ANDRIES KALTER (77)

Andries Kalter (Rotterdam, 11 november 1904 – Zwolle, 21 maart 1945) was de zoon van een Rotterdamse expediteur. Bij het uitbreken van de oorlog woonde de Nederland-Hervormde Andries Kalter in Nieuw-Amsterdam, dat samen met de pal daarnaast gelegen een tweelingdorp vormt, die sinds januari 1998 bij de gemeente Emmen horen. Hij was er grossier in groenten en aardappelen. In zijn woonplaats begon Kalter vanaf 1941 met het helpen van de tientallen Franse en Poolse krijgsgevangenen die erin waren geslaagd uit een van de Duitse concentratiekampen te ontsnappen. Dat betrof gevangenen uit de Emslandkampen, een groep van kampen in het Emsland en het graafschap Bentheim, gelegen in Noordwest-Duitsland in de buurt van de Nederlandse grens; aan de Nederlandse kant van de grens grofweg van Winschoten tot Coevorden. In totaal vielen onder de Emslandlager vijftien kampen die vanuit Papenburg werden geleid. Daarvan was Börgermoor het meest gevreesde kamp. De naziregering en regionale overheden in het Emsland hadden een overeenkomst waarin werd bepaald dat de gevangenen als dwangarbeiders konden worden gebruikt om het uitgestrekte veengebied in het Emsland te ontginnen. De ontgonnen gebieden zouden bijdragen aan een grotere economische zelfstandigheid van Duitsland. De kampen hadden wisselende functies. Ze werden door de nazi’s gebruikt als: concentratiekampen (1933-1936), strafgevangenenkampen (1934-1945), militaire strafgevangenenkampen (1939-1945), krijgsgevangenenkampen (1939-1945) en buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme (1944/45). De veranderende functies van de kampen is verweven met de ontwikkelingsgeschiedenis van het nationaalsocialisme.

Via een vaste route kwamen de ontsnapten terecht bij Andries Kalter en plaatsgenoot Jaap Rotman, waarna ze op weg geholpen werden naar hun vaderland of Engeland. Het tweetal begeleidden tot juli 1942 veel vluchtelingen naar Goirle in Noord-Brabant, waar voor verder transport werd gezorgd. Door verraad kwam toen de Sicherheitsdienst hen op het spoor. Jaap Rotman (Sleen, 1 juni 1904 – Ebensee, 12 februari 1945) werd op 30 juli 1942 gearresteerd door rechercheur Hendrik de Kruijf uit Assen, die berucht was als jager op verzetsstrijders en ondergedoken Joden. Via Assen en Vught kwam hij terecht in het concentratiekamp Natzweiler in de Elzas. Toen de geallieerden oprukten werd Rotman in september 1944 eerst vervoerd naar Dachau en daarna naar Mauthausen. Hij werd tewerkgesteld in het Kdo Ebensee, waar hij op 12 februari 1945 door uitputting overleed.

Vanaf begin 1942 begint ook een stroom Joodse vluchtelingen naar Nieuw-Amsterdam en het nabij gelegen Nieuwlande te komen. In de dorpen woonden geen fanatieke NSB’ers of pro-Duitsers en degenen die enige sympathie in die richting hadden hielden wijselijk hun mond. Er werd dan ook Andries Kalter 2beweerd dat je wel stekeblind moest zijn om niet te zien dat het in het dorp wemelde van de Joden. Die aanvankelijke zorgeloosheid werd later duur betaald. In Nieuw-Amsterdam zijn uiteindelijk een relatief hoog aantal verzetsslachtoffers gevallen.

Het kon dus niet uitblijven dat de Sicherheitsdienst de ontsnappingsroute op het spoor kwam en wist dat men bij Kalter moest zijn. Op 31 juli 1942 werd bij hem een huiszoeking gedaan om hem te arresteren. Kalter was op dat moment echter in Den Haag, waar hij op tijd verwittigd werd wat er aan de hand was. Hij dook daarna onder in Enschede. In het politieblad van 20 augustus 1942 verscheen een opsporingsverzoek, dat niet alleen tegen hem was gericht maar ook tegen zijn plaatsgenoten en medeverzetsleden Hendrikus Albert Witvoet en Johannes Albertus Gerhard Tromp. In Twente vond hij onderdak bij vrienden die ook in het verzet actief waren. Binnen de kortste keren hoorde hij tot een groep verzetsstrijders die vanuit Mariënberg opereerde. De groep wist met succes een aantal leden uit het doorgangskamp Westerbork te bevrijden.

Kort nadat hij zich in Twente had gevestigd werd Kalter de leider van de Knokploeg Almelo. Vanuit die positie werd hij later commandant van het verzetswerk in Noordwest-Overijssel en de Noordoostpolder. Hij gebruikte daarbij schuilnamen als ‘Dries’, ‘Oom Jan’, ‘Gerard’ en ‘Blokzijl’. De KP-Almelo voerde allerlei sabotagewerk uit, waaronder overvallen op distributiekantoren om te kunnen zorgen voor het levensonderhoud van de vele onderduikers. Een van zijn medeleiders bij de KP Almelo was Derk Smoes (Vriezenveen, 7 december 1914 – Neuengamme, 14 maart 1945). Deze was het grote brein achter de spectaculaire bankroof op 15 november 1944 op het filiaal van de Nederlandsche Bank in Almelo. De KP Almelo wist dat de Duitsers een enorm geldbedrag nar dit filiaal hadden gebracht. Het bleek later ruim 46 miljoen gulden te zijn, waarmee de geslaagde bankroof de grootste gedurende de oorlog zou zijn. Onmiddellijk na de sluiting van de bank overvielen Smoes en twaalf andere KP’ers de bank. Smoes had er eerder gewerkt en kende het filiaal dus op zijn duimpje. Per vrachtwagen werd het geld overgebracht naar Daarlerveen en verstopt in een hooimijt. Twee weken later kwamen de Duitsers de overvallers door verraad van een landwachter op het spoor, gearresteerd en naar Duitse kampen getransporteerd.

De KP Almelo beraamde ook een overval op de gevangenis van Zwolle, waar Willem Lindenborn (Den Helder, 5 april 1910 – Zwolle, 22 maart 1945) gevangen zat. Lindenborn zou later in de gevangenis overlijden aan de gevolgen van de zware mishandelingen door de Sicherheitsdienst. De groep van Kalter en Smoes vervalste ook persoonsbewijzen, waarvan er honderden naar West-Nederland werden gebracht. In de omgeving werden door de geallieerden ’s nachts wapendroppings gedaan die dan door de verzetslieden snel in veiligheid werden gebracht. Die wapendroppings werden ook veelvuldig gedaan in Noordwest-Overijssel en de Noordoostpolder, waar Andries Kalter commandant van het verzetswerk was. Het hoofdkwartier daarvan was aanvankelijk gevestigd in Zwolle, maar werd later verplaatst naar Heeten bij Raalte.

Droppingterreinen NOP 17April 1945In de nacht van 8 op 9 september 1944 vond onder de codenaam Willow op het droppingterrein in de Noordoostpolder de eerste warendropping plaats. In Wierden bij Almelo stond een receptieploeg van de KP Almelo onder leiding van Andries Kalter klaar om de beloofde wapens te ontvangen. De KP-Almelo had al contacten met Engeland. Met de eerste dropping kwamen ook drie parachutisten, dat onder leiding stond van majoor Henk Brinkgreve. Ze beschikten over moderne wapens en apparatuur te beschikken. Daaronder een Eureka, een apparaat voor morseseinen waarop een vliegtuig bij een dropping kon aankoersen. Het drietal had verschillende opdrachten, waaronder de organisatie van het verzet en het organiseren van meer wapendroppings op diverse plaatsen. Brinkgreve bracht een verbeterde verbinding met Engeland tot stand en probeerde de samenwerking tussen de verschillende KP-groepen te verbeteren. Kalter speelde een sleutelrol in de verdere droppings in de polder. Soms kwam hij zelf, maar een enkele keer stuurde hij Willem ‘Pim’ Lindenborn, de leider van de KP-Zwolle, of T. ’Theo’ Visscher. Net als Kalter zouden ook deze twee verzetslieden de oorlog niet overleven.

Op 21 maart 1945 vind in het huis van de Zwolse boekhandelaar W. Jakma een vergadering plaats van de Landelijke Knokploegen. Toen de Grüne Polizei daar een inval deed, volgde een vuurgevecht waarbij Andries Kalter dodelijk werd getroffen. De Duitsers hadden geen flauw benul dat ze daarmee een van de kopstukken uit het verzet in Oost-Nederland hadden doodgeschoten.

Kalter werd daarna in Zwolle begraven, maar direct na de bevrijding werd hij op 2 mei 1945 herbegraven op de Algemene Begraafplaats te Nieuw-Amsterdam (vak 11, rij M, nr. 17). Andries Kalter was 40 jaar, was sinds 18 maart 1930 gehuwd met Willemke Luites Veldkamp uit Emmen en liet drie kinderen na. Op 7 december 1951 werd hij postuum onderscheiden met het Verzetskruis, dat zijn weduwe door koningin Juliana werd uitgereikt. Kalter kreeg eerder al de Escape and Evasion Assistance Certificate of the Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force, het Certificate of Commendation of the Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (op 21 augustus 19460, het Diplôme de Passeur de la République Française (7 november 1947) en het Franse Croix de Guerre 1939-1945, met verguld zilveren ster (8 september 1950).

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: