EEN NEDERLANDSE HELD

De verzetsstrijder Jan Verleun is een van de weinigen uit het verzet die aan de vergetelheid zijn ontrukt. Een beetje althans, want Nederland gaat slordig om met zijn helden. Harder geformuleerd, Nederland houdt niet van helden. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Waar in de meeste landen helden op allerlei wijzen geëerd worden en geprobeerd wordt alle dode helden in het collectieve geheugen vast te pinnen, lijkt Nederland er vooral op uit om helden zo snel mogelijk weer te vergeten. Het gevolg is dat de meeste landgenoten amper enig besef hebben van de hoeveelheid activiteiten die in de oorlogsjaren onder grote dreiging zijn verricht. Men is zelfs geneigd te denken dat er amper enig verzet is geweest en, nog erger, dat bijna alle Nederlanders al dan niet met volle inzet met de bezetters collaboreerde. Men heeft amper weet van het grote aantal verzetsstrijders dat door de Duitsers is gefusilleerd of naar een van de vernietigingskampen is gestuurd. Slechts een enkele naam is blijven hangen en dat zijn ook steevast dezelfde namen die dan opduiken. Het merendeel is echter geruisloos verdwenen in ‘de mist van het schimmenrijk’, zoals de schrijver Hermans de vergetelheid zo fraai omschreef.

Willem Frederik Hermans (1921-1995, een van onze meest geroemde auteurs en onder meer de schrijver De donkere kamer van Damocles (1958) dat erg geïnspireerd is door de activiteiten van de links-radicale verzetsgroep CS-6, publiceerde in 1979 de bundel Houten leeuwen en leeuwen van goud, dat meer dan dertig korte stukken bevat die Hermans verspreid over een langere periode had gepubliceerd. De vroegste bijdrage stamt uit 1963, maar het grootste deel van de artikelen schreef Hermans in de tweede helft van de jaren zeventig. Hermans bracht de bijdragen onder in zeven thematische hoofdstukken en vatte, in een speciaal voor de bundel geschreven voorwoord, het overkoepelende thema van de geselecteerde stukken samen als ‘de afbraak van de taboes’. In een van die stukken schrijft Willem Frederik Hermans schrijft over Jan Verleun: ‘Ook voor niet-gelovigen zijn de afscheidsbrieven van J. Verleun, die verscheidene landverraders had neergeschoten, aangrijpende lectuur, met soms een ondertoon van zwarte humor: “Ik had gehoopt na de oorlog een of twee sterren op mijn kraag te krijgen, maar ik zal eerder zoveel sterren hebben als ik wil. Ik heb er geen spijt van. Integendeel. Mijn ster zal meer schitteren dan ooit. Ik ga nu naar Boven om door de Meester aller dingen geridderd te worden om m’n ster aan de hemel te bezitten.” Maar heel wat anderen zijn ook op die manier gesneuveld, zonder dat hun namen ooit nog ergens worden vermeld. Nederland houdt niet van helden.’

De verzetsstrijder Jan Verleun kwam door de liquidaties waarbij hij betrokken was in steeds grotere gewetensnood en had er behoefte aan hierover te praten. Daarom kwam hij af en toe naar huis, waar hij over zijn verzetsdaden sprak met Do, zijn twee jaar jongere zus. Zittend op het aanrecht vertelde hij zijn zus allerlei verhalen over het verzetswerk en wat dat deed met zijn gemoedstoestand. Die zus, Do du Preez-Verleun (11 december 1921), vertrok vlak na de oorlog naar Zuid-Afrika en schreef daar haar oorlogsherinneringen op. Een verhaal dat ze in de loop der tijd steeds verder verbeterde. Samen met de schrijfster Pauline Wesselink (31 mei 1949) werd dat verhaal omgewerkt naar het boek Soldaat in verzet – De belofte die Jan Verleun het leven kostte, dat in 2004 verscheen. Daaruit onderstaand hoofdstuk 10 over de NSB en stempels.

De volgende geschiedenis, die waarschijnlijk rond hetzelfde tijdstip in 1941 plaatsvond, vertelde Jan in 1943 aan Do om haar op te vrolijken na zijn sombere bekentenis.

‘Iemand van onze groep was gevraagd om rubberstempels te bemachtigen die nodig zijn voor de perfecte afwerking van valse papieren. We hadden geen idee hoe we dat voor elkaar konden krijgen, maar zagen het als een uitdaging en zeiden ons best te zullen doen.’
‘Maken jullie dan valse persoonsbewijzen?’ vroeg Do.
‘Nee, dat is een speciaal soort werk. Alles moet perfect nagemaakt worden naar het origineel: de kwaliteit en kleur van het papier, de drukletters en de dikte van de lijnen waarin de getypte gegevens staan. Alleen een specialist met een loep zou er een verschil in kunnen ontdekken. Maar zoals je weet kijkt men bij een controle het eerst naar het stempel.’
Hij vertelde dat in Den Haag regeringsgebouwen waren overgenomen door Duitse instanties en ging verder:
‘Op de hoek van een blok huizen aan een hoofdstraat staat een kantoorgebouw waarin een deel van de openbare administratie is gevestigd. In de straat daarachter en aan de zijkant staan huizen en flatgebouwen niet hoger dan het benedenhuis en twee etages.
M’n vriend en ik gingen het gebouw binnen. Een soldaat achter een tafeltje in de hal keek op van een boekje toen de draaideur in beweging kwam. Hij zag geen petten van officieren en bleef rustig zitten op z’n stoel die op twee poten schuin tegen de muur leunde. We kregen geen kans om te vragen waar we moesten zijn voor een ausweis. Dat is een papier dat toestemming geeft om gedurende het uitgaansverbod in een verboden gebied of buiten te mogen zijn; met andere woorden, de houder is iemand die de Duitsers nodig hebben. De soldaat hield een vinger op de regel waar hij mee bezig was en wees met een andere naar een lijst die naast de trap op de muur was geplakt. M’n vriend bestudeerde de informatie, terwijl ik probeerde de titel en de naam van de schrijver van het boek te lezen. Ik veronderstel dat het ‘Mein Kampf’ was, geschreven door Hitler toen hij in de gevangenis zat voor ordeverstoring; het had dezelfde kleur en was dezelfde maat als de goedkope uitgave, maar zeker weet ik het niet, omdat m’n vriend kuchte en mij wenkte met hem mee te gaan.
Op de trap vertelde hij waar we moesten zijn. Op de tweede etage aangekomen, sloten we ons aan bij de wachtende rij. De laatste man introduceerde zich en vroeg of we allebei een ausweis nodig hadden. M’n vriend gaf een verzonnen naam op en zei dat ik hem gezelschap hield. De twee begonnen een gesprek en ik wandelde naar het raam aan het eind van de gang, waar ik uitkeek over daken. De achterplaats van het gebouw was afgesloten door een muur, waarin een hek zat. Weer teruggekomen, zei ik dat het mooie weer me tot wandelen lokte en voegde de daad bij het woord.

Er stonden alleen een geparkeerde auto met het okerkleurige militaire nummerbord en een paar fietsers in de weg toen Jan de rijweg overstak. Slenterend ging hij naar een etalage waar grijze, witte en oudroze overhemden waren uitgestald. Do merkte op dat roze geen kleur was voor een man, maar Jan veronderstelde dat tijdens een feest menig vrouwelijk oog gericht zou zijn op een blonde Germaan in een rozekleurig overhemd en ging door met z’n verhaal.
‘Er stond nog iemand naar de etalage te kijken. Hij foeterde: ‘Goeie god wat een prijzen! Als ze van katoen waren zou je het graag betalen, maar voor surrogaat … voor die rotzooi …’
We waren de enigen, het was aan mij er al of niet op in te gaan. Ons praatje werd een ernstig gesprek tot de man op z’n horloge keek en zei het jammer te vinden maar hij moest opstappen. Ik vroeg welke kant hij opging en stelde voor met hem mee te lopen om ons gesprek voort te kunnen zetten. Niet veel later deed een verschil van mening ons stilstaan; omdat we de voorbijgangers in de weg stonden, liepen we naar de rand van het wandelpad.
In het kantoorgebouw tegenover ons kondigde de zoemer het middaguur aan en al spoedig kwam het personeel door de draaideur naar buiten. Even later moest ik links afslaan. We bedankten elkaar voor het interessante gesprek en zeiden allebei dat we elkaar nog eens hoopten te ontmoeten.
Dat gebeurde binnen vijf minuten in een rustig koffiehuis een paar straten verder. Allebei beschreven we de officier die we bespied hadden en waren er zeker van dat die twee op elkaar gewacht hadden om samen ergens te gaan eten.
Dat was op een maandag; de rest van de week passeerden we allebei iedere dag op dezelfde tijd het gebouw in gezelschap van een ander in onze groep. Zonder mankeren wachtten de twee hoge petten op elkaar en gingen samen naar een restaurant. Op vrijdag wandelden een meisje en ik langs het gebouw naar de achterkant, waar zij door het hek de achterplaats bestudeerde. Er stonden vuilnisbakken naast de achterdeur, die waarschijnlijk alleen werksters gebruikten. Op het hek zat een ketting met een slot erom; vanaf de straathoek was een gedeelte van de achterdeur zichtbaar.
Een paar dagen later konden we allen zo goed als blindelings twee ramen aanwijzen op een tekening van de zijkant van het kantoorgebouw.
Alleen of hoogstens met twee kwamen zij die aan het waagstuk deelnamen van verschillende zijden naar de achterplaats van het bedrijf waarvan de eigenaar aan één van ons bekend was. Deze man hielp met het klaarzetten van wat we nodig hadden. Tien minuten later reed een wagen van de voedselvoorziening tussen de hekken door en werd alles ingeladen. Als laatste klom de relatie van de eigenaar in de laadruimte. De jongeman die een employé is van de voedselvoorziening * en George genoemd werd, sloot de deuren achter zich en ging naast de chauffeur zitten.’
Jan dacht even na voor hij zei dat hij de bestuurder Chauf noemde als afkorting van chauffeur en voegde eraan toe dat het een goeie schuilnaam zou zijn; het geluid droeg wel door de lucht en voorbijgangers zouden het horen als een logische afkorting.
Vol bewondering voor de man zei hij: ‘Geef Chauf een briefje en je weet dat het zo snel mogelijk op het adres aankomt; vraag hem z’n kameraden ergens op een bepaalde tijd heen te brengen en hij doet het. Hij vraagt nooit om een andere tijd te nemen die hem beter uit zou komen en ziet altijd een kans z’n werkschema om te zetten. Zonder mankeren weet hij het zo te plooien dat hij dag en nacht beschikbaar is. Hij en z’n vrouw zijn het eens dat het verzet op de eerste plaats komt; hun kleine kinderen hebben daar nog geen weet van.
Chauf blijft achter het stuur zitten en laat de motor lopen, terwijl anderen hun werk doen. Wanneer ze terugkomen, rijdt hij meteen weg.
Zijn werk is zeker zo gevaarlijk als het onze; zijn vrachtwagen waarop in grote letters Voedselvoorziening staat en een hakenkruis, is duidelijk herkenbaar. De man zou makkelijk op te sporen zijn, nadat de sabotage is ontdekt.’

Jan pakte z’n verhaal weer op met de aankondiging dat ze Den Haag naderden. Chauf vroeg of hij de eerste of de volgende afrit moest nemen. George was er zeker van dat het de eerste was en had daarom geen kaart nodig. Z’n vriend volgde zijn aanwijzingen tot ze parkeerden langs de rijweg op een paar huizenblokken afstand van het kantoor. Tien minuten te vroeg rekte de bestuurder zich uit en rookte een sigaret, terwijl zijn maat naar achter ging om er zeker van te zijn dat de lading niet verschoven was. Een voorbijganger zei lachend te hopen dat de jongeman ook de kans zou krijgen om op z’n gemak van een saffie te genieten. Voor Chauf en George betekende dit dat het wachten niet opvallend was.
Met een gangetje van 20 km passeerde Chauf het kantoorgebouw en ging de hoek om. Een meisje dat daar stond, wierp hun een handkusje toe. George zei lachend dat dat niet in de regels stond. Beiden hadden plezier in het kwieke ding dat haar wachttijd op de hoek aannemelijk maakte door de houding van een lichtekooi aan te nemen.
De wagen kwam tot stilstand. Terwijl George de ladingdeur opende, zwaaide de straatmadelief een groet naar haar collega op de andere hoek van het gebouw. Het duurde net iets te lang voor een bedeesd handje terugwuifde.
Twee mannen sprongen uit de achterdeur naar buiten, hun witte overalls werden boven de heupen bijeengehouden door professionele glazenwassersriemen met haken voor zeemleren en sponsen. Schuifladders schenen vanzelf uit de wagen te glijden, maar ze bleken moeilijk te balanceren toen het volle gewicht van de eerste ladder neerkwam op de schouder van de jongeman voor wie de overall veel te kort was. De tweede maakte een raspend geluid over straat vanaf de schouders van de ander, die de witte broekspijpen een paar keer omgeslagen had.
Geholpen door George en een andere man reikten de ladders spoedig tot de eerste en tweede verdieping waar, zoals de week daarvoor, de ramen openstonden om de vertrekken tijdens het lunchuur te luchten.
De mannen in wit pakten ieder een emmer met water op van het wandelpad. Ze hadden aangedrongen op de gevaarlijkste taak, omdat ze, zoals de mensen voor wie de stempels oneindige waarde hadden, van joodse afkomst waren.
Na de oorlog werd het Do duidelijk dat de twee Hans Katan en Leo Frijda waren, maar terwijl Jan het verhaal vertelde dacht ze aan de twee Amerikaanse komieken ‘What en Halfwhat’ die succes hadden in het begin van de stomme film.
De twee mannen die geholpen hadden met de ladders veranderden in voorbijgangers en wandelden in tegenovergestelde richting. George liep vlug naar het tweede meisje, zodat hij zich kon omkeren om het toneel gade te slaan. Hij beschreef het als volgt:
‘Zeemleren wapperden en sponzen dansten, terwijl de twee de ladders op renden. Ze zouden een snelheidswedstrijd van glazenwassers gewonnen hebben als het morsen van water niet meegeteld werd. Beiden kwamen tegelijk aan bij de eerste etage, waar de kleine man z’n emmer aan de ladder haakte en naar binnen glipte. Voor de ander hetzelfde kon doen op de tweede etage, floot de andere wandelaar de aria Ik ben de factotum uit De Barbier van Sevilla. Het was het sein dat iemand de straat inkwam en het betekende dat de lange man een raam moest wassen. Zich vastklemmend aan de ladder, keek hij naar beneden en hoopte dat de vrouw die met een boodschappentas aan haar arm om de hoek was gekomen, wijd genoeg om de ladder zou heenlopen. Hij slaakte een zucht van verlichting toen ze voor die tijd overstak, doopte zijn spons in het water en begon het raam te wassen dat het dichtste bij was.
Niet veel verder zette de vrouw haar tas neer en opende de deur met een sleutel die ze uit haar zak nam. Het fluiten ging over in de Triomfmars van Aïda. Onze man verdween in het kantoor en liet de stempels in z’n zakken glijden. Later zei hij te zullen krijsen wanneer hij nog eens een in water gedrenkte spons moest vasthouden. Als het z’n vrienden dwars zat dat het raam in zijn kamer geen licht meer doorliet, moesten ze er zelf maar iets aan doen.’
De korte ladder was al in de laadruimte getrokken door de mannen die in de auto waren achtergebleven; de meisjes en kleine glazenwasser werden ook naar binnen gehesen. Even later volgde de andere ladder en George sloot de deur achter de lange man en de fluiter. Zelf zat hij nog niet eens toen de wagen wegreed.
Blij in vrijheid adem te halen, reed Chauf met matige snelheid door de stad. In de bocht naar de snelweg drukte hij het gaspedaal dieper in. Een gekrijs kwam uit de achterlaadruimte.
Hij verminderde meteen vaart. George kon op z’n stoel klimmen om door het raampje in de laadruimte te kijken. Voor zover hij kon zien stond alles nog op z’n plaats.
Het geschreeuw veranderde in lachen. Chauf ging weer sneller rijden en zei, toen zijn maat weer veilig zat: ‘We kunnen ons dus aan het schema houden en eerst het geleende materiaal terugbrengen.’
Tegen Do lachte Jan: ‘Het schema! Op hun knieën of languit op de vloer bekeken onze kameraden de stempels bij het licht van een zaklantaarn. Maar wat ze hadden vergeten was artikel 22 dat zei: Giet het water terug in de flessen.’
Hij liet z’n zus weten dat de rest van de tocht zonder incidenten verliep:
‘Op de achterplaats werd het meisje dat achter het gebouw had staan posten weer in haar natte jurk geholpen door het andere meisje. Ondanks dat ze in de zon stond en het geleende jasje niet terug hoefde te geven, bleef ze rillen. Uiteindelijk gingen we ertoe over een regel te breken. In de Corellistraat is geen winkel, een wagen van de voedselvoorziening heeft daar niets te zoeken en kan zeker niet stoppen voor no.6. In plaats daarvan hielden we stil bij een groentewinkel niet ver van de hoek met de Beethovenstraat.’
Toen de wagen de Corellistraat passeerde, zag George natte rokken tegen rennende benen slaan. Een half uur later kwamen de mannen druppelsgewijs aan op no.6. De meisjes sneden en smeerden brood in de keuken; ze zagen er goed uit in kleding van mevrouw Boissevain, die vreselijk blij was dat alles goed was afgelopen.
De kleding van de mannen en de meisjes hing op hangertjes voor de open ramen nadat ze een poosje doorgebracht hadden in een ding dat een droogmachien wordt genoemd.
Flarden zonlicht bewogen over de uit het vuistje etende groep op de vloer. Ieder onderdeel van de succesvolle onderneming werd uit-en-te-na besproken. Eén van de mannen kreeg er genoeg van en vroeg een zoon des huizes een grammofoonplaat op te zetten.
Mevrouw Boissevain had iets in de keuken te doen; het is mogelijk dat Bach’s fuga in D er de oorzaak van was dat de meesten haar volgden. George bleef achter. De orgelmuziek kwam ten einde, het bleef stil tot één van de vier zei: ‘We hebben werk te doen. Als ze denken dat ze de oorlog gewonnen hebben door een paar stempels achterover te drukken, vergissen ze zich.’
‘Laat ze, ik ben blij dat Herman zich ontspant.’
‘Ik ook, maar dat betekent niet dat we allemaal kunnen blijven zitten. Waar is Charles?’
‘Hij leest z’n verloofde een lesje in een slaapkamer.’
‘Over de manier waarop ze zich gedroeg op de hoek? Volgens mij was dat uitstekende camouflage.’
De vier dachten dat de man waarschijnlijk jaloers was, maar waren ervan overtuigd dat niemand zich ongerust hoefde te maken over het meisje dat op dezelfde HBS was geweest als Charles en wist hoe ze met hem om moest gaan

Dit item was geplaatst door Muis.
<span>%d</span> bloggers liken dit: