MET VEEL BERICHTEN OVER DE PERIODE 1795-1945, MAAR OOK ALLERLEI ZAKEN NA 1945 DIE ME TOEVALLIG INTERESSEREN

..
Aurich, das Urwaldkrankenhaus, © Frans van den Muijsenberg, 9 mei 2025.

..
Windmolens in de omgeving van Dornumersiel, © Frans van den Muijsenberg, 9 mei 2025.

..
De haven van Dornumersiel, © Frans van den Muijsenberg, 9 mei 2025.

..
De haven van Dornumersiel, © Frans van den Muijsenberg, 9 mei 2025.

..
Marienhafe, die Mariakirche, © Frans van den Muijsenberg, 9 mei 2025.

..
Greetsiel, Pilsumer Leuchtturm, © Frans van den Muijsenberg, 9 mei 2025.

..
Engerhafe, het voormalige concentratiekamp, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Engerhafe, het voormalige concentratiekamp, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Engerhafe, het voormalige concentratiekamp, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Engerhafe, het voormalige concentratiekamp, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Engerhafe, het voormalige concentratiekamp, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, brug in de omgeving van het grote oorlogsmonument, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, grote oorlogsmonument, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, monument op de Synagogenplatz, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, monument op de Synagogenplatz, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, beelden Athena und Bellona bij de oude stadspoort en het oorlogsmonument, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, das Moorbauernpaar, beeldhouwwerk in de binnenstad, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, graffiti in de binnenstad, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, de Sous Turm in de binnenstad, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, terrasje in de binnenstad, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, de Lambertikirche, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, de Lambertikirche, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, de Lambertikirche, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, Stolpersteine in de binnenstad, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, Stolpersteine in de binnenstad, © Frans van den Muijsenberg, 8 mei 2025.

..
Aurich, Panzergrabe, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Aurich, Panzergrabe, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, beelhouwwerk Plug von Walle, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Aurich, Meints Mühle, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Aurich, hunebed Butter, Brot und Käse, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
© Frans van den Muijsenberg, augustus 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Het Moormuseum, een openluchtmuseum in Moordorf, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Raam, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, de Russische begraafplaats in Tannenhausen, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, oorlogsmonument in Brockzetel, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, oorlogsmonument in Brockzetel, © Frans van den Muijsenberg, 7 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Gristelde, Rhododendronpark, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Wiessens, in de omgeving van Aurich, fonteintje, vlakbij het oorlogsmonument voor de gesneuvelden van de beide wereldoorlogen en de Johannes der Tauferkirche, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
Wiessens, in de omgeving van Aurich, het oorlogsmonument voor de gesneuvelden van de beide wereldoorlogen, vlak bij de Johannes der Tauferkirche, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, de Johannes der Tauferkirche in Wiessens, © Frans van den Muijsenberg, 6 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, Osteregelsemoor, © Frans van den Muijsenberg, 5 mei 2025.

..
In de omgeving van Aurich, Osteregelsemoor, © Frans van den Muijsenberg, 5 mei 2025.

..
Nijmegen, voormalig St. Augustinusklooster aan de Graafseweg, © Frans van den Muijsenberg, 13 september 2006.

..
Nijmegen, voormalig St. Augustinusklooster aan de Graafseweg, © Frans van den Muijsenberg, 13 september 2006.
In de herfst van 1942 werden in Duitsland verschillende SS-Baubrigaden opgericht, die een soort subkamp van de naziconcentratiekampen waren. Deze eenheden bestonden meestal uit mannelijke niet-Joodse gevangenen – de meesten waren Polen of Russen. De overlevingskansen waren in deze mobiele eenheden groter dan in de hoofdkampen waaraan ze verbonden waren. Door de inzet van deze Baubrigaden in de grote Duitse steden maakte de bevolking voor het eerst kennis met de gevangenen in de concentratiekampen en de erbarmelijke omstandigheden waarin ze daar leefden. Tegen het einde van de oorlog waren er dertien Baubridgaden, met ongeveer 9.500 gevangenen. Tussen september 1942 en mei 1945 maakten naar schatting 17.000 mannelijke gevangenen deel uit van het Baubrigaden- systeem, voornamelijk afkomstig uit de hoofdkampen Buchenwald , Neuengamme en Sachsenhausen. Binnen het systeem waren ook nog SS-Eisenbahnbaubrigaden werkzaam, waarvoor de dwangarbeiders voornamelijk uit Auschwitz en Dachau kwamen. Het voorstel om mobiele arbeidseenheden te formeren kwam van Hans Kammler (Stettin, 26 augustus 1901 – Praag, 9 mei 1945), een Duitse architect die hoofd was van de bouw- en bewapeningsprojecten van het Derde Rijk, SS-Obergruppenführer en generaal in de Waffen-SS. Hij was verantwoordelijk voor de bouw van alle concentratiekampgebouwen, gaskamers en crematoria. In 1942 publiceerde hij het artikel ‘Vorschlag für die Aufstellung von SS-Baubrigaden’, waarin hij stelde dat het informele ‘Friedenshaus Programm’ voor Oost-Europa van Heinrich Himmler, dat voorzag in de bouw van nederzettingen, kampen en bevoorradingsdepots in de nieuw veroverde gebieden, een groot bouwvolume betekende waarvoor ongeveer 175.000 gevangenen moesten worden ingezet. Kappler stelde voor dat deze gevangenen moesten worden verdeeld over 4.800 arbeidsdetachementen die zich tussen de bouwplaatsen konden verplaatsen. Omdat ook de Duitse wapenindustrie steeds meer dwangarbeiders nodig had moesten de plannen van Kammler al snel worden bijgesteld. Toen daarnaast de Duitse steden steeds zwaarder werden gebombardeerd, gaf Himmler opdracht de SS-Baubrigaden in te zetten in de Duitse steden om de vernielingen door de geallieerde bombardementen op te ruimen. Vanaf 1943 concludeerde Albert Speer, die verantwoordelijk was voor de Duitse wapenindustrie, dat het inzetten van arbeiders bij deze opruimwerkzaamheden ten koste ging van de wapenproductie (meer…)
Al voor de oorlog moesten communisten in Nederland vaak in het geheim opereren. Het was ambtenaren verboden lid te zijn van de Communistische Partij Nederland (CPN) of de Revolutionair–Socialistische Arbeiderspartij (RSAP), respectievelijk de leninistisch-marxistische en de stalinistische tak van de politieke stroming. Duitse communisten die vanaf 1933 naar Duitsland waren gevlucht, liepen het risico terug in de armen van de nationaalsocialisten te worden gedreven. Die werden daar door de Gestapo doorgestuurd naar de concentratiekampen die in nazi-Duitsland verrezen, voorzien van een rode driehoek die aangaf dat het politieke gevangenen betrof. De nazi’s beschouweden het communistische bolsjewisme als onderdeel van de ‘Joodse samenzwering’ en communisten werden dan ook beschouwd als staatsgevaarlijk. Daar werd in Nederland slechts in beperkte mate gematigder over gedacht. Nadat de Duitsers Nederland waren binnengevallen, werden de communistische partijen en organisaties verboden. Omdat de communisten al grotendeels in het geheim moesten opereren, was het slechts een kleine stap in verzet te gaan. Vanuit de illegaliteit ondernamen communistische strijders gewapende acties, pleegden sabotage en hielpen onderduikers. Terwijl van de Nederlandse bevolking slechts kleine groepjes na de Duitse inval in het verzet actief werden, stapten vanuit de communistische beweging de leden massaal over naar de illegaliteit. Na mei 1940 had de illegale CPN al snel duizenden verzetsleden, waarvan velen al waardevolle ervaring hadden met illegaal werk. Zo werd de verzetskrant De Waarheid in 1940 landelijk verspreid en het communistisch verzet stond aan de basis van de Februaristaking van 25-26 februari 1941. De Gestapo was echter in het voordeel omdat ze in de dertiger jaren hadden samengewerkt met de Nederlandse inlichtingendienst. Ze hadden daardoor veel informatie over de Nederlandse communisten en gebruikte dat om de Nederlandse communisten fanatiek te vervolgen. Daar werd pas echt fanatiek mee begonnen nadat Duitsland in juni 1941 Rusland had aangevallen (Operatie Barbarossa). In de nacht van 24 op 25 juni 1941 pakte de Duitsers onder de naam ‘CPN-Aktion’ meer dan vierhonderd vooraanstaande communisten op en in de maanden daarop nog eens 175 personen. (meer…)
Jurriaan Jan Mendelaar (Djambi, 8 juni 1924 – Bergen-Belsen, 30 mei 1945) werd geboren op Sumatra waar toen de stad Djambi (tegenwoordig Jambi) de hoofdstad was van de gelijknamige regio. In 1657gaf de toenmalige sultan aan de Nederlander Beschseven toestemming om in het stadje Djambi (Midden-Sumatra) een markt te openen voor de handel in de regio. Djambi was het residentieel centrum en de zetel van de koning, die hier een mooi paleis het, het Tanah Pilih-paleis. Dat paleis werd in 1858 door de sultan zelf platgebrand, toen het Nederlandse leger Djambi aanviel. Dat was een tegenaanval, nadat eerder de sultan het Nederlandse oorlogsschip Van Hauten hadden aangevallen en tot zinken hadden gebracht. Vanuit de ruïnes van het paleis namen de Nederlanders de macht over en gebruikten het als hoofdkwartier voor het Nederlandse leger. In 1904, plaatsten de Nederlanders het koninkrijk Djambi volledig onder het koloniale grondgebied van Nederlands-Indië. Sumatra bleef voor de Nederlandse koloniale macht altijd het lastigste deel van Nederlands-Indië. Men had vooral de handen vol aan Atjeh (Noord-Sumatra) waar voortdurend conflicten uitbraken, maar ook in Djambi was het voortdurend onrustig. Constant moest de regering voorzichtig omgaan met de lokale bestuurders om te zorgen dat het niet uit de hand liep. Dat lukte niet altijd. De bevolking van Djambi maakte niet bepaald de indruk het Nederlands gezag te erkennen. Er waren constant moorden, opstanden en interne conflicten. Het kostte continu enorme moeite het gezag en prestige van het gouvernement overeind te houden, maar dat lukte dus niet altijd. Op 23 mei 1885 werd bijvoorbeeld het gezellig samenzijn in de sociëteit van Djambi ruw verstoord toen twee inheemse mannen binnendrongen en dood en verderf zaaiden. Het gouvernement greep bijzonder hard in, de gebruikelijke koloniale reactie. Naar aanleiding van dit incident berichtte De Javabode op 5 juni 1885: ‘Djambi is altijd geweest en is nog steeds een kwaadaardig broeinest, van muiterij en fanatisme. Handel daar slap en de geheele omstreek staat ter eenige tijd in vuur en vlam. Het Gouvernement moet bedenken, dat in inlanders, in massa genomen, ons niet of weinig meer vreezen, doch integendeel verachten, om dezelfde reden waarom elke Oosterling alle eeuwen door een vreemde macht veracht heeft en steeds verachten zal, n.l. om onze te Atjeh jaren achtereen betoonde zwakheid.’ (meer…)

..
Nijmegen, voormalig St. Augustinusklooster aan de Graafseweg, © Frans van den Muijsenberg, 13 september 2006.

..
Nijmegen, voormalig St. Augustinusklooster aan de Graafseweg, © Frans van den Muijsenberg, 13 september 2006.
Op vrijdag 10 mei 1940 begon in de vroege ochtenduren de Duitse aanval op Nederland. Al in de eerste uren landden de eerste Duitse parachutisten op het eiland IJsselmonde. Ze moesten alle bruggen bij Rotterdam en Dordrecht in bezit nemen om de opmars van het Duitse leger zo snel mogelijk te laten verlopen. De Duitsers verkenners die naar het gebied van Ridderkerk en Hendrik-Ido-Ambacht waren gestuurd om het veer naar Alblasserdam te bezetten, troffen daar tot hun grote verbazing geen veer aan, maar een prachtige nieuwe verkeersbrug over de Noord bij Alblasserdam. Eind dertiger jaren was deze brug gebouwd om te zorgen voor een vaste verbinding tussen het eiland IJsselmonde en de Alblasserwaard. De brug werd op 14 november 1939 geopend. Op dezelfde dag werd ook het nieuwe stuk van de A15 tussen Sliedrecht en Hendrik-Ido-Ambacht geopend, waardoor er een snelle verbinding tussen Rotterdam en Nijmegen ontstond. Op de verouderde stafkaarten van het Nederlandse leger werd deze nieuwe verkeersbrug en het nieuwe stuk van de A15 nog niet aangegeven. Het gevolg daarvan was dat het Nederlandse leger tijdens de meidagen van 1940 geen gebruik maakte van de nieuwe oost-west verbinding. Ook het Duitse leger maakte er echter geen gebruik van, want ook de Duitse inlichtingendienst hadden gemist dat deze verbinding al een half jaar lang in gebruik was. Het Duitse leger gebruikte dezelfde verouderde stafkaarten als het Nederlandse leger. In zijn memoires zou generaal Kurt Student, de bevelhebber van de Duitse luchtlandingstroepen, later opmerken dat hij niet beter wist dan dat de brug over de Noord nog steeds in aanbouw was. (meer…)



Beppy Tannenbaum werd op 23 oktober 1934 in Amsterdam geboren als dochter van de Bernhardt (Benni) Tannenbaum (Hersfeld, 25 april 1902 – Mauthausen, 1 februari 1945) en Hertha Krämer (Butzbach, 23 oktober 1903 – Weisskirchen, 1 februari 1945). Benni had één zus en twee broers: Bella Blumenfeld, Alex Tannenbaum en Fred Fritz Tannenbaum. Gezien Beppy’s geboortedag is het echtpaar kort nadat de nationaalsocialisten in 1933 aan de macht kwamen naar Nederland gevlucht. Maar … er zijn in Duitsland in hun geboortesteden Stopersteine geplaatst, met compleet andere gegevens. Op beide wordt aangegeven dat het echtpaar pas in 1938 naar ‘Holland’ zou zijn gevlucht, waarbij vraagtekens kunnen worden geplaatst. Ze zouden in 1944 vanuit Westerbork zijn gedeporteerd naar Auschwitz, waarna Hertha in Lager Weisskirchen en Benni in Buchenwald zou zijn vermoord. Ik heb vooralsnog voor Benni Mauthausen aangehouden, zoals vermeld op Joods Monument.
In februari 1941 woonde het gezin in de Meeuwenlaan 104 a-huis in de hoofdstad en hadden hier een kofferfabriek. Bernhardt en Hertha overleden beiden op dezelfde datum in Oostenrijk, maar Bernhardt in het beruchte kamp Mauthausen en Hertha in het dorpje Weisskirchen, waarvan zich blijkbaar een buitenkamp van Auschwitz bevond maar waarvan niets is terug te vinden. De naam Mauthausen was al vroeg in de oorlog berucht onder de Joodse bevolking. In Amsterdam vonden op 22 en 23 februari 1941 razzia’s plaats, waarbij merendeels jonge mannen werden opgepakt. Vanuit kamp Schoorl vertrokken op 27 februari 1941 en 22 mei 1941 treinen naar Mauthausen, waarmee respectievelijk 390 en 342 personen werden weggevoerd. (meer…)
Toen de oorlog in 1939 uitbrak was Schiphol nog niet meer dan bescheiden luchthaven in een kale polder van de gemeente Haarlemmermeer, maar toch ook al volop in bedrijf als burgerluchthaven. Luchtvaartmaatschappij KLM had al jarenlang intercontinentale lijndiensten naar Batavia (Jakarta) en Curaçao en bood via Curaçao ook vluchten aan naar Noord-, Zuid- en Midden-Amerika. Toen Duitsland op 10 mei 1940 ons land binnenviel werden een aantal strategische plaatsen gebombardeerd, voornamelijk luchthavens. Schiphol was er een van. Op 11 mei 1940 werd de luchthaven voor een tweede maal door de Duitsers gebombardeerd. Zodra Nederland op 15 mei 1940 capituleerde, werd de luchtvanen door de Duitsers omgedoopt in Fliegerhorst 561 en in gebruik genomen als militaire vliegbasis.
Een van de vliegtuigen die op de Pinksterzaterdag 11 mei 1940 op weg was naar Schiphol voor het tweede bombardement werd waarschijnlijk geraakt door het Nederlandse afweergeschut dat in Sloten stond. Het aangeschoten vliegtuig heeft toen om gewicht kwijt te raken haar bommen afgegooid, die in Amsterdam terecht kwamen. Er is een onwaarschijnlijke alternatieve theorie dat het oude postkantoor achter het Paleis op de Dam, slechts 350 meter verwijderd van de plaats waar de bomen terecht kwamen, het doelwit zou zijn geweest. Hier was namelijk een communicatiecentrum van het Nederlandse leger gevestigd. (meer…)

..
Nijmegen, Burgemeester Daleslaan, © Frans van den Muijsenberg, 23 juli 2006. (meer…)

..
Nijmegen, Burgemeester Daleslaan, © Frans van den Muijsenberg, 23 juli 2006. (meer…)
Er hebben zich in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog ongeveer 640 bombardementen plaatsgevonden, een aantal grote en heel veel kleine bombardementen, met in totaal vele duizenden burgerslachtoffers. Van die bombardementen nam nazi-Duitsland er veertig voor haar rekening, de resterende 600 bombardementen werden uitgevoerd door de geallieerde troepen. In de herinnering is eigenlijk vooral het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 blijven hangen. In het kwartier tussen 13.27 en ongeveer 13.40 uur werd bijna de gehele historische binnenstad van Rotterdam vernietigd. Heel lang is voor het aantal slachtoffers van dat bombardement het aantal van 900 doden aangehouden, maar er circuleerden ook schattingen van ruim 1.400 slachtoffers. Vrij recent wees uit dat er door het bombardement zelf die dag 712 mensen omkwamen en dat zo’n 80.000 inwoners dakloos werden. Daarmee is het niet langer het dodelijkste bombardement op Nederland, want bij het zogenaamde ‘vergissingsbombardement’ op Nijmegen op 22 februari 1944 kwamen ongeveer 800 mensen om het leven. Bij de bulk van de bombardementen kwamen geen of een paar mensen om het leven, maar er zijn toch zeker minimaal vijftig bombardementen waarbij minimaal 40 dodelijke slachtoffers ter bespeuren waren. Het NIOD hanteert hierbij het volgende overzicht van bombardementen en burgerslachtoffers: (meer…)
Levi Hagenaar (Oostzaan, 16 februari 1933) was de zoon van Emanuel Hagenaar (Amsterdam, 15 oktober 1909 – Blechhammer, 25 januari 1945) en Lea Emden (Amsterdam, 7 augustus 1909 – Amsterdam, 19 september 1995), die met hun twee kinderen aan de Nieuwe Achtergracht 101 in de hoofdstad woonde. Zijn echtgenote en twee kinderen, Levi en Trees, zouden de oorlog overleven. Emanuel Hagenaar en Lea Hagenaar Emden kwamen terecht in het kamp Blechhammer, sinds april 1944 een buitenkamp van Auschwitz. Daarvoor was Blechhammer, waar de Oberschlesische Hydrierwerke uit steenkool benzine vervaardigde, het grootste dwangarbeiderskamp van de Dienststelle Schmelt, de organisatie die 15 oktober 1940 en medio 1943 alle dwangarbeid van Joden in Opper-Silezië en het Sudetenland organiseerde. SS-brigadeleider Albrecht Schmelt (1899-1945) bouwde een netwerk van maximaal 177 kampen op en had tijdelijk meer dan 50.000 ‘werknemers’. Tijdens de zogenaamde Cosel-periode (28 augustus tot 12 december 1942) arriveerde op het station Cosel, 80 kilometer ten westen van Auschwitz, 38 transporten van Joden uit Nederland, België en Frankrijk, die in de omliggende kampen moesten werken. Emanuel en Lea moeten met een van deze transporten in Blechhammer terecht zijn gekomen. Na april 1944 was het een buitenkamp van Auschwitz geworden, waar tot eind januari 1945 een nieuwe chemische fabriek moest worden gebouwd. Op 17 januari 1945 telde het kamp nog 3985 mannelijke en 180 vrouwelijke gevangen. Blechhammer werd op 21 januari 1945 vanwege de nadering van het Rode Leger ontruimd. De dodenmars ging richting Gross Rosen. Emanuel bezweek onderweg op 25 januari, zijn vrouw Leah overleefde de tocht en ook de volgende evacuatie, naar Klein-Schonau in Zittau. Daar werd op 25 april 1945 hun derde kind geboren, Eduard. (meer…)
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.


.
Nijmegen, Burgemeester Daleslaan, © Frans van den Muijsenberg, 23 juli 2006. (meer…)

.
Nijmegen, Burgemeester Daleslaan, © Frans van den Muijsenberg, 23 juli 2006. (meer…)
In De Zwerver, het blad van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers, nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen onderstaand verhaal van ene ‘vV’. Gezien de samenstelling van de redactie moet dit Teus van Vliet (Harmelen, 15 mei 1913 – Den Haag, 3 maart 1986) zijn geweest. Van Vliet was een van de oprichters van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Van Vliet was toen de oorlog uitbrak bestuurslid van de Christelijke Korfbalbond in Den Haag. Via zijn vele contacten probeerde hij adressen te regelen voor onderduikers. Hij moest in februari 1943 zelf onderduiken in Eemnes. Hij was in de tijd dat hij daar verbleef betrokken bij de oprichting van de LO-afdeling in Het Gooi, hoofd van het Centraal Bureau en namens de LO bestuurslid van Stichting 1940-1944. Hij werd in januari 1945 door de Sicherheitsdienst opgepakt, maar sloeg daarna door zodat diverse kopstukken uit het verzet, waaronder Walraven van Hall, konden worden opgepakt. Deze werden allemaal na hun arrestatie geëxecuteerd. Van Vliet zat tot het einde van de oorlog vast in het Oranjehotel in Scheveningen. Hij werd actief in de kringen van het naoorlogs verzet. Zo was hij redactielid van het LO-blad De Zwerver. Pas toen de weduwe van Walraven van Hall eind 1945 een klacht tegen hem indiende legde Van Vliet zijn functies neer. Hij moest voor de Ereraad van het verzet verschijnen, die hem voor vijf jaar een publicatieverbod oplegde. Alle voormalige verzetsvrienden keerden zich van hem af. Op 10 mei 1949, vier jaar na de bevrijding, verscheen Teus van Vliet voor de rechters van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam en werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 500 gulden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast mocht hij geen functie meer in een oud-verzetsbeweging uitoefenen, waaronder ook de Stichting 1940-1945. Onderstaand artikel werd dus gepubliceerd voor zijn verzwegen verraad aan de Duitsers bekend was. Neemt niet weg dat het best een indrukwekkend verhaal was. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Kik ten Boom, wonende Hilversum, Surinamelaan 15, geb. 27-5-’20. Laatste gezien 10-4-’45 op de “Klinket”, Buitenpost van Oranienburg.’
Christiaan Johannes “Kik” ten Boom (Zuilen, 27 mei 1920 – vermoedelijk in Bergen-Belsen, 31 mei 1945) groeide op in een religieus gezin dat erg betrokken was bij het verzet en de hulp aan Joden. Zijn grootvader Casper ten Boom (Haarlem, 18 mei 1859 – Den Haag, 9 maart 1944) was de zoon van iemand die sinds 1837 een horlogezaak had. In 1877 begon de achttienjarige Casper een eigen juwelierszaak in Amsterdam. De diepgelovige Casper was onder meer betrokken bij de liefdadigheidsgroep Tot Heil des Volks. In de oorlog hielp hij Joden en mensen van het verzet om onder te duiken. In maart 1944 werd hij gearresteerd en stierf na een week in de gevangenis in Scheveningen. Ook Kik’s vader, de predikant Willem ten Boom (Amsterdam, 21 november 1886 – Hilversum, 13 december 1946), was in het verzet actief. In 1928 promoveerde hij aan de universiteit van Leipzig op een dissertatie over het rassen-antisemitisme. De rest van zijn leven wijdde Ten Boom aan de jodenzending en het schrijven van boeken over de schoonheid en de waarde van het Oude Testament. Het gezin ten Boom woonde in een fraaie villa aan de Surinamelaan te Hilversum, met daarnaast het door hem opgerichte zorginternaat ‘Theodotion’ (Godsgeschenk) voor de opvang van geestelijk en lichamelijk kwetsbare mensen. Zijn vrouw was daarvoor belast met de dagelijkse leiding. Willem ten Boom werd in februari 1944 gearresteerd toen hij een bezoek bracht aan zijn vader Casper in Haarlem. Hij zat twee maanden in de gevangenis in Scheveningen, maar werd daarna vrijgelaten. Uiteindelijk overleed Ten Boom eind 1946 in zijn huis te Hilversum aan een ziekte die hij tijdens de oorlog in gevangenschap had opgelopen. (meer…)
Charles Domery was een Poolse militair, bekend om zijn gigantische eetlust, vergelijkbaar met de veelvraat Tarrare waarover hier al is bericht. Als geboortejaar en -plaats staat steevast aangegeven dat hij omstreeks 1778 in Benche werd geboren. Zijn exacte geboortedatum is niet bekend, wel dat hij in 1799 21 jaar oud was. Er geen plaats bekend met de naam Benche; er is hier waarschijnlijk sprake geweest van een schrijffout. Zelfs bij zijn naam kunnen vraagtekens worden gezet. Het is niet bepaald een Poolse naam, eerder een Engels voornaam en Franse achternaam en het waarom daarvan laat zich makkelijk raden. Vanaf zijn dertiende had Domery een ongewoon grote eetlust. Hij was een van de negen broers, die volgens Domery allemaal aan dezelfde aandoening leden. Hij herinnerde zich dat ook zijn vader een stevige eter was en zijn vlees over het algemeen halfgekookt at, maar hij kon zich de hoeveelheid niet herinneren. De enige ziekte die hij zich kon herinneren was een uitbraak van pokken in zijn jeugd, die door de hele familie werd overleefd. In 1791, op dertienjarige leeftijd, meldde Domery zich aan bij het Pruisische leger en maakte hij deel uit van een leger dat Thionville belegerde tijdens de Eerste Coalitieoorlog. Het Pruisische leger leed onder voedseltekorten die Domery ondraaglijk vond. Hij ging de stad binnen en gaf zich over aan de Franse commandant, die hem beloonde met een grote meloen. Domery at die onmiddellijk op, inclusief schil. Vervolgens kreeg hij van de Franse generaal een grote verscheidenheid aan andere etenswaren, die hij ook allemaal meteen opat. (meer…)

..
De Europakade in Tolkamer bij nacht. © Frans van den Muijsenberg, 12 januari 2011.

.
Nijmegen, Takenhofplein. Uit Rob Essers Stratenlijst: ‘In 1551 verkocht het zusterschap van het klooster van St. Agnes een stuk land aan Thomas Taeck, deze bouwde er een hofstede op onder de naam ‘Takenhof’. In verband met de stadsuitbreiding werd deze boerenhofstede in 1975 afgebroken. Bij raadsbesluit van 29 juni 1972 werd het verkeersplein in die omgeving naar de oude boerderij vernoemd.’ Op 8 juni 2000 vond de officiële ingebruikstelling plaats van de Takenhoffontein, volgens sommigen de grootste fontein van Nederland. Rondom is op de zijwand de volgende dichtregel van H.H. ter Balkt aangebracht: ’Hazelaar plantte ik voor haar vier poorten, al haast vervluchtigd voor haar rose bloesem’. Op 23 maart 1990 was bij het gebouw van Bovemij een beeld geplaatst van Fioen Blaisse, voorstellende een vrouw met vlinder, getiteld ‘Het onderweg zijn’. © Frans van den Muijsenberg, 23 juli 2006.
Arseen en veel arseenverbindingen zoals arseenoxide (rattenkruit) zijn extreem giftig. Binnen het menselijk lichaam richt het verwoestingen aan in het spijsverteringskanaal, veelal met dodelijke afloop. Toediening van kleine hoeveelheden over een lange tijd veroorzaakt symptomen die op een natuurlijke maag-darmontsteking lijken. Omdat arseen(-verbindingen) in het lichaam erg moeilijk te traceren was, was het een berucht moordwapen. Arseen is het meest gebruikt voor het plegen van gifmoorden. Er is lang verondersteld dat Napoleon Bonaparte zo aan zijn einde is gekomen. Zijn lichaam bleek namelijk een grote hoeveelheid arseen te bevatten. Uit een Italiaans onderzoek in 2008 bleek echter dat mensen in Napoleons tijd honderd maal hogere doses arseen hadden dan tegenwoordig. Dit zou komen omdat arseen toen veel werd gebruikt in bijvoorbeeld lijm en verf. Napoleon bleek geen hogere hoeveelheid arseen in zijn lichaam te hebben gehad dan zijn vrouw en zoon. Pas na de uitvinding van de Marshtest werd het mogelijk om zelfs zeer lage concentraties aan te tonen. In een laboratorium kan door deze test uit 1840 zeer lang na het overlijden van een persoon de aanwezigheid van arseen worden aangetoond, omdat arseen in de nagels en haren wordt opgeslagen. (meer…)

.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
In het stadje Breitenfelde bevond zich in de periode van 10 november 1944 tot 30 april 1945 een van de kleinste buitenkampen van concentratiekamp Neuengamme. In de Middeleeuwen lag het langs de Alten Salzstraße, vanaf het begin van de elfde eeuw de belangrijke handelsroute van Lüneburg naar Lübeck. Het lag vlakbij Mölln, een iets groter plattelandsstadje, dat sinds de NSDAP in 1933 aan de macht was gekomen het bestuurlijke middelpunt van de streek was. De omstreeks tien families die er rond 1941 nog woonden, werden naar Riga gedeporteerd en zouden geen van allen de oorlog overleven. In 1933 werd in Mölnn begonnen met de bouw van de Muna-fabriek (een van de vele munitiefabrieken van de Heeresmunitionsanstalt), die een oppervlakte had van 213 hectare. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zouden er meer dan 2.000 mensen werkzaam zijn, hoofdzakelijk dwangarbeiders uit het oosten. In het hele district werden meer dan 10.000 krijgsgevangenen als dwangarbeiders tewerkgesteld, onder meer in het tankdepot van de luchtmacht in Büchen, in de landbouw en in fabrieken. Tegen het einde van de oorlog verdubbelde de bevolking naar ongeveer 13.000 inwoners, vooral door vluchtelingen ben ontheemden uit voormalige Duitse gebieden. (meer…)

.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.
Iedereen kent het reclamedeuntje ‚Koning, keizer, admiraal. Popla gebruiken ze allemaal’, waarbij het overduidelijk is dat het laatste zinnetje makkelijk gewijzigd kan worden in ‘poepen doen ze allemaal’. Het lijkt zo vanzelfsprekend dat je geheel privé op het toilet doet en dat daarvoor toiletpapier beschikbaar is. Dat is echter zeker nooit het geval geweest. In het oude Rome had de rijken een privétoilet en iedereen kon voor een klein bedrag naar een ‘latrina publica’, een openbaar toilet, gaan. Daar zaten ze op duur marmer, dat was aangesloten op het riool. In een lange rij naast elkaar, dat wel. De kennis van de Romeinen ging echter verloren. In de Middeleeuwen plasten en poepen mensen gewoonlijk in een po, die vervolgens op straat werd leeggegoten. De stank in de middeleeuws stadjes moet groot zijn geweest. Kasteelbewoners hadden de beschikking over een toiletnis in de kasteelmuur, waarna de behoefte in de slotgracht terecht kwam. Daarna bleef die situatie lange tijd onveranderd. Ruim twee eeuwen geleden slechts had men in het beroemde paleis van Versailles geen fatsoenlijk toilet of ‘fecaliënput’ (een gat waar al dat stinkende spul in terechtkomt). Men vond het nobeler om de behoefte te doen op de vloer van een van de vele kamers in het kasteel. Er waren voldoende bedienden die de boel opruimden. Ook voor hofdames was het dragen van de hoepelrokken erg praktisch. Dit betekende dat ze zelfs in gezelschap hun behoefte konden doen, zonder dat hun billen zichtbaar waren. Het kasteel en het enorme kasteelpark moeten verschrikkelijk gestonken hebben! Men was blijkbaar vergeten dat al in 1596 door Sir John Harington het watercloset was uitgevonden. Pas in 1860 werd in Duitsland in kasteel Ehrenburg in Coburg het eerste toilet geïnstalleerd, dat speciaal vanwege het bezoek van de Britse koningin Victoria was geïmporteerd. Tot dan en nog lang daarna was een buitentoilet gebruikelijk. Een houten hok, met een houten bank met een diep gat waar op de bodem alles bleef liggen stinken. Ons bekende (normaliter) reukvrije toilet met alle privacy en toiletpapier is van zeer recente datum. (meer…)
Ella Harper (5 januari 1870 – 19 december 1921) werd geboren in Hendersonville, Sumner County, Tennessee, dat heden ten dage meer dan 60.000 inwoners telt maar rond de tijd van haar geboorte niet meer dan een armzalige nederzetting was met omstreeks 150 inwoners. Haar ouders William Harper en Minerva Ann Childress waren kleine veeboeren die oorspronkelijk uit Virginia afkomstig waren. William Harper werkte ook als steenhouwer om de kost te verdienen. Het echtpaar was in 1863 getrouwd en kregen twee jaar later hun eerste kind. William Harper diende vrijwel zeker tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), waarschijnlijk voor het Zuidelijke leger. Hij was Democraat, lid van de Vrijmetselaarsbroederschap en lid van de Methodist Episcopal Church, South. Het echtpaar had acht kinderen. Ella had een tweelingbroer Everett, die een paar maanden na de geboorte (op 4 april 1870) stierf. Ze had ook een zus, die Susan Margaret heette, die werd geadopteerd door een gezin dat vervolgens naar Missouri verhuisde. Er waren nog vijf andere levende kinderen: Sallie Irene, Willie Johnelle, Ella, Jessie Lee en Earl Phelan. Volgens de familietraditie was Earl een pleegbroer, die in een mandje op hun veranda was gevonden. Latere nakomelingen van Earl wisten met DNA-onderzoek te achterhalen dat Earl een zoon van William Harper moet zijn geweest. Vermoedelijk had William een affaire gehad en liet deze vrouw de baby op zijn veranda achter zodat hij hem kon opvoeden. (meer…)

.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.

.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.
Lilly Kettner werd op 2 april 1923 geboren in Floridsdorf, dat in 1904 tegelijkertijd met enkele omliggende dorpen door Wenen werd ingelijfd en sindsdien het 21 district van Wenen is. Samen met Donaustadt, het 22e district, vormen ze het deel van de stad Wenen op de linkeroever van de Donau. Lilly was het enig kind van haar ouders Ludwig Kettner (Wenen, 13 juli 1888) en Franzi Winkler (Wenen, 20 april 1889). Haar vader en zijn broer diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als soldaat in het Oostenrijkse leger en werden aan het Russische front krijgsgevangene gemaakt. Haar vader overleefde die gevangenschap, zijn broer echter niet. Toen haar vader echter terugkwam in Wenen, ontdekte hij dat gedurende de oorlog zijn ouders waren overleden. Lilly werd in haar jeugdjaren vooral opgevoed door de grootmoeder van haar moeder, waarbij ze ook inwoonde.
Na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland in maart 1938 werd de situatie voor de Joodse bevolking nog ernstiger dan die in de voorgaande jaren al was geworden. In december 1938 werd Lilly daarom naar Nederland gestuurd als onderdeel van de kindertransporten van de Joodse gemeenschap in Wenen. Haar ouders immigreerden illegaal met het schip Odyssee naar Palestina. In Nederland verbleef ze in verschillende kindertehuizen. Op 11 december 1938 zat ze eerst in quarantaine in de Copernicusstraat 159 in Den Haag, op 10 januari 1939 verhuisde ze naar Huize Overvoorde aan de Van Vredenburchweg 174 te Rijswijk en vanaf 13 september 1939 was ze woonachtig in Huis ten Vijver aan de Dwarsweg 3 in Scheveningen. Best wel aardige optrekjes om te verblijven. (meer…)
Barbara Newhall Follett (Hanover, New Hampshire, 4 maart 1914 – Brookline, Massachusetts, 7 december 1939) was de dochter van Roy Wilson Follett (21 maart 1887 – 7 januari 1963), een literair redacteur, criticus en universitair docent aan de Brown University, en voormalig onderwijzeres Helen Thomas Follett. Haar vader schreef de conceptversie van wat Follett’s Modern American Usage zou worden, dat bij zijn dood nog niet af was en werd voltooid en geredigeerd door zijn vriend Jacques Barzun (in samenwerking met zes andere mensen die hielpen met de redactie) en postuum werd gepubliceerd. Uit een eerder en later huwelijk van haar vader had Barbara een oudere en een jongere halfzus, Grace en Sabra. Sabra Follett Meservey, zou in 1961 de eerste vrouw worden die als doctoraalstudent werd toegelaten tot Princeton University. Barbara werd thuis door haar moeder onderwezen en toonde al vroeg aanleg voor lezen en schrijven, aangezien ze op vierjarige leeftijd haar eigen poëzie ging schrijven. Barbara was een fantasierijk en intelligent kind: op zevenjarige leeftijd begon ze haar eigen denkbeeldige wereld Farksolia op papier te zetten en daar een eigen taal bij ontwikkelen, Farksoo. Ze was een echt kind van de natuur en haar verhalen en gedichten gingen vaak over de natuurlijke wereld en de wildernis. (meer…)
Friedrich Percyval Reck-Malleczewen (Malleczewo, 11 augustus 1884 – Dachau, 16 februari 1945) was een vooraanstaand criticus van het nationaalsocialistische bewind in Duitsland. Opvallend genoeg jon in 1937 zijn historische roman Bockelson. Geschichte eines Massenwahns, Die Geschichte der Wiedertäufer von Münster gewoon verschijnen en in de nationaalsocialistische pers zelfs goede kritieken krijgen. Blijkbaar miste men het feit dat het boek op de eerste plaats een kritische allegorie was op Hitler en het nazisme. Het boek gaat over de zestiende-eeuwse wederdopers in Münster, waarbij Friedrich Reck-Malleczewen de hoofdpersoon Jan van Leiden en diens schrikbewind vergelijkt met de Franse en de Russische revolutie en hij ook sprak van een Duizendjarig Koninkrijk van Zion in Münster. Hij vermelde ook duidelijk dat de belangrijkste propagandist van de wederdopers, net als Goebbels, een hinkepoot was. Voor Reck-Malleczewen was ook het Derde Rijk, net als Münster en de beide genoemde revoluties, een vorm van collectieve psychose. In oktober 1944 schreef hij in zijn dagboek dat de nazi-autoriteiten hem steeds meer in de gaten gingen houden. Enkele dagen later, op 13 oktober 1944, werd hij inderdaad gearresteerd omdat hij het moreel van de gewapende Duitse troepen had ondermijnd door de oproep voor de Sturmgruppe naast zich neer te leggen. De 60-jarige schrijver riskeerde voor dit misdrijf de doodstraf met de guillotine, maar kwam door de bemiddeling van een SS-generaal na een week weer vrij. Op 31 december 1944 werd hij echter voor de tweede maal gearresteerd, dit maal omdat hij bij zijn uitgever schriftelijk had geklaagd dat de hoogte van zijn auteursrechten wel erg veel te lijden hadden van de oorlog. Op 9 januari 1945 werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Dachau. Er is onduidelijk over zijn doodsoorzaak. In de officiële doodsakte vanuit Dachau stond dat hij op 16 februari 1945 in het kamp aan tyfus zou zijn overleden, maar er waren geruchten dat hij op 23 februari 1945 via een nekschot zou zijn geëxecuteerd. (meer…)

.
Hoek Batavenweg – Zwarteweg, met een doorkijkje naar het pad evenwijdig aan het Skippymeer (links) en de Batavenweg (rechts), © Frans van den Muijsenberg, september 2024

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.
Vertaling van het artikel ‘A subservient nation? Russia seems prone to authoritarian rulers’, dat op 19 mei 2023 verscheen op Meduza. Het artikel was een bewerking van een editie Signal, Meduza’s nieuwsbrief over geschiedenis
Gezien de mentale pijn en in sommige gevallen de brute repressie die de vele duizenden Russen ondergaan die zich verzetten tegen Poetin en de Russische oorlog tegen Oekraïne, wil iedereen weten waarom de Russische oppositie er niet in is geslaagd hem te stoppen. Eén theorie stelt dat het iets te maken heeft met een aangeboren Russisch nationaal karakter – wat dat ook moge betekenen – van onderdanigheid, dat het Russische volk dictatuur over zichzelf afroept door niet genoeg vrijheid en democratie te verlangen. Sinds de val van de Sovjet-Unie hebben sociologische studies, zowel binnen als buiten Rusland, aangetoond dat Russische burgers democratische idealen net zo hoog waarderen als burgers van veel vrijere staten. Maar het idee dat Rusland een ‘onderdanige natie’ is, blijkt zowel oud als duurzaam te zijn. Het duurt voort vanaf het vroege imperiale tijdperk, via de Sovjet-Unie, tot op de dag van vandaag. Meduza legt de geschiedenis van het idee uit en waarom het op zijn best te simplistisch en op zijn slechtst gevaarlijk is. (meer…)
Het welbekende Coca-Cola zou zijn uitgevonden door John Stith Pemberton (Knoxville, 8 juli 1831 – Atlanta, 16 augustus 1888), een arts en apotheker. Hij had in zijn jonge jaren een praktijk als traditionele stoomdokter, die stoombaden met kruiden en andere producten gebruikten om zweten te bevorderen, wat een heilzame werking op het lichaam zou hebben. Tijdens de Burgeroorlog diende hij in het leger van de zuidelijke Confederatie en raakte zwaargewond bij de Slag bij Columbus (15 april 1865) aan het eind van de oorlog. Om de blijvende pijn als gevolg daarvan tegen te gaan gebruikte hij verschillende verdovingsmiddelen en raakte als gevolg daarvan verslaafd aan morfine. In die tijd was er grote vraag naar allerhande huismiddeltjes en tonics en ook Pemberton ging aan de slag in het ontwikkelen van plantaardige geneesmiddelen. In 1866 begon hij te experimenteren met pijnstillers die konden dienen als een morfinevrij alternatief. Zijn eerste recept was ‘Dr. Tuggle’s Compound Syrup of Globe Flower’, waarin het actieve ingrediënt afkomstig was van de knoopstruik, een giftige plant. Vervolgens begon hij te experimenteren met coca en cocawijnen. In die tijd werd het coca-extract vooral gebruikt in geneesmiddelen, voor drankjes ter bevordering van de seksuele drift, de behandeling van spijsverteringsproblemen, voor zenuwkalmerende middelen en als drankje tegen veroudering. (meer…)
Rond 1905 verscheen bij de Berlijnse uitgever Richard Eckstein het boek Eva im Paradies. Weibliche Freilicht-Akte nach Aufnahmen für Künstler und Kunstliebhaber (30 x 40,5 cm), met twintig foto’s van de keurige portrettenfotograaf Wilhelm Hümmer uit München. Het betrof Loseblattwerk, dat wil zeggen een map met foto’s die op karton waren bevestigd.


.
Zicht op Emmerich vanaf de Rheinbrücke, met 803 meter de langste hangbrug in Duitsland, © Frans van den Muijsenberg, januari 2011

.
Zicht op Emmerich vanaf de Rheinbrücke, met 803 meter de langste hangbrug in Duitsland, © Frans van den Muijsenberg, januari 2011
Joden uit Lódz in de vrachtwagenfabriek van Büssing in Braunschweig en Vechelde, 1944-1945
Vertaling van: Karl Liedke – Destruction Through Work: Lodz Jews in the Büssing Truck Factory in Braunschweig, 1944-1945, Yad Vashem Studies, XXX, Jeruzalem, 2002, pp. 153-188, opgenomen op de website van Yad Vashem.
Korte biografieën van voormalige gevangenen van KL- Aussenlager Schillstrasse in Braunschweig
Zvi Bergman werd geboren in 1922 in Zduńska Wola en woonde vanaf 1923 in Lódz. Hij had een broer Pinkus (geb. 1916) en een zus Ruth (geb. 1925). Hij volgde een textielvakschool en behaalde in 1939 een onvolledig einddiploma van de middelbare school. In het getto van Lódz werkte hij als klerk bij de bevolkingsadministratie en de goederenbevoorrading. Hij werd op 25 augustus 1944 naar Auschwitz gedeporteerd en in oktober 1944 overgebracht naar Braunschweig (gevangenennummer onbekend). Als gevolg van een arbeidsongeval in januari 1945 werd hij arbeidsongeschikt verklaard en geëvacueerd naar een ziekenboeg in Watenstedt. Hij werd daar in april 1945 geëvacueerd en op 2 mei 1945 in Wöbbelin bevrijd. Na in het ziekenhuis in Ludwigslust te zijn opgenomen, keerde hij terug naar Polen, maar kon geen familie vinden. In oktober 1945 verliet hij het land via Tsjecho-Slowakije naar Lepheim am Ulm in Duitsland, waar hij in een vluchtelingenkamp woonde. Uiteindelijk kwam hij in Marseille aan en, na een mislukte poging om Haifa te bereiken aan boord van een illegale immigratieboot, werd hij geïnterneerd in een vluchtelingenkamp op Cyprus. In februari 1948 kreeg hij een vergunning om naar Palestina te emigreren als onderdeel van het quotum dat door de Britse regering was vastgesteld. Na een verblijf in een doorgangskamp vond hij werk in een wapenfabriek en voltooide hij zijn militaire dienst. Hij is sinds 2 juli 1946 getrouwd en heeft twee kinderen: Ruth (geb. 1951) en Benjamin (geb. 1954). Het gezin woont in Holon, Israël. (meer…)
Joden uit Lódz in de vrachtwagenfabriek van Büssing in Braunschweig en Vechelde, 1944-1945
Vertaling van: Karl Liedke – Destruction Through Work: Lodz Jews in the Büssing Truck Factory in Braunschweig, 1944-1945, Yad Vashem Studies, XXX, Jeruzalem, 2002, pp. 153-188, opgenomen op de website van Yad Vashem.
De evacuatie (80)
Het hoge sterftecijfer in het kamp aan de Schillstrasse leek de medische autoriteiten in het hoofdkamp Neuengamme zorgen te baren. Begin januari 1945 arriveerde een afgezant uit Neuengamme in Braunschweig. Hij gaf opdracht om zo’n 200 zieke gevangenen, die arbeidsongeschikt waren en onder de heersende omstandigheden in Braunschweig zeker zouden zijn gestorven, over te brengen naar het ziekenhuis ( Krankenrevier ) in KL -Aussenlager Watenstedt. Ook werd begonnen met de bouw van een nieuw ziekenhuis. (81) De gevangenen bleven echter in het kamp sterven. Vanaf half januari 1945 werden de lijken niet langer naar Watenstedt overgebracht, maar naar het crematorium op de hoofdbegraafplaats in Braunschweig. Deze taak werd toevertrouwd aan de begrafenisondernemer “Pietät”; tot 20 maart 1945 vervoerde dit bedrijf tachtig lijken naar het crematorium. (82)
Vanaf begin januari 1945 werden gevangenen uit de kampen Schillstrasse en Vechelde naar Watenstedt getransporteerd. Aanvankelijk werden alleen zieke of verzwakte gevangenen geëvacueerd; na hun overplaatsing naar Watenstedt werden sommige van deze gevangenen niet in een ziekenhuis ondergebracht, maar tewerkgesteld in de productie van granaten in Hermann-Göring-Werke. (83) In februari werden meer gevangenen overgebracht na de vernietiging van de productiefaciliteiten in Büssing door geallieerde luchtaanvallen. Vanaf 21 maart 1945 werden er geen gevangenen meer naar de fabriek in Büssing gestuurd. Op 26 maart vertrokken ze uit Braunschweig. De zwaksten onder hen reisden per vrachtwagen; anderen liepen een afstand van 20 km naar Watenstedt. Degenen die onderweg zwak werden, werden overgeplaatst naar een wagen die door aangewezen gevangenen werd getrokken. (84) Weer anderen die de marcherende colonne niet konden bijhouden, werden door SS’ers doodgeschoten. (85) (meer…)
Joden uit Lódz in de vrachtwagenfabriek van Büssing in Braunschweig en Vechelde, 1944-1945
Vertaling van: Karl Liedke – Destruction Through Work: Lodz Jews in the Büssing Truck Factory in Braunschweig, 1944-1945, Yad Vashem Studies, XXX, Jeruzalem, 2002, pp. 153-188, opgenomen op de website van Yad Vashem.
Het kamp
Voormalig gevangene Jerzy Herszberg beschreef de leefomstandigheden in het kamp als volgt:
Braunschweig was het ergste kamp waar ik verbleef. Ik ben geen opschepper, maar ik kan het niet laten om hier misschien wel mijn enige claim op roem te vermelden. De geruchten gingen dat de Kapo die de leiding had over het kamp eerder een beul in Dachau was geweest en dat zijn assistent Kapo tot kampen was veroordeeld in verband met een beroemde moordzaak in het vooroorlogse Duitsland, destijds bekend als de “Vampier van Düsseldorf”. Dit is een zeldzame onderscheiding, zelfs voor kampnormen. Er waren nog andere Duitse Kapo’s en één zigeuner, maar niet met zo’n reputatie, en ik kan me er nu minstens zes herinneren, gedenkwaardig vanwege hun sadisme. Ze waren allemaal eerder in Dachau geweest, waar ze een uitstekende opleiding kregen voor hun nieuwe functies. (61) Ze leken het nooit moe te worden ons te martelen en te vernederen en ik moet helaas toegeven dat ze hierbij werden geholpen door Joodse Kapo’s. (62) De kampcommandant sloeg ons nooit, maar liet ons wachten op onze zondagse soep, die we in het kamp aten, niet in de fabriek. Hij kwam op de een of andere manier erg sadistisch over. Het is misschien interessant om te vermelden dat het een klein kamp was en, voor zover ik weet, het enige waar de commandant af en toe persoonlijk de appèls kwam inspecteren. Het was in de winter en de kou was een extra last. En toen ons haar een beetje groeide nadat we in Auschwitz volledig waren geschoren, lieten we er met een tondeuse een paar over ons hoofd verwijderen, met een paar heel korte haartjes aan beide kanten. De kale plek werd door de Kapo’s, als grap, “Läuse Strasse” genoemd – straat voor luizen. Deze zeer individualistische haarstijl maakte elke ontsnapping nog moeilijker. (meer…)
Joden uit Lódz in de vrachtwagenfabriek van Büssing in Braunschweig en Vechelde, 1944-1945
Vertaling van: Karl Liedke – Destruction Through Work: Lodz Jews in the Büssing Truck Factory in Braunschweig, 1944-1945, Yad Vashem Studies, XXX, Jeruzalem, 2002, pp. 153-188, opgenomen op de website van Yad Vashem.
De aantallen gevangenen
De eerste groep van ongeveer 350 gevangenen die de selectie hadden doorstaan, vertrok medio september 1944 naar Braunschweig. (23) Deze groep bestond vrijwel uitsluitend uit Poolse Joden uit het getto van Lódz. Een analyse van een goed bewaard gebleven gevangenenlijst geeft aan dat ze van het hoofdkamp Neuengamme nummers toegewezen kregen, variërend van ongeveer 50.000 tot 50.900. (24) Omdat het kamp aan de Schillstrasse nog niet voltooid was, werden ongeveer 100 mannen uit dit transport toegewezen aan kamp Mascherode, waar de bouwvakkers gehuisvest waren. De resterende ongeveer 250 mannen werden naar Vechelde bij Braunschweig gestuurd, (25) waar Büssing in de zomer van 1944 een deel van zijn productiefaciliteiten naartoe had verplaatst. De groep in Vechelde was ondergeschikt aan het kamp aan de Schillstrasse als Unterkommando .
Medio oktober 1944 vertrok een tweede transport van ongeveer 500 gevangenen uit Auschwitz; ze kregen nummers toegewezen van ruwweg 64.200 tot 64.700. Net als zijn voorganger bestond ook deze groep uit Poolse Joden; slechts een tiental Joden waren afkomstig uit Duitsland of Hongarije. (26) Het lijkt erop dat tussen de 350 en 400 mannen werden ondergebracht in het voltooide deel van het kamp aan de Schillstrasse, terwijl de resterende 100-150 naar Vechelde werden gestuurd. Op 9 november 1944 vertrok een derde transport gevangenen van Auschwitz naar Braunschweig. (27) Deze groep van ongeveer 350 gevangenen bestond voornamelijk uit Poolse Joden, maar ook enkele tientallen Hongaarse Joden, evenals tussen de tien en twintig Tsjechische en Slowaakse Joden. Ze kregen nummers toegewezen van 67.100 tot 67.700. (28) Ze lijken allemaal naar het kamp aan de Schillstrasse te zijn gestuurd. Bij aankomst in Braunschweig of Vechelde kreeg elke gevangene een blikken ‘hondenplaatje’ met daarop een nummer ( Namensmarke ) gegraveerd; de plaatjes waren bedoeld om om de nek te hangen. (meer…)
Joden uit Lódz in de vrachtwagenfabriek van Büssing in Braunschweig en Vechelde, 1944-1945
Vertaling van: Karl Liedke – Destruction Through Work: Lodz Jews in the Büssing Truck Factory in Braunschweig, 1944-1945, Yad Vashem Studies, XXX, Jeruzalem, 2002, pp. 153-188, opgenomen op de website van Yad Vashem.
Inleiding
Begin 1944 was de toestroom van buitenlandse burgerarbeiders in de economie van het Derde Rijk tot een minimum beperkt. Geconfronteerd met het vooruitzicht van een ernstig tekort aan arbeidskrachten, richtten Duitse bedrijven hun aandacht op de SS-concentratiekampen, waar een enorme hoeveelheid potentiële arbeidskrachten werd opgesloten. Vanaf het voorjaar van 1944 nam het aantal werkkampen dat als dependances van concentratiekampen fungeerde, in Duitsland en de bezette gebieden met sprongen toe. De lijst van Duitse economische ondernemingen die actief betrokken waren bij de oprichting van dergelijke subkampen werd langer en omvatte talloze bekende bedrijven.
Verzoeken om toewijzing van kampgevangenen als arbeidskrachten werden door de bedrijven rechtstreeks ingediend bij het hoofdkantoor van de SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt (WVHA), bij SS-Sturmbannführer Gerhard Maurer, het hoofd van afdeling D II – Arbeitseinsatz der Häftlinge. In individuele gevallen belandden deze verzoeken op het bureau van Maurers meerdere, SS-Brigadeführer Richard Glücks, of, als de aanvrager bijzonder goede relaties met de SS onderhield, op het bureau van het hoofd van de WVHA, SS-Gruppenführer Oswald Pohl. Af en toe namen vertegenwoordigers van Duitse bedrijven rechtstreeks contact op met kampcommandanten met verzoeken om toewijzing van gevangenen als arbeidskrachten – in strijd met de vaste procedures. (meer…)

.
De Rheinbrücke bij Emmerich, met 803 meter de langste hangbrug in Duitsland, © Frans van den Muijsenberg, januari 2011

.
De Rheinbrücke bij Emmerich, met 803 meter de langste hangbrug in Duitsland, © Frans van den Muijsenberg, januari 2011
Ruess stond in contact met Ansel Adams (20 februari 1902 – Monterey, 22 april 1984), de beroemde fotograaf van landschappen die actief was in hetzelfde gebied dat Ruess doorkruiste, en met Dorothea Lange (26 mei 1895 – 11 oktober 1965), de fotografe die op zo’n indrukwekkende wijze de effecten van de Grote Depressie vastlegde. Ruess stond zelf bekend om het maken van linoleumdrukken van landschappen en de natuur, die taferelen laten zien van de kust van Monterey Bay, de noordkust van Californië nabij Tomales Bay, de Sierra Nevada, Utah en Arizona. Ruess schreef tijdens zijn leven geen boeken, maar hij was zijn hele leven dagboekschrijver en stuurde honderden brieven naar huis. Zijn dagboeken en gedichten werden postuum gepubliceerd in twee boeken, beide geïllustreerd met zijn eigen houtsneden. Zijn dagboek uit 1934 werd echter nooit gevonden. In 1940 verscheen On Desert Trails with Everett Ruess en in 1983 Everett Ruess: Vagabond for Beauty. Zijn levensverhaal werd onder meer vertelt in Into the Wild (1966) van Jon Krakauer, maar waarin ook het verhaal werd verwerkt van de avonturier Chris McCandless die in Alaska het leven verloor. In 2007 werd dit gecombineerde verhaal door Sean Penn onder de gelijknamige titel Into the Wild verfilmd. Het verhaal van Everett Ruess komt ook voor in Desert Solitaire (1968) van Edward Abbey en in Mormon Country (1942) van Wallace Stegner in het hoofdstuk Artist in Residence (pag. 319-350). (meer…)
Met grote regelmaat verdwijnen mensen spoorloos van de aardbodem. In Nederland worden jaarlijks tussen de 16.000 en de 20.000 mensen als vermist opgegeven bij de politie. De grote meerderheid is binnen maximaal drie weken weer terecht, maar elk jaar blijven ongeveer 20 personen langer dan een jaar onvindbaar, waarvan er 15 nooit meer terugkomen. Er is in de loop der jaren een lange lijst ontstaan van vermiste personen. In de Verenigde Staten zijn de aantallen schrikbarend veel hoger. Ook daar zullen wel soortgelijke lijsten bestaan als in Nederland, vol namen van anonieme landgenoten waar buiten een kleine kring familieleden en vrienden nooit meer iemand acht op slaat. Maar soms verdwijnt er weleens een bekend iemand of krijgt een bepaalde vermissing veel aandacht en blijft zo decennialang onder de aandacht. Dat gold in de Verenigde Staten voor de verdwijning van Everett Ruess.
Everett Ruess (Oakland, 28 maart 1914 – Escalante, eind november 1934) was een Amerikaanse kunstenaar, dichter en schrijver die in 1934 op twintigjarige leeftijd verdween tijdens een reis door een afgelegen gebied in Utah. Hij was de jongste van de twee zonen van Stella en Christopher Ruess. Zijn oudere broer Waldo werd geboren in 1909. Zijn vader was een unitarische predikant en moest om de paar jaar verhuizen om elders als predikant te gaan werken. Zo woonde het gezin in 1920 in Brookline (Massachusetts) en in 1930 in Los Angeles. Everett begon al op zeer jonge leeftijd met houtsnijden, boetseren in klei en schetsen. (meer…)
Het levensverhaal van de eerste en enige keizer van de Verenigde Staten doet denken aan het leven van de Nederlandse zwerver, straatmuzikant en kandidaat-gemeenteraadslid Nelis de Gelder (Amsterdam, 22 november 1856 – Amsterdam, 30 november 1931), die bekend staat als de tragisch-komische figuur Hadjememaar van de Rapaillepartij.
Joshua Abraham Norton(Londen, 14 februari 1818 – San Francisco, 8 januari 1880) werd geboren in een Joods middenklassegezin, maar groeide op in Zuid-Afrika. Zijn ouders John Norton (1794-1848) en Sarah Norden (1796-1846) waren succesvolle kooplui, die woonden in het Kentse stadje Deptford, tegenwoordig onderdeel van Londen. Begin 1820 verhuisde het gezin naar Zuid-Afrika als onderdeel van een door de overheid gesteund koloniaal plan waarvan de deelnemers bekend werden als de 1820 Settlers. Eind 1845 verliet Norton Kaapstad en zeilde begin 1846 van Liverpool naar Boston, In 1849 vestigde hij zich in San Francisco als handelsbemiddelaar. Het ging hem voor de wind, binnen vijf jaar was hij een rijk en gerespecteerd lid van de gemeenschap. Daarna pakte een zakelijke gok helemaal verkeerd voor hem uit. Hij probeerde nog rijker te worden door te speculeren met de verkoop van rijst. Door een exportban vanuit China was de prijs van rijst namelijk sterk gestegen en Norton wist een grote lading rijst in Peru op de kop te tikken. Hij hoopte deze met grote winst in de Verenigde Staten te kunnen verkopen. Hij was echter niet de enige die op dit lumineuze idee was gekomen. Doordat er vele schepen vanuit Peru aankwamen, kelderde de prijs enorm en leed Norton grote verliezen. Zijn fortuin verdween en in 1858 was Norton, na een lange rechtszaak, bankroet. Vanaf dat moment woonde hij in een armoedig arbeiderspension. DE geruïneerde Norton deed nog een vergeefse poging voor het Congres te worden gekozen, maar ook deze poging faalde. Waarschijnlijk waren deze twee grote tegenslagen funest voor de geestelijke gezondheid van Joshua Norton. (meer…)
Rond 1905 verscheen bij de Berlijnse uitgever Richard Eckstein het boek Eva im Paradies. Weibliche Freilicht-Akte nach Aufnahmen für Künstler und Kunstliebhaber (30 x 40,5 cm), met twintig foto’s van de keurige portrettenfotograaf Wilhelm Hümmer uit München. Het betrof Loseblattwerk, dat wil zeggen een map met foto’s die op karton waren bevestigd.


.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.
In 1910 werd door de ‘electro-therapeut’, waarschijnlijk een zelf verzonnen beroepsomschrijving, Samuel Howard Monell (1856-1918) geadverteerd met een apparaat waarmee onder meer ozon kon worden geïnhaleerd ter verbetering van allerlei kwalen. ‘For the inhalation of ozone properly mixed with atmospheric air, this simple method of the author is not surpassed by any. Stop one nostril with pressure of a fingertip while snuffing up the ozonized discharge through the other. Two or three minutes inhalation will dry a running coryza and snuffles, open the passage in a nose stopped by swollen turbinates, soothe and heal the irritation of a ‘raw’ mucous membrane, and allay the tendency to hay fever. This inhalation, deeply drawn into the lungs, is helpful in stimulating expectoration in bronchitis and drying the secretion, and assists the radical cure of all the curable forms. In phthisis it is also useful as an aid in lessening the cough and drying and eliminating the secretion. In cases of chronic nasal catarrh with fetid odor, first cleanse out the mucus by snuffing up a mild and warm salt solution just before inhaling the ozone. Read all that is said of ozone in this book. It is a very important adjunct to high frequency currents. In acute conditions repeat at short intervals.’ Rond de vorige eeuwwisseling was ozon ineens een van de nieuwe wondermiddelen die op de markt kwam. (meer…)
Ellie Hamme werd op 14 juni 1936 in Rotterdam geboren en onder de doopnaam Aaltje Hamme ingeschreven in het gebooorteregister. Ze was de twee dochter van Marcus Hamme (Den Haag, 24 december 1901 – Sobibor, 16 juli 1943) en Keetje Tromp (Groningen, 2 december 1905 – Haifa, 28 maart 1980). Zij waren op 26 augustus 1932 in Den Haag in het huwelijk getreden. Het echtpaar vestigden zich toen in Rotterdam. Daar kregen een jaar later hun eerste dochter, Hanneke (Rotterdam, 12 november 1933 – Karne Shomron, 7 maart 2020). Weer drie jaar later werd Ellie Hammer er geboren.
Marcus Hamme was sinds 1938 docent economische wetenschap aan de HBS in Oud-Beijerland en werkte als boekhouder bij de bank van zijn zwager Hartog Koopman (Oud-Beijerland, 24 november 1889 – Sobibor, 9 juli 1943). De eerste jaren ging Marcus dagelijks met de stoomtrein vanuit Rotterdam naar Oud-Beijerland. Toen het voor Joden verboden werd om nog gebruik te maken van het openbaar vervoer, fietste hij de afstand. Toen iets later zijn fiets in beslag werd genomen, verhuisde het gezin op 23 juni 1941 naar de Steenenstraat 14 in Oud-Beijerland, in een woning die Bastiaan Willem Hollaar enkele weken eerder op een veilig had gekocht. (meer…)
Büssing-NAG Vereinigte Nutzkraftwagen AG, gevestigd in de Schillstrasse in Braunschweig, bekleedde een belangrijke positie in de wapenproductie. Het bedrijf was in 1903 opgericht door Heinrich Büssing, ontwikkelde zich tot een van Duitslands belangrijkste fabrikanten van vrachtwagens en bussen en ging vanaf 1933 steeds nauwer samenwerken met het Duitse leger, waardoor Büssing-NAG voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijke voertuigleverancier voor de Duitse strijdkrachten werd. In 1944 vroeg het bedrijf aan de leiding van het concentratiekamp Neuengamme om arbeidskrachten om in het bedrijf te komen werken bij de productie van vrachtwagens. Voor de Wehrmacht. Vlak bij de hoofdfabriek werden vijf barakken gebouwd voor een buitenkamp aan de Wörthstraße (tegenwoordig Schillstraße). Het bedrijf zette ook het extra extern subkamp Vechelde op om de productie uit het stadsgebied te kunnen verplaatsen. Vanaf september tot november 1944 kwamen drie transporten met 1.200 gevangenen, die oorspronkelijk waren geselecteerd voor werk in het concentratiekamp Auschwitz, aan in Braunschweig. Achthonderd man ging naar het subkamp aan de Schillstrasse in Braunschweig, de resterende vierhonderd man gingen naar de voormalige spinnerij in Vechelde, ongeveer tien kilometer verderop. (meer…)
Rond 1905 verscheen bij de Berlijnse uitgever Richard Eckstein het boek Eva im Paradies. Weibliche Freilicht-Akte nach Aufnahmen für Künstler und Kunstliebhaber (30 x 40,5 cm), met twintig foto’s van de keurige portrettenfotograaf Wilhelm Hümmer uit München. Het betrof Loseblattwerk, dat wil zeggen een map met foto’s die op karton waren bevestigd.


.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.
Het Außenkommando Vechelde in Braunschweig, een dependance van het concentratiekamp Neuengamme, bestond van september 1944 tot februari 1945 in de voormalige jutespinnerij aan de Aue, tussen de Spiegelbergallee en de Spinnerstraße in Vechelde, die de Joodse koopman Julius Spiegelberg (1833-1897) hier in 1861 had gevestigd. Hij richtte het bedrijf, de eerste jutespinnerij op het Europese vasteland, op met Schotse experts en Engels kapitaal. Hij liet zijn werknemers opleiden door jutespinners uit het Schotse Dundee. Omdat de financiering niet uitsluitend via Duitse investeerders kon worden verkregen, wist Spiegelberg Engelse investeerders te overtuigen en richtte hij in 1866 met hen de British and Continental Jute and Flax Works Company Ltd. op, gevestigd in Londen en Braunschweig. Het bedrijf leunde echter zwaar op kinderarbeid en Spiegelberg verzette zich dan ook heftig tegen maatregelen eind negentiende eeuw om de kinderarbeid aan te pakken. Dat was uiteraard een hopeloze strijd. Vanwege een gebrek aan arbeidskrachten werd de spinnerij in 1926 gesloten en sindsdien stonden de werkplaatsen leeg. Aan de voormalige spinnerij herinnert slechts de toegangspoort, de ‘Jutepoort’, die tegenwoordig vooral een gedenkteken is voor de slachtoffers van het concentratiekamp Vechelde. (meer…)

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.
Carla Drukker werd op 20 juni 1936 in Amsterdam geboren in de Marcusstraat 15-2, waar haar ouders die maand waren gaan wonen. Haar vader Maurits Drukker (Amsterdam, 10 juni 1907 – Amsterdam, 13 april 1986) was de zoon van de winkelier Simon Drukker (Amsterdam, 29 april 1877 – Auschwitz, 24 september 1942) en Roosje Drukker-Jacobs (Den Helder, 13 augustus 1876 – Auschwitz, 24 september 1942). Maurits Drukker had in de Marcusstraat een fotostudio. Hij maakte voor de oorlog de foto van Frieda van Hessen (Amsterdam, 1915), voor de oorlog een bekende operazangeres. Ze overleefde de oorlog in de onderduik, emigreerde na de oorlog naar de Verenigde Staten waar Frieda (Fietje) haar carrière met succes vervolgde en overleed op 106-jarige leeftijd. Maurits Drukker was op 6 maart 1930 getrouwd met Sophia Levit (Amsterdam, 20 oktober 1907 – Amsterdam, 20 januari 1981). Maurits komt voor in de militieregisters waar op 3 november 1926 wordt vastgesteld dat de 19-jarige persfotograaf Maurits Drukker vanwege ‘kniegebrek (breuk) ‘ definitief ongeschikt is voor militaire dienst. Op 22 oktober 1940 werd hij, nog steeds genoemd als persfotograaf, een keer op verzoek van de Nijmeegse politie samen met Abraham Blitz gearresteerd vanwege overtreding van de Distributiewet en enkele dagen vastgehouden. (meer…)

.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
De Gelderse Poort is een natuurgebied dat in Nederland en Duitsland ligt. Het ligt tussen Nijmegen, Kleve, Arnhem en Emmerik, langs de oevers van de Waal, het Bijlandsch Kanaal, het Pannerdens Kanaal, de Nederrijn en Rijn. De Gelderse Poort dankt haar naam naar de plek (de poort) waar de Rijn zich door een stuwwal werkte die tijdens de ijstijd was gevormd. Het is daarmee het beginpunt van de omvangrijke Rijndelta. De Gelderse Poort bevindt zich tussen de stuwwallen Montferland (met de Elterberg) en het Rijk van Nijmegen met het Reichswald, die vroeger met elkaar verbonden waren. Tot het moment van de doorbraak stroomde Rijn ten zuiden van de stuwwallen, ongeveer daar waar tegenwoordig het dal van de Niers is gelegen.
De Rijnstrangen maken onderdeel uit van het natuurgebied De Gelderse Poort, namelijk in het gebied waar de Rijn zich splitst in de Waal en het Pannerdens Kanaal. De strangen waren lang een gewoon onderdeel van de rivier en waren belangrijk voor de waterverdeling naar de verschillende Rijntakken. Vanaf omstreeks 1965 werden de Rijnstrangen van de rivier afgekoppeld. Het strangengebied ziet er nog wel uit als een riviergebied, maar zijn langzaam een binnendijks moerasgebied geworden dat gevoed wordt door kwelwater uit het Montferland. (meer…)

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
.
Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.