DE FAMILIE STASTOK (7)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (20)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie (2)

‘Het is,’ zei Keesje, ‘in ’t geheel geen man. ’t Is een dwerg, meheer! Een dwerg, zo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee in een spul reizen. Maar ’t is een kwaad kreng. Ikken hem goed.’
Ik wenste hartelijk naar wat meer orde in de berichten van Keesje.
‘Hij is uit het Huis,’ hernam hij na een ogenblik zwijgen: ‘hij loopt over straat as ‘en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er ‘en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten Klein Klaasje dansen. Dan springt ie om een stok net as zo’n aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens zo groot. Ik heb geen bochel, meheer!’ liet hij er met een zucht op volgen.
Terecht begreep ik dat Keesje minder jaloers was van den bochel dan van diens geldige vrucht.
‘Ik wou,’ ging hij op een treurige toon voort, de rok een veel harder streek met de schuier gevende, dan voor laken van negen gulden dienstig was; ‘ik wou dat ik een bochel had. Ik zou nies uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen… Maar ik zou niet drinken,’ zei hij, eensklaps van toon veranderende. En den volzin omkerend, voegde hij er, zeer bedaard de rok van de knaap nemend en hem opvouwend, nog eens bij: ‘Drinken zou ik niet.’
‘Keesje,’ zei ik, ‘toen je de tuin doorkwam, en toen ik je aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik zie je liever bedroefd!’
De oude ogen schoten weer vol tranen; hij stak zijn dorre handen naarmij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje varen.

‘Och,’ zei hij – ‘och meheer weet dat zo niet; – maar ik ben – ik ben veel bedroefder dan boos. Maar Klein Klaasje het me mishandeld. Klein Klaasje is slecht. De mensen,’ ging hij voort, naar het schoensmeer bukkend, ‘de mensen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht.’
‘Hoor eens, Keesje!’ zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot opslaand; ‘ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld, wat heeft Klein Klaasje je gedaan?’
‘Het zel niet helpen,’ zei Keesje, ‘maar ik zel et doen, as u ’t niemand zegt. Kent meheer et Huis?’
‘Welk huis?’
‘Van de Diakenie.’
‘Ik heb het in ’t voorbijgaan gezien.’
‘Goed. Et is een lelijk huis, is et niet? een lelijk huis; met rooie deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou; meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm; ik kan ’t niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op ’t kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen kopere’ cent meer; maar ik krijg toch de’ zakduit. Hier,’ zei hij, een bonte katoenen zakdoek uithalende, ‘deuze, en,’ op zijn tabaksdoos kloppend, ‘en deuze, heb ik van me zakduit gekocht.’
Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te horen spreken van ‘als ik oud word’!
‘Klaas,’ – ging hij voort – ‘zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook een zakduit. Maar wat doet Klaas? Klaas doet niets dan nou en dan de straat voor iemand wieden. Klaas houdt zich gek; Klaas danst met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen, dan wandelt Klaas de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?’
Stastok - 4 diakenhuismannetje b‘Neen Keesje.’
‘Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt Klaas ‘en borrel, en welreis twee, en welreis drie borrels.’
‘En als hij dan in ’t Huis komt?’
‘o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een grote pruim tabak. Hij haalt ‘en oranjeschilletje bij de’ drogist. Soms merkt de Vader et. Dan krijgt hij ‘en blok an zen been, want hij is te oud om op den bok gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar wat is ’t as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen: St… jongens! Klaas is ondeugend geweest; Klaas het ‘en graantje gepikt; en de Vader het Klaas al zen centen afgenomen. Je begrijpt wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet.’
Ik begreep het volkomen.
‘Maar dat zijn zijn zaken,’ ging Keesje voort, een schoen van mijn oom opnemende, die hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette; ‘maar wat hoeft ie mijn ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel et u vertellen. Ik had geld, – ik had veul geld, – ik had twaalf gulden!’
‘En hoe kwam je daaraan, Keesje?’
‘Met God en met ere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek was. Somwijlen, als ik ‘en drankje buiten de stad brocht, op een buitenplaas of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef de’ loper een dubbeltje; ’t is slecht weer. Zo had ik twaalf gulden bij mekaar. Ik mocht die in ’t Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze; op me hart.’
‘En waartoe bewaarde je die? Had je dat geld nodig; of deeje ’t alleen om het plezier van het te hebben?’
‘Och, meheer!’ zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende: ‘as ik et zeggen mag, de rijke lui weten dat zo niet; de Regenten weten ’t ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. ’t Gaat alles goed bij zulke mensen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben ’t goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt ’t Huis ‘en os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten we allemaal gehakt; en de heren hebben ‘en partij en eten de tong. We hebben ’t er heel goed; maar ‘en mens, meheer, denkt altijd om zen dood.’
‘Ik denk nogal dat je ’t na je dood ook heel goed zult hebben, Keesje!’ zei ik.
‘Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?’
‘Wat is dat, Kees?’
‘Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen ’t goed an van ’t Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na ’t kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, als ik dood was, geen diakenhuisgoed anhebben…’
Hij zweeg een ogenblik; en weder kwamen de tranen.
‘Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zo as ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben.’
Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordelen. De rijken der aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!
‘Meheer begrijpt wel!’ ging hij, enigszins schor, voort, ‘dat daar die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog meer; ik wou fassoendelek begraven worden. Ik heb geen verstand van die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan twee gulden voor de mensen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers voor een draagplaas an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De bediende van den apteker had het zo beschreven; het geld was in et pampiertje; en alles in een leren zakkie: dat heb ik dertig jaar op me hart gehad… en nou is het wèg…’
‘Heeft Klaas het gestolen?’ vroeg ik.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: