ELLIE HAMME -21

Ellie Hamme werd op 14 juni 1936 in Rotterdam geboren en onder de doopnaam Aaltje Hamme ingeschreven in het gebooorteregister. Ze was de twee dochter van Marcus Hamme (Den Haag, 24 december 1901 – Sobibor, 16 juli 1943) en Keetje Tromp (Groningen, 2 december 1905 – Haifa, 28 maart 1980). Zij waren op 26 augustus 1932 in Den Haag in het huwelijk getreden. Het echtpaar vestigden zich toen in Rotterdam. Daar kregen een jaar later hun eerste dochter, Hanneke (Rotterdam, 12 november 1933 – Karne Shomron, 7 maart 2020). Weer drie jaar later werd Ellie Hammer er geboren.

Marcus Hamme was sinds 1938 docent economische wetenschap aan de HBS in Oud-Beijerland en werkte als boekhouder bij de bank van zijn zwager Hartog Koopman (Oud-Beijerland, 24 november 1889 – Sobibor, 9 juli 1943). De eerste jaren ging Marcus dagelijks met de stoomtrein vanuit Rotterdam naar Oud-Beijerland. Toen het voor Joden verboden werd om nog gebruik te maken van het openbaar vervoer, fietste hij de afstand. Toen iets later zijn fiets in beslag werd genomen, verhuisde het gezin op 23 juni 1941 naar de Steenenstraat 14 in Oud-Beijerland, in een woning die Bastiaan Willem Hollaar enkele weken eerder op een veilig had gekocht. (meer…)

AUSSENKAMP 9 – BRAUNSCHWEIG BÜSSING-NAG

Büssing-NAG Vereinigte Nutzkraftwagen AG, gevestigd in de Schillstrasse in Braunschweig, bekleedde een belangrijke positie in de wapenproductie. Het bedrijf was in 1903 opgericht door Heinrich Büssing, ontwikkelde zich tot een van Duitslands belangrijkste fabrikanten van vrachtwagens en bussen en ging vanaf 1933 steeds nauwer samenwerken met het Duitse leger, waardoor Büssing-NAG voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijke voertuigleverancier voor de Duitse strijdkrachten werd. In 1944 vroeg het bedrijf aan de leiding van het concentratiekamp Neuengamme om arbeidskrachten om in het bedrijf te komen werken bij de productie van vrachtwagens. Voor de Wehrmacht. Vlak bij de hoofdfabriek werden vijf barakken gebouwd voor een buitenkamp aan de Wörthstraße (tegenwoordig Schillstraße). Het bedrijf zette ook het extra extern subkamp Vechelde op om de productie uit het stadsgebied te kunnen verplaatsen. Vanaf september tot november 1944 kwamen drie transporten met 1.200 gevangenen, die oorspronkelijk waren geselecteerd voor werk in het concentratiekamp Auschwitz, aan in Braunschweig. Achthonderd man ging naar het subkamp aan de Schillstrasse in Braunschweig, de resterende vierhonderd man gingen naar de voormalige spinnerij in Vechelde, ongeveer tien kilometer verderop. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 60

Rond 1905 verscheen bij de Berlijnse uitgever Richard Eckstein het boek Eva im Paradies. Weibliche Freilicht-Akte nach Aufnahmen für Künstler und Kunstliebhaber (30 x 40,5 cm), met twintig foto’s van de keurige portrettenfotograaf Wilhelm Hümmer uit München. Het betrof Loseblattwerk, dat wil zeggen een map met foto’s die op karton waren bevestigd.

089 – LENTE IN DE HOEFKAMP 4

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

088 – LENTE IN DE HOEFKAMP 3

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

ANTON DE KOM – DE GROOTE BRAND

Aan de bovenzijde der kolonie voltrekt zich de geschiedenis met de doodende eentonigheid eener machine. 27 Februari 1816 tot 9 Juli 1816 Gouverneur Willem Benjamin Panhuys. 1816 tot 1822 Gouverneur Cornelis Vaillant. 1822 tot 1827 Gouverneur Abraham de Veer. 1827 tot 1828 Gouverneur van den Bosch. 1828 tot 1831 Gouverneur Paulus Roelof Cantzlaer. 1832 tot 1838 Gouverneur Baron van Heeckeren. De kolonie is een doorgangshuis voor gouverneurs, een trede op de ladder der koloniale carrière. Men voert een nieuwen bestuurder in zooals men een baal katoentjes invoert uit Twente. Kennis der bevolking, liefde voor het land waarover men moet regeeren, verknochtheid aan den grond, dat alles is wijsheid die zoo goed en zoo kwaad het kan maar met het ambt moet komen. Voor het trekken van groote lijnen, voor het uitvoeren van een plan dat het gouverneurschap zal overleven, is de tijd te kort, het is ook niet noodig, men speelt slechts onder nikkers den politieagent van Europa, men brengt het bespaarde geld in een veilige kluis onder en hunkert ondertusschen naar den dag waarop men het vervloekte land kan verlaten. (meer…)

WILHELM HÜMMER

Wilhelm Hümmer had zijn atelier op hetzelfde adres als het atelier van de gebroeders Laifle, aan de Schellingstrasse 37 te München. Over de fotograaf is verder weinig bekend en ook over de relatie met de Laifles blijft het raden. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat beiden het atelier met alle dure apparatuur samen deelden. Wilhelm Hümmer hoorde zo ongeveer tot de laatste groep fotografen die de ‘carte de visite’ maakte.

Rond 1850 was een nieuwe afdruktechniek voor foto’s mogelijk geworden die het voor fotografen mogelijk maakte om makkelijker en goedkoper meerdere afdrukken van een negatief te maken: de albuminedruk. Fotografen gebruikten deze fotografische drukmethode in beginsel vooral om portretfoto’s te maken. De techniek werd ontwikkeld door de Franse fotograaf en uitvinder Louis Désiré Blanquart-Evrard (1802-1872). Het was de eerste commercieel toepasbare methode om van een negatief een fotografische contactafdruk op lichtgevoelig papier te maken. De albumine uit (kippen)eiwit werd gebruikt om de fotografische chemicaliën aan het papier te binden. De afdruk ontstaat door directe blootstelling aan licht, zonder de hulp van een ontwikkelaar, zoals in de modernere vormen van afdrukken. Het werd van 1855 tot het begin van de twintigste eeuw de meest gebruikte manier om foto’s af te drukken, met een piek in de periode 1860-1890. De vervaardiging verliep via een lastig proces: (meer…)

JOHANN, OSKAR EN AUGUST LAIFLE

Johann Laifle was een fotograaf uit Regensburg, die hier van 1865 tot 1900 actief was. Hij had hier een fotostudio voor het maken van portretfoto’s, maar maakte daarnaast ook landschapsfoto’s en stadsfoto’s van Regensburg. Later in zijn carrière begon hij met ‘Briefmarkenphotographie’, waarmee hij in allerlei bladen adverteerde. ‘Je eigen portret op een postzegels’, was daarbij de slogan. Hij gebruikte hiervoor een foto van de kinderoppas van gezin Laifle, die voorzien van een nep-postzegelrand op vellen papier werd gedrukt, geperforeerd en gegomd. Net als echte postzegels dus en de afnemer kon vervolgens een van de zegels op een enveloppe plakken. Het idee van deze nep-postzegels was overgewaaid uit de Verenigde Staten. Een zeeman uit Nantucket, Massachusetts maakte tussen 1851 en 1857 de zogenaamde New England Whalers Home Express-postzegel, die met een houtsnede werd gedrukt.

Het idee werd overgenomen door George A. Hussey die tussen 1854 en 1875 een ‘lokale post’ in New York City runde en jongens de brieven tussen banken, verzekeringsmaatschappijen en andere bedrijven liet bezorgen. In 1858 hernoemde Hussey het bedrijf tot ‘Hussey’s Instant Special Message Service’ en gaf hij zijn eigen postzegels uit. Hij had namelijk al vroeg opgemerkt dat veel van die jonge bezorgers postzegels verzamelde, ook die van koeriersdiensten zoals die van hemzelf. Ze zochten zelfs in prullenbakken naar weggegooide enveloppen. Hussey begon daarom zijn postzegels aan verzamelaars te verkopen voor de aangegeven waarde. Later breidde hij zijn aanbod uit met postzegels van andere lokale posterijen. Die waren schaars, dus liet hij een drukker facsimile’s maken. Van lieverlee werd George Hussey postzegeluitgever en -handelaar. In de jaren 1860 drukte en verspreidde Hussey 200 verschillende postzegels, waarmee hij de markt overspoelde met zeldzame exemplaren van particuliere postbezorgers en lokale posterijen, die hij aan verzamelaars en handelaren over de hele wereld verkocht. Zodra de postzegels uit zijn handen waren, vervaagde hun status als facsimile en werden veel ervan als echt verkocht. (meer…)

AUSSENKAMP 8 – BRAUNSCHWEIG / VECHELDE

Het Außenkommando Vechelde in Braunschweig, een dependance van het concentratiekamp Neuengamme, bestond van september 1944 tot februari 1945 in de voormalige jutespinnerij aan de Aue, tussen de Spiegelbergallee en de Spinnerstraße in Vechelde, die de Joodse koopman Julius Spiegelberg (1833-1897) hier in 1861 had gevestigd. Hij richtte het bedrijf, de eerste jutespinnerij op het Europese vasteland, op met Schotse experts en Engels kapitaal. Hij liet zijn werknemers opleiden door jutespinners uit het Schotse Dundee. Omdat de financiering niet uitsluitend via Duitse investeerders kon worden verkregen, wist Spiegelberg Engelse investeerders te overtuigen en richtte hij in 1866 met hen de British and Continental Jute and Flax Works Company Ltd. op, gevestigd in Londen en Braunschweig. Het bedrijf leunde echter zwaar op kinderarbeid en Spiegelberg verzette zich dan ook heftig tegen maatregelen eind negentiende eeuw om de kinderarbeid aan te pakken. Dat was uiteraard een hopeloze strijd. Vanwege een gebrek aan arbeidskrachten werd de spinnerij in 1926 gesloten en sindsdien stonden de werkplaatsen leeg. Aan de voormalige spinnerij herinnert slechts de toegangspoort, de ‘Jutepoort’, die tegenwoordig vooral een gedenkteken is voor de slachtoffers van het concentratiekamp Vechelde. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 062

Giovanni Ambrogio de Predis (Preda, ca. 1455 – ca. 1508) was de jongste van de zes zonen die zijn adellijke vader uit drie huwelijken kreeg. Zijn oudste halfbroers Evangelista en Cristoforo, beiden uit het eerste huwelijk, waren respectievelijk schilder en miniaturist. Giovanni werd waarschijnlijk opgeleid door zijn broer Christoforo. In 1472 en 1474 maakte Giovanni als miniaturist twee gebedenboekjes voor Vitaliano en Francesco Borromeo. In 1479 was hij samen met zijn broer werkzaam bij de munt van Milaan. In 1482 werkte hij als portretschilder voor de Sforza’s. Hij zou van hen een stuk satijn cadeau hebben gekregen als compensatie van een niet-gespecificeerd werk, misschien een schilderij dat aan Eleonora van Aragon, de hertogin van Ferrara, werd geschonken. De Predis bouwde een reputatie op als portretschilder en schilder van miniaturen. In 1483 zouden de broers De Predis hebben samengewerkt met Leonardo da Vinci aan het altaarstuk Madonna in de grot voor de San Francesco Grande van Milaan, waarvoor zij de zijpanelen zouden verzorgen. Giovanni werkte in opdracht voor het hof van Ludovico Sforza. Voordat keizer Maximiliaan I bereid was om te trouwen met Ludovico Sforza’s nicht, Bianca Maria Sforza, verzocht hij om een portret van haar, om een idee te krijgen van haar uiterlijk. Predis kreeg de opdracht. Na haar huwelijk volgde Predis haar in 1493 naar Innsbruck. Na een jaar keerde hij terug naar Milaan, waar hij onder meer munten, wandtapijten en toneeldecors ontwierp. In 1502 produceerde hij zijn enig overgeleverd, gesigneerd en gedateerd werk: een portret van keizer Maximiliaan. Veel van de artistieke productie van Predis blijft onderwerp van dispuut. Deze Drie Gratiën wordt alom ook aan hem toegeschreven. (meer…)

087 – LENTE IN DE HOEFKAMP 2

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

086 – LENTE IN DE HOEFKAMP 1

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, april 2007.

J.J. SLAUERHOFF – ENKELE GEDICHTEN

Jan Jacob Slauerhoff (Leeuwarden, 15 september 1898 – Hilversum, 5 oktober 1936), auteursnaam J. Slauerhoff, was een van de belangrijkste Nederlandse dichters en romanschrijvers van het interbellum. In de periode 1923-1935 was hij met tussenpozen scheeparts en reisde op die manier de hele wereld over. Die werden vanwege zijn slechte gezondheid vaak onderbroken door tijden in Nederland, waar hij baantjes als huisarts aannam. Hij had veelvuldig last van maagbloedingen en astma-aanvallen. In 1931 werd Slauerhoff weer ziek (influenza en longontsteking), ging in het Italiaanse Merano kuren, maar nadat het eerste kind dat hij en zijn echtgenote zouden krijgen dood werd geboren, geraakte hij in een zware depressie. Gepaard met zijn vele lichamelijke klachten een penibele situatie. Vanaf dat moment werden de perioden van ziekte steeds langer, werden de symptomen ernstiger en liep zijn huwelijk met de danseres en balletschoolhoudster Darja Collin op de klippen. Tijdens een reis naar Zuid-Afrika kreeg hij malaria over een verwaarloosde tuberculose. Terug in Nederland stierf hij ernstig verzwakt in een rusthuis in Hilversum. Zijn werk was de jaren daarvoor al enigszins populair geworden en werd na zijn dood steeds populairder. Een werk met zowel romans over zijn reizen als dichtwerk, vaak met een duistere lading. Prima werk dus om nog eens te lezen als je zelf een beetje in een dipje zit. (meer…)

ODALISKEN – 39

Armand-Gabriel-Auguste-Claire de FRAGUIER (Besançon, 18 november 1803 – Besançon, 31 juli 1873) is een tamelijk obscuur schilder, die het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht in zijn geboortestad. Van hem zijn slechts een paar schilderijen bewaard gebleven, die behoorlijk goed laten zien waarom hij zo obscuur bleef. Hij was in zijn geboortestad een leerling van de romantische schilder Camille Joseph Etienne Roqueplan (Mallemort, 18 februari 1802/03, Mallemort – Parijs, 29 september 1855), die grote vermaardheid had schilder van landschappen, genrestukken en schilder van historische werken. De Fraguier was jarenlang president van de Société des amis des arts de Besançon, dat enkele werken van hem in bezit heeft. In de periode 1843-1859 heeft hij deelgenomen aan verschillende salons in Parijs. Zijn belangrijkste is zijn Odalisque au nargile uit 1846, ofwel de odalisk met de waterpijp. Hij heeft nog een andere odalisk geschilderd, misschien wel een voorstudie voor dit schilderij. Het originele schilderij is aanzienlijk minder fleurig dan de bijgewerkte afbeelding van het schilderij dat op internet rondgaat. (meer…)

DE DRIE ZUSTERS

Er zijn drie godinnen, drie zusters, die gestadig op de menschen waken, van hun geboorte tot hun dood. Dit was zoo en dit is nog zoo, al zijn er menschen die beweren dat het niet waar is. En ’t zal zoo altijd blijven. Die drie zusters heeten: Wara, Werdenda en Zala. Wara, de jongste, vergemakkelijkt de geboorte en geeft den boreling zijn pak deugden en ondeugden, gaven en tekortkomingen mee; Werdenda, de tweede jongste, geleidt de menschen door wel en wee, geluk en druk; Zala, eindelijk, de oudste en leelijkste van de drie zusters, is gelast de levensdraden af te snijden. Zij is oud en leelijk, nijdig en afgunstig, vooral op haar mooie zusters en ook op al wie door deze met schoonheid wordt bedeeld.
Eens werd er, in het noorden aan de zee, een kindeken geboren in een arme kluis. Vader en moeder zaten overgelukkig rond het wiegje. Het was treffend om zien. Wara was geroerd door ’t geluk van de ouders.
– Ik ga dat kindeken rijk bedeelen, zei ze, ’t zal schoon zijn en goed, edel van inborst en van geest vernuftig.
– En ik, sprak Werdenda, ik zal dit kindeken geleiden langs wegen van geluk en vreugd.
Toen verscheen Zala. Van haat en boosaardigheid vertrok haar wezen, wanneer zij zag wat haar zusters hier aan dat kindeken hadden toegediend; haar afgunstigheid kende paal noch perk wanneer zij ’t geluk van de ouders zag, die daar maar altijd in ’t schijnsel van een kaars naar hun wichtje zaten te kijken.
– Mijn zusters hebben ’t zóó gewenscht, sprak zij eindelijk, dit kind zal schoon zijn en goed; ’t zal wandelen langs wegen van geluk en vreugd… maar ’t zal sterven wanneer deze kaars is opgebrand.
En daarmede liep zij heen. Wara en Werdenda stonden verslagen. Maar ijlings blies Wara de kaars uit en vluchtte er mede, opgevolgd door Werdenda. Ze lieten een looden koker maken, borgen de kaars er in en wierpen hem heel ver in de zee, daar waar ’t water ’t diepste is. En zoo kon de wensch van de kwaadaardige Zala niet verwezenlijkt worden.
(meer…)

HANS SALENTIN

Hans Salentin (Düren, 22 juni 1925 – Keulen, 21 juli 2009) was de tweede zoon van de leraar Paul Salentin en zijn vrouw Helene. Vanaf 1936 bezocht hij in zijn geboorteplaats het Stiftische Gymnasium in Düren, waar hij door zijn tekenleraar gestimuleerd werd in zijn artistieke aspiraties. In de periode 1933-1945 stond dat Stiftische Gymnasium echter ook sterk onder nationaalsocialistische invloed, vooral door de toenmalige schoolleiding met Dr. Alfons Keus als directeur. Düren werd op 16 november 1944 bij een geallieerd bombardement bijna volledig met de grond gelijkgemaakt. Ruim 96% van de gebouwen ging tegen de vlakte, waarmee het de meest verwoeste stad in Duitsland was. Ook de nog tamelijke nieuwe gebouwen van het gymnasium aan de Zehnthofstraße overleefde het niet. Hans Salentin werd in 1943 opgeroepen voor militaire dienst en aan het Oostfront gestationeerd. In 1944 werd hij er krijgsgevangene gemaakt en enige tijd in een van de kampen van de Goelag Archipel in Siberië opgesloten. In augustus 1945 keerde hij ernstig verzwakt terug naar het compleet verwoeste Düren.

Van 1947 tot 1949 kreeg Salentin in Düsseldorf-Niederkassel les aan de schilderschool van Jo Strahn (Düren, 1904-Düsseldorf, 1997). Strahn had voor de oorlog al een schilderschool gesticht in Düren, maar die later verplaatst naar Düsseldorf en daarna naar een voormalige kruitfabriek in Düsseldorf-Niederkassel. Strahn was in 1933, 1941 und 1943 steeds vertegenwoordigd op de Großen Deutschen Kunstausstellung in München. In 1944 kocht Adolf Hitler voor een bedrag van 18.000 Reichsmark zijn olieverfschilderij ‘Ochsen im Hochacker‘, een werk dat typisch is voor het oeuvre van Strahn. Van 1950 tot 1954 studeerde hij aan de Kunstacademie Düsseldorf in een klas waar hij andere schilders leerde kennen die deel zouden gaan uitmaken van de Duitse tak van de Nul-beweging, zoals Paul Bindel, Heinz Mack, Otto Piene en Raimund Girke. In 1954 werd hij aangenomen als tekenleraar op een middelbare school in Düren. Later verhuisde hij naar Keulen, waar hij werkte als tekenleraar aan het klassieke gymnasium in Keulen-Mülheim. Van 1959 tot 1976 doceerde hij kunst als directeur aan het Schiller-Gymnasium in Keulen. (meer…)

CARLA DRUKKER – 20

Carla Drukker werd op 20 juni 1936 in Amsterdam geboren in de Marcusstraat 15-2, waar haar ouders die maand waren gaan wonen. Haar vader Maurits Drukker (Amsterdam, 10 juni 1907 – Amsterdam, 13 april 1986) was de zoon van de winkelier Simon Drukker (Amsterdam, 29 april 1877 – Auschwitz, 24 september 1942) en Roosje Drukker-Jacobs (Den Helder, 13 augustus 1876 – Auschwitz, 24 september 1942). Maurits Drukker had in de Marcusstraat een fotostudio. Hij maakte voor de oorlog de foto van Frieda van Hessen (Amsterdam, 1915), voor de oorlog een bekende operazangeres. Ze overleefde de oorlog in de onderduik, emigreerde na de oorlog naar de Verenigde Staten waar Frieda (Fietje) haar carrière met succes vervolgde en overleed op 106-jarige leeftijd. Maurits Drukker was op 6 maart 1930 getrouwd met Sophia Levit (Amsterdam, 20 oktober 1907 – Amsterdam, 20 januari 1981). Maurits komt voor in de militieregisters waar op 3 november 1926 wordt vastgesteld dat de 19-jarige persfotograaf Maurits Drukker vanwege ‘kniegebrek (breuk) ‘ definitief ongeschikt is voor militaire dienst. Op 22 oktober 1940 werd hij, nog steeds genoemd als persfotograaf, een keer op verzoek van de Nijmeegse politie samen met Abraham Blitz gearresteerd vanwege overtreding van de Distributiewet en enkele dagen vastgehouden. (meer…)

085 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD


.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

084 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD


.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 30

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 29

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 28

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 27

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 26

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

DE RIJNSTRANGEN

De Gelderse Poort is een natuurgebied dat in Nederland en Duitsland ligt. Het ligt tussen Nijmegen, Kleve, Arnhem en Emmerik, langs de oevers van de Waal, het Bijlandsch Kanaal, het Pannerdens Kanaal, de Nederrijn en Rijn. De Gelderse Poort dankt haar naam naar de plek (de poort) waar de Rijn zich door een stuwwal werkte die tijdens de ijstijd was gevormd. Het is daarmee het beginpunt van de omvangrijke Rijndelta. De Gelderse Poort bevindt zich tussen de stuwwallen Montferland (met de Elterberg) en het Rijk van Nijmegen met het Reichswald, die vroeger met elkaar verbonden waren. Tot het moment van de doorbraak stroomde Rijn ten zuiden van de stuwwallen, ongeveer daar waar tegenwoordig het dal van de Niers is gelegen.

De Rijnstrangen maken onderdeel uit van het natuurgebied De Gelderse Poort, namelijk in het gebied waar de Rijn zich splitst in de Waal en het Pannerdens Kanaal.  De strangen waren lang een gewoon onderdeel van de rivier en waren belangrijk voor de waterverdeling naar de verschillende Rijntakken. Vanaf omstreeks 1965 werden de Rijnstrangen van de rivier afgekoppeld. Het strangengebied ziet er nog wel uit als een riviergebied, maar zijn langzaam een binnendijks moerasgebied geworden dat gevoed wordt door kwelwater uit het Montferland. (meer…)

083 – ST. STEVENSKERK 11

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

SAUERLAND 25

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 24

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 23

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 22

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 21

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

078 – GEUZENWAARD 8

.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

082 – ST. STEVENSKERK 10

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

SAUERLAND 20

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 19

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 18

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 17

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 16

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

077 – GEUZENWAARD 7

.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.

081 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD


.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 15

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 14

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 13

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 12

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 11

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

080 – KITTY DE WIJZEPLAATS 3


.
Nijmegen, Kitty de Wijzeplaats, © Frans van den Muijsenberg, december 2007.

079 – KITTY DE WIJZEPLAATS 2


.
Nijmegen, Kitty de Wijzeplaats, © Frans van den Muijsenberg, december 2007.

SAUERLAND 10

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 09

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 08

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 07

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 06

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

076 – SONDERWYCKSTRASSE TE ELTEN 4

.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Martinuskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

078 – KITTY DE WIJZEPLAATS 1


.
Nijmegen, Kitty de Wijzeplaats, © Frans van den Muijsenberg, december 2007.

SAUERLAND 05

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 04

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 03

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 02

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

SAUERLAND 01

.

Vakantie in Sauerland, dag 1 – 22 juni 2007 – Wandeling op de Eisenberg bij Olsberg © Frans van den Muijsenberg.

075 – SONDERWYCKSTRASSE TE ELTEN 3

.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

KITTY DE WIJZEPLAATS

De plaats waar in Nijmegen de Ganzenheuvel, Priemstraat, Nonnenstraat en Smidstraat samenkomen, is met een raadsbesluit van 29 maart 1995 omgedoopt in de Kitty de Wijzeplaats. Het is een van de kleinste openbare ruimten in Nijmegen. Op 4 mei 1995 werd hier een Joods monument geplaatst, een bronzen beeld van een treurende persoon van de beeldhouwer Paul de Swaaf. De Stichting Joods Gedenkteken had op 20 februari 1995 laten weten de plaats te willen vernoemen naar één persoon als eerbetoon aan meer dan vierhonderd Joodse Nijmegenaren die gedurende de oorlog waren gearresteerd en in de Duitse vernietigingskampen waren vermoord. De keuze daarvoor viel op Kitty de Wijze, een van de jongste Nijmegenaren die in Auschwitz werden vermoord. In het midden van de kruising ligt een rond perkje met het twee meter hoge beeld en een boom. Het perkje is omheind met een hek waar twee davidsterren op staan. Achter het beeld ligt een gedenksteen waarop de bekende laatste regels uit het gedicht Vrede van Leo Vroman staan: ‘Kom vanavond met verhalen; hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.’ In de buurt van de Kitty de Wijzeplaats, in de Nonnenstraat, ligt de oudste Nijmeegse synagoge. Kitty de Wijze vertegenwoordigd alle Joodse slachtoffers uit Nijmegen. In maart 1941 telde Nijmegen op een bevolking van bijna 100.000 personen 522 geregistreerde ‘voljoden’. Van hen overleefden 433 de Shoah niet. Op de Kitty de Wijzeplaats worden jaarlijks op 4 mei alle namen van Nijmegenaren opgelezen die in de kampen zijn vermoord. In 2014 werd de Kitty de Wijze Stichting in het leven geroepen met als doelstelling: het behoud van het pand van de voormalige synagoge aan de Nijmeegse Gerard Noodtstraat en het cultiveren van het joodse erfgoed in Nijmegen. Daartoe is ook het Kitty de Wijze Centrum opgericht. Na vier jaar werd de stichting echter opgeheven omdat men de plannen financieel niet rond kreeg. (meer…)

DE KANDELAAR EN HET SERVET

22 juni 2007 – Sauerland 4

De eerste dag in Sauerland was voorbijgevlogen. Begin van de middag waren we aangekomen, hadden eerst een wedstrijdje kersenpitspuwen gedaan, daarna snel ingeboekt en de kapel bij het hotel bekeken en vervolgens een kort bezoekje gebracht aan Olsberg en haar Pfarrkirche St. Nikolaus. Het werd tijd om terug te gaan naar Hotel Schinkenwirt, tijd voor een stevige maaltijd. We bleken echter nog net iets te vroeg te zijn voor het diner. De kok was blijkbaar nog maar net gearriveerd en inderdaad, het was nog opvallend rustig in het restaurant, terwijl we zeker wisten dat het hotel volgeboekt was. Dus zat er niets anders op dan eerst maar wat te drinken. In dit geval een glas rode wijn. Gudrun, de bediende die de rest van de week overal opdook, bij de receptie, bij het opmaken van de bedden en dus ook in het restaurant, kwam met haar gebruikelijke glimlach de bestelling opnemen. Het was trouwens een behoorlijk stevige tante, die Gudrun. Je hoorde haar van verre over de houten vloer aankomen. We hadden er daarom direct omgedoopt in ‘Gedreun’, wat we ook rustig tegen haar konden gebruiken. Ze bleef onverstoord mooi glimlachen en zal ongetwijfeld hebben gedacht dat ‘die blöde Holländer’ niet eens haar naam keurig konden uitspreken. Wist zij veel van ons binnenpretje. (meer…)

MUSSENGELUK

.
Gedicht ‘Kans’ van Openbaar Geheim, 14 november 2018, © Frans van den Muijsenberg

FRANCESCO LO SAVIO

Francesco Lo Savio (Rome, 28 januari 1935 – Marseille, 21 september 1963) studeerde aan de Academie voor Schone Kunsten in Rome (diploma 1955) en ging daarna architectuur studeren. Hij werd sterk beïnvloed door Walter Gropius, het Bauhaus, De Stijl en Piet Mondriaan. In 1958 begon hij te werken als industrieel ontwerper.  In 1958 maakte hij zijn debuut op de Premio Cinecittà, een collectieve tentoonstelling georganiseerd door de Italiaanse Communistische Partij. Hij exposeerde er tegelijk met Mario Schifano, Sergio Lombardo, Renato Mambor en Tano Festa, zijn broer. Hij liet deze vroege ervaringen al snel achter zich. In het typische jargon van kunsthistorici: ‘In 1959 wijdde hij zich aan SpazioLuce, monochrome schilderijen op canvas waarmee de energetische mogelijkheden van kleur konden worden geanalyseerd. De zeer lichte luministische variatie van kleur van deze werken genereert een boog van ruimtelijk-lichtgevende effecten die zich vanuit het tweedimensionale picturale oppervlak uitbreiden naar de omgeving’. Of van een andere kunsthistoricus: ‘Lo Savio legt in zijn kunst net als de ZERO-kunstenaars een link met de dynamische eigenschappen van het licht in de kamer, wat hem tot een pionier van de minimalistische kunstenaars maakt. De monochrome juweeltjes van Savio uit 1959 en 1960 zijn gebaseerd op studies naar chromatische transparantie. De serie vierzijdige filters is gemaakt van ondoorzichtig en semi-transparant papier en heeft de geometrische vormen cirkel en vierkant.’ En een derde verwoordt het als volgt: ‘Het artistieke oeuvre van Francesco Lo Savio, gedefinieerd door geometrische precisie en elementaire tinten, dient als een dynamische kracht, pulserend van energie. Om zijn creaties echt te waarderen, moet men ze persoonlijk tegenkomen, confronteren, overpeinzen en zich onderdompelen in hun diepe spirituele resonantie. (meer…)

KATHEDRAAL VAN DE HEILIGE TRANSFIGURATIE IN ODESSA

In 1795 werd in Odessa begonnen met de bouw van de Oekraïens-orthodoxe Kathedraal van de Heilige Transfiguratie. De opdracht daartoe werd gegeven door tsarina Catharina de Grote, die In Rusland wordt beschouwd als de grondlegger van de stad Odessa omdat zij in 1794 de eeuwenoude stad Chadzjibej hernoemde in Odessa, een verwijzing naar de oude Griekse kolonie Odessos dat een stuk zuidelijker aan de Zwarte Zee lag. In 1794 gaf ze ook opdracht tot de aanleg van een grote haven in Odessa, waarvoor de Nederlandse ingenieur Frans de Wollant werd aangesteld. De Kathedraal van de Heilige Transfiguratie was gewijd aan de gedaanteverandering van Jezus (transfiguratie), een verhaal uit de synoptische evangeliën. Toen Paul I de nieuwe tsaar werd, kwam de bouw enkele jaren stil te liggen. Armand-Emmanuel de Vignerot du Plessis, Duc de Richelieu, de nieuw benoemde gouverneur van Nieuw-Rusland , huurde toen de Italiaanse architect Francesco Frappoli in om het gebouw te voltooien. In de elf jaar van dat Richelieu Nieuw-Rusland en Odessa bestuurde groeide de stad enorm en nam snel in belang toe, het werd uiteindelijk de derde grootste stad in het rijk qua bevolking. De dankbare bevolking van Odessa richtte in 1828 een bronzen monument voor hem op bij de naar hem genoemde Richelieutrappen. Sinds in 1925 op deze trappen de beroemde scène van de Russische film Pantserkruiser Potjomkin werd opgenomen, staan de trappen bekend als de Potjomkintrappen. (meer…)

CIMON EN PERO 24

Felice Giani (17 december 1758 – 10 januari 1823) was een Italiaanse schilder in de neoclassicistische stijl. Zijn belangrijkste thema’s waren afkomstig uit de Grieks-Romeinse mythologie. Hij werd geboren in het gehucht San Sebastiano Curone, in de buurt van Alessandria in de Noord-Italiaanse regio Piëmont. Al op jonge leeftijd verhuisde hij naar nabijgelegen Pavia, waar hij studeerde bij de schilder  Carlo Bianchi (1714-1784) en de architect Antonio Galli Bibiena (1697-1774), dit onder de bescherming van markies Luigi Botta. Toen hij twintig jaar oud was verhuisde hij naar Bologna, waar hij in de studio van Domenico Pedrini (1728-1800) en Ubaldo Gandolfi (1728-1781) ging werken. Hij verhuisde al snel naar Rome en vond werk in de decoratie van het Palazzo Altieri. Tussen 1780 en 1786 werkte hij in verschillende studio’s in Rome, onder bijvoorbeeld Pompeo Batoni (1708-1787) en Christoph Unterberger (1732-1798). Omstreeks 1796-1797 keerde de bijna veertigjarige Giani terug naar het noorden om te werken in Faenza, een plaatsje in de buurt van Bologna. Daar ging hij samenwerken met de schilders Serafino Barozzi (?-1810) en Giovanni Battista Ballanti (1762-1835), die beiden erg bekwaam waren in het schilderen in de quadratura-stijl. Het drietal was betrokken bij een reeks projecten, waaronder de frescodecoratie van de paleizen Laderchi, Naldi en Milzetti. De laatste wordt beschouwd als Giani’s meesterwerk. In Bologna decoreerde hij de Palazzi Aldini, Marescalchi, Lambertini Ranuzzi en Baciocchi. In Rome werkte hij in het paleis van de Spaanse ambassade, Palazzo Quirinale, en hij deed ook werk in Forlì, Ferrara, Ravenna en Venetië. (meer…)

074 – HUIS AERDT 1


.
Huis Aerdt te Herwen, oktober 2015 © Frans van den Muijsenberg.

077 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD


.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

BETRAPT!

22 juni 2007 – Sauerland 3

Nadat we in Hotel Schinkenwirt waren ingecheckt, was er nog volop tijd om iets te ondernemen. Het was immers nog maar amper half drie. Om nu al direct in het hotel aan de bar te gaan hangen? Een uur op de slaapkamer gaan zitten kijken naar de klok tot het eindelijk tijd is om een hapje te gaan eten, is ook geen aanlokkende gedachte. Dus togen we snel naar Olsberg, een paar kilometer verderop. Op het oog een slaperig stadje, dat wat meeprofiteert van het toerisme verderop in het Sauerland. Nu werden we een beetje misleid doordat het mooie weer wat was omgeslagen. Stond bij het kersenpitspuwen eerder die middag het zonnetje nog lekker te schijnen, in de tussentijd was het echt weer geworden iets warmers aan te trekken. Het verklaarde ook dat er weinig volk op straat was. (meer…)

WAAROM DE KABOUTERS UIT KEULEN ZIJN GEVLUCHT

In 1816 tekende gebroeders Grimm de mondelinge overlevering Des kleinen Volkes Hochzeitsfest auf der Eilenburg op in een bundeling sagen: ‘De kleine mensen van Eilenburg wilden op een dag een bruiloft vieren en daarom gingen ze ’s nachts door het sleutelgat en de kieren van het raam de hal in en sprongen op de gladde vloer, alsof ze erwten op de dorsvloer gooiden. De oude graaf, die in het hoge hemelbed in de hal sliep, werd wakker en was verbaasd over de vele kleine mannetjes. Toen kwam een ​​van hen, uitgedost als een heraut, naar hem toe en nodigde hem beleefd en met toepasselijke woorden uit om deel te nemen aan hun feest. “Maar één ding vragen wij,” voegde hij toe, “dat alleen u aanwezig bent; Geen van uw hofdienaren mag het feest aanschouwen, zelfs niet met een enkele blik.’ De oude graaf antwoordde vriendelijk: ‘Omdat je mijn slaap hebt verstoord, wil ik ook bij je zijn.’ Nu werd er een klein vrouwtje bij hem gebracht, kleine lampiondragers stelden zich op en er klonk krekelmuziek. De graaf had er moeite mee om de vrouw tijdens de dans niet kwijt te raken. Ze sprong zo gemakkelijk naar hem toe en draaide zich ten slotte zo ver om dat hij nauwelijks adem kon halen. Maar midden in de vrolijke dans stond alles plotseling stil. De muziek stopte en de hele menigte haastte zich naar de kieren van de deuren, muizengaten of waar dan ook een schuilplaats was. Maar het bruidspaar, de herauten en de dansers keken omhoog naar een opening in het plafond van de zaal en ontdekten daar het gezicht van de oude gravin, die ondeugend naar het vrolijke gezelschap keek. Vervolgens bogen ze voor de graaf, en degene die hem had uitgenodigd kwam weer naar voren en bedankte hem voor de gastvrijheid die hem was betoond. ‘Maar omdat’, zei hij toen, ‘onze vreugde en ons huwelijk zo verstoord zijn dat een ander mensenoog er oog voor heeft gekregen, zal jullie gezin vanaf nu nooit meer dan zeven Eilenburgers tellen.’ Toen renden ze snel, de een na de ander, naar buiten; Al snel werd het stil en de oude graaf was weer alleen in de donkere hal.  De vloek duurt tot op de dag van vandaag voort, en één van de zes nog levende ridders van Eilenburg is altijd gestorven voordat de zevende werd geboren.’ (meer…)

IN MEMORIAM AUGUST VAN GROENINGEN

In de Nieuwe Gids, jaargang 9, maart 1894 verscheen onderstaande In Memoriam van August van Groeningen, die op 12 februari 1894 in Rotterdam overleed, twee dagen voor zijn 28ste verjaardag. Vandaag 131 jaar geleden. Gezien de wat archaïsche bewoording zou het me niet verbazen dat het is geschreven door Arnold Aletrino. Het bericht verwoord ook perfect dat Van Groeningen altijd een buitenstaander is gebleven in het elitaire gezelschap der Tachtigers. Naar aanleiding van zijn tachtigste sterfdag in 1974 schreef zijn zus P. van Groeningen: ‘Vandaag is het juist 80 jaar geleden, dat August stierf. ’s Avonds om 7 uur. Mijn zusje en ik kwamen uit school (handwerkles) en, zoals kinderen zijn, kwamen we vrolijk aangelopen. Toen wij aanbelden vroeg August aan moeder: “Zijn de kleintjes er al?” “Dan wil ik naar de huiskamer.” Moeder hielp hem opstaan en met haar arm om hem heen geleidde ze hem. Ze hielp hem in z’n stoel, zo’n ouderwetse rieten leunstoel met kussens. Toen hij zat gaf hij de laatste snik. De “kleintjes” heeft hij niet meer kunnen zien.’  August van Groningen moest al op jonge leeftijd de kost verdienen voor hemzelf, zijn moeder en zijn zusjes, nadat zijn vader hert gezin in de steek had gelaten. Hij werd onderwijzer aan een kosteloze school in Rotterdam en schreef in zijn vrije tijd overwegend korte verhalen, meestal momentopnamen waarin een schrijnend stukje volksleven wordt vastgelegd, zoals een schaftuur van arbeiders of het lijden van een kind op de bewaarschool. Net als Arij Prins en Frans Netscher werd hij gerekend tot de ‘Zolaïsten’, hoewel hijzelf niet in het naturalistische vakje of enige ander vakje wilde worden gestopt. Zijn geestverwant Frans Netscher schreef na zijn overlijden: ‘Nu is het te laat, voor áltijd te laat om hem nog te zeggen, dat hij een artiest was, dat hij een groote, mooie toekomst zou gehad hebben en een eigen plaats in onze Kunst. En het eenige wat men nu nog voor hem doen kan, is zijn beide eenige boeken, die ooit van hem zullen achterblijven, ter hand te nemen. Maar niet alleen uit de egoïstische behoefte om voor zich zelf van wat moois te genieten, maar ook als een ongeziene hulde aan dezen artiest der somberheid en der zwijging’. Eerder verschenen van deze verteller over de toenmalige zelfkant in Rotterdam de twee verhalen Een dagje uit en Eene straat en eene gang. (meer…)

21 – ABU MUSA

De Straat van Hormuz is een zeestraat tussen de Perzische Golf in het westen en de Golf van Oman in het oosten. Ten noorden ervan ligt Iran en ten zuiden liggen de Verenigde Arabische Emiraten en Musandam, een exclave van Oman. Op het smalste punt is de straat slechts 54 kilometer breed. Het scheepvaartverkeer wordt op dat punt in twee routes verdeeld, elk drie kilometer breed. De westwaartse route loopt door de territoriale wateren van Iran. Tussen de oost- en westwaartse route is een buffer van drie kilometer om aanvaringen te voorkomen. De straat is diep genoeg voor de grootste olietankers. In de smalle straat liggen verschillende eilanden: Hormuz, het eiland waar deze zeestraat zijn naam aan dankt, Kish, Qishm, Abu Musa en de Grote en Kleine Tunbs, die geen oorspronkelijke bevolking hebben, maar wel een beperkt aantal Iraanse militairen.

De eilanden, die deel uitmaken van de provincie Hormozgan, hebben allemaal een grote strategische functie, met name de Grote en Kleine Tunbs en Abu Musa, een eiland van 12 km². Het is het meest zuidelijke Iraanse eiland en het dichtst bij de evenaar. De circa 2000 bewoners van Abu Musa noemen het eiland “Gap-sabzu”, wat groene plek betekent. Op historische kaarten wordt het eiland ook wel Bumuf of Bum-i Musa genoemd, Perzisch voor “het land van Mozes” (Musa). Op het eiland en de Grote en Kleine Tunbs ligt sinds 1971 een claim van de Verenigde Arabische Emiraten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 59

HUIS AERDT

Rond 1300 werd op de locatie waar nu Huis Aerdt staat het middeleeuwse slot Ter Cluse gebouwd. Het was eigendom van Sophia van Bylant, vrouwe van kasteel Doornenburg en kasteel Doorwerth. Zij gaf het kasteel in leen aan de broers Ricolt en Gadert van Herwen, Door een huwelijk in 1348 kwamen de bezittingen van de familie Van Bylant terecht bij de leden van Huis Bergh en werd Willem van Rees leenman van het kasteel. Ter Cluse bleef tot 1474 in het bezit van de familie Van Rees, toen Johan van der Horst, een neef van de laatste Van Rees, het kasteel verwierf. Het was op dat moment geen Berghs leen meer, aangezien de Kleefse hertog een jaar eerder alle Bylantse goederen had veroverd. Het kasteel was daarna bijna anderhalve eeuw van de familie Van der Horst. Kort voor 1600 werd het kasteel verwoest door Spaanse troepen tijdens de Tachtigjarige Oorlog, maar daarna door de familie Van der Horst enigszins gerestaureerd. In 1646 verkocht Erasmus van der Horst het kasteel aan Walraven van Steenhuys, de landdrost van het graafschap Bergh. Die besloot het bestaande en waarschijnlijk in verval geraakte kasteel Ter Cluse te slopen en op de locatie een geheel nieuw kasteel te bouwen, Huis Aerdt. In 1657 was dat kasteel gereed. De katholieke Walraven van Steenhuys liet op de bovenverdieping een schuilkerk inrichten, de zogenoemde ‘Altaarkamer’. Het nieuwe kasteel was kleiner dan zijn voorganger, was rechthoekig en had een hoog schilddak. Een galerij verbond het huis met de toren en werd ook een koetshuis gebouwd. (meer…)

076 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD


.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

EN ZE ZAG DAT HET GOED WAS

22 juni 2007 – Sauerland 2

Nadat het wedstrijdje kersenpitspuwen was afgelopen bleven we nog even op het bankje zitten. De ene zachtjes balend, de andere nagenietend. Iets minder stilzwijgend. Op een gegeven moment hadden we het landschap echter voldoende gezien. Het was mooi glooiend, met fel groen jong gras, een smal weggetje dat daar kronkelend en op- en afgaand doorheen liep en hier en daar wat bomen, maar na een kwartier vonden we dat we toch maar eens tijd richting hotel moesten gaan. Misschien was daar toch nog iets te beleven wat niet op de kaart stond? En inderdaad, want pakweg honderd meter verder op de Eisenberg na Hotel Schinkenwirt stond de Kapelle der Heilige Familie. Die ‘Hauskapelle’ werd er in 1996 gebouwd door de toenmalige eigenaren van Schinkenwirt, het echtpaar Karl en Anneliese Schmücker. Bij de deur stond een stichtelijke tekst voor de bezoekers: ‘Rasten muss der Mensch zuweilen. Nicht nu durch die Landschaft eilen; nach dem heulen der Motoren öffnen wieder Aug‘ und Ohren, sehen wieder Gottes Spur in die Schönheit der Natur, plaudern auch und scherzen -, zu vergessen Alltagsschmerzen. Wer Gottfrieden hat gefunden kann an Leib und Seel‘ gesunden. So meint es auch die Kapelle, die uns grüßt an diese Stelle‘. Dat kwam mooi uit, want dat waren we precies van plan, het een beetje rustig aan doen en genieten van de natuur. Onder anderen. (meer…)

013 – KASTEEL GOUDENSTEIN

Al in de dertiende eeuw stond er in Haaften, een dorp in de gemeente West Betuwe (Gelderland), het kasteel Goudenstein dat werd gebouwd door het geslacht (De Cocq) van Haeften. Na bijna drie eeuwen bezit verkocht de familie Goudenstein in 1609 aan de familie Van Brederode, een (hoog)adellijke familie uit Holland, die vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw tot omstreeks 1600 een grote rol in de Nederlandse geschiedenis speelde.  De wettelijke lijn van deze familie stierf uit in 1679 toen Wolfert van Brederode (Den Haag, 18 november 1649 – Vianen, 15 juni 1679) op 29-jarige leeftijd ongehuwd en kinderloos overleed. De bezittingen werden daarna verdeeld over familieleden. Ook heerlijkheid en kasteel Goudenstein kwam toen in andere handen. Althans wat er nog van resteerde, want in het Rampjaar (1672) werd het kasteel door de Franse troepen van koning Lodewijk XIV bijna geheel verwoest. Tot dat moment bestond het kasteel uit een vierkant omgracht huis met op elk van de voer hoeken een grote toren. Het gebouw bestond uit een overwelfde kelder, drie verdiepingen en een zolder met zadeldak. De toren kenden geen wenteltrap, maar per verdieping konden vanuit het hoofdvertrek de torenvertrekken worden bereikt. Na het bezoek van de Franse troepen stonden nog maar wat muren en één hoektoren fier overeind staan. De toren is bijna 19 meter hoog en heeft een doorsnede van 3,5 meter. Halverwege zijn in het muurwerk nog de sporen van kantelen zichtbaar. De weergang was oorspronkelijk op deze hoogte, de muur eronder heeft een dikte van 1,10 meter, terwijl daarboven de muur slechts 25 centimeter is. De muur werd vermoedelijk in de 16e eeuw verhoogd. (meer…)

DE FAMILIE DE COCQ VAN HAEFTEN

91e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

De familie De Cocq van Haeften wordt voor het eerst genoemd met ridder Otto van Haeften (Otto de Cock van Haeften van Rhenoy (1421-1473), heer van Gameren en Wayenstein), die in 1421 in Tuil (Neerijnen) werd geboren als zoon van Otto Nicolaesz de Cock (1365-1430) en Adelisse Bruijstensdr van Herwijnen (1378-1451), die in Haaften op Kasteel Goudenstein woonden. Het echtpaar had maar liefst veertien kinderen, waarvan Otto de Cock van Haeften van Rhenoy (1421-1473) de oudste was. Vader Otto had daarnaast ook nog twaalf bastaardkinderen op de wereld gezet. Otto Nicolaesz de Cock was de dijkgraaf van de Tielerwaard en was ook lid van de Raad van de hertog van Gelre. Hij was een kind van Nicolaas Ottensz van Haeften (1339-1373) en Johanna Arentsdr de Cock van Opijnen (1350-1377), wat de oorsprong is van de familienaam die met de geboorte in 1421 van Otto De Cocq van Haeften zijn intrede deed. Stamhouder Otto de Cock van Haeften van Rhenoy (1421-1473) was getrouwd met Jutte (Judith) Pieck (+1412-+1500), het echtpaar kreeg zeven kinderen. Over haar staat in de archieven: ‘Jutta Piecken huysfrou Otten van Haeften erve hares vaders Francken, wordt 24.09.1473 beleend met die Hoernick in Beesd; op 16.10.1481 wordt haar eed vernieuwd door haar bastaardbroer Arnt Pieck. Jutte wed. Otto van Haeften wordt 03.05.1484 door de heer van Vianen beleend met het gerecht van Gameren en de helft van de tiende. Derk van Haeften verheft 1495 het leen van de windmolen te Gameren en bevestigt de tucht sijner oldemoeder Jutte wed. Otto van Haeften’. (meer…)

SALOMONSOORDEEL 7

François Tortebat (Clemecy, 1616 – Parijs, 4 juni 1690) was de zoon van Louis Tortebat en Marguerite de Nameur. Rond 1631 sloot de vijftienjarige Tortebat zich aan bij de studio in Parijs van de beroemde barokke schilder en graveur Simon Vouet (Parijs 15980- Parijs 1649). Die was enkele jaren eerder door koning Lodewijk XIII en kardinaal de Richelieu Vouet teruggehaald naar Frankrijk om hofschilder te worden.  Vouet accepteerde grote opdrachten en produceerde imposante werken met een uitgebalanceerde compositie. Hij schilderde altaarstukken, allegorische werken en portretten, maar ontwierp ook decoratieve tapijten, vaak met religieuze of mythische thema’s. De jonge Tortebat moet talentrijk zijn geweest om bij deze meester in de leer te mogen gaan. Van 1635 tot 1640 bracht Tortebat zijn studietijd door in Rome, waar hij grote kopieën maakte van de zeven grote studie van Raphael voor wandtapijten. Dat resulteerde voor hem in een opdracht van kardinaal Antonio Barberini. Na terugkeer in Parijs sloot hij zich weer aan bij de studio van Vouet. Op 9 november 1643 trouwde François Tortebat met Francoise Vouet, de oudste dochter van zijn leermeester. Het echtpaar kreeg dertien kinderen. Na de dood van Vouet in 1649 ging Tortebat samenwerken met Michel Dorigny, de andere schoonzoon van Vouet. Het tweetal kreeg het exclusieve rechten om de werken van Vouet in gedrukte vorm te reproduceren. Onderstaande ets Het oordeel van Salomon is hiervan een voorbeeld. Tortebat maakte in 1660 ook ontwerpen ter gelegenheid van de terugkeer in Parijs van Lodewijk XIV met zijn nieuwe vrouw Maria Theresia van Oostenrijk (1638-1683). In 1663 werd Tortebat lid van de Académie Royale de Peinture et de Sculpture, waar zijn ontvangststuk een postuum portret van Vouet was.  (meer…)

DE GEBROKEN GEZICHTEN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG

Onlangs stuitte ik op een reeks fascinerende schilderijen of collages. Zo zouden gemaakt zijn door een zekere René Apallec, die in 1896 zou zijn geboren in het plaatsje Bolbec, dat deel uitmaakt van de regio Le Havre. Volgens de overlevering werd zijn werk pas in 2007 ontdekt toen de nagelaten werken van de rond 1980 overleden Apallec in een galerie in Toulouse werd verkocht. Een site vermeldde dat er zo goed als niets bekend was van de man, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als verpleger aan het front zou hebben gewerkt. Er waren echter geen documenten om dat te staven. Na de oorlog zou hij nog twee jaar in Le Havre hebben gewerkt, voordat hij en zijn partner zich in 1923 definitief vestigden in Toulouse. Omdat hij geen deel uitmaakte van een artistieke beweging of familie, produceerde René Apallec een groot deel van zijn werk in het geheim en weigerde zijn collages te exposeren, met name de serie Gueules Cassées (Gebroken Gezichten), die hij politiek incorrect vond. Als ‘papieren plastisch chirurg’ vervormde hij verzamelde geschilderde portretten en creëerde nieuwe portretten van generaals en maarschalken, die de afgrijselijkheid en absurditeit van de oorlog illustreerde. Met zijn werk wilde hij hulde brengen aan de vele miljoenen slachtoffers van de ‘La Grande Guerre’, de oorlog die alle oorlogen zou eindigen. En vooral de vele misvormde soldaten eren die door de officieren naar de slachtbank werden gestuurd. Hun littekens op hun gezichten maakten zichtbaar hoe invaliderend en traumatisch het oorlogsvoeren was geweest. De kunstenaar verkleinde afbeeldingen van beroemdheden met scalpelstreken, hechtingen en verstelwerk. Maar het is een verzonnen verhaal, magistraal verzonnen weliswaar, maar er heeft nooit ene René Apallec bestaan. Het werk is van Hervé Laplace, een kunstenaar die zich helemaal heeft toegelegd op het maken van collages. De serie met honderd Gueules Cassées is slechts een van de vele soortgelijke serie die hij produceerde. (meer…)

073 – ’t PEESKE 5


.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.

075 – DE WELLENKAMP

.
Nijmegen, De Wellemkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, juli 2006.

EEN WEDSTRIJDJE KERSENPITSPUWEN?

22 juni 2007 – Sauerland 1

We waren ruim op tijd in Olsberg, waar ik voor onze eerste, korte vakantie een leuk hotelletje had geboekt. We moesten dus even wachten voor we konden inchecken. Dat deden we toen nog keurig. Bij latere vakanties stapten we gewoon naar binnen, deden alsof we van niks wisten en konden altijd gewoon de koffers en andere spullen naar onze kamer brengen. Maar toen dus nog niet. Dus eerst maar eens een klein extra rondje door de omgeving gereden. Een schitterende omgeving, want het hotel lag tegen de helling van de Eisenberg, met vlak in de buurt de oude ingang van een lang geleden gesloten kolenmijn. Niet toegankelijk helaas, dus daar konden we de tijd niet even overbruggen. Vlakbij ook de uitgebreide bossen, want de houtindustrie is sterk vertegenwoordigd in Sauerland. Overal waren de sporen te zien van de vreselijke Kyrill-storm die het gebied kort daarvoor had geteisterd. Complete delen van het immense bos waren tegen de vlakte geslagen. Als gebroken lucifers lagen nog steeds duizenden bomen over elkaar heen. En dan te bedenken dat men al maandenlang bezig moet zijn geweest om alle gesneuvelde sparren keurig te verslepen en in keurige stammen te zagen, klaar voor verdere verwerking. Pas later die dag, na onze keurige melding bij de receptie en wegzetten van de spullen in de kamer, konden we een kleine boswandeling maken en een eerste voorzichtige inschatting maken van de ramp die zich in februari had voltrokken. (meer…)

KLAAS VAN DER GEEST – DE JONGENS VAN DE KOTA BAROE

Het communistische Arbeiders-Schrijverscollectief Links Richten gaf in de jaren 1932 en 1933 elf nummers uit van het gelijknamige tijdschrift. Uit nummer 2 van het blad verscheen een korte bijdrage van Klaas van der Geest (Schiermonnikoog, 27 november 1903 – Zwolle, 10 oktober 1964), een van de drie verhalen die hij voor het blad zou schrijven. In de tijd was Van der Geest vooral een stuurman, die in zijn vrije tijd verhaaltjes schreef en ervan droomden ooit een echte schrijver te worden. Het verhaal is gesitueerd op de MS Kota Baroe, waarschijnlijk ook de boot waarop hij een tijdje had gevaren. De Kota Baroe was een vrachtschip van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd (KRL), die het in 1929 bij werf De Schelde in Vlissingen had laten bouwen. De naam Kota Baroe komt van de gelijknamige woonwijk van Jogjakarta, direct ten noorden van de spoorlijn en ten oosten van de rivier Kali Tjode. De wijk bestond uit een met prikkeldraad omgeven kamp, met daarop vijftien woningen. Waarom het schip naar deze armzalige met slechte woonomstandigheden werd vernoemd is een raadsel. De Kota Baroe voer tot maart 1942 als zogenaamd vrij schip met vracht in de Pacific. Het schip werd in 1942 verkocht aan het Amerikaanse War Shipping Administration, die het liet ombouwen tot een troepentransportschip. In 1946 werd het weer overgedragen aan de Nederlandse regering. Meer over de oorlogservaringen van de MS Kota Baroe, zie hier. In 1944 kwam het schip terug bij de Rotterdamse Lloyd die het herbouwde naar de vooroorlogse situatie. De Kota Baroe voer toen op Nederlands-Indië. Naar Indië konden 1800 militairen worden meegenomen. Op de terugreis was er plaats voor 1000 repatrianten. De MS Kota Baroe vertrok op 30 maart 1948 naar voormalig Nederlands-Indië. Via het Suezkanaal kwam men vier weken later aan in Tandjjong Priok, de grote haven van Jakarta. In 1957 werd het schip in Hongkong gesloopt. (meer…)

KLAAS VAN DER GEEST

Klaas van der Geest (Schiermonnikoog, 27 november 1903 – Zwolle, 10 oktober 1964) merkte al op zeer jeugdige leeftijd hoe hard het leven voor de gewone werkman was. Toen hij twee jaar oud was werd zijn vader ongeneeslijk ziek door een steeds verslechterde verlamming die waarschijnlijk werd veroorzaakt doordat hij ij het redden van drenkelingen te lang in ijskoud water had gestaan. Hij stierf vijftien of zestien jaar later na al die tijd hulpbehoevend te zijn geweest. Al die tijd had het gezin in armoedige toestand moeten zien te overleven. Klaas sprak de rest van zijn leven met grote bewondering en liefde over zijn moeder die het gezin door deze moeilijke periode had geloosd. De kleine Klaas schreef al verhaaltjes, die hij angstvallig op een geheime plaats verborg. Hij was duidelijk een intelligente jongen, met wiskunde als een van beste vakken, maar ook erg gesloten van karakter. War niet ongewoon was bij eilandbewoners. Al op jonge leeftijd mocht hij naar de zeevaartschool gaan, een opleiding die hij later in Amsterdam afmaakte. Toen hij omstreeks achttien jaar oud was haalde hij zijn diploma voor derde rang stuurman. In de paar jaar daarna ook voor de tweede en eerste rang. Hij maakte als stuurman een paarreizen op de grote vaart. De ervaringen die hij daar opdeed verwerkte hij in verhaaltjes die hij op zee schreef. (meer…)

MICHEL GOLDSTEEN – 019

Michel Goldsteen werd op 5 mei 1933 geboren in Meppel. Zijn vader Nathan Goldsteen (Meppel, 31 december 1900 – Auschwitz, 19 november 1943) had een groothandel in grondstoffen. Zijn moeder Truida Goldsteen-Staal (Zutphen, 1 juni 1909 – Auschwitz, 19 november 1943) had van 1928 tot en met 1931 rechten gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. In het gezin was verder een dochtertje Hansje, die een jaar jonger was dan Michel. Het gezin had zich eind twintiger jaren gevestigd in Amsterdam, waar ze woonde aan de Joh. Verhulststraat 87 h. Bij het gezin woonde ook de vader van Truida in. Deze Levie Staal (Sneek, 26 februari 1874 – Sobibor, 4 juni 1943) was een Israëlitisch godsdienstleraar, die het geschiedenisboek ‘Israël onder de volkeren’ schreef, dat decennialang het standaardwerk was voor Joods Nederland. Levie Staal was ook lange tijd hoofdredacteur van het Nieuw Israëlitisch Nieuwsblad (NIW), dat zeer lang het populairste Joodse weekblad was. Op 24 april 1897 had Levie Staal zich gevestigd in Zutphen, waar zich op 1 september 1900 ook zijn echtgenote Annaatje Vroman (Rotterdam, 2 februari 1873-Amsterdam, 27 november 1927) vestigde.  In Zutphen werden in de jaren daarna hun twee kinderen ingeschreven: de al genoemde Truida en haar oudere broer David Leonard Staal‏‎ (Zutphen, 1 maart 1902 – Auschwitz, 24 januari 1944) die advocaat werd en trouwde met ‎Betsy Fresco‎ (Amsterdam, 20 februari 1901 – Auschwitz, 10 oktober 1943). Er werd in november 1904 nog een derde kind geboren, dat echter na enkele maanden al overleed. Het echtpaar had zich op de vlucht voor de Duitsers eerst in Dordrecht gevestigd en wilden daarna via Frankrijk de vrije wereld bereiken. Ze werden echter in Dijon gearresteerd en via het beruchte kamp Drancy op 7 oktober 1943 op transport gezet naar Auschwitz. In Dordrecht is voor het echtpaar een Stolperstein aangebracht bij de voormalige tandartsenpraktijk. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 24

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VIERDE HOOFDSTUK (7e deel)

De vrees, dat Napoleon van St Helena zou ontsnappen, die de Engelsche regeering haar instructie omtrent de wijze, waarop hij moest worden behandeld, had doen uitvaardigen, werd door Hudson Lowe – maar in veel hooger mate, gedeeld en deed hem, in die instructie een bron vinden om Napoleon en zijn gevolg door allerlei kleingeestige, kinderachtige en angstvallige plagerijen het leven onaangenaam te maken. Dat hij die vrees deelde, is te begrijpen, waar hij er getuige van was, welken invloed Napoleon op iedereen, met wien hij in aanraking kwam, uitoefende en daardoor bang was, dat hij de bevolking van het eiland zoodanig op zijn hand zou krijgen, dat deze hem bij een -mogelijke ontvluchting behulpzaam zou zijn. Napoleon toch had de gewoonte, wanneer hij een wandel-rit maakte, om in een of andere boerderij binnen te gaan en er te blijven praten met de bewoners, die hem met vreugde en eerbied ontvingen. Hij sprak de slaven aan, bemoeide zich met hen en gaf hen nu en dan een geschenk in geld. Wanneer het zoo lang zou hebben voortgegaan, zou de heele bevolking hem bijna hebben aangebeden. Zelfs Montchenu, is gedwongen – hoewel hij zijn spijt er over te kennen geeft – te erkennen, dat er een onzegbare charme van Napoleons persoonlijkheid uitgaat: ‘We verlaten Napoleon nooit’, schrijft hij, ‘zonder het grootste enthousiasme te voelen’. En tot Hudson Lowe zegt hij: ‘Als ik jou was, zou ik geen enkele vreemdeling Longwood laten bezoeken, want ze laten je allemaal met toewijding achter en ze brengen dat gevoel terug naar Europa. Wat mij opviel was de enorme invloed die deze man. Omringd door bewakers, rotsen en afgronden, heeft hij nog steeds de geesten van de mensen in handen. Alles in Sint-Helena voelt zijn superioriteit. De Fransen beven bij zijn aanblik en geloven dat ze hem maar al te graag dienen. De Engelsen naderen hem alleen met schroom. Zelfs degenen die hem bewaken, zoeken een blik, een gesprek, een woord. Niemand durft hem als een gelijke te behandelen.’ (meer…)

072 – ’t PEESKE 4


.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.

074 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, juli 2006.

EEN HUISELIJK TAFEREELTJE

Zodra het avondeten naar binnen was gewerkt, gingen de twee dochters bijna altijd linea recta naar boven. Daar stond op hun slaapkamers de computer en konden ze een tijdje ongestuurd facebooken. Er zijn natuurlijk altijd wat uitzonderingen te bedenken en deze avond in november 2015 moet een van die zeldzame avonden zijn geweest. De reden waarom ze ‘gezellig’ beneden bleven is na een decennium niet meer achterhalen. In elk geval is duidelijk dat de oudste dochter mijn fototoestel had gepakt waarmee ik panoramafoto’s kon nemen. Pas aangeschaft, een nieuwtje in huis. Eigenlijk heb ik dat ding al die jaren maar zeldzaam gebruikt. Ook bij de vakanties werd het nooit meegenomen. Maar toen was het dus een nieuwtje en wilde dochter A., die wel belangstelling voor fotografie had, dat toestel ook wel eens proberen. (meer…)

DE ONDERGANG VAN DE EERSTE DEMOCRATIE 3

Tijdens de Franse Revolutie werd Pasquale Paoli (Morosaglia, 6 april 1725 – Londen, 5 februari 1807) uitgenodigd om terug te keren uit Groot-Brittannië. Omdat hij na de nederlaag bij de Slag om Ponte Nuvo in 1769 en de ondergang van de Republiek Corsica (1755-1769) door de monarchisten van het eiland was verbannen, werd hij door de revolutionairen gezien als een voorbeeldig strijder voor vrijheid en democratie. Hij werd in 1789 door de Nationale Grondwetgevende Vergadering gevraagd naar Parijs te komen waar hij door de revolutionairen als een held werd ontvangen. Hij werd door hen in 1790 teruggestuurd naar het Franse departement Corsica met de rang van luitenant-generaal om er de leiding van het plaatselijke bestuur op zich te nemen. Tot zijn medewerkers van die tijd behoorde de jonge Corsicaanse officier Napoleon Bonaparte. Maar Paoli kreeg het moeilijk met de revolutie toen die steeds radicaler werd. Paoli scheidde zich uiteindelijk af van de revolutionaire beweging vanwege de executie van koning Lodewijk XVI en sloot zich aan bij de royalistische partij. Toen hij vervolgens door de Franse Nationale Conventie van verraad werd beschuldigd, riep hij in 1793 in Corte een consulta (vergadering) bijeen met zichzelf als voorzitter. Daar riep hij Corsica’s formele afscheiding van Frankrijk uit en vroeg de Britse regering om bescherming. Op dat moment was Groot-Brittannië in oorlog met het revolutionaire Frankrijk. Paoli stelde voor Corsica als autonoom koninkrijk net als het koninkrijk Ierland onder de Britse monarch te plaatsen. Voor Groot-Brittannië zou dit een goede kans geven om op Corsica een basis in de Middellandse Zee veilig te stellen. (meer…)

DE ONDERGANG VAN DE EERSTE DEMOCRATIE 2

In september 1768 begon de Franse verovering van Corsica toen een Frans expeditieleger landinwaarts marcheerde om elke Corsicaanse tegenstand te overwinnen en de Republiek Corsica te vernietigen, maar leden op 8 oktober 1768 een onverwachte nederlaag in de Slag bij Borgo. De Corsicaanse aanvoerder Pasquale Paoli probeerde toen de stad Borgo te heroveren en beschikte hiervoor over drie grote korpsen. Het eerste korps van vijfhonderd man stond onder bevel van de kapiteins Colle, Giocante Grimaldi, Charles Raffaelli en Ferdinand Agostini en had de opdracht de Franse positie vanuit het westen aan te vallen. Het tweede korps, dat ook uit vijfhonderd man bestond en onder bevel stond van Serpentini en de kapiteins François Gaffori en Pierre Gavini, kreeg de opdracht de loopgraven ten oosten van het dorp aan te vallen. Het derde korps van vierhonderd man onder bevel van Clément Paoli moest de weg naar Nebbio verdedigen en de Fransen onder bevel van generaal Thomas Auguste Le Roy de Grandmaison, die Oletta hadden bezet. Daarna beschikte de Corsicanen over enkele kleine korpsen die in de achterhoede waren geplaatst om de wegen tussen Bastia en Borgo te bewaken. Een vierde korps van ongeveer tweehonderd man onder bevel van Jean-Charles Saliceti nam positie in bij Serra, een vijfde korps, eveneens van ongeveer tweehonderd man onder bevel van Achille Murati verdedigde de hoogten van Luciana en een zesde korps, een reserve van vijfhonderd tot zeshonderd man, stond onder bevel van Pasquale Paoli zelf, bijgestaan door Antoine Gentili en Charles Bonaparte, de vader van Napoleon Bonaparte. Zij moesten kunnen oprukken naar de punten waar versterking nodig zou zijn. (meer…)

DE ONDERGANG VAN DE EERSTE DEMOCRATIE 1

De dynastie stamde oorspronkelijk uit Genua, waar ze een vooraanstaande adellijke familie waren. Later vestigde de familie zich op Corsica, dat sinds 1284 tot de Republiek Genua behoorde. Vanaf het begin van de achttiende eeuw ging het economisch steeds slechter met de republiek en al snel was er van de overzeese handelsposten en bezittingen alleen nog het eiland Corsica over. Die kwam in 1729 ook in opstand, nadat de Duitse avonturier Theodor von Neuhoff (Keulen, 25 augustus 1694 – Londen, 11 december 1756) een aantal rebellen en bannelingen ervan had overtuigd dat ze hun land konden bevrijden van de Genuese tirannie als zij hem koning van het eiland zouden maken. De Corsicaanse opstandelingen werden aangevoerd door Gian Pietro Gaffori (Corte, 1704 – Corte 3 oktober 1753) en Giacinto Paoli (Morosaglia, 1690 – Napels, 1764), die in januari 1935 de onafhankelijkheid van Corsica uitriepen. Ze deden dit na belofte van steun van Nederland en Engeland, dat in de Middellandse Zee al Minorca en Gibraltar bezat. Met militaire hulp van de bey van Tunis landde Von Neuhoff op 12 maart 1736 met een groep geestverwanten bij Aléria op Corsica, met een scheepslading wapens en munitie voor de Corsicaanse vrijheidsstrijders. Daarmee won hij de sympathie van de bevolking en omdat de pogingen van Gaffori en Paoli niet erg succesrijk waren geweest werd Von Neuhoff op 15 april 1736 uitgeroepen tot koning van Corsica. Als koning Theodoor I vaardigde edicten uit, stelde een ridderorde in en voerde oorlog tegen de Republiek Genua, aanvankelijk met enig succes. Tijdens zijn bewind had hij geprobeerd de onder Genuees bestuur staande steden Porto-Vecchio en Sartène te veroveren, maar de Fransen kwamen Genua te hulp door de havens en de vestingen in te nemen, de opstandige bevolking te controleren en daarmee te verhinderen dat het eiland onder Britse controle kon komen. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 23

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VIERDE HOOFDSTUK (6e deel)

Wie over hem heeft geschreven – zelfs zijn verdediger Forsyth, die aanteekent, dat hij niets bezat, waardoor hij, ook voor zijn beste vrienden, een aantrekkelijke persoonlijkheid was – heeft van hem gezegd, dat hij een kleingeestig, benepen karakter had, dat hij onwetend was, prikkelbaar, zonder eenige takt. Zelfs zijn uiterlijk was afstootend: ‘Als hij me aankeek, was zijn oog als dat van een hyena die in een val is gevangen’. zeide Napoleon van hem, den eersten keer, dat hij hem zag. En lord Rosebery verhaalt hoe een lady Granville, die hem twee jaar, nadat hij St. Helena had verlaten. ontmoette, hem het uiterlijk vond hebben van een duivel. Maar vooral was hij zoo verre van een gentleman, waren al deze eigenschappen al voldoende om Napoleon een mindere sympathie voor hem in te boezemen, het feit, dat hij de “Corsican Rangers,” die in de oogen van Napoleon zeker rebellen waren, onder zijn bevelen had gehad, en daarmee tegen Frankrijk had gevochten, maakten hem antipathiek. (meer…)

071 – ’t PEESKE 3


.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.

073 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, juli 2006.

EEN ROMANTISCH ETENTJE

27 september 2020

Het was voor ons altijd een bijzondere dag, 27 september. Op een druilerige donderdag 27 september 2012 waren Dinie en ik getrouwd en elk jaar werd die dag gevierd, soms met een bezoekje aan de sauna maar meestal met een etentje ergens. Maar dit jaar was dat toch wel een probleem. Een klein weekje eerder was ik met de ambulance vanuit Denemarken terug naar Nederland gebracht. In afwachting van een plaats in het revalidatiecentrum, was ik een weekje ondergebracht in een verpleeghuis in Terborg. Een weekje verplichte quarantaine, een gebruikelijke gang van zaken om te verhinderen dat ik vanuit een buitenlands ziekenhuis het MRSA-bacterie zou importeren. Het gevreesde ‘ziekenhuisbacterie’, hoewel het me altijd onduidelijk is gebleven waarom het zo gevreesd is. Maar goed, ik mocht een weekje verblijven tussen de hoogbejaarden, die vooral het dagelijkse weerbericht als belangrijkste onderwerp hadden. Aangezien het al wekenlang stralend weer was, beloofde dat weinig interessante gesprekken te gaan opleveren. Bovendien zaten we in deze periode nog in de uitloopfase van de vreselijke covid 19-periode. Dat betekent zoveel mogelijk op de kamer blijven en zodra je je neus buiten de deur stak, moest daaronder een mondkapje zichtbaar zijn. De restaurants waren nog gesloten. Als die al de deuren mochten sluiten, zou ik er weinig aan hebben gehad. Ik was nog helemaal aan de rolstoel overgeleverd om me een beetje te kunnen verplaatsen. Ergens een restaurantje bezoeken was om allerlei redenen geen reële optie. (meer…)

DE REIS VAN ALBRECHT DÜRER NAAR DE NEDERLANDEN – 3

deel 3: november 1520 – ’t Tolhuys in Lobith?

In het Musée Condé in Chantilly bevindt zich een zilverstift-tekening (127 bij 189 mm) van de Duitse schilder Albrecht Dürer (Neurenberg, 21 mei 1471-Neurenberg, 6 april 1528). Die zilverstift is de voorloper van het potlood die vanaf de vijftiende eeuw werd gebruikt voor het maken van schetsen. De zilverstift had een punt van bijna 100% zilver, wat heel zacht is en een lijn afgeeft op een met krijt of marmerstof geprepareerde ondergrond. Heel kleine metaaldeeltjes worden door de grondlaag afgeschuurd. Doordat het zilver een beetje gaat oxideren, wordt de dunne, zilvergrijze lijn, die niet kan worden uitgegumd, na verloop van tijd iets donkerder. Deze zilverstifttekening uit het schetsboek van Dürer toont ene Kaspar Sturm, een man met blijkbaar wat ruige maar toch geen on sympathieke trekken. Zijn hoofd is bedekt met een leren kap en een deel van zijn bovenkleding is zichtbaar. Bovenaan de tekening staat de tekst ‘1520 Caspar Sturm alt 45 Jor zw ach gemacht’. In het dagboek van zijn reis naar de Lage Landen noemde Dürer de tekening en zette erbij: ‘Ich hob den Sturm conterfet’, ofwel ‘Ik heb een tekening van Sturm gemaakt’. Kaspar Sturm moet dus voor Albrecht Dürer al een bekende, indrukwekkende en eerbiedige persoonlijkheid zijn geweest. Het portret diende overigens ook om het geboortejaar van Sturm vast te stellen, wat uit andere bronnen nooit duidelijk naar voren was gekomen. (meer…)

BRAM DEEN – 018

Over Bram Deen is slechts summiere informatie te vinden. In de overzichtslijst van kinderen die zijn geholpen door Hanna van der Voort staat bij hem slechts de summiere vermelding: ‘Bram Deen (Klaas Hunter en Piet van Gemen), geboren op 23 juli 1933 te Amsterdam, verbleef bij weduwnaar Drikus van Berlo – Thijssen, Swolgenseweg 24 (B 118) in Broekhuizenvorst. Hij was ook bij weduwnaar Sef Vervuurt – Wijnhoven in Melderslo (A 56)’.

Zijn vader was de koopman Hartog Deen, die op 4 september 1908 in Amsterdam werd geboren, die op 5 september 1942, en dag na zijn 34e verjaardag werd vervoerd naar Kamp Westerbork. Hij had geluk dat hij lange tijd in het kamp mocht blijven en nog meer geluk dat hert hem op 11 december 1943 lukte uit het kamp te ontsnappen. Blijkbaar heeft hij daarna een goed onderduikadres kunnen vinden, want hij overleefde de oorlog en overleed op 63-jarige leeftijd op 1 augustus 1973 in Amsterdam. Hartog Deen was op 22 juni 1932 getrouwd met Berta Velleman uit Groningen, die ook de oorlog wist te overleven en op 1 februari 1974 in Amsterdam zou overlijden, 66 jaar jong. Veel anderen binnen de beider families hadden vinden geluk, zoals blijkt uit de lijsten van Kamp Westerbork. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 061

Pierre Paul Pepe’ Grégoire (Teteringen, 3 november 1950) werd geboren in een echte kunstenaarsfamilie. Zijn vader Paul Grégoire (1915-1988) was beeldhouwer, medailleur en docent aan de Rijksacademie. Door zijn werk en via zijn leerlingen had Paul Grégoire van grote en blijvende invloed op de Nederlandse beeldhouwkunst. Onder zijn leiding ontstond aan de Rijksacademie de tweede generatie van een groep van de figuratieve abstractie, later afgekort tot De Groep. Paul Grégoire was de ‘filosoof van de arabesk‘, de man die in zijn werk altijd zocht naar de bewegingslijnen. Dat is goed terug te vinden in het werk van Pepe Grégoire die lange tijd bij zijn vader in de leer is geweest. DE grootvader van Pepe Grégoire was de schilder Jan Grégoire (1887-1960), die voornamelijk portretten, stillevens en landschappen schilderde. Pepe’s oudere zuster Hélène Grégoire (1946) is kunstschilderes van abstracte landschappen en zijn jongere broer Kenne Grégoire (1951) maakt figuratieve stillevens, portretten, naakten, interieurs en figuren uit de Commedia dell’arte. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 22

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VIERDE HOOFDSTUK (5e deel)

Terwijl de Engelsche regeering luide verkondigde, dat Napoleon in Longwood een uitstekende woning had gevonden, voegden de Engelsche dagblad-schrijvers er bij, dat zich rondom Longwood een “schitterend park” uitstrekte, waarvan hij het vrije gebruik had. Dit “schitterende park” nu, bestond uit een armzalig tuintje met magere bloemen, aan beide zijden der lengtebalk van den T. In het linker bevond zich een prieel met wingerd begroeid, in het rechter waren een paar rijen pijnboomen geplant, die – door de gebouwen tegen den eeuwigen wind beschut – tamelijk goed groeiden. Iets verder stonden, hier en daar verspreid, een honderd-tal gomboomen, door den wind verwrongen, misvormd en laag gebleven. Gomboomen zijn gewoonlijk al niet zeer schoon, maar zeker was dit niet op Longwood het geval, in hun groei belemmerd door den altijd-blazenden passaat-wind, met hun stammen opgevreten en bedekt door grauwe korstmossen en met hun kale takken, waaraan op het einde een stuk of wat grijze blaadjes trilden. (meer…)

070 – ’t PEESKE 2


.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.

072 – WIJKCENTRUM WATERKWARTIER 3

.

Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg. 

DE GEURFABRIEK 2

Achter in de hoek zorgde een tweetal voor de muzikale omlijsting van de bruidsshow. Hij op gitaar en zij zorgde voor de zang. Ik meende in het eerste nummer ‘Sweet child of mine’ van Guns N’Roses te herkennen, maar dan in een rustige, akoestische versie. De aanwezigen leken er niet erg op te letten. Terwijl de eerste voorzichtige akkoorden werden aangeslagen, werd door iedereen vrolijk verder geouwehoerd. Dat ging nog een tijdje door nadat de zangeres al begonnen was. ‘She’s got a smile that it seems to me. Reminds me of childhood memories. Where everything was as fresh as the bright blue sky’, klonk het, maar te zachtjes om mensen al direct het zwijgen op te leggen. Het dappere duo ging onverstoord verder. Blijkbaar was men er aan gewend dat het een paar nummers duurde voordat men in de gaten had dat er livemuziek was en dat het eigenlijk heel mooi was. De eerste minuten was ik eigenlijk de enige die echt stond te luisteren en te genieten. (meer…)

CIMON EN PERO 23

Giovanni Antonio Pellegrini (Venetië, 29 april 1675 – Venetië, 2 of 5 november 1741) was de zoon van een handschoenmaker uit Padua. Op jonge leeftijd werd Pellegrini in de leer gedaan bij de Milanese Paolo Pagani (1661–1716), met wie hij in 1690 naar Moravië en Wenen reisde. In 1696 was Pellegrini terug in Venetië, waar hij zijn eerste overgebleven werk schilderde, een frescocyclus in de Palazzetto Corner op Murano, met scènes uit het leven van Alexander de Grote en allegorische thema’s op het plafond. Hier is zijn figurenstijl duidelijk afgeleid van Pagani, maar de effecten van het licht en de vrije behandeling suggereren de kunst van Luca Giordano (1634-1705) of zelfs Pietro da Cortona (1596-1669), wiens werk Pellegrini toen niet kon hebben gekend. Hij studeerde ook bij de barokke schilders Girolamo Genga en Sebastiano Ricci, die net als Pellegrini worden gezien als een schilder uit de overgang van barok naar rococo. Hij was in Rome van 1699 tot 1701, voordat hij terugkeerde naar Venetië voor twee decoratieve projecten, beide met allegorische thema’s: één voor de Scuola del Cristo en de andere voor het Palazzo Albrizzi. Deze werken zijn sterk beïnvloed door de kunst van Giordano en de late werken van Giovanni Battista Gaulli, die hij in Rome had gezien. In 1704 trouwde hij met Angela Carriera, een zus van de pastellist Rosalba Carriera. Hij bleef de rest van zijn leven in nauw contact met zijn schoonzus. (meer…)

20 – DE SLOVEENS-KROATISCHE GRENSCONFLICTEN 3

Overige conflicten
Na de onafhankelijkheid in 1991 van Slovenië en Kroatië ontstonden er enkele grensconflicten, waarbij de grensafbakening in de Baai van Piran verreweg de belangrijkste was. Er waren echter nog een paar andere conflictjes, die nog steeds niet echt zijn opgelost, maar ook niet voor veel problemen zorgen.

1 – Het landgeschil langs de Dragonja-rivier
Naast het maritieme geschil hebben de twee landen ook een geschil over de landgrens in het Golfgebied langs de Dragonja-rivier. Net als in andere betwiste grensgebieden, is het geschil het gevolg van verschillende demarcatieprincipes: terwijl de grens tussen twee republieken vaak werd getrokken op basis van (soms losse) politieke overeenkomsten of langs natuurlijke landvormen, bleven kadastrale gegevens van dorpen langs de grens verwijzen naar het land dat uiteindelijk onder controle kwam van de andere republiek. In de delta van Dragonja beweert Slovenië dat de grens ten zuiden van de rivier ligt (dus inclusief al het land dat is geregistreerd in de kadastrale gemeente Sečovlje), terwijl Kroatië beweert dat de grens aan de rivier zelf ligt (het kanaal van St. Odoric). De Kroatische kant verwerpt Sloveense argumenten voor kadastrale grenzen op alleen dit deel van de wederzijdse grens (waar deze in het voordeel van Slovenië zijn) en zegt dat als het kadastrale principe consequent zou worden geïmplementeerd, Slovenië elders veel meer grondgebied zou verliezen dan het in de Golf van Piran zou kunnen ontvangen.
Op 20 juli 2001 sloten de premiers van Slovenië en Kroatië, Janez Drnovšek en Ivica Račan, de Drnovšek-Račan-overeenkomst, waarin de volledige grens tussen de landen werd vastgelegd, inclusief de zeegrens in de Baai van Piran. In de overeenkomst van Drnovšek-Račan werd de grensstrook aan de linkeroever van de Dragonja erkend als onderdeel van Kroatië. Het parlement van Slovenië heeft deze overeenkomst geratificeerd. Het Kroatische parlement heeft echter nooit gestemd over de ratificatie van de overeenkomst, waarbij Račan werd bekritiseerd omdat hij eenzijdig alle betwiste gebieden aan Slovenië had gegeven en erop werd aangedrongen dat het grensgeschil zou worden beslecht door het Internationale Gerechtshof in Den Haag.
(meer…)

AUSSENKAMP 7 – BRAUNSCHWEIG / WARBERG / VERDEN

Concentratiekamp Neuengamme had een paar uiterst minieme buitenkampen.  Een van hen was het Truppenwirtschaftslager dat van 25 maart tot 5 juni 1944 in Braunschweig actief was. In opdracht van de SS-Ergänzungsstelle Mitte moesten daar acht tot tien gevangenen uit Neuengamme zorgen door de bouw van een kantoorbarak voor een Truppenwirtschaftslager van de SS. Dat was Amt B onder leiding van SS-Gruppenführer Georg Lörner (München, 1899 – Rastatt, 1959), dat onderdeel was van het SS-Wirtschafts-Verwaltungshauptamt (SS-WVHA) dat in maart 1942 door SS-Obergruppenführer Oswald Pohl (Duisberg, 30 juni 1892 – Landsberg, 7 juni 1951) was opgericht. Doel van de SS-WVHA, het economische en administratieve hoofdkantoor van de SS, was te zorgen voor de genadeloze uitbuiting van gevangenen en dwangarbeiders in de concentratiekampen. De SS-WVHA was verantwoordelijk voor het beheer van de financiën, bevoorradingssystemen en zakelijke projecten voor de Allgemeine-SS. Als mede-bestuurder van de concentratiekampen speelde het een belangrijke rol bij de uitvoering van de vernietiging van de Joden. De SS-WVHA beheerde de industrieën, ambachten en bedrijven van de SS in de concentratiekampen en voegde deze samen in hun eigen bedrijven. Vanaf 1942-1943 stond het hele concentratiekampsysteem onder de exclusieve controle van Pohls SS-WVHA. Over het kleine kampBraunschweig – Truppenwirtschaftslager, dat gedurende het korte bestaan werd geleid door SS-Hauptsturmführer Schöckel, is verder niets bekend. Er is ook geen monument voor het buitenkamp. (meer…)

JOSEPH ELST

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.

In De Zwerver De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende summiere oproep: ‘Elst, Josephus Leopoldus, geb. 9-6-1897. Juni 1944 via Rotterdam en Amersfoort naar Duitschland gevoerd. Voormalig adres was: Lindenlaan 5, Sassenheim.’

Josephus Leopoldus Elst (Zandvliet, 9 juni 1897 – Neustadt, 3 mei 1945) werd geboren in het Belgische Zandvliet (dat op oude kaarten staat aangeduid als Santvliet), dat iets ten zuiden van het Nederlandse Ossendrecht ligt. Na de oorlog is het vanwege de havenuitbreidingen van Antwerpen opgegaan in het Antwerpse district Berendrecht-Zandvliet-Lillo. Zijn vader Adriaan Elst en moeder Joanna Tilburghs werden beiden in 1870 in Wouw. Adriaan Elst, was daar oorspronkelijk landbouwarbeider van beroep maar had zich al op jonge leeftijd in Zandvliet gevestigd, waarschijnlijk om daar als havenarbeider te gaan werken. In 1903 werd Joseph Elst uit het bevolkingsregister van Zandvliet geschreven. Hij is 6 jaar oud, dus waarschijnlijk vertrokken zijn ouders met hun twee kinderen weer naar Wouw. (meer…)

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN – 21

NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO

Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916

VIERDE HOOFDSTUK (4e deel)

Van de drie lakeien, die op Longwood dienst deden, is slechts weinig te zeggen. Van de beide Archarnbauds, die den staldienst tevens deden, was de een, de oudste, Archille-Tomas L’Union, al in 1805 onder de bevelen van den eersten stalmeester gekomen. In 1814 had hij er op aangedrongen mee naar Elba te mogen gaan, waar hij een hoofd-rang onder de lakeien had vervuld. Hij was mee naar Parijs teruggekomen, had dezelfde plaats gehouden en had de veldtocht in België meegemaakt. Evenals hij, had zijn jongere broer, Joseph-Olivier, voordat hij lakei was geworden, eerst dienst in de stallen gedaan. Beide waren koetsiers van een buitengewone bekwaamheid, zoowel in het van de bok, als in het postillon rijden, wat op St. Helena, met het oog op de gevaarlijke, steile wegen en de snelheid, waarmee de Keizer altijd wilde voort jachten, hoog noodig was. Wat hun trouwen hun toewijding betreft, alles wat men daarvan zou willen zeggen, zou altijd te weinig zijn, en ver beneden de waarheid blijven, zooals zij, die hen in hun doen en laten hebben gekend, van hen getuigen. Wat Gentilini betreft, deze was van Elba afkomstig, was als lakei mee naar Parijs gegaan en als zoodanig mee naar St. Helena gekomen. (meer…)

069 – TIERGARTEN KLEVE 6

.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

071 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD


.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

DE GEURFABRIEK 1

Het voormalige grenskantoor op de weg van Babberich naar Elten was jarenlang een restaurant, met verschillende eigenaren die het steeds om verschillende redenen niet konden bolwerken. Op donderdag 1 augustus 2019 werd Bregje Hoek de nieuwe trotse eigenaar van de zaak, die toen al hoofdzakelijk heerlijke pannenkoeken en diverse soorten hamburgers serveerden. De zaak werd omgedoopt tot De Stempel en Dinie en ik bleven trouwe gasten, net als bij de twee voorgangers. Bregje trof het niet. Eind maart 2020 werd de wereld geteisterd door de covid-epidemie, waarna de tent met kust en vliegwerk open kon blijven. Maar juist toen de rust leek teruggekeerd, kwam de Belastingdienst de uitgestelde belastingverplichtingen opeisen. Ook de stijgende inkoopsprijzen en een gekrompen clientèle vanwege de gedwongen langdurige sluiting gingen parten spelen. Op 1 mei 2023 sloot De Stempel definitief de deuren. Na ruim anderhalf jaar leegstand zit er weer een nieuwe pannenkoekenboer, het heet nu De Lande, en ook nu weer ben ik er regelmatig, toch nog wel een beetje onwennig. Zeker omdat ze geen Karmeliet op de bierkaart hebben staan. (meer…)

19 – DE SLOVEENS-KROATISCHE GRENSCONFLICTEN 2

De Baai van Piran

Toen in 1991 Slovenië en Kroatië de onafhankelijk uitriepen, veranderden de in wezen onafhankelijke deelstaatgrenzen in landelijke grenzen. In het voormalige Joegoslavië waren deze deelstaten nooit precies vastgesteld en daar was eigenlijk ook geen noodzaak toe. Dat was vanaf 1991 echter wel gewenst. Over de grens in de Baai van Piran kon beide landen het niet eens worden. In het noorden van de Adriatische Zee was de grens tussen Joegoslavië en Italië al vastgelegd en hieraan viel uiteraard niet te tornen. Over de gehele west- en noordgrens van de Adriatische Zee ligt Italië en ook het noordoostelijke deel met de belangrijke havenstad Triëst was Italiaans gebied. In het oosten werd het in 1991 begrensd door Slovenië, Kroatië, Servië en Albanië. In latere jaren werd het Joegoslavische deel verdeeld door Bosnië en Herzegovina en Montenegro, maar dat speelt hier verder geen rol. (meer…)

2025


.
Beste wensen 2025 / Best wishes 2025 / Beste Wünsche 2025 / Meilleurs vœux 2025, © Frans van den Muijsenberg.

NIEUWE HOEDEN VOOR HET NIEUWE JAAR

In veel Japanse tempels staat een Jizo-beeld, de beschermende Bosatsu van personen die pijn lijden, vooral voor zieke kinderen. Ook wordt geloofd dat doodgeboren en jonggestorven kinderen door Jizo naar de volgende wereld worden gebracht. Dat geldt ook voor baby’s die door een miskraam of abortus op de wereld komen. Daarom wordt het beeld in de tempels maar ook in de buitenlucht door moeders van een rode slap voorzien. In sommige tempels worden door ouders een Jizo-beeldje neergezet ter nagedachtenis aan hun overleden kind. De ouders kleden deze beeldjes vaak aan met zelfgebreide kleertjes en hangen speelgoedjes om het beeld.

De oorsprong van de Jizo-beeldjes ligt in zeventiende eeuw. In januari 1686 gooide de smid Hichizaemon, een zware drinker, een bamboeblazer naar zijn zoon. Per ongeluk raakte deze bamboeblazer de samoerai Ohyano Genzaemon. Hichizaemon bood onmiddellijk en bij herhaling zijn excuses aan voor het ongeluk, maar de samoerai was onvermurwbaar. Genzaemon zei dat hij volgens de kiri sute gomen, het feodale recht van samoerai iedereen van een lagere klasse mocht doden die zijn eer in gevaar bracht, daar geen genoegen mee hoefde te nemen. Hij pakte zijn zwaard en voor de ogen van het zoontje onthoofde hij Hichizaemon.  Het zoontje en zijn zus diende hierover een klacht in, maar de Bugyō strafte Genzaemon niet. Uit verdriet trad de zoon toe tot het boeddhistische priesterschap om op die manier te zorgen voor zielenrust van zijn vader. In een gebed deed hij later ook de gelofte honderd stenen beelden te maken. In de periode 1722-1732 maakte hij 107 beelden, het laatste vlak voor hij stierf. Het honderdste beeld stond in de Ōjō-in-tempel in Kumamoto, en het was het grootste beeld (186 centimeter hoog) en staat tussen de andere die op de grote stenen lotus stonden. (meer…)

18 – DE SLOVEENS-KROATISCHE GRENSCONFLICTEN 1

Inleiding

In april 1990 werden in de verschillende Joegoslavische republieken vrije verkiezingen gehouden. In Slovenië vonden die plaats op 8 en 12 april, in Kroatië op 22 april en 7 mei. In beide republieken, de welvarendste delen van Joegoslavië wonnen partijen die streefden naar onafhankelijkheid. In Slovenië werd vervolgens op 23 december 1990 een volksraadpleging gehouden over de Sloveense soevereiniteit. De opkomst was gigantisch (93,2%) en daarvan sprak de overweldigende meerderheid (88,5) zich uit voor een onafhankelijk en zelfstandig Slovenië uitspreekt. De conservatieve krachten in Joegoslavië waren het oneens met deze uitkomst, maar ook politici van de Europese Unie en de Verenigde Staten lieten begin 1991 weten de centralistische krachten in Joegoslavië te steunen en voor het behoud van de federatie te zijn. Op 25 juni 1991 verklaarden Slovenië en Kroatië zich echter onafhankelijk. (meer…)

068 – BEVROREN VIJVER 5

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

067 – BEVROREN VIJVER 4

.
Lobith, eigen tuinvijver, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.

EEN HOOG KNUFFELGEHALTE

Vanaf het strandje aan de Waal en nadat we een groepje roodbonte koeien waren gepasseerd, leidde een smal, met gras begroeid pad naar het dorp Lent. Daar stond ongetwijfeld een lekker pilsje voor ons te wachten. In 2007 was café de Zon waar we ons neerzette een rustige bedoening. Momenteel is het er een stuk drukker nu de Spiegelwaal is gegraven. In mooi ambtelijk jargon: ‘De Waal maakt bij Nijmegen niet alleen een scherpe bocht, maar vernauwt zich daar ook. In 1993 en 1995 was duidelijk dat de rivier daardoor bij hoog water kan overstromen. Om de bewoners te beschermen tegen de kracht van het water is de dijk bij Nijmegen- Lent 350 meter landinwaarts gelegd. Zo kwam er ruimte om een nevengeul voor de Waal aan te leggen. Die geul, de Spiegelwaal, biedt bij hoog water extra capaciteit voor waterafvoer, zodat er minder opstuwing is. Voor Nijmegen is het ook een grote ruimtelijke ingreep in het hart van de stad. Door de dijkverlegging en het graven van de geul is een langgerekt eiland in de Waal ontstaan. Dit ligt tussen de historische binnenstad en het nieuwe stadsdeel Nijmegen-Noord. Het eiland en de Spiegelwaal vormen samen een uniek rivierpark, met een mix van water en natuur, recreatie en stedelijke activiteiten.’ Inderdaad, dit deel van Lent ligt sinds een jaar of vijftien op een eiland, dat met de nodige toeristische ambitie Rivierpark Nijmegen wordt genoemd. (meer…)

DE ZIELEN DER VERDRONKENEN

Onderstaand sprookje stamt oorspronkelijk uit België, maar er is ook een sterk vereenvoudigde Nederlandse versie, ‘De ziel in zee’, waarin de arme visser rijk werd doordat hij de ziel van een rijke koopman zou hebben bevrijd. De heilige St. Andreas waarnaar in het sprookje wordt verwezen heeft zijn naamdag op 30 november, wat tevens een zogenaamde merkeldag is voor de weerspreuk: ‘Als Sint-Andries onder sneeuw moet bukken, zal het volgend jaar geen koren lukken.’ St. Andreas is de patroonheilige van vele landen, streken en plaatsen (Rusland, Schotland, Spanje, Griekenland, Sicilië, Neder-Oostenrijk, Bourgondië, Achaia, Napels, Ravenna, Brescia, Amalfi, Mantua, Pesaro, Avranches, Bordeaux, Wemeldinge, Aartrijke, Sint-Andries (Brugge), Patras, Berchtesgaden, Brunswijk, Hattem, Holstein, Katwijk, Lampertheim, Luxemburg, Minden, Plymouth, het bisdom Constantinopel, het bisdom Grand Rapids, de Schotse Orde van de Distel, de Orde van het Gulden Vlies), maar ook van de vissers, de vishandelaars, de zangers, de spinsters, de zeilers en de metselaars. Hij wordt daarnaast aangeroepen tegen jicht, nekstijfheid, krampen en dysenterie. Alsof dat nog niet genoeg is staat hij ook nog voor huwelijksgeluk en kinderzegen. In de Handelingen van Andreas, onderdeel van het Nieuwe Testament, wordt beschreven dat St. Andreas in Patras zou zijn gekruisigd aan een schuinstaand kruis met twee kruisende, diagonale balken. Dat staat sindsdien bekend als een andreaskruis, dat vooral bekend is van de Schotse vlag. (meer…)

PRETTIGE KERSTDAGEN


.
Prettige Kerstdagen / Merry Christmas / Frohe Weihnachten 2025 / Joyeux Noël, © Frans van den Muijsenberg.

HOE OVERLEEF IK KERSTMIS?

Kerst is zogenaamd een tijd om samen te komen, om je familie te zien, voor knipperende lichtjes, Mariah Carey oneindig op repeat en een oneindige hoeveelheid voedsel dat vaag naar kruidnagels en cranberry’s smaakt. De hele novembermaand werd je al getrakteerd op goedkope eurohousevarianten van sinterklaasliederen en zodra die goedheiligman terug naar Spanje gesodemieterd is, zit jij met Wham opgescheept. In het winkelcentrum, op kantoor, op het centraal station… Er is geen plek meer veilig. Als je de reclames mag geloven is niemand alleen met de kerst. Sterker nog, niemand mág alleen zijn met kerst, ook niet als je helemaal geen zin hebt in mensen. Dus wordt je verplicht om naar je familie te gaan, krijg je als je niet oppast een kriebeltrui over je hoofd heen gewrongen en moet je tegen heug en meug met een kerstmuts op meegourmetten. Er zijn genoeg redenen om kerst te haten. Een beetje kerst-hater herkent onderstaand lijstje meteen. Er zijn meer dan genoeg mensen die totaal geen behoefte hebben aan al die geforceerde gezelligheid en alle knipperende glitterende blokkerballen en actionkitsch, die wekenlang een kleine kortsluiting in die kop veroorzaken. Toch proberen sommigen tegen beter weten in toch om kerstmis een vrolijk feest te maken. Dat mislukt vaak jammerlijk, maar kan een mooi verhaal opleveren, zoals dit verhaal van Flor VandeKerckhove die onder de naam De Laatste Vuurtorenwachter een interessant blog bijhoudt. (meer…)

ELSJE CHRISTIAENS EN JAN NIEUWKERK – 2

Op de tekening van Jan van Borssom staat naast Elsje een paal met daarbovenop een horizontaal rad of wagenwiel, waarop een gebogen man zit, die zo te zien net als Elsje al en tijdje dood is. Zo te zien is hij terechtgesteld door hem te radbraken. Boven hem hangt een pistool, een aanduiding wat voor soort moord hij had gepleegd. Rembrandt had voor hem geen oog, terwijl deze moordenaar in april-mei 1664 juist heel veel aandacht kreeg.  De schrijver Frans Thuijs dood, net als Van Eeghen decennia eerder, in de archieven. Niet alleen in de Amsterdamse Confessieboeken, maar ook in de kroniek van Daniel de Barrios, de geschiedschrijver van de Portugees-Joodse gemeenschap in Amsterdam, en van Casparus Commelin, ook een schrijver over de Amsterdamse stadsgeschiedenis.

Thuijs achterhaalde dat het ging om Jan Nieuwkerk, die net als Elsje uit Denemarken kwam. In processtukken werden buitenlandse namen veelvuldig verhollandst, zodat zijn echte naam verloren is gegaan. Hij was in Denemarken soldaat gewest, maar in Amsterdam een arme sjouwer zonder vaste betrekking. Op zondag 9 maart 1664 vroeg de Portugese koopman Jacob Nabarro (50) aan zijn schoonmaakster Trijntje Paulus (40) of hij haar man Jan Nieuwkerk (36) even kon spreken. Nabarro woonde aan de oostelijke stadsrand in de Jodenbreestraat ‘achter het Leprozenhuis’.  Trijntje en Jan woonden dichtbij, op de Verversgracht (nu Zwanenburgwal). Uit geldnood deelden Jan en Trijntje hun huurkamer met ene Engeltje, een ‘vrouwmens’ (hoer?). Nabarro vroeg Jan of hij in één klap tweehonderd guldens wilde verdienen. Dat was voor Jan twee complete jaarlonen, dus zo goed als ‘an offer you can’t refuse’. Hij hoefde alleen maar Benjamin Dias Pato, een vijand van Nabarro, dood te schieten. Pato was een van oorsprong Spaanse leraar in het jongensweeshuis en de godsdienstschool van het in 1648 opgerichte genootschap Aby Jethomim in de Jodenbreestraat, tegenover Nabarro. Pato was een prominent lid van de Portugees-Joodse gemeente. Met motief voor Nabarro is altijd onduidelijk gebleven. Nieuwkerk verklaarde later dat Nabarro vond dat Pato hem diep had beledigd (‘een groot affront hadde gedaan’. Dat kan een opmerking zijn geweest op de extravagante levensstijl van Nabarro. (meer…)

066 – ’t PEESKE 1


.
Uitspanning ’t Peeske te Beek, mei 2015 © Frans van den Muijsenberg.

070 – SCHILDERLES IN LENT

De Waal en het Lentse strand 1

Op de Lindelaan te Lent, juni 2007, © Frans van den Muijsenberg.

ROOIE KOEIEN OP HET STRAND

De Snelbinder gaat honderden meters over de Waal. Een enkele keer passeert een trein met donderend lawaai over de brug die er pal naast ligt. Meestal echter is het stil, soms komt, amper hoorbaar, een fietser voorbij. Steeds weer bleef Dinie vanaf de Snelbinder kijken naar de stad en naar de langsvarende boten. Vanuit Duitsland kwam de Poseidon met grote snelheid aan. De tanker was zo te zien erg leeg en dan gaat het stroomafwaarts met een flinke vaart. Vanaf het moment dat het schip onder de Waalbrug in zicht kwam tot het moment dat ook het laatste stukje van de boot onder ons uit het zicht verdween, bleven we hem volgen. En net op dat moment kwam tergend langzaam het Duitse schip Renus-Schub 1 tevoorschijn, die twee duwbakken stroomopwaarts vervoerde. De ene grotendeels leeg, maar de andere bak tot de nok gevuld met steenkool, die wel ergens in het Ruhrgebied moest worden afgeleverd. Het duurde vrij lang voor het schip een beetje uit het zicht geraakte. (meer…)

ELSJE CHRISTIAENS EN JAN NIEUWKERK – 1

Elsje Christiaans (Jutland, ca. 1646 – Amsterdam, circa 3 mei 1664), afkomstig uit het Deens eilandje Sprouwen dat midden in de Grote Belt lag, de zeestraat die de twee grote Deens eilanden Funen en Seeland van elkaar scheidt. Het heet heden Sprogø en maakt vanaf 1998 deel uit van het Grote Beltbrug, die Funen met weg- en spoorverkeer verbindt met Seeland. Tijdens de bouw groeide het eiland door landwinning van 38 naar 154 hectare, maar vanaf dat moment is het eiland onbewoond. De bewoning moet in 1664 al beperkt zijn geweest en het bestaan karig. Reden voor Elsje haar heil elders te gaan zoeken, naar de rijke handelsstad Amsterdam.

Rond 14 april 1664 kwam Elsje Christiaens aan in Amsterdam en hoopte er snel een betrekking te vinden als dienstbode. Ze huurde een kamer bij een ‘slaapvrouw’. Aan het einde van de maand wilde de hospita de afgesproken daalder slaapgeld hebben, maar omdat Elsje nog steeds geen betrekking had kunnen vinden kon ze de huur niet betalen. De hospita dreigde toen haar bezittingen, een kistje met wat spulletjes, in beslag te nemen. Er volgde een flinke woordenwisseling en daarna een gevecht, waarbij de hospita Elsje sloeg met een bezemstok. Het eindigde ermee dat Elsje de vrouw met een bijl sloeg. De vrouw viel van de keldertrap en bleef daar voor dood liggen. De buren waren intussen op het lawaai uitgekomen en stonden bij de voordeur toen Elsje met bebloede handen de deur opendeed. Zij vroegen haar waarom haar handen onder het bloed zaten, ‘waerop sij seyde dat haar neus hadden gebloet’. Elsje rende daarna de straat op en nam op haar vlucht een mantel van een andere gast mee. De buren hadden al snel in de kelder het levenloze lichaam van de ‘slaapvrouw’ aangetroffen en gingen haar achterna. In een wanhoopspoging te ontsnappen sprong ze in het Damrak, waarna ze opgepakt kon worden. (meer…)

CHARLOTTE UHRIG

Charlotte Uhrig (Berlijn, 26 februari 1907 – Berlijn, 17 oktober 1992) werd geboren als Charlotte Kirst. Na de lagere school en een handelsschool te hebben doorlopen, voltooide Charlotte Kirst een commerciële opleiding en werkte daarna als kantoorbediende. Ze werd lid van het Zentral­verband der Angestellten. Over haar jeugdjaren is verder weinig meer bekend dan dat ze al op jonge leeftijd lid was van de Sozialistischen Arbeiterjugend (SAJ), de socialistische jongerenvereniging die banden had met alle sociaaldemocratische partijen in Duitsland en Oostenrijk. In de Weimarrepubliek werd de SAJ op 29 oktober 1922 opgericht uit de jongerenverenigingen van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) en de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD), toen deze partijen fuseerden. De SAJ had na de fusie ongeveer 110.00 leden. Charlotte Kirst, ongetwijfeld afkomstig uit een ‘rood nest’, zal er vanaf het begin bij aangesloten zijn geweest. In 1926 stapte ze over naar de SPD. Van 1928 tot 1933 werkte ze als secretaris in de SPD Reichstag-fractie, onder meer voor Rudolf Breitscheid (2 November 1874 – 28 August 1944). Dat voor de SPD de woordvoerder over buitenlandse zaken en was ook lid van de Duitse delegatie bij de Verenigde Staten. Toen de nazi’s in januari 1933 aan de macht kwamen, was hij een van de leden van de Rijksdag die tegen de invoering van de Machtigingswet stemde. Ze werkte daarna nog een tijdlang als stenograaf binnen de Rijksdag. Hij vluchtte daarna naar Frankrijk, waar hij in 1941 door de Gestapo werd gearresteerd. Hij stierf uiteindelijk in augustus 1944 op zeventigjarige leeftijd in concentratiekamp Buchenwald. (meer…)

DE REIS VAN ALBRECHT DÜRER NAAR DE NEDERLANDEN – 2

deel 2: november 1520 – juli 1521

Een maand later was hij in Aken om de kroning bij te wonen van koning Karel V. Hij trok nog voor een paar dagen naar Keulen en op 14 november begon hij via een flinke omweg de terugreis naar Antwerpen. De tocht voerde over Düsseldorf, Wesel, Emmerik, Nijmegen, Tiel, ’s Hertogenbosch (‘ein hübsche Stadt, hat ein ausbündige schöne Kircke’), Bommel, Oosterwijk (‘übergrosz schön Dorf’) en Tilburg. Toen hij op 22 november zijn vrouw in Antwerpen weer terugzag, liet die weten dat in de Onzer Lieve Vrouwekerk een zakkenroller haar beurs had gejat.

Op 3 december gaat hij opnieuw op pad. Eerst naar Bergen op Zoom, ‘ein lustig Ort im Sommer’, waar hij vooral onder de indruk was van het latere Markiezenhof. Op 7 december reisde hij met zijn metgezellen Sebastian en Alexander Imhoff, Georg Kötzler en Bernhart von Reesen naar Goes en vandaar naar Arnemuiden. Het scheepje voer langs plekken waar torenspitsen en daken van door de zee verzwolgen gehuchten nog net boven het water uitstaken. In Arnemuiden verkeerde de kunstenaar in groot gevaar. Omdat er een enorme menigte was bij het afstappen van het schip, hield Dürer zich in en was een van de laatste passagiers aan boord toen het touw plotseling brak en het voertuig door een naderende storm de zee op werd gedreven. Dürer, Kötzler, twee oude vrouwen en een kleine jongen waren nog de enige aan boord, maar slaagden er na de overreding van Dürer om met behulp van een klein zeil om het schip weer in de goede richting te brengen. De reddingsoperatie was succesvol en Dürer kon doorreizen naar Middelburg, ‘eine gute Stadt, hat ein überschön Rathhaus mit einem köstlichen Thurm’, en naar Veere, ‘da aus allen Landen die Schiff anländen, is ein fast feines Städtlein’. Van dit deel van de reis zijn geen tekeningen bewaard gebleven. (meer…)

DE REIS VAN ALBRECHT DÜRER NAAR DE NEDERLANDEN – 1

deel 1: juli 1520 – oktober 1520

Toen Albrecht Dürer in 1520 zijn reis naar de Nederlanden ondernam, was hij 49 jaar oud, dus in de volle kracht van zijn leven en in de volle glorie van zijn kunst. Hij heeft van die reis een dagboek nagelaten, dat voort het grootste deel bestaat uit de opsomming tot in de kleinste bijzonderheden van zijn dagelijkse uitgaven, waardoor het wel toch wel een beetje lijkt op het huishoudboek van een zorgzame huismoeder. Hij maakte aantekeningen van alle uitgaven: kousen, schoenen, handschoenen, drinkgeld, herberg, spijs en drank, dokter en apotheker, enzovoort en ook is er een uitgebreide opsomming van alle kleinere of grotere wederzijdse geschenken. Het is daardoor ook een getrouw beeld van het maatschappelijk leven in de eerste jaren van de zestiende eeuw en ook geeft het een goed beeld van het gemoedsleven van Albrecht Dürer. Er staat echter geen mooie teksten in, geen beschouwingen over kunst, geen levenslessen. Een voorbeeld van de stijl en inhoud van de ‘gebeurtenissen’ waarop Dürer zijn dagen beschreef: ‘Und bin von Mechelen früh am Montag [3 Sept.] gen Antorff (Antwerpen) gefahren. Und ich asz frühe mit dem Portugaleser, der schenket mir drei Porcolona, und der Ruderigs schenket mich etlich Feedern, calecutisch Ding. Ich hab 1 fl. verzehrt. 2 Stüber hab ick dem Boten gegeben. Ich hab der Susanna (zijn dienstmaagd) kauft ein Höcken pre 2 fl. 1 Ort. Mein Weib hat geben für ein Waschschaff, für ein Blasbalg und für ein Schüsselnapf, mein Weib vor Pantöffel und für Holz zu kochen und Kniehosen, auch für ein Sittichhaus und für zween Krüg und zu Trinkgeld 4 fl. rheinisch. So hat sonst mein Weib ausgeben um Essen, Trinken und allerlei Notdurft 21 Stüber. Nun bin ich am Montag nach Aegidi [3 Sept.] wieder zu Jobst Planckfelter eingezogen und hab diese eingezeichnete Mal gessen: jjjjjjjjjjjjjjjjj. Item dem Niclas des Tomasins Knecht, geben 1 Stüber. Ich hab 5 Stüber für das Leistlein geben, mehr ein Stüber. Mein Wirt hat mir geschenkt ein Indianische Nusz, mehr ein alt türkische Geisel.‘ (meer…)

069 – HET LENTSE STRAND 2

De Waal en het Lentse strand 1

Uiterwaarden van de Waal te Nijmegen, juni 2007, © Frans van den Muijsenberg.

068 – HET LENTSE STRAND 1

De Waal en het Lentse strand 1

Uiterwaarden van de Waal te Nijmegen, vanaf de Snelbinder, juni 2007, © Frans van den Muijsenberg.

067 – ZICHT VANAF DE SNELBINDER 1

De Waal en het Lentse strand 1

De Waal te Nijmegen, vanaf de Snelbinder, juni 2007, © Frans van den Muijsenberg.

DE KAATSENDE DUIVELS IN URECHT

Bij het hoekpand Eligenhof-Oudegracht 364 in Utrecht is een grote zwerfkei aan het pand vastgeketend, die bekend staat als De Gesloten Steen maar ook wel de Duivelssteen wordt genoemd. De steen heeft de status van rijksmonument. In een schepenbrief uit 1520 werd de zwerfkei voor de eerste keer genoemd. Naar alle waarschijnlijk fungeerde de steen toen als schampsteen, die toen op de hoek van een straat of tegen een inrijpoort werden geplaatst om schade door aanrijdingen te voorkomen. Er waren in die tijd nog geen trottoirs en de steen moest voorkomen dat karrenwielen het pand zouden beschadigen. De vorm en plaatsing was zodanig dat de wielen er als het ware vanaf glijden en dat de (uitstekende) wagenassen er niet tegenaan stoten. Om deze reden staan de schamppalen schuin opgesteld of hebben een schuine zijde.

En natuurlijk ontstond ook hier een mooie sage over de steen, die de beide gebruikte namen goed verklaart. De steen zou een duivelssteen zijn, want als je bij volle maan ´s nachts om precies twaalf uur een speld in een van de aderen van de steen stak, sijpelde er bloed uit de steen. Maar dat was lang niet het ergste. s Nachts kwamen er duivels die rond de steen dansten. Daarna ging de ene op de Vollersbrug staan, de andere een eindje verderop op de Geertebrug. (meer…)

WRITERS BLOCK-JE

Writers Block.
Lastig, zo’n Writer’s Block. Ook al is het maar een klein dipje, hooguit een dag. Morgen zal het heus wel weer beter gaan. Zeker te weten, denk ik. Zo’n onvermogen iets zinnigs op papier te krijgen, erger nog … een zinnig onderwerp dat je te binnen schiet, kan toch onmogelijk lang duren. Maar ja, je weet het nooit, hoelang de inspiratieloze dagen kunnen duren. Hopelijk schiet me morgen wel wat te binnen.

DE HASJIESJ

John Greenleaf Whittier (Haverhill, Massachusetts, 17 december 1807 –Hampton Falls, New Hampshire, 7 september 1892) was een Amerikaans quaker, hervormer en dichter die behoorde tot de groep van de Fireside Poets. Dat was een groep negentiende-eeuwse Amerikaanse dichters uit New England, waartoe onder meer ook Henry Wadsworth Longfellow, William Cullen Bryant, James Russell Lowell en Oliver Wendell Holmes sr. werden gerekend. In hun tijd behoorlijk populair, maar tegenwoordig wordt hun werk beschouwd als te burgerlijk, moraliserend en sentimenteel en nog maar nauwelijks gelezen. Ze wilden vooral schrijven voor het gewone volk, dat hun verhalen door gezinnen rond de haard (de ‘fireside’) werden gelezen en verteld. Ze behandelden onderwerpen uit het huiselijk leven, de mythologie en de politiek van de Verenigde Staten. Met name John Greenleaf Whittier was daarbij een gedreven actievoerder voor humanitaire zaken, met name de afschaffing van de slavernij. Vanaf 1833 profileerde hij zich als abolitionist. Hij was vanaf zijn jeugd nauw bevriend met William Lloyd Garrison, wiens compromisloze optreden ervoor zorgde dat in de noordelijke staten van de Verenigde Staten steeds meer het besef doordrong dat het houden van slaven uit den boze was en dat de slavernij ten onrechte als een onvermijdelijk iets werd gezien. Garrison wees zijn publiek op allerlei afschuwelijke voorvallen en trok fel van leer tegen de slavenhouders en allen die het voor hen opnamen omdat zij in zijn ogen beulen en mensenhandelaren waren. Hij bestreed dat de eigenaars van de slaven zekere rechten over hen hadden en was evenmin bereid met een compromis genoegen te nemen of uitstel te duiden. (meer…)

LANDSEER VS VAN SWINDEREN

Schilderkunst is geen wedstrijdje. Het is allemaal een kwestie van smaak welke schilder je het beste vindt of welke versie van een bepaald thema het beste is. Op deze site een groot aantal versies van de thema’s De Drie Gratiën, Cimon en Pero, de odalisken, het Parisoordeel of Judith en Holofernes. Het is onmogelijk te bepalen wie er beter is dan de rest. Natuurlijk, technische kwaliteit en originaliteit zijn belangrijke factoren, maar zijn die bepalend? Jeroen Krabbé kan in zijn overigens voortreffelijke serie over Henri Matisse steeds beweren dat deze Franse schilder nu de meest geliefde schilder aller tijden is, maar ik vrees dat weinigen Matisse op zo’n hoog voetstuk zullen plaatsen. Zelf zou ik hem niet in mijn top-25 plaatsen.

Al jaren geleden stuitte ik op het blog ‘Zo kan je je vergissen…’ van Groninganus dat ik om onduidelijke redenen altijd heb bewaard. Zoals trouwens meerdere van zijn interessante blogs die zich allemaal afspelen in de stad en provincie Groningen. Dit keer ging het om een aquarel in het archief van een lid van de familie De Marees van Swinderen, waarvan het onduidelijk was wat nu de oorsprong van dit werk was. Tot erop werd gewezen dat het een kopie in spiegelbeeld was van het schilderij ‘Alpine Mastiffs Reanimating a Distressed Traveler’ van de beroemde Britse schilder Sir Edwin Henry Landseer (Londen, 7 maart 1802 – Londen, 1 oktober 1873), die gespecialiseerd was in het schilderen van dieren, met name paarden, honden en herten. (meer…)

DE MOEZEL 2

.
De Moezel, september 2015, © Frans van den Muijsenberg

DE MOEZEL 1

.
De Moezel, september 2015, © Frans van den Muijsenberg

HET MEISJE OP DE SNELBINDER

Aan de stadskant van de spoorbrug werd in de periode 1875-1879 een zogenaamd landhoofd gebouwd. Het zuidelijke landhoofd van de brug met zijn middeleeuws aandoende torens werd ontworpen door Pierre Cuypers. De torens hebben elk vier verdiepingen hoog. Een ondergrondse tunnel (meer een gang onder de rails) verbindt de beide torens. In 2004 werd naast de Spoorbrug een fietsbrug gebouwd, de Snelbinder. Deze fietsbrug gaat dwars door het oostelijke deel van het landhoofd. De brug zorgt voor een snelle fietsverbinding tussen het centrum van Nijmegen en de nieuwbouwwijken in de Waalsprong, met een tijdwinst van ruim tien minuten ten opzichte van omfietsen via de Waalbrug. (meer…)

DE UITVINDING VAN DE STRAFSCHOP

Toen in 1863 de oorspronkelijke spelregels werden vastgesteld, was niet voorzien in duidelijk gedefinieerde straffen voor overtredingen. Voor de Corinthians, de benaming waarmee in die tijd de gentlemen werden aangeduid die als amateurs de voetbalsport bedreven, was het ondenkbaar dat een gentleman opzettelijk een overtreding zou maken, laat staan doelbewust een ander zou schoppen. Maar al snel waren vooral de clubs in het noorden erg gecharmeerd van de invoering van betaald voetbal, terwijl men in hert zuiden nog lang aanhanger bleef van het amateurisme. In 1885 werd echter door de Football Association het professionalisme gelegaliseerd en drie jaar later werd de Football League opgericht en kon ’s werelds eerste competitie plaatsvinden. Tegen die tijd waren overtredingen al lang schering en inslag geworden. Het voetbal werd steeds meer overgenomen door de arbeidende klasse en die hadden niet veel op met de ethiek van de gentlemen. Al in 1872 werd de indirecte vrije trap geïntroduceerd als straf voor het met de hand spelen van de bal. Later werd deze maatregel uitgebreid naar andere overtredingen. Het bleek al snel dat deze indirecte vrije trap ontoereikend was om via een handsbal een zeker doelpunt te voorkomen. In 1882 werd daarom besloten dat een handsbal om een doelpunt te voorkomen direct werd bestraft door een doelpunt toe te kennen. De maatregel werd echter een jaar later weer ingetrokken, waarschijnlijk omdat het door de gebrekkige arbitrage in die tijd tot veel onvrede leidde. Het probleem bleef dus bestaan en handsbalovertredingen bleven dus bestraft met een indirecte vrije trap. (meer…)

LYDDELL SAWYER

Edward Lyddell Sawyer (1856-1927), bijgenaamd ‘Lyd’, werd geboren in North Shields aan de rivier de Tyne, iets ten oosten van de belangrijke industrie- en vissersplaats Newcastle upon Tyne. Hij was de zoon van een portretschilder en kreeg dus, geheel naar de mores van zijn tijd, van zijn vader de eerste beginselen bijgebracht van zijn professionele opleiding tot portretschilder. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren visvangst, steenkoolontginning en het bouwen van schepen de belangrijkste inkomstenbronnen voor North Shields. Daarvan resteert momenteel en in bescheiden mate slechts de visvangst. De scheepswerf Smith’s Dock, gesticht anno 1851, werd in 1909 gesloten, maar tot in de negentiger jaren werden er nog wel schepen gerepareerd. Lyddell Sawyer studeerde ook optica en scheikunde en slaagde in 1885 voor het examen van de City of London Guild, hetzelfde jaar dat hij de studio van zijn vader verliet. Een paar jaar lang was hij een rondreizend fotograaf, die in Londen en Parijs woonde en werkte. Nadat hij in 1887 een prijs had gewonnen tijdens een tentoonstelling in Derby, begon hij met de bouw van zijn eigen Singleton House-studio in zijn geboorteplaats Newcastle. Hij maakte omstreeks 1889-1890 minimaal honderd foto’s in zijn geboortestreek, maar slechts een handvol daarvan zijn er overgebleven. Hieronder daarvan enkele voorbeelden, waarvan de allermooiste ‘Waiting for the boats’ is. Duidelijke door de fotograaf geënsceneerd: lege manden, de personen mooi verdeeld, afwezige blikken want Sawyer gaf steeds bij het fotograferen de strikte opdracht absoluut niet naar de camera te kijken. Zijn foto’s lieten ook duidelijk zien dat zijn vroege leven in Tyneside geen weelderig bestaan was, dit in tegenstelling tot veel van zijn toenmalige collega-fotografen in Zuid-Engeland. (meer…)

ODALISKEN – 38

In 1900 werden de werken van Jacqueline Marval (Quaix-en-Chartreuse, oktober 1866 – Parijs, 28 mei 1932) nog niet aangenomen door de Salon des Indépendants, maar het jaar daarop werd ze met tien schilderijen wel toegelaten tot de Salon des Indépendants, die van 20 april tot 21 mei 1901werd gehouden in de Grandes Serres van de Wereldtentoonstelling in Parijs. Al haar schilderijen werden aangekocht door Ambroise Vollard, waaronder L’Odalisque au Guépard (De odalisk met de cheetah). Het schilderij (110 x 220 cm) stelt een liggende naakte vrouw voor die een cheetah streelt voor een balustrade waar twee papegaaien poseren. L’Odalisque à l’esclave van Jean-Auguste -Dominique Ingres was voor Marval de inspiratie voor haar versie. Marval had overduidelijk haar uiterlijk toegekend aan de afgebeelde odalisk, daarmee werd het een van de oudste picturale werken die het naakt associeert met het vrouwelijke zelfportret. Vollard verkocht het werk later aan de verzamelaar Oscar Ghez en momenteel bevindt zich nog steeds in een privécollectie. Enkele jaren later zou ze nogmaals tweemaal schilderijen met odalisken maken, Waarvan het schilderij uit 1903 al weinig meer te doen hadt met de oosterse setting van de oorspronkelijke odalisken-schilderijen in de negentiende eeuw volgens de oriëntalistische stijl. Behalve dit schilderij koopt Vollard ook haar naakte zelfportret, dat waarschijnlijk het allereerste vrouwelijke naakte zelfportret uit de kunstgeschiedenis is. Vollard zal daarna zo’n tien jaar lang haar werken kopen en verkopen Daarna namen twee andere gerenommeerde kunsthandelaren, Eugène Druet en Berthe Weill, deze taak van Vollard over. (meer…)

ODALISKEN – 37

Jacqueline Marval (Quaix-en-Chartreuse, oktober 1866 – Parijs, 28 mei 1932) werd geboren als Marie-Joséphine Vallet in een piepklein dorpje in de buurt van Grenoble. Haar beide ouders waren hier onderwijzer en aanvankelijk volgde ze ook en opleiding in dezelfde richting. Ze kwam er snel achter dat dit toch niet haar roeping was. Ze huwde met de handelsreiziger Albert Valentine. Het zoontje dat ze kregen stierf echter al na zes maanden. Een gebeurtenis die bij haar diepe sporen naliet, zorgde voor grote spanningen in het huwelijk en een snelle scheiding in 1891. Op 25-jarige leeftijd vestigde ze zich in Grenoble, waar ze aan de slag ging als naaister van vesten. In Grenoble ontmoette ze in 1894 de kunstschilder François-Joseph Girot (Grenoble, 25 augustus 1873 – Dugny, 8 mei 1916) en trok met hem naar Parijs. Deze Girot en zijn vriend Jules Flandrin (Corenc, 9 juli 1871 – Corenc, 25 maart 1947) waren in Parijs leerling van Gustave Moreau (Parijs, 6 april 1826 – aldaar, 18 april 1898), een gerenommeerd schilder van symbolistische allegorieën. Het moet een bijzonder tweetal zijn geweest. Flandrin was een fanatiek anarchist en atheïst, terwijl echtgenoot Girot behoorlijk religieus was. Het samenzijn van Vallet en Girot duurde dan ook niet lang. Al in 1895 ging het tweetal weer uiteen. In 1900 trad de 29-jarige Girot in bij de benedictijnse abdij En Calcat in Dourgne (Tarn) waar hij in juni 1907 tot priester werd gewijd. Op 7 mei 1916 raakte hij tijdens gevechten rond Verdun dodelijk gewond in Dugny en stierf gedurende de nacht in de ambulance. De 43-jarige priester Girot diende toen als soldaat 2e klas als verpleegster-brancarddrager als kapelaan. (meer…)

NIJMEGEN 03

.
De Hoefkamp, Nijmegem, oktober 2006, © Frans van den Muijsenberg

NIJMEGEN 02

.
De Hoefkamp, Nijmegem, oktober 2006, © Frans van den Muijsenberg

WERK IN UITVOERING

Duiven, 17 maart 2018

De oudste dochter werd in de loop van 2017 haar woning in Tolkamer helemaal beu. Constant was er wel wat gezeur met andere bewoners en in de zomer was het er altijd bloedheet. Woonstichting Vryleve deed namelijk haar naam geen eer aan door te besluiten dat de ramen slechts op een kiertje geopend mochten worden en aangezien haar ramen op het zuiden waren gericht, hield dat in dat de godganse dag de zon op haar kamer was gericht. Haar woning was bovendien op de derde verdieping en de only way out was de trap naar beneden.  De stichting was zo slim geweest niet te zorgen voor een nooduitgang als er brand uit zou breken. Dat zou maar extra kosten met zich meebrengen. Niet bepaald ‘vrij leven’. Dat de bewoners van de bovenste etage dan wel eens als ratten in de val zouden zitten, deerde hen niet. Voor dochter A., die toch een beetje claustrofobische neigingen had, een alarmerend gegeven. Vanaf het moment dat ze haar appartement in de oude marechausseekazerne betrok, voelde ze zich nooit echt op haar gemak, maar alle berichten hierover waren bij Vryleve aan dovemansoren gericht. Daar kwam in 2017 bij dat ze haar opleiding had afgemaakt en dat het voor het vinden van een leuke baan aantrekkelijk was te kijken naar een plaats met goede aansluitingen op het openbaar vervoer. Dan kwamen in wezen slechts twee plaatsen in aanmerking: Zevenaar en Duiven. (meer…)

HOE HET FASCISME BEGINT …

David Van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971) is cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver. Zijn oeuvre beslaat toneelstukken, poëzie, proza en veel non-fictie. Zijn boeken over het kolonialisme.  Congo (2010) en Revolusi (2020) werden internationale bestsellers en terecht want het zijn magistrale werken over een periode in de Belgische en Nederlandse geschiedenis waarin in beide landen decennialang krampachtig is gezwegen. Hij kreeg verder prijzen voor zijn geschriften over democratie Pleidooi voor populisme (2008) en Tegen verkiezingen (2013). In 2022 verscheen De kolonisatie van de toekomst, de tekst van de vijftigste Huizinga-lezing die hij op 12 december 2021 uitsprak in de Pieterskerk te Leiden. De strekking van de lezing is: ‘Zelfs als we met het kolonialisme uit het verleden ooit helemaal in het reine zijn gekomen, hebben we nog steeds niets gedaan aan de dramatische manier waarop we nu de toekomst koloniseren. De mensheid palmt de komende eeuw in met dezelfde meedogenloosheid, dezelfde hebzucht en dezelfde kortzichtigheid waarmee in vroeger tijden werelddelen werden toegeëigend’.

Op 31 oktober jl. liet Van Reybrouck op zijn Facebookpagina weten dat hij opnieuw onderweg is naar Congo, als passagier van de Manitoba, een vrachtschip van het Nederlandse bedrijf Universal Africa Lines uit Capelle aan de IJssel. Het bedrijf vaart al meer dan 51 jaar naar verschillende Afrikaanse bestemmingen. Het schip vaart vanuit Antwerpen eerst naar Noorwegen en Schotland en na het noordelijke omweggetje gaat de reis verder naar Angola, Gabon, Congo-Brazzaville en uiteindelijk de Democratische Republiek Congo. De reis, met twaalf bemanningsleden uit de Filipijnen en Oekraïne, zal meer dan een maand duren. De reis staat uiteraard in het teken van onderzoek van een nieuw boek, wat me op voorhand nieuwsgierig maakt. Zal toch wel een jaartje of twee duren verwacht ik voordat ik het resultaat onder ogen zal krijgen. Op donderdag 7 november jl. plaatste hij onderstaand artikel met de toevoeging ‘gisterenmiddag geschreven op vraag van De Standaard, ondanks grote vermoeidheid en herrie aan boord’.) Het is een formidabele verklaring hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat dubieuze figuren als Trump, Wilders, Le Pen, Meloni en andere gelijkgestemden aan de macht kunnen komen. (meer…)

NIJMEGEN 01

.
De Hoefkamp, Nijmegem, oktober 2006, © Frans van den Muijsenberg

KEUKENHOF 01

.
De Keukenhof, oktober 2008, © Frans van den Muijsenberg