE WONDEREN VAN ONZE EEUW
Rond 1880 diende een forse man met een rossige baard zich aan bij het Franse ministerie van onderwijs. De portier keek op het kaartje en zijn gezicht verhelderde. Hij schoof een stoel bij en zei: “Neemt u plaats, meneer Verne. U zult wel moe zijn van al dat reizen.”
Jules Verne, de schrijver, had uitgeput moeten zijn. Hij had vele malen de reis om de wereld gemaakt — eenmaal in tachtig dagen. Hij had twintigduizend mijlen onder zee gevaren, was naar de maan gereisd en had het middelpunt van de aarde onderzocht. Hij had met kannibalen in Afrika en met Indianen aan de Orinoco gepraat. Er waren maar heel weinig plekjes op aarde die Jules Verne, de schrijver, niet had bezocht. Maar Jules Verne, de mens, was een thuisblijver. Zo hij al moe was, kwam het enkel door schrijfkramp. Veertig jaar lang zat hij in een kamertje in de bakstenen toren van zijn huis in Amiens en schreef jaar in, jaar uit twee boeken per jaar.
Verne had in sterke mate de gave komende dingen vooruit te zien. Hij liet de televisie werken nog eer de radio was uitgevonden; hij noemde ze fonotelefoto. Hij had helikopters een halve eeuw voor de eerste vlucht van de gebroeders Wright. Bijna alle wonderen van de twintigste eeuw heeft deze man uit het Victoriaanse tijdvak vooruitgezien: duikboten, vliegtuigen, neonlampen, roltrappen, luchtbehandeling, wolkenkrabbers, raketten, tanks. Hij was de vader van de toekomstroman die nu science fiction heet. Verne schreef over de wonderen van de toekomst met zoveel nauwkeurige, onbetwistbare bijzonderheden, dat geleerde genootschappen over hem discussieerden en wiskundigen weken eraan besteedden om zijn cijfers te controleren. Toen zijn boek over een reis naar de maan was verschenen, meldden vijfhonderd mensen zich aan als vrijwilliger voor de volgende expeditie. (meer…)
Frits Rudolf Ruys (Rotterdam, 23 december 1917 – aldaar, 3 november 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.Tijdens de meidagen van 1940 vocht hij als vaandrig bij het Tweede Regiment Wielrijders op het Eiland van Dordrecht. Met grote moed probeerde hij op 11 mei 1940 de verkeersbrug over de Noord bij Alblasserdam over te trekken om zo een doorgang voor het Nederlandse leger te forceren. Vijandelijk vuur dwong hem zijn pogingen te staken. Ook tijdens het luchtbombardement op Alblasserdam op dezelfde dag trad hij heel koelbloedig op.
Ruys (die werkte onder de schuilnamen Ruud, Mackaaij en Ravenswaag) was student economie te Rotterdam. Hij was al vroeg betrokken bij het verzet. op verdenking van illegale activiteiten zat hij van 11 november 1942 tot 18 februari 1943 gevangen in het Oranjehotel en later in Vught. Na zijn vrijlating zette hij zijn werk echter weer direct voort. Hij was actief in het verzet als lid van de Knokploeg Rotterdam Centrum, de ploeg van Marinus van der Stoep. Bovendien was hij werkzaam bij de L.O. (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) in zowel Den Haag als Rotterdam. (meer…)
Fridtjof Hansen
Noors ontdekkingsreiziger
10 oktober 1861 – 13 mei 1930
DE REUS DIE MILJOENEN LEVENS REDDE
Buiten Noorwegen is Fridtjof Nansen bijna vergeten. Ten onrechte. Hij was een der reuzen van zijn tijd. Hij was een poolvorser wiens expeditie werd geprezen als “het grootste wapenfeit van de negentiende-eeuwse mens”. En in de twintigste eeuw verrichtte hij een der grootste daden van menslievendheid die de wereld ooit gekend heeft: door zijn inspanningen werden miljoenen als gevolg van de oorlog van huis en haard verdreven vluchtelingen gered en werden hele volkeren naar elders overgebracht. Toen hij in 1930 stierf werd van hem gezegd dat hij meer mensenlevens had gered en het bestaan voor meer mensen draaglijk had gemaakt dan enig ander in de geschiedenis.
Hij blonk zijn leven lang uit, zelfs in fysiek opzicht. Hij was 1 meter 88 lang, had blond haar en blauwe ogen, was zo sterk als een paard en deed denken aan een Viking-god uit de oudheid. Hij had een hartstocht voor de wildernis en voor de ongereptheid van eenzame plaatsen, en hij had een hekel aan steden — “waar de mensen net zo lang tegen elkaar aan wrijven tot zij stuk voor stuk ronde, gladde nummers zijn geworden.”
Zijn jeugd bracht hij door op een boerderij aan de rand van het prachtige Nordmarka-woud. Zijn vader, een welvarende advocaat uit Oslo, stond hem toe wekenlang alleen in dat woud rond te zwerven en de met bomen bedekte bergen daarachter te doorvorsen. Hij leerde dat het beter is weinig te verlangen dan veel te verdienen. Terwijl hij hier eindeloos dieren en planten verzamelde en classificeerde werd Fridtjofs interesse in de natuurwetenschappen en in de exploratie van het onbekende gewekt – een speurzin die hem tot een groot zoöloog en oceanograaf zou maken. Later, toen hij in Bergen — de bakermat van de Noorse wereldscheepvaart — aan zijn doctoraal werkte, vernam hij dat er grote behoefte bestond aan nauwkeurige weervoorspellingen in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan. Deze wetenschap kon uitsluitend worden verkregen door het vrijwel ontoegankelijke binnenland van Groenland in kaart te brengen. Zo begon Nansens eerste grote avontuur.
(meer…)
Arthur Meerwaldt (Amsterdam, 23 oktober 1918 – Escherhausen, 8 januari 1945) was een Nederlandse advocaat, griffier en journalist-verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij was de hoofdbeklaagde in het Tweede Parool-proces (juli/augustus 1944), waarin hij tot vijftien jaar tuchthuisstraf werd veroordeeld, nadat aanvankelijk de doodstraf was geëist. Hij ontving postuum Het Verzetskruis 1940-1945, op de Militaire Willems-Orde na de hoogste Nederlandse onderscheiding voor personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief waren in het verzet.
Meerwaldt was zoon van de jong overleden Willem Meerwaldt – directeur van De Curaçaose Handelsmaatschappij (Curacoa Trading Company; CETECO) – en Alice Bourquin, dochter van een Zwitser die leraar Frans werd aan het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium en de MO-opleiding voor die taal ontwikkelde. Zijn oom Jan Meerwaldt was een vooraanstaand classicus en eveneens leraar op het Barlaeus Gymnasium. Omdat hij als kind vaak viel, kreeg hij de bijnaam Boems. Vrienden prezen zijn intellect, humor en inspirerende persoonlijkheid. Hijzelf dacht dat zijn enigszins zorgeloze en lichtvaardige aard bijdroegen aan zijn latere arrestatie. Na zijn eindexamen aan het Barlaeus Gymnasium in 1937 studeerde hij rechten in Amsterdam en Utrecht, waar naartoe hij overstapte en in 1942 afstudeerde, omdat hij de Amsterdamse hoogleraren te slap vond in hun opstelling tegenover de bezetter. Na zijn studie werd hij advocaat en griffier bij de Amsterdamse rechtbank. Hij publiceerde o.a. in de verzetsbladen De Toekomst, De Geus en Het Parool, waarvan hij hoofdverspreider werd in Amsterdam. Bij hem thuis werden redactievergaderingen gehouden.
(meer…)
Jan Jozua Barendsen (Amsterdam, 11 september 1892 – Apeldoorn, 2 oktober 1944) was een Nederlandse militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, Ridder in de Militaire Willems-Orde vierde Klasse en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Barendsen werd als luitenant benoemd tot Ridder in de Militaire Willems-Orde vierde Klasse voor krijgsverrichtingen te Soemba in het voormalige Nederlands-Indië. Op 16 september 1927 werd hij als luitenant-kolonel benoemd tot commandant van het Korps Koloniale Reserve te Nijmegen en maakte hij in 1931 het 40 jarig bestaan van het korps mee. Hij droeg het korpscommando over aan Majoor J.P. Wissema.
Terug in Nederland ging hij wonen in Beekbergen en raakte hij in de oorlog betrokken bij het verzet.Na de capitulatie kwam hij namelijk in contact met kolonel R. Boomsma, die tijdens de meidagen van 1940 groepscommandant van het Oostfront Vesting Holland was geweest en daarna lid van de Ordediest (OD) was geworden. Ook werkte hij samen met luitenant-kolonel jhr. J.J. Teding van Berkhout.Op 8 augustus 1942 werd hij door de bezetter als gijzelaar opgesloten in het kamp Sint-Michielsgestel, maar hij kwam op 15 december 1942 weer vrij, waarna hij commandant werd van het gewest 6 van de Ordedienst.Zijn rustige en vastberaden leiding maakte grote indruk op zijn medewerkers. Later, in 1943-1944, stond hij in nauw contact met de KP (een afkorting van Knokploegen) en Raad van Verzet (RVV) in Apeldoorn.
Op 29 september 1944 riep de Duitse Ortskommandant van Apeldoorn 4.000 Nederlandse burgers op voor het verrichten van graafwerkzaamheden om militaire versterkingen langs de IJssel aan te leggen. Er kwamen slechts 36 mensen opdagen, waarna werd besloten een aantal verzetslieden als afschrikwekkend voorbeeld te executeren. Op 30 september 1944 werden Barendsen en veertien collega’s van hem opgepakt. Acht, waaronder Barendsen werden op 2 oktober 1944 naar het terrein van het daarvoor ontruimde Joodse Krankzinnigengesticht “Het Apeldoornse Bos” gebracht en daar gefusilleerd: W.J. Aalders, J.J. Barendsen, R. van Gerrevink, K. Ingram (een geallieerd piloot), W. Karreman, J. Schut, D.H. Wijma en B. Zutcher (een tweede geallieerd piloot). Volgens een lid van de Sicherheitsdienst stond Barendsen onverschrokken voor het vuurpeloton, knoopte zijn jas open en begon het Wilhelmus te zingen, wat door de anderen werd overgenomen.
Jan Jozua Barendsen werd begraven op de Algemene Begraafplaats in Beekbergen; grafnummer 246. Hij werd na de oorlog postuum onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.
Het Verzetskruis is een Nederlandse onderscheiding, die bedoeld is voor personen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bezighielden met verzet tegen de Duitse of Japanse bezetter. Het Verzetskruis dient niet verward te worden met het in 1980 ingestelde Verzetsherdenkingskruis. Het Verzetskruis (voluit: Verzetskruis 1940-1945) is op 3 mei 1946 bij Koninklijk Besluit ingesteld, “ter erkenning van bijzondere moed en beleid aan den dag gelegd bij het Verzet tegen de Vijanden van de Nederlandse zaak en voor behoud van de geestelijke vrijheid”. De onderscheiding meestal aan Nederlanders, maar ook aan enkele Belgen en Fransen. In totaal werd de onderscheiding 95 keer verleend, namelijk aan 94 personen en eenmaal aan een (nooit gebouwd) monument. De enige die het Verzetskruis bij leven ontving was Gerard Tieman, alle 93 andere onderscheidingen werden postuum verleend. De komende tijd gaan we alle 95 onderscheidingen de revue laten passeren.
Het Nederlandse verzet was in 1945 wars van onderscheidingen. In brede kring meende men dat men zich niet uit ijdelheid had ingezet en dat het, omdat verzet tijdens de oorlog levensgevaarlijk was geweest, ondoenlijk of onwenselijk was om tussen verzetsstrijders onderling verschil te maken. Desondanks werd een groot aantal Nederlanders gedecoreerd met de Britse King’s Medal for Courage in the Cause of Freedom, het George Cross en de Amerikaanse Medal of Freedom, voor hun bijdrage aan de overwinning of voor daden als het verbergen van bemanningsleden van boven Nederland neergeschoten geallieerde vliegtuigen.
Na de oorlog bestond het idee dat het verzet een rol zou moeten spelen in het Nederlandse bestuur. Koningin Wilhelmina sprak over de verzetsstrijders als “de nieuwe adel” – de oude elite had in haar optiek afgedaan. De vraag rees of naast al bestaande Nederlandse militaire onderscheidingen (zoals de Militaire Willems-Orde en de Bronzen Leeuw) ook een civiele onderscheiding voor verzetsstrijders moest worden ingesteld. De regering vroeg advies aan een commissie, de Raad voor Onderscheiding en Eerbetoon, die op haar beurt weer advies inwon bij de Grote Adviescommissie der Illegaliteit en de Binnenlandse Strijdkrachten. Ondertussen werd op 28 november 1945 al aan de Rijksmunt de opdracht gegeven een nieuwe onderscheiding te laten ontwerpen. De vraag van de regering werd door een bepaalde stroming (o.a. de LO-LKP) binnen het verzet negatief, maar door de Binnenlandse Strijdkrachten positief beantwoord. De regering was, evenals Koningin Wilhelmina, voorstander van een civiele verzetsonderscheiding en besloot tot een compromis: het Verzetskruis zou alleen postuum worden verleend. Desondanks zou de onderscheiding in 1946 nog bij zijn leven worden toegekend aan Gerard Tieman. Latere voordrachten om het Verzetskruis aan een nog levende persoon te verlenen werden afgewezen. Omdat het Verzetskruis werd geacht in belang direct te volgen op de Militaire Willems-Orde, werden voor de verlening zeer hoge maatstaven gesteld. De daarbij gevolgde procedures en gemaakte afwegingen zijn echter nooit bekend geworden.
(meer…)