De tweeling Leo en Max van Gelder werd op 7 maart 1939 in Amsterdam geboren. Vader Benjamin van Gelder (Groningen, 7 februari 1905 – Sobibor, 21 mei 1943) verdiende de kost als handelsreiziger. In andere dossier staat als beroep ‘venter’, genoemd, wat toch behoorlijk minder chique klinkt. Hij was getrouwd met Sophia Weinberg (Keulen-Calk, 1 mei 1915 – Sobibor, 21 mei 1943). Sophia, haar moeder Szaindel Weinberg (Tyrawa Woloska, 28 maart 1886 – Sobibor, 21 mei 1943) en haar oudere zus Ernestine, roepnaam Erna (Keulen, 6 augustus 1908 – Amsterdam, 28 oktober 1970) vluchtten kort nadat Hitler in Duitsland aan de macht kwam naar Nederland. Ze hadden zich eerst gevestigd in de Langestraat 52 te Tilburg, waar ze vanaf 9 augustus 1933 woonde. Szaindel was de weduwe van Moshe Barasch (Braila, Roemenië, 1888). Haar schoonbroer David Leibu Barasch (Boekarest, 26 september 1888 – Auschwitz, 31 januari 1943), sinds 1931 weduwnaar, vestigde zich met zijn drie dochter Anna Lisa (1913), Sophie (1915) en Rosa (1919) ook in Tilburg. Ook zus Sophie Barasch (Braila, Roemenië, 1 juli 1895 – onbekende plaats en datum van overlijden), moeder Barasch en een nicht Frieda Kappel-Hirsch kwamen in dezelfde periode terecht in Tilburg.
Ergens in 1933-1934 moet Sophia de handelsreiziger Van Gelder hebben ontmoet. Op 4 juli 1935 trad ze met hem in Groningen in het huwelijk. De huwelijksacte vermeldde dat de minderjarige Sophia de niet-erkende dochter was van Szaindel Weinberg, waarvan ook geen beroep, woon- of verblijfplaats bekend was. Het echtpaar moet het wel degelijk hebben geweten dat zij toen in Tilburg woonde, want ze vertrokken direct na de huwelijksvoltrekking naar de Nicolaas Beetsstraat 3 te Tilburg, waar ze 2,5 maand (4 juli 1935 tot 20 september 1935) woonde. Op 20 september 1935 vertrokken ze naar Amsterdam, waar ze zich vestigde in Amstellaan 27-II. Dar werd op 7 maart 1939 de tweeling Leo en Max van Gelder geboren. (meer…)
.
Rozenpad, een zijpad van de Floraweg, september 2006, © Frans van den Muijsenberg.

.
Elten in de avondzon, januari 2011, © Frans van den Muijsenberg.
In de nacht van 24 op 25 maart 1933 werd Erik Jan Hanussen (foto links), een bekende Oostenrijks-Joodse publicist, ‘helderziende’ performer en charlatan, in de SA-gevangenis aan de Papestrasse in Berlijn-Tempelhof doodgeschoten. Tijdens zijn leven werd Hanussen geprezen als hypnotiseur, mentalist, occultist en astroloog. Hij was in de Weimarrepubliek Duitsland actief en in nazi-Duitsland fungeerde hij, ondanks zijn Joodse afkomst als nazi-sympathisant. Er wordt beweerd dat hij Adolf Hitler heeft onderwezen in optreden voor publiek en het bereiken van dramatisch effecten. Het viertal dat verantwoordelijk was voor de moord bestond uit de SA-Führer Wilhelm Ohst, die de leiding van de operatie had, SA-Gruppenführer van Berlin-Brandenburg Karl Ernst, SA-lid Kurt Egger en Sturmführer Rudolf Steinle.
Rudolf Steinle (Ottweiler, 31 augustus 1911 – Terebez, 12 augustus 1941) was de tweede zoon van meester-banketbakker Hans Steinle en Lina Müller. Van 1917 tot 1925 bezocht hij in Wiesbaden de middelbare school en daarna in dezelfde plaats in Wiesbaden een driejarige handelsopleiding in de ijzergroothandel bij Josef Hupfeld GmbH in Wiesbaden. Bovendien kreeg hij les aan de handelsschool van de stad. In 1927 werd de zestienjarige Steinle lid van de Hitlerjugend en nam namens die organisatie deel aan de vierde NSDAP-partijbijeenkomst die van 1 t/m 4 augustus in Neurenberg werd gehouden. Het was de tweede keer dat de partij in Neurenberg bijeenkwam, na eerder in 1927 hier bijeen te zijn gekomen. Een jaar later moest de partij wegens geldgebrek een nieuwe landelijke bijeenkomst achterwege laten. Dat zou ook in 1932 het geval zijn, zo goed stond de partij er (in elk geval financieel) in die periode niet voor. In de jaren 1930 en 1931 verbood Neurenberg de NSDAP partij in de stad bijeen te komen omdat er tijdens het evenement in 1929 massale vechtpartijen plaatsvonden tussen de nationaalsocialisten en communisten. Pas vanaf 1933, nadat Hitler en trawanten aan de macht waren gekomen, werd Neurenberg de stad voor de beruchte massale bijeenkomsten. (meer…)
Catharina de Grebber (Leiden,1495/1496 – gestorven na 1515) was de dochter van Pieter Claesz. de Grebber en Alyt van Tetrode. De familie De Grebber was in die tijd een van de oudste adellijke families in het huidige Waterland en de stad Amsterdam. Hun oorsprong ligt vermoedelijk in Edam en Monnickendam, waar zij uitgebreide bezittingen bezaten. Hun wapen met een zwaan duidt op afstamming van de oude heren van Waterland. Jacob de Grebber (geboren rond 1235) was de stamvader van de familie en waarschijnlijk de eerste die de naam Grebber droeg. Zijn zoon Claes (Klaas) Jacobsz de Grebber was een van de edelen die West-Friesland in 1296 naar de onafhankelijkheid van graaf Floris V van Holland leidde. Zijn broer Willem Jacobsz de Grebber was in 1315 baljuw van Waterland. Sommige van zijn nakomelingen bekleedden ook dit ambt. Aan het einde van de veertiende eeuw kwam een lijn van de De Grebbers naar Amsterdam en maakte daar al snel del uit van het plaatselijke patriciaat. Andere leden van de familie De Grebber waren vertegenwoordigd in de stadsbesturen in Haarlem, Den Haag, Leiden, Delft en Alkmaar. De vader van Catherine, Pieter Claesz. de Grebber, was jarenlang schepen in Leiden. Ook haar moeder stamde uit een vooraanstaande familie, het geslacht Van Tetrode. Die woonden in Haarlem in een jachtslot (kasteel Tetrode) in de huidige gemeente Bloemendaal. Het wapen van de gemeente Bloemendaal is afgeleid van het familiewapen van het geslacht Van Tetrode. Dat wapen had een schild van sabel (zwart) met daarop drie zilveren plompenbladen. In het gemeentewapen van Bloemendaal zijn de kleuren omgedraaid: zwarte pompenbladen op een zilveren achtergrond. Alyt was de dochter van Jan Willemsz van Tetrode (ca. 1450), een rijke bierbrouwer, ook werkzaam in de lakennijverheid en lid van de veertigraad van Leiden. Hij was ook de stichter van het Sint Stevenshofje aan de Haarlemmerstraat in Leiden. Catharina en haar ouders woonden in Bon Wolhuis: de stadswijk tussen Breestraat, Pieterskerkchoorsteeg, Langebrug en de Steenschuur. (meer…)
.
Goffertwei in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Appel in het bos, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.
De Telegraaf, 26 maart 1895: ‘De dynamiet-ontploffing. Bij de schade, die door de dynamiet-ontploffing bij Lobith is teweeggebracht, doet zich de vraag voor, wie verplicht zal zijn het door verschillende bewoners geleden nadeel te vergoeden. De te Lobith en bij den Rijn wonende Hollanders zullen, naar men verneemt, de tusschenkomst der Nederlandsche regeering inroepen, om de geleden schade te herstellen. De Clever Volksfreund twijfelt niet of de schade die eenige Nederlanders door de ramp hebben geleden, zal door de Pruisische regeering geheel worden vergoed.’
Nieuwsblad van het Noorden, 26 maart 1895: ‘Dynamiet-ontploffing bij Lobith. De regerings-president te Dusseldorf heeft de ‘Köln. Ztg’ hert volgende schrijven toegezonden: Tegen het einde van Januari werden zeven kleine met dynamiet geladen schepen op den Rijn nabij de Hollandsche grens door ijsgang overvallen, zoodat zij een veilige ligplaats moesten zoeken in een ouden arm van den Rijn bij Keeken, het zogenaamde Vossegat. Wijl het te duchten was, dat de schepen door de ijsmassa’s beschadigd zouden worden en het dynamiet zoude ontploffen, wat dan, afgezien van andere nadeelige gevolgen, de vernieling van de Rijndijk en daarmede misschien vreeselijke onheilen na zich zouden sleepen, werd het lossen van het dynamiet uit de vaartuigen noodzakelijk geacht. Toen de Rijn weder ijsvrij was, werd van de zijde der autoriteiten de wederinscheping van het dynamiet en het vervoer daarvan toegestaan. Het weer inladen geschiedde onder dezelfde voorzorgsmaatregelen als het lossen, en uitsluitend door daarin ervaren personeel van de fabriek van afzending, en onder bijzonder toezicht van een technisch beambte. Gedurende de inscheping op den 19den dezer maand, te ongeveer 6 uur des avonds, vloog het reeds geheel geladen schip ‘Elizabeth’, met 866 kisten dynamiet van 20 k.k. ieder, in de lucht. Bij deze ramp werden 13 personen gedood en drie gewond. Hoe het ongeluk is ontstaan, is tot hiertoe niet opgehelderd. Het onderzoek wordt voortgezet. De schade aan huizen en bezittingen is wel is waar niet geheel onbeteekenend, maar de hieromtrent verspreide berichten zijn toch sterk overdreven. De meest in de nabijheid van de plaats der ramp, maar nog altijd op een kilometer afstands gelegen gebouwen hebben, als men eenige verbrijzelde ruiten en beschadigingen aan de daken uitzondert, nauwelijks eenige schade bekomen.
De officiële mededeeling wijkt vooral hierin af van sommige andere berichten, dat de inscheping van het dynanmiet zou geschied zijn met inachtneming der noodige vioorzorgsmaatregelen en door personen, vertrouwd met de behandeling van dynamiet. (meer…)
Eind januari 1895 waren twee schepen met dynamiet vanuit de omgeving van Keulen onderweg met een lading dynamiet. De eindbestemming was Port Elisabeth in Zuid Afrika, waar het dynamiet gebruikt zou gaan worden in de goudmijnen. Het was winter, het water in de Rijn stond hoog en er was gevaar voor ijsvorming. De Nederlandse douane vond de lading te gevaarlijk om door te laten varen en eiste dat het dynamiet over verschillende schepen moest worden verdeeld. Kort daarna trad strenge vorst op. Begin februari dreven er al grote ijsschotsen op de Rijn, zodat verder vervoer te gevaarlijk werd en dus zochten de schepen tijdelijk toevlucht in het Vossegat. Nog voor het ijs op 10 februari volledig vast ging zitten, werd besloten de beide schepen te lossen tot de weersomstandigheden zouden zijn verbeterd. Het dynamiet werd bij Salmorth nabij Griethausen opgeslagen in een grote hal die ongeveer honderd meter verwijderd was van de zuidelijke oever en die bekend stond als ‘de Schürpoll’. Het dynamiet in de 1.100 kisten werd vanuit de schepen op karren geladen en naar die hal vervoerd. De weg werd met stro bedekt om schokken te vermijden. Op 17 februari was het karwei geklaard. (meer…)
.
Muur in de Bergstrasse in Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.
Klaas A.D. Smelik (Hilversum, 1950) studeerde theologie, semitische talen, oude geschiedenis en archeologie in Utrecht, Amsterdam en Leiden. In 1977 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over koning Saul. Hij nam deel aan verschillende opgravingen in het mediterrane gebied. Smelik was werkzaam aan de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam, de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel en de KU Leuven. Hij was van 2006 tot 2009 directeur van het Etty Hillesum Onderzoekscentrum, eerst in Gent en later in Middelburg. In 1986 gaf hij de integrale editie uit van de nagelaten geschriften van Etty Hillesum, waarvan in 2021 de zevende druk verscheen. Hij is auteur, medeauteur of eindredacteur van een vijftigtal boeken over de Oudheid, het Hebreeuws, de Bijbel en het jodendom. Hij is dus goed bekend met de geschiedenis van de Jodenvervolging. Met dit boek wil hij een kort overzicht geven van de geschiedenis van de Sjoa in Europa, waar in de oorlogsjaren Joden zeer weinig mogelijkheden hadden om aan de Duitse vernietigingsmachinerie te ontsnappen. Smelik stelt daarbij: ‘De onverschilligheid van de meerderheid van de Europese bevolking tegenover hun lot vormt naast het fanatisme van nazi’s en hun hoogst efficiënte aanpak om Joden op te sporen en te vermoorden, een belangrijke reden dat zoveel Joden zijn omgekomen. Niettemin was er Joods verzet en waren mensen actief om Joden uit de handen van de nazi’s te houden.’ Verder probeert hij bij de geschiedenis in de verschillende Europese landen antwoord te geven op de vraag waarom de percentages slachtoffers per land zo verschillen. (meer…)




Dag 23 – 8 september 2023 – Vimy, Le mémorial canadien de Vimy, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 23 – 8 september 2023 – Vimy, Le mémorial canadien de Vimy, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 21 – 6 september 2023 – Guerlesquin, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 21 – 6 september 2023 – L’église de Guerlesquin, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 19 – 4 september 2023 – Carantec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 19 – 4 september 2023 – Carantec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Daoulas et Landerneau, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Abbaye Notre-Dame de Daoulas, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Abbaye Notre-Dame de Daoulas, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Chateau de Trévarez, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Chateau de Trévarez, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Chemin chez Keranflech, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 17 – 1 september 2023 – Morlaix, Le viaduc ferroviaire, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 17 – 1 september 2023 – Morlaix, Le viaduc ferroviaire, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 15 – 30 augustus 2023 – Le Jardin Exotique de Roscoff, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 14 – 30 augustus 2023 – Chateau de Kerjean, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 13 – 29 augustus 2023 – Chaos de Huelgoat, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 13 – 29 augustus 2023 – Abbaye du Relec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 13 – 29 augustus 2023 – Abbaye du Relec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 12 – 28 augustus 2023 – Sizun, Église Saint-Suliau, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11- 27 augustus 2023 – Saint-Pol-de Leon, Cathédrale Saint-Paul Aurélien, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11- 27 augustus 2023 – Saint-Pol-de Leon, Cathédrale Saint-Paul Aurélien, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11 – 26 augustus 2023 – Insectarium de Lizio, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11 – 26 augustus 2023 – Insectarium de Lizio, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 10 – 25 augustus 2023 – Guérande, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 10 – 25 augustus 2023 – Guérande, Chapelle Notre-Dame-la-Blanche, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 8 – 23 augustus 2023 – Saint-Brevin-les-pins, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 23 augustus 2023 – Marais Salants de Guérande, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 23 augustus 2023 – Piriac-sur-Mer, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 23 augustus 2023 – Piriac-sur-Mer, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 22 augustus 2023 – Saint-Michel-Chef-Chef, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Passage du Gois, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Noirmoutier-en-l’Île, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – L’église de Noirmoutier-en-l’Île, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Noirmoutier, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Passage du Gois, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 4 – 19 augustus 2023 – Saint-Brevin-les-pins. Le serpent d’ocean, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 4 – 19 augustus 2023 – Saint-Brevin-les-pins. Pont de Saint Nazaire, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 4 – 19 augustus 2023 – L’église de St. Martin-du-Limet, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 3 – 18 augustus 2023 – Musée Robert Tatin, Cossé-le-Vivien, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 2 – 17 augustus 2023 – Cimetière de La Roche Guyon, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Mantes-la-Jolie, La Collégiale Notre-Dame, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Giverny, Maison et jardin de Claude Monet, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Giverny, Maison et jardin de Claude Monet, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Giverny, Maison et jardin de Claude Monet, © Frans van den Muijsenberg.
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
24
19 februari 1946 – Johannes Tipker
Johannes Tipker (Kopstukken, 30 maart 1920-Groningen, 19 februari 1946) werd geboren in Kopstukken, een langgerekt dorp met lintbebouwing dat in de loop van de 19e eeuw ontstond uit de ontginning van het veengebied, en dat tot de toenmalige gemeente Onstwedde hoorde. Hij was de zoon van de arbeider Geert Tipker en Geessien Braam. Jogie, zoals Johannes Tipker in de volksmond werd genoemd, was slager van beroep. Op 22 november 1937 was hij op 17-jarige leeftijd in Onstwedde in het huwelijk getreden met de even oude Berendiena (‘Diene’) Brakke. Vanaf mei 1943 werd door de Duitsers flink ingezet op de Arbeitseinsatz voor Nederlandse mannen van zestien tot veertig jaar. Behoorlijk wat mannen uit Onstwedde en omgeving hadden al een oproep gehad en waren inmiddels al aan de slag, ergens bij de oosterburen. Om onduidelijke redenen waren Jogie en een flink stel leeftijdgenoten nog steeds de dans ontsprongen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
23
16 augustus 1945 – Jan Lukens
Jan Lukens (Onstwedde, 5 januari 1921-Onstwedde 16 augustus 1945) was de zoon van Albert Lukens (1892-1964) en Geessien Luttjeboer (1896-1991), die op 23 augustus 1913 in Onstwedde trouwde en in totaal maar liefst vijftien kinderen kregen. Vier daarvan stierven al voor hun eerste levensjaar. Vooral op de naam Hillechien leek geen zegen te rusten, want in 1914, 1915 en 1919 werden dochters geboren die deze naam kregen en nog hetzelfde jaar overleden. Jan was de derde zoon en woonde nog bij zijn ouders in de buurtschap Tange, tussen de dorpen Onstwedde en Alteveer. Hij ging al op zeer jonge leeftijd werken in de sigarenfabriek Albatros, die vanaf 1920 in het centrum van Nieuwe Pekela stond en aan honderden mensen werk verschafte. De sigaren die er werden geproduceerd werden tot ver over de landsgrenzen verkocht. Na de oorlog werd de naam gewijzigd in Champ Clark en werd het handwerk steeds meer vervangen door machinale vervaardiging. Het kon de eerst zo welvarende fabriek echter niet redden. In 1970 sloot het bedrijf haar deuren. In de periode dat Jan Lukens er werkte was de sfeer in het bedrijf zeer gemoedelijk. Er was weinig afstand tussen directie en personeel; ook de directeuren en hun kinderen sprongen in tijd van grote drukte bij. Er was dan ook weinig verloop in het personeelsbestand. Het is dus niet verwonderlijk dat ook Jan Lukens het uitstekend naar zijn zin had in het bedrijf. Hij werd op het bedrijf en privé zeer gewaardeerd om zijn fijne karakter: aardig tegen iedereen, altijd bereid een ander te helpen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
22
31 mei 1945 – Hendrik Nobbe
Hendrik Nobbe (Onstwedde, 18 februari 1915 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945) trouwde op 14 februari 1938 in Onstwedde op 22-jarige leeftijd met de pas achttienjarige Hillechien Lutjeboer (1919-1994). Het echtpaar kreeg vier kinderen. Na de oorlog bleef Hillechien lang weduwe, tot ze op 2 januari 1961 in Onstwedde voor de tweede maal in het huwelijk trad met Garnt Kok, met wie ze nog één kind kreeg. Hendrik was met als zijn vader landarbeider. Hij was het zevende van de dertien kinderen die Wubbo Nobbe in de periode 1905-1928 kreeg. Hendrik werd op 26 juni 1944 thuis gearresteerd door twee NSB’ers uit Onstwedde, terwijl twee andere NSB’ers buiten voor de deur op wacht stonden. Zijn arrestatie hield verband met die van Jan Wever en het gezin Meijer (14-15 juni 1944) en dus ook met die van Jacob Korsse (13 juli 1944). Het waren namelijk dezelfde vier NSB‘ers die bij eerst bij Wever aan de deur stonden, die nu elf dagen later bij Hendrik Nobbe in de Boslaan aanklopte. Hendrik was niet thuis op het moment dat twee van de leden van dec Nederlandse Landwacht bij hem aanklopte. Als hij alert was geweest, had hij zich tijdig uit de voeten kunnen maken. Net op het moment dat hij zijn woning naderde, kwamen ook twee andere mannen van de Landwacht uit Alteveer aanlopen die met hem mee oplopen. (meer…)

.
St. Agnetenweg, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
21
22 mei 1945 – Roelf Nomden
Roelf Nomden (Wedde, 16 mei 1924-Onstwedde, 22 mei 1945) werd geboren in het dorp Wedde, dat tot 1968 een zelfstandige gemeente was waarvan naast het hoofddorp ook de dorpen, buurtschappen en gehuchten Blijham, Hoornderveen, Hoorn, Lutjeloo, Morige, Tjabbesstreek, Wedderheide, Weddermarke en Wedderveer deel van uitmaakte. In 1968 werden Wedde en Hebrecht toegevoegd aan de gemeente Vlagtwedde, dat in 2018 met de gemeente Bellingwedde fuseerde tot de nieuwe gemeente Westerwolde. Wedde ligt maar een paar kilometer verwijderd van Onstwedde, maar beide dorpen hebben nooit tot dezelfde gemeente gehoord. Roelf was de zoon van de landbouwer Berend Nomden (Wedde, 27 mei 1899-Onstwedde, 21 maart 1961), die op 26 februari 1921 in Wedde trouwde met Engelina Vos (Onstwedde, 15 oktober 1899-Onstwedde, 28 februari 1996). Het echtpaar had twee kinderen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
19-20
25 april 1945 – Lammert Kiewiet en Derk Ossel
Lammert Kiewiet (Bunde, 15 maart 1916-Wangerooge, 25 april 1945) en Derk Ossel (Nieuwe Pekela, 30 juni 1902-Wangerooge, 25 april 1945) gingen beiden in de oorlog in Duitsland werken. Het is daarbij de vraag of dat gedwongen ging via de Arbeitseinsatz of dat ze min of meer vrijwillig gingen. In mei 1940 stonden beide mannen in Onstwedde als werkzoekende geregistreerd. Dat hield in dat ze als werklozen moesten zien rond te komen van een uiterst bescheiden steun die vanuit het Ministerie van Sociale Zaken werd verstrekt. Op het hoogtepunt van de crisis waren ruim 600.000 van de acht miljoen Nederlanders werkloos. De armoede was enorm en de regering had geen oplossing. Voor de minimale uitkering moesten de werklozen één of twee keer per dag komen ‘stempelen’, zodat ze niet stiekem wat extra’s konden verdienen. Daarnaast konden ze gedwongen worden in de werkverschaffing te gaan werken. Zwaar werk met behoud van de uiterst karige steun. Die werkverschaffing kon als resultaat hebben dat een werkloze onderwijzer met de schop aan het werk moest om sloten te graven of dijken aan te leggen. Nog bij het uitbreken van de oorlog telde Nederland ongeveer 350.000 werklozen. DE Nederlandse overheid was dan ook erg inschikkelijk om de Duitsers te helpen bij het oplossen van het werklozenprobleem. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
18
7 maart 1945 – Geert Vos
Geert Vos (Onstwedde, 26 september 1923-Osnabrück, 7 maart 1945) was het enige kind van Jurrien Vos (Holte-Onstwedde, 12 april 1890 – Onstwedde, 23 mei 1966) en Jantje Snitjer (Nieuwolda, 14 januari 1892-Stadskanaal, 17 maart 1969), die op 27 juli 1912 in Onstwedde waren getrouwd. Hun twee eerdere kinderen Sibolt (1914-1914) en Alida (1921-1922) waren zeer jong gestorven. Halverwege 1942 werd de pas 19-jarige Geert Vos net als veel dorpsgenoten voor de Arbeitseinsatz opgeroepen. ‘Dei verrekte Duutsen!’, schijnt Geert die de reputatie had zijn mening niet onder stoelen of banken te steken, te hebben gezegd. Dat zal eventjes hebben opgelucht, maar iets later had hij zich toch maar gemeld. Duitsland had in mei 1941 ongeveer 1 miljoen krijgsgevangenen en ongeveer 1,3 miljoen buitenlandse arbeiders, die het werk in de Duitse economie moesten vervangen voor Duitse jongelui die hun militaire dienstplicht vervulden. Vanuit Nederland waren op dat moment ongeveer 120.000 man in de Duitse economie werkzaam, bijna allemaal verplicht. Voor de Duitse economie was dat aantal van 2,3 miljoen ‘gastarbeiders’ nog onvoldoende. In juni 1941 werd namelijk de Sovjet-Unie binnengevallen en in tegenstelling duurde die operatie niet het voorziene ene jaar. Dat betekende onherroepelijk dat de Duitse werkkrachten onder de wapenen bleven en dat ook nieuwe lichting richting front gingen en niet richting fabriekspoorten. De Duitse economie schreeuwde dus om arbeidskrachten en steeds meer oorlogsmateriaal. Vanaf maart 1942 werd de regeling om Nederlandse arbeiders in de Duitse economie in te zetten verruimd, in mei 1943 volgde een nog scherpere regelgeving. (meer…)

.
De Voorstenkamp, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.
.
Vervallen boerderij aan de Lobitherstrasse en Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
16-17
2 januari en 26 juni 1945 – Jacob Korsse en Jan Wever
Jacob Korsse (Onstwedde, 2 december 1916 – Neuengamme, 2 januari 1945) was de zoon van de arbeider Jan Korsse (Onstwedde, 25 januari 1882 – Onstwedde, 29 januari 1919), die op 12 april 1913 in het huwelijk trad met Wubke Luttjeboer (Onstwedde, 6 april 1883). Jan Korsse zou al vier dagen na zijn 37e verjaardag overlijden. Eerder had het echtpaar een dochter Grietje (Onstwedde, 25 mei 1914-26 augustus 1914), die echter na drie maanden was overleden. Jacob bleef enig kind, moeder Wubke zou nooit hertrouwen. Hij en zijn moeder (‘oll’ vrouw Kozze’) woonden in een boerderijtje aan de Wessinghuizerweg. Bij aanvang van de oorlog werkte de vrijgezelle Jacob als boer en losarbeider, met wat bijverdienste in wat handeltjes. Om het karige gezinsinkomen wat aan te vullen ventte moeder Korsse brood voor bakker Horlings uit de Dorpsstraat. Dat geld verdween in een grote portemonnee die ze in een nog grotere ‘buutse’ onder haar bovenrok droeg, wat ze nog steeds deed toen ze als bejaarde in een bejaardenwoning van de Zonnehof woonde. Zowel Jacob als zijn moeder ergerde zich enorm aan de vele verbodsmaatregelen en het getreiter van de bezetter tegen hun Joodse dorpsgenoten. Ze waren dan ook een van de eersten die hun bescheiden onderkomen wel beschikbaar wilden stellen voor Joodse onderduikers. Jacob Korsse was namens de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) actief. Hij gaf het Joodse echtpaar Salomon Meijer en Carolina Meijer-Jacobsens, plus hun zonen Mozes Meijer en Simon Meijer vanaf september 1942 op de boerderij onderdak. Hij kende de familie Meijer uit de Dorpsstraat van de veehandel. Hij deed wel eens zaken met hen en kon goed met hen opschieten. Hij en zijn moeder besluiten hen te helpen. Een ambtenaar op het gemeentehuis zorgde ervoor dat de papieren van de Meijers werden overgeheveld naar de gemeente Assen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
13-14-15
30 oktober 1944 / 31 januari 1945 – Karl, Carolina en Herbert Menkel
Carolina van der Berg (Grossefehn, 13 november 1890 – Auschwitz, 30 oktober 1944) was afkomstig uit het stadje Grossefehn, iets ten noorden van Emden. Anders dan de achternaam doet vermoeden had de familie Van der Berg de Duitse nationaliteit, dat kan zijn door haar huwelijk maar mogelijk stamt haar familie oorspronkelijk uit Groningen. De streek rond Grossefehn met veel moerasnederzettingen verarmde eind 19e eeuw snel omdat turf als brandstof steeds meer werd vervangen door steenkool. Bovendien vervingen de spoorwegen de binnenvaart. Veel Großefehntjers emigreerden naar de Verenigde Staten. Onder degenen die bleven werd de streek een NSDAP-bolwerk. Bij de verkiezingen in 1932 en 1933 haalden de nazi’s hier meer dan 90% van de stemmen. Voldoende redenen voor de Joodse inwoners om snel de wijk te nemen. Caroline, roepnaam Liny, was getrouwd met Karl Menkel (Lüdenscheid, 30 juli 1886 – Auschwitz, 30 oktober 1944). In het Ems- en Münsterland was de familienaam Menkel erg verbonden met textielfabricage en -handel. Karl Menkel was in Leer de trotse eigenaar van een grote confectiezaak. Het echtpaar had twee kinderen, Herbert Menkel (Leer, 7 april 1921 – Extern kommando Friedland, 31 januari 1945) en Margot Menkel (Leer, 15 april 1922 – Rotterdam, Herbert en Margot werden geboren in Leer, een stadje net ten zuiden van Emden, aan de monding van de Dollard. Ook hier was de NSDAP sterk vertegenwoordigd. Al in 1933 en 1934 verlieten de eerste Joden de stad, velen van hen net over de grens met Nederland. (meer…)

.
Spiegelvijver met beeld Kammende Baadster bij het rosarium in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Vervallen boerderij aan de Lobitherstrasse en Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.
Piet Hagen (Zwijndrecht, 1942) begon als journalist voor Trouw en was daarna docent en directeur van de School voor Journalistiek in Utrecht (1983-1995), hoofdredacteur van De Journalist/Villamedia (1995-2002) en columnist van NRC Handelsblad (2003-2005). Sinds 2002 is hij fulltime auteur van boeken over geschiedenis. Hij schreef onder meer een biografie over de socialist Pieter Jelles Troelstra, ‘Politicus uit hartstocht’ (2010). Bekend werd hij vooral door het overzichtswerk ‘Koloniale oorlogen in Indonesië’ (2018), over alle Nederlandse koloniale oorlogen in Indonesië met militair geweld als de ruggengraat van het kolonialisme. In 2022 verscheen van hem ‘Dubbel zondebok. Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging 1920-1945’, dat enerzijds wordt gezien als een uitstekend historisch overzichtswerk en monument ter nagedachtenis aan de vele Joodse journalisten die Nederland rijk was, maar anderzijds ook geldt als een waarschuwing nu antisemitisme, complottheorieën en nepnieuws weer krachtig oplaaien. Vorig jaar verscheen van hem ‘Joodse klokkenluiders’ over een behoorlijk belangrijk maar bijna vergeten documentatiecentrum, het Jewish Central Information Office (JCIO). (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
9-10-11-12
6 september 1944, 15 maart en 30 april 1945 – Salomon, Carolina, Mozes en Simon Meijer
Salomon Meijer (Onstwedde, 18 januari 1879 – Auschwitz, 6 september 1944), zijn echtgenote Carolina Meijer-Jacobson (Bourtange, 18 februari 1883 – Auschwitz, 6 september 1944) en hun zoons Mozes Meijer (Onstwedde, 12 juni 1912 – Midden-Europa, 15 maart 1945) en Simon Meijer (Onstwedde, 10 juni 1910 – Duitsland, 30 april 1945) woonden aan de Dorpstraat 23 te Onstwedde, vlak naast hun ongehuwde broers Jacob en Samuel Simon en zus Schoontje Meijer. Het ging de Meijers goed. De veehandel floreerde en de Gemeente Onstwedde werkte vlot mee als bijvoorbeeld een marktdatum verzet moest worden in verband met een joodse feestdag. Salomon Meijer stond dan ook bij de acht hoogstaangeslagenen op de lijsten voor de jaarlijkse belasting van de joodse Synagoge in Stadskanaal van 1932 – 1937, dat inhield dat hij bij de rijksten behoorde. De Meijers trokken veel op met de familie Menkel uit de Luringstraat, sinds in 1935 berooid Duitsland hadden verlaten en zich in Onstwedde hadden gevestigd. ’s Vrijdagsavonds, aan de vooravond van de sabbat, kwamen ze vaak bij elkaar op visite. Als zij bij de Menkels waren, stopte Salomon bij het weggaan regelmatig een rijksdaalder onder het tafelkleed. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
8
22 juli mei 1944 – Hermannus Haan
Harmannus Haan (Onstwedde, 13 februari 1913 – Onstwedde, 22 juli 1944) was een ongehuwde landbouwer, die met zijn moeder, enkele broers en een zus woonde aan de Vosseberg 21 te Onstwedde. Zijn broer Hendrik Haan maakte deel uit van de Knokploeg Slochteren. In de nacht van 21 en 22 juli 1944 werd de boerderij van de familie Haan omsingeld door de Sicherheitsdienst, die op zoek zijn naar Hendrik Haan, waarvan men vermoedde dat hij de drijvende kracht was achter de overval op het distributiekantoor in Slochteren, eerder op de avond. De familie Haan bestond in de oorlog uit moeder en negen kinderen, vader Haan was vlak voor de oorlog overleden. Na familieberaad werd toen besloten dat Harmannus (Mans), de derde zoon in leeftijdsvolgorde, het bedrijf zou voortzetten. Mans is weliswaar flink astmatisch, maar als het gaat om initiatieven en beslissingen nemen staat hij zijn mannetje. Hendrik (17 februari 1920) is de zesde zoon. Hem had het boerenleven nooit geboeid; hij was politieman geworden. De machtsovername door de nazi’s bracht hem in gewetensconflict toen hij Joden moest arresteren. Hij dook onder en sloot zich aan bij het verzet. Hij was betrokken bij meerdere overvallen op gemeentehuizen. Bij de overval op het gemeentehuis van Leeuwarden kwam een hooggeplaatste nazi om het leven. Bij de fanatieke zoektocht van de Sicherheitsdienst kwam de naam Henk Brands naar voren, de schuilnaam van Hendrik Haan. Hendrik moest opnieuw onderduiken. Om hem onder druk te zetten werden op 11 augustus 1943 zijn vier nog thuiswonende broers en zijn zus Harmina, Harmannus, Stoffer, Martinus en Heiko Haan gearresteerd. (meer…)

.
Spiegelvijver met beeld Kammende Baadster bij het rosarium in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.



Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
7
1 mei 1943 – Harm Wessels
Harm Wessels (Onstwedde, 7 november 1917 – Winschoten, 1 mei 1943) was een landarbeider, woonachtig aan de Holterweg 8 in Alteveer en werkzaam voor Hendrik Bessembinders in Wessinghuizen Hij was verloofd met Harmke Knolhoff, die eigenlijk had willen trouwen maar Harm wilde nog een jaartje wachten om nog wat extra geld te verdienen en te sparen voor de trouwerij. Misschien zou dan in de tussentijd ook die rottige oorlog over zijn. Harm werd later hier en daar weggezet als een van de leiders achter de lokale stakingen die deel uitmaakte van de april-meistaking (ook bekend als de melkstaking of mijnstaking), een grote, algemene en antinazistische staking tegen de gedwongen arbeidsinzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is het meest massale protest van bezet Europa en misschien de grootste staking uit de Nederlandse geschiedenis. De nazi’s doodden hierbij ruim tweehonderd mensen. Meerdere mensen hebben echter met grote stelligheid laten weten dat Harm op geen enkele manier betrokken was bij de stakingsactiviteiten. Harm Wessels was gewoon een eenvoudige jongeman, die op een verkeerd moment op een verkeerde plaats was en dat met een verkeerde reactie probeerde te corrigeren? (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
5-6
20 april 1943 – David Sparrow en Victor Brown
David Alastair Sparrow (1922-1943) en Victor Gordon Brown (1921-1943) waren respectievelijk de piloot en navigator van het Engelse Mosquito DZ 755 – Nightflyer II verkenningsvliegtuig, die op 20 april 1943 om 2:13 uur neerstortte in Smeerling. Het toestel met de twee 21-jarige bemanningsleden was die nacht om 00.15 uur opgestegen van het RAF-vliegveld Wittering, gelegen iets ten noordwesten van Peterborough (graafschap Cambridgeshire). De twee ‘luchtmachtjonkies’ waren zeer tevreden over hun kist die twee gevaarlijk brullende Rolls Royce Merlin 21-motoren. De Mosquito was een uitstekend product van eigen bodem. Dat de romp grotendeels uit ceder-multiplex en balsahout bestond werd niet als een probleem gezien. Dat er geen bewapening aan boord was evenmin, het was immers een verkenningstoestel en wel al twee jaar lang het allersnelste operationele vliegtuig ter wereld. De vijandelijke jager die hen te pakken wilde krijgen, moest wel zeer handig zijn. David en Victor gebruikten hun Mosquito als ‘ranger’, wat betekende dat ze onder bescherming van de nacht boven het vijandelijk gebied zweefden om te beoordelen of de vijandelijke infrastructuur met een mitrailleuraanval of een bombardement kon worden verstoord. Treinen en stations waren daarbij een favoriet doelwit. (meer…)

.
Schuilkoepel in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
2-3-4
20 maart en 16 april 1943– Jacob, Samuel Simon en Schoontje Meijer
Jacob Meijer (Onstwedde, 28 december 1865 – Sobibor, 16 april 1943), zijn broer Samuel Simon Meijer (Oude Pekela, 25 april 1858 – Sobibor, 16 april 1943) en zijn zus Schoontje Meijer (Onstwedde, 28 maart 1874 – Sobibor, 20 maart 1943) en woonden aan de Dorpsstraat 27 in het restant van het afgebrande ‘Jeud’nhoes’ (eigenlijk niet meer dan een verlengd stookhok). Ze waren kinderen van ‘Ouwe’ Simon Meijer uit Oude-Pekela, die maar liefst negen zoons had gekregen. Dat maakte dat de familie haar werkgebied moest uitbreiden om te zorgen dat iedereen een goede boterham kon verdienen. Vanaf halverwege de 19e eeuw waren de Meijers dan ook te vinden op alle vee- en paardenmarkten in de regio. Vanaf 1862 vestigden zich een aantal Meijers in Onstwedde. Dat was in het begin erg wennen, want hoewel iedereen erg vriendelijk en behulpzaam was, was er ook een licht soort anti-Joods sentiment, dat niet gebaseerd kon zijn op contact met Joden. Die waren er voorheen niet in het dorp. Maar als men in het dorp ergens klopte, kon men toch als antwoord verwachten: ‘Kom d’r moar in as’t gain jeude bist……’. Als een van de Meijers dan binnenkwam, zat men zich een beetje voor dat gezegde te schamen en was er verder niks aan de hand. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
1
11 mei 1940 – Jan Hidding
Jan Hidding (Onstwedde, 5 november 1917 – Wassenaarse Slag, 11 mei 1940) was de oudste van de drie kinderen van de landarbeider Albert Hidding (Onstwedde, 24 april 1894-Veele, 6 december 1980) en Lammerdina Engelina Meijer (uit Oude Pekela, 19 oktober 1898-Groningen, 11 april 1924), die op 28 april 1917 in Onstwedde in het huwelijk waren getreden. Zeven maanden later werd hun zoon Jan geboren. Het echtpaar woonde in een eenvoudig huisje aan de Dorpsstraat, even voorbij het ‘Mieghummeltjesbos’, een bosperceel tussen Dorpsstraat en Beukenlaan. Lammerdina overleed al op 25-jarige leeftijd, toen Jan pas zes jaar oud was. Er waren ook nog een jonger broertje Frederik (1920) en zusje Janna (1923). Vader Albert hertrouwde op 20 maart 1926 te Onstwedde met de 17-jarige Engelina Westenberg (Holte, 11 oktober 1908-Winschoten-20 juni 1967). Zoals gebruikelijk in die tijd, werd de draad van alledag weer snel opgepakt. In 1931 werd hun zoontje Berend geboren. (meer…)

.
Schuilkoepel in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
Ongeveer vier maanden lang, van november 1944 tot 25 februari 1945, was in Braunschweig het Kamp SS-Reitschule gevestigd, een subkamp voor vrouwelijke gevangenen van concentratiekamp Neuengamme. Het is niet bekend wie gedurende deze korte periode hier de kampleider was. Het kamp was gevestigd in de voormalige SS-Manege Braunschweig in de wijk Viewegsgarten-Bebelhof in het gebied Hans-Porner-Straße 20, Schefflerstraße 2 en Salzdahlumer Straße. Die manege had deel uitgemaakt van de SS-Junkerschule Braunschweig, die halverwege 1944 werd verplaatst naar Owinka bij Posen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Braunschweig het doelwit van talrijke geallieerde luchtaanvallen, waarbij ongeveer 90 procent van het stadscentrum en 42 procent van de hele stad werd verwoest. Het meest verwoestende was het bombardement op Braunschweig op 15 oktober 1944, waarbij 233 Lancaster-bommenwerpers van de RAF twee en een halve dag lang een woedende vuurstorm veroorzaakte door ongeveer 200.000 fosfor-, brandbommen en explosieve bommen af te werpen. Bij deze aanval kwamen ruim duizend mensen om het leven. Gedurende de hele oorlog stierven in de stad ongeveer 3.500 mensen door bombardementen. Bijna de helft van hen waren krijgsgevangenen, dwangarbeiders en concentratiekampgevangenen. Na dat zware bombardement op 15 oktober 1944 diende de fanatieke nazi en Gauleiter Hartmann Lauterbacher van de Gau Südhannover-Braunschweig een aanvraag in bij Reichsführer SS Himmler voor de toewijzing van 2.000 vrouwelijke Poolse gevangenen, die geïnterneerd waren in Stalag XIB Fallingbostel. Deze gevangenen zouden dan worden ingezet bij de opruimwerkzaamheden in de zwaar gehavende stad. Het verzoek werd echter afgewezen, waarna Lauterbacher eenzelfde verzoek deed aan het concentratiekamp Bergen-Belsen. Hier kreeg hij wel een positief antwoord. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende summiere oproep: ‘Ernst Katan, via Westerbork naar Duitsland getransporteerd.’
Ernst Katan (Hilversum, 30 april 1923-Westerbork, 6 september 1944) was een zoon van David Katan (Amsterdam, 12 december 1885 – Sobibor, 14 mei 1943) en de niet-Joodse Johanna Romunde (Amsterdam, 24 november 1890-Amsterdam, 8 september 1986). Vader David had in Hilversum in de Kerkstraat een juwelierszaak. In oktober 1940 verhuisde het gezin nar Amsterdam, waar ze woonden aan het Westerscheldeplein. Het echtpaar scheidde in 1941, waarna Johanna een jaar later hertrouwde. Het echtpaar had twee kinderen. Broer Hans Katan (Hilversum, 9 augustus 1919 – Overveen, 1 oktober 1943) studeerde biologie in Amsterdam. Tijdens de oorlog zat hij in de redactie van het illegale blad De Vrije Katheder en was staflid van de sabotagegroep CS-6. (meer…)

.
Skatebaan aan de Goffertweg in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
Er is weinig bekend over Sarah Heertjes. Ze werd op 19 juli 1930 in Amsterdam geboren, maar in het bevolkingsregister van onze hoofdstad is ze niet terug te vinden, maar ook opsporing in andere steden of andere namen (Heertje, Sara) geeft geen hits op. Zoeken op Joods Monument onder ‘Heertjes’ geeft twee mogelijkheden. De eerste optie is dat ze een dochter was van de pensionhouders Marcus Hartog Heertjes (Amsterdam, 9 juli 1887 – Auschwitz, 8 april 1944) en Esther Heertjes-Wolf (Onstwedde, 24 januari 1894 – Auschwitz, 8 april 1944), die woonde aan de Waalstraat 72-I in Amsterdam en één kind hadden dat de oorlog overleefde. De tweede mogelijkheid is dat haar ouders de winkelier Jeremias Marcus Heertjes (Zutphen, 7 september 1881 – Bergen-Belsen, 11 februari 1945) en zijn echtgenote Rebecca Heertjes-Pimontel (Amsterdam, 10 juli 1892 – Bergen-Belsen, 2 april 1944) waren, waarvan ook de zoon Barend Marcus Heertjes (Amsterdam, 4 december 1926 – Auschwitz, 25 januari 1943) de oorlog niet overleefde, maar twee jongere kinderen dat wel deden. Dit gezin woonde in de Rijnstraat 120 huis te Amsterdam.
Sarah Heertjes werd in 1943 of 1944 eerst ondergebracht bij een gezin in Oirlo, waarschijnlijk bij een gezin Heerink want ze had hier de schuilnaam Annie Heerink. Daar was ze het enig kind in huis, wat haar behoorlijk eenzaam maakte en bovendien miste ze de drukte van de grote stad vreselijk. Daar kwam voor haar nog bij dat in het boerengezin waarin ze terecht kwam de omgangsnormen totaal anders waren dan ze gewend was. Zo werd bijvoorbeeld de broodmaaltijd in het gezin zonder borden gebruikt. Ze schreef brieven vol heimwee aan haar ouders, maar die werden door Nico Dohmen onderschept en uit veiligheidsredenen nooit verstuurd. (meer…)

.
Skatebaan aan de Goffertweg in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
De opmerkelijke reis van Marie Van Langendonck
De schrijfster en dichteres Marie Barbe Antoinette Van Langendonck-Rutgeerts (Antwerpen 7 oktober 1798 – Gravatai 6 juni 1875) trouwde in 1827 met Jean Van Langendonck, een officier bij de Gidsen. Het koppel ging na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 in Charleroi wonen, waar hij directeur werd van het militair hospitaal. In deze jaren in Charleroi schreef ze twee dichtbundels: Aubepines (1841) en Heures Poétiques (1846). Toen ze in 1857 weduwe werd, besloot ze haar aangename leventje in België op te geven en begon ze aan een avontuurlijke reis naar Brazilië waar haar twee zonen in een kolonie in Santa Maria de Soledade woonden. De romantisch aangelegde moet erg onder de indruk zijn geraakt van de brieven die ze vanuit de kolonie ontving over de natuurpracht en de eenvoud ver van de Europese beschaving. (meer…)
Nu het Duitse grensgebied was veroverd, kon de Liemers worden ingetrokken. In de Paasnacht van 31 maart op 1 april 1945 werd langs de grens nog zwaar gevochten, maar op Paasmorgen kwamen de eerste bevrijders ‘s Heerenberg binnen. Vanaf februari 1945 had de stad vanuit de Duffelward onder geallieerd artillerievuur gelegen. Eerst schoten ze alleen ’s nachts, maar de laatste twee weken moesten dag en nacht in de kelders worden doorgebracht. Dat waren de kelders van het klooster van de Witte Paters en van Huis Bergh. Slechts als het even rustig was, kon men even naar buiten om de schade in de stad op te nemen. Niet altijd besefte men hoeveel risico’s dat met zich meebracht. Zo ging men soms een boer helpen met het inzaaien van haver, terwijl op 150 meter afstand Engelse splintergranaten, zgn. Shrapnells, ontploften. De boer had nog naïef opgemerkt: ‘Ze schieten heus niet op ons!’ Ergens in de stad was een provisorische bunker gemaakt die weliswaar granaatsplinters kon tegenhouden, maar niemand zou een voltreffer hebben overleefd. Dat kon men goed zien, toen enkele dagen voor de bevrijding enkele Duitse soldaten een metalen pijp in een grote struik hadden gestoken en daarna hard wegrenden. Ze wisten dat de Engelse verkenningsvliegtuigen de metalen pijp onmiddellijk zouden opmerken en zouden aanzien voor de loop van een Duits kanon. Dat klopte en binnen enkele minuten volgde vanachter de Rijn een voltreffer op de struik. De Paasnacht van 31 maart op 1 april gold als de verschrikkelijkste beschieting die men had meegemaakt, maar op Paasmorgen rolden de Canadese tanks ‘s-Heerenberg binnen. Dezelfde dag werden ook Azewijn, Terborg en Stokkum bevrijd. Bij hun aftocht uit Azewijn stapelde een Sprengkommando stro in de kerk en zette het gebouw in de brand. De Duitsers trokken zich nu steeds verder terug naar het noorden. Op 1 en 2 april werden ook Doetinchem, Ruurlo, Vorden, Hengelo, Eibergen, Enschede en andere plaatsen in Gelderland en Overijssel bevrijd. Op 13 april 1945 was met uitzondering van de provincie Friesland en delen van Gelderland bijna geheel Oost-Nederland bevrijd. (meer…)
Voor Zevenaar werd op 16 november de evacuatie afgekondigd. Daar was net een waarnemend burgemeester benoemd. Vanaf 1920 was hier Antoine van Nispen tot Pannerden (Zevenaar, 20 april 1884-Zevenaar, 20 januari 1964) de burgemeester. Hij bleef ook tijdens de oorlog in functie, tot het moment dat de Duitsers in 1944 langs de Rijn een versterkte frontlinie wilde aanleggen. Zij eisten toen van de provincie Gelderland 40.000 mannen om de werkzaamheden uit te voeren. Daarvan zouden er 300 man uit Zevenaar moeten komen. Er werden tien inwoners van Zevenaar gegijzeld om hun eis kracht bij te zetten en dreigden deze te executeren als niet voldoende mannen zich zouden aanmelden. Daarop deed Van Nispen tot Pannerden op 9 september 1944, staand op een stoel op de Markt, noodgedwongen een oproep aan de bevolking. Hij ging hierna direct met ziekteverlof. Zijn taken werden tot het eind van de oorlog waargenomen door locoburgemeester Borst. Na de oorlog zou Van Nispen tot Pannerden terugkeren op zijn post, maar in 1946 ging hij op advies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met pensioen. Locoburgemeester Borst, zijn naaste medewerker Huijzendveld en Ortskommandant Riebenzam gingen toen op 15 november op gesprek met dr. Emil Schneider, de Beauftragter des Reichskommissars für die Provinz Gelderland in een poging de evacuatie van Zevenaar te voorkomen. Ze betoogden dat het niet erg waarschijnlijk was dat Zevenaar midden in het strijdgebied terecht zou komen. In de winter trad de Rijn immers altijd buiten zijn oevers, wat voor de geallieerden een aanval zo goed als onmogelijk zou maken. Bovendien zou het landbouwgebied rond Zevenaar van belang zijn voor de voedselvoorziening in de regio. Het vergde enkele onderbrekingen van het overleg, maar begin van de avond was de evacuatie van Zevenaar definitief van de baan. Dacht men, want de dagen hierna doken toch weer berichten op dat de evacuatie alsnog zou doorgaan. Pas op dinsdag 21 november 1944 kwam het verlossende woord dat de inwoners van Zevenaar niet geëvacueerd hoefden te worden. (meer…)
Op 12 september 1944 trokken Amerikaanse legeronderdelen de Nederlandse grens over en werd begonnen met de bevrijding van het zuidelijke deel van Nederland. Op 13 en 14 september was Maastricht de eerste grote Nederlandse stad die werd bevrijd. Vervolgens werd vanaf 17 september Operation Market Garden ingezet, een onbesuisd plan uit de koker van de Britse generaal Montgomery. Het doel was om in één keer Nederland te bevrijden, de Rijn te over te steken en in sneltreinvaart Duitsland in te trekken. Bij Arnhem leden de geallieerden echter een zware nederlaag, waarna op 25 september de operatie werd afgeblazen. Bijna heel Nederland ten zuiden van de grote rivieren was nu bevrijd, met steden als Nijmegen, Eindhoven en Den Bosch. In het oosten vond nog de Slag om Overloon (30 september-18 oktober) plaats, waardoor de linkeroever van de Maas door de geallieerden werd ingenomen. De geallieerde strijd verplaatste daarna echter naar Zeeland, waar met de zwaarbevochten Slag om de Schelde (2 oktober-8 november) en Strijd om Walcheren (1-8 november) werd gezorgd dat de toegang tot de belangrijke aanvoerhaven van Antwerpen werd veiliggesteld. Via Operatie Nutcracker (14 november-3 december) werd het laatste Duitse bruggenhoofd aan de Maas opgeruimd en werd het westelijk front definitief verlegd naar de Maas. Het front lag nu een tijdlang aan de grote rivieren en de geallieerde opmars in Nederland was voorlopig tot stilstand gekomen. Alleen in Zuid-Limburg werd via Operatie Blackcock (14-17 januari 1945) de Roerdriehoek Geilenkirchen-Roermond-Sittard ingenomen, waardoor hier het front een beetje werd verlegd tot de Roer. De rest van het gebied ten oosten van de Maas, inclusief de steden Roermond en Venlo bleven echter stevig in Duitse handen. (meer…)

.
Openluchtzwembad Goffertbad in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Muur in de Bergstrasse in Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.
De bijna onbekende Colonia Vallão dos Veados
In de periode 846-1848 weken ongeveer 2.000 migranten uit naar Brazilië, vooral veel Duitsers uit het Rijnland die via de haven van Antwerpen vertrokken. Ook vanuit België zijn een paar honderd man een ongewis avontuur in het onbekende Brazilië tegemoet gegaan.
In 1847 werd door de ‘Companhia para combater o comércio dos escravos e promover a colonização’ de Colonia Vallão dos Veados opgericht. Met hulp van de regering wilde dit bedrijf dus de slavenhandel bestrijden en de kolonisatie binnen de provincie Rio de Janeiro bevorderen. De kolonie kwam dicht te liggen bij het dorp São Fidelis, tegenwoordig een stad met zo’n 40.000 inwoners. Het dorp kwam al voor op een kaart uit 1785 toen de blanken het gebied nog maar amper kende. Het waren vooral missionarissen in hun grote ijver zoveel mogelijk zieltjes te winnen die steeds verder doordrongen in de bossen van de Valão dos Veados. Tussen 1783 en 1785 ging de militair Manuel Martins do Couto Reis de Paraíba do Sul-rivier op tot aan de monding van de Pomba-rivier en Gentio-rivier. In 1785 publiceerde hij zijn reisverslag, met een gedetailleerde beschrijving van de fysieke geografie, fauna en flora, van de inheemse volkeren en weinige eerste kolonisten, met lijsten van hoofdkapiteins en geestelijken, parochies en boerderijen. (meer…)
Arthur Ginsberg (Frankfurt am Main, 24 maart 1927 – Auschwitz, 16 oktober 1944) was de zoon van koopman Benjamin Ginsberg (Jedrzejow, 7 september 1893 – Auschwitz, 16 oktober 1944) en Rosa Ginsberg-Rosen (Wisnicz, 10 juni 1897 – Auschwitz, 31 oktober 1944). Beide ouders waren afkomstig uit Polen. Vader Benjamin werd geboren in Jedrzejow, gelegen in Zuid-Polen, 38 km van Kielce en 78 km van Krakau. Vanaf het einde van de negentiende eeuw nam het aantal Joodse inwoners van de stad toe. Halverwege deze eeuw maakten ze nog ,maar 2,6% van de inwoners uit, maar in 1921 was dit al 39% en in de jaren dertig steeg dat zelfs tot 47%. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden omstreeks 4.000-5.000 Joden in Jedrzejow. Joden. In het interbellum vond in de stad een anti-Joodse pogrom plaats, wat voor hen reden was een Joodse delegatie te sturen naar de toenmalige Poolse leider Josef Pilsudski om hulp te vragen. Deze liet echter weten dat ‘de Joodse kwestie nu erg ingewikkeld is’ en adviseerde de Joden om het probleem zelf op te lossen door naar Palestina te verhuizen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Joodse bevolking samengedreven in een getto. Bijna alle Joodse inwoners van de stad zouden gedurende de oorlog worden vermoord in Auschwitz. Moeder Rosa kwam uit Wisnicz, een kilometer of dertig van Krakau verwijderd. In 1890 woonde in dit stadje 3.791 personen, waarvan 2.278 Joden ofwel 60% van de bevolking. In latere jaren daalde dit tot 48%, voornamelijk vanwege het vertrek van de belangrijke rabbi Shlomo Halberstam (1847-1906). Ook Wisnicz werd niet gespaard van pogroms. Tijdens de oorlog vestigde de Duitsers er eerst een Joods werkkamp, vanaf 1942 werd de Joodse bevolking weggevoerd naar Auschwitz. (meer…)

.
Openluchtzwembad Goffertbad in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Regenboog boven Lobith op een zomerse avond, augustus 2011, © Frans van den Muijsenberg.
De utopie van dr. Faivre
En dan was er de Franse arts, onderzoeker en vrijmetselaar Jean Maurice Faivre (Combe Rallard, 21 september 1795 – Colonia Teresa Cristina, 30 augustus 1858), die in Parijs medicijnen had gestudeerd en tot 1826 het vak van arts had uitgeoefend. In dat jaar verhuisde hij naar Brazilië en werkte in Rio de Janeiro in het Hospital Militar da Corte. Omdat hij de privéarts was van keizer Pedro II en keizerin Teresa Cristina en bevriend was met vooraanstaande personen als de Franse ontdekkingsreiziger Gustave Rumbelsperger had hij binnen de Braziliaanse samenleving snel veel aanzien. In juni 1829 was hij een van de oprichters van de Rio de Janeiro Society of Medicine (nu de National Academy of Medicine). Hij voor de oprichter van een organisatie die gratis hulp aan armen verstrekte. Zijn persoonlijke vriend keizer Pedro II verleende hem de Keizerlijke Orde van de Roos en de Keizerlijke Orde van Onze Heer Jezus Christus, beide in de rang van Ridder. Op 54-jarige leeftijd trouwde hij in 1840 met de vijfentwintig jaar jongere Taulois, een nichtje van Gustave Rumbelsperger. In mei 1841 stierf zij echter na een maand eerder te zijn bevallen van een doodgeboren dochtertje. (meer…)
Mathilda Elly Hartogs (Amsterdam, 6 februari 1933 – Auschwitz, 6 september 1944), roepnaam Tilly, was de dochter van Conrad Alexander Hartogs (Rotterdam, 31 december 1880 – Auschwitz, 17 september 1942) die voorheen getrouwd was met Henriette Hartogs (Rotterdam, 25 mei 1891 – Auschwitz, 16 augustus 1942), waarschijnlijk neef en nicht van elkaar wat indertijd niet erg ongebruikelijk was. Henriette keerde na de scheiding terug naar Rotterdam, waar ze werkte als typiste. Het echtpaar had twee dochters. Emma Mathilda Hartogs (Rotterdam, 10 februari 1909 – Sobibor, 2 juli 1943), zat van 1921 tot in 1924 op het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam zat, maar verder is over haar leven niets bekend. Waarschijnlijk is ze in de oorlog een tijdje ondergedoken geweest. Ze werd op dinsdag 29 juni 1943 met transport 69 vanuit Westerbork overgebracht naar Sobibor, waar alle 2.397 gedeporteerden, waaronder 482 kinderen, direct na aankomst werden vermoord. De tweede dochter Tilly Hartog werd in 1912 geboren en overleed in 1931 op negentienjarige leeftijd. Conrad Hartogs was toen al hertrouwd met Elisabeth Hartogs-Wolf (Amsterdam, 10 februari 1886 – Auschwitz, 17 september 1942), die het nakomertje Mathilde Elly Hartogs kregen, 24 jaar jonger dan haar grote zus. Ze kreeg dezelfde roepnaam als haar overleden zus, Tilly. Het echtpaar woonde bij hun arrestatie aan de Badhuisweg 48 in Scheveningen, waar Conrad Hartogs directeur was van een niet nader bekend bedrijf. Op dat adres woonde op dat moment ook de vroedvrouw Ester Bego (Rotterdam, 13 juni 1908 – Auschwitz, 14 september 1942), die gezien de overlijdensdatum op dezelfde dag is gearresteerd en op transport gezet naar Auschwitz. (meer…)
Foto’s van Rudolf Franz Lehnert en Ernst Heinrich, van het Tunesische model Aisha.

.
Openluchtzwembad Goffertbad in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
Andere Braziliaanse avontuurtjes
Voordat Charles Van Lede in 1844 met zijn Compagnie belgo-brésilienne de Colonisation en met koninklijke goedkeuring op pad ging naar Santo Catarina in Zuid-Brazilië was al een eerdere Belgische kolonisatiepoging ondernomen. Die eerste poging staat op naam van Ludgero Joseph Nelis, geboren in een familie van handelaars en kleine linnenfabrikanten in het Oost-Vlaamse Zele. Zele was al eeuwenlang een textielcentrum voor vlas. Vanwege het afvalproduct van vlas dat in balen werd geperst hadden de Zelenaars de spotnamen Kloddezakken of Kloddelopers meegekregen. In de 19e eeuw hoorden Zele en buurgemeente Hamme tot de meest verpauperde plaatsjes in Vlaanderen. Het stadje had het typische uiterlijk van het arme Vlaamse platteland: vele cafés, enkele brouwerijen, een distilleerderij en ongeveer 12 molens. Voldoende om alle ellende weg te zuipen. Veel reden ook om weinig verandering te verwachten, want alle misstanden in de plaatselijke fabrieken werden door de burgerlijke en religieuze overheden keurig afgedekt. Het is dus niet verwonderlijk dat juist uit Zele een poging werd gedaan uit de misère te ontsnappen en zijn heil te zoeken in het verre Brazilië waarover zoveel fantastische verhalen d ronde deden. (meer…)
Vanaf 10 december 1815 verbleef Napoleon Bonaparte in Longwood House op zijn verbanningsoord Sint-Helena, een godsverlaten eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, ruim tweeduizend kilometer ten westen van de Afrikaanse kust. Longwood House had tot dat moment dienst gedaan als residentie van de Engelse gouverneur van het eiland, die er tijdens warmere periodes verbleef. Napoleon heeft het eiland vanaf het begin ervaren als onprettig om te leven. Niet onbegrijpelijk want zo midden op de oceaan had men te kampen met een zeer wisselend klimaat. Er was op het eiland, slechts half zo groot als Ameland, zelfs een microklimaat met op de lagere delen zoals de haven windstil en vrij warm en op hetzelfde moment op de hogere delen veel wind en gure omstandigheden. De voormalige keizer sleet zijn dagen met het maken van aantekeningen van zijn veldslagen en verslagen van zijn bewind. Ook legde hij een groentetuin en maakte veel wandelingen. Longwood House, waarvan Napoleons huisknecht Louis-Joseph Marchand een aquarel maakte die de situatie precies weergaf, ligt op ongeveer zes kilometer van de hoofdstad Jamestown. Het huis is nu eigendom van de Franse staat en dient het als museum. (meer…)
In 1668 duikt in de Nijmeegse archieven de ‘Evert Reindershoff’ op, die in 1740 onder de naam ‘De Goffert’ terugkeerde toen ene Jonas Reijnen van de raad toestemming kreeg om op de door hem gepachte percelen bouwland gelegen op de ‘Hasencamp’ onder Hatert ‘een huijs off schuur te mogen setten daerinne te stellen een tropje schapen, die althans bij Jan Derkse den Goffert aen de heijde waren leggende en welke schapen aen de heijde soude blijven weijde”. Die Jan Derkse den Goffert (de bijnaam duidde op een groot en dik persoon) bezat of pachtte een boerderij op de toenmalige Malderheide. Later is zijn bijnaam overgegaan op de boerderij, de Goffertboerderij. Die naam kwam pas voor het eerst voor in 1780 toen het Borger Kinderen Weeshuis uit Nijmegen zijn bezittingen op de Malderheide, de zogenaamde Weezenheide, uitbreidde met de aankoop van een hofstede met bouw- en weiland, waarbij werd opgetekend dat deze vanouds Maldenburg, Maldenbij, Maldenbeim of De Goffert werd genoemd en afkomstig was uit de nalatenschap van een zekere kapitein W. Keizer. Sinds 1817 waren de boerderij en omliggende percelen eigendom van het Protestants Kinderen Weeshuis, dat bij iedereen bekend stond als het Borgeren Kinderen Weeshuis.
In 1921 werd dit terrein De Goffert met een grootte van 63 hectare door de gemeente Nijmegen aangekocht als toekomstig bouwterrein. In 1931 besloot de raad echter om een gedeelte van De Goffert geen woongebied te maken, maar te bestemmen als een voor het publiek toegankelijk bosterrein. Vanaf de eeuwwisseling werden in verschillende Duitse en Engelse steden grote ‘volksparken’ aangelegd, waar stadsbewoners zich konden ontspannen en recreëren. Ze waren een mix van educatieve tuinen, bossen en grote ligweiden waar grootschalige evenementen konden worden gehouden. De parken moesten ook fungeren als groene longen van de vaak snel groeiende steden. Burgemeester Joseph Steinweg moet zoiets in gedachten hebben gehad toen hij in 1932 het idee lanceerde ook in Nijmegen een dergelijk stadsplan aan te gaan leggen. (meer…)
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
Nederzetting in het Braziliaanse Santa Catarina
Santa Catarina is een deelstaat in het zuiden van Brazilië, gelegen aan de Atlantische Oceaan. Aan het begin van de 19e eeuw was de regering van de jonge staat Brazilië erg geïnteresseerd in het bevolken van de lange kust. Zeker twee eeuwen lang was die kustlijn het doelwit was van Spaanse, Nederlandse, Engelse en Franse expedities en slavenhandel. Brazilië, net iets meer dan twintig jaar onafhankelijk, had een overvloed aan vruchtbare gronden en rijkdom aan ertsen als kolen, ijzer en goud, maar had door de afschaffing van de slavernij een groot tekort aan arbeidskrachten. De Braziliaanse grootgrondbezitters wilden graag arbeidskrachten uit Europa te importeren, dus de regering ging het vestigen van kolonisatiecentra aanmoedigen. Vooral de koffieboerderijen in het zuidoosten van het land trokken massaal Europeanen aan. De Braziliaanse regering had belang bij het bevolken van het zuiden van het land omdat er territoriale geschillen waren met Uruguay dat in 1925 ook zelfstandig werd. een onafhankelijke natie werd. De bevolking van het gebied met Europese migranten die droomden van een eigen stuk grond kon wel eens beslissend zijn bij dat soort conflicten. Vooral de zuidelijke regio was voor Europese erg aantrekkelijk omdat daar nog veel onontgonnen grond was en er een klimaat was dat vergelijkbaar was met dat in Europa. Er was daar een uitstekende mogelijkheid om andere landbouwgewassen te ontwikkelen, dit ter vervanging van suikerriet dat sinds de afschaffing van de slavernij niet langer exploitabel was. In de deelstaat woonde omstreeks 1830-1840 nog veel indianen in de bossen, maar toen er steeds meer kolonisten verschenen werden die steeds meer naar het binnenland verdreven of simpelweg uitgemoord. (meer…)
Boizenburg/Elbe is de meest westelijke stad van Mecklenburg, gelegen op het drielandenpunt van Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein. Hier stroomt de Boize in de Sude, waarna goede een kilometer verder de Sude in de Elbe uitkomt. De stad wordt nu weer gerekend tot de ‘Metropolregion Hamburg’, waarbij het traditioneel behoorde. In de naoorlogse jaren lag het echter in de DDR en liep de grens precies langs het plaatsje. Een enorme wachttoren iets ten zuiden van Boizenburg herinnert nog aan die tijd en bij het Grenzmuseum Leisterförde, iets ten noorden van Boizenburg, is op originele grootte een stukje van de voormalige muur op de paar kilometer tussen de gehuchten Leisterförde en Fortkrug nagebouwd. Bij binnenkomst van Boizenburg vanuit de richting Hamburg over de voormalige snelweg 5 staan nog twee gebouwen van de voormalige transitcontrolepost 4, waar DDR-volkspolitieagenten van 1973 tot 1990 het autoverkeer richting de grens controleerden en het grensgebied in de gaten hielden. Met een geluidsinstallatie in de toren wordt het leven in het verboden gebied nagebootst, in bijzonder bij ontsnapping en gedwongen deportatie. Vlak bij deze torens staat ook een barak, die getuigt van het voormalige subkamp van concentratiekamp Neuengamme. Het is het enige gebouw dat van het voormalige kamp is overgebleven. (meer…)
.
Herwen, Kleine Geldersche Waard vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
Een poging in Hawaï die in de kiem werd gesmoord
In 1843 sloot Leopold I een contract met het bedrijf Ladd & Company met in het achterhoofd de gedachte het prille koninkrijk Hawaï te koloniseren. In 1794 had Kamehameha I (1758-1819) van de Britten kanonnen gekocht, wat hem in staat stelde met geweld zijn macht uit te breiden over alle Hawaïaanse eilanden. Alleen Kauai trad in 1810 vrijwillig toe tot het koninkrijk. Een jaar later riep Kamehameha I zich uit tot de eerste koning van Hawaï, dat tot de inlijving in 1893 door de Verenigde Staten een onafhankelijke staat zou blijven. In de eerste jaren van zijn regering slaagde hij er met Britse steun in om een relatief stabiele monarchie op te bouwen en de Russische pogingen te dwarsbomen om op Hawaï een basis te stichten. Onder Kamehameha II (1797-1824) werd in 1819 het oude kastenstelsel afgeschaft, kregen vrouwen meer rechten, werden mensenoffers verboden en werd de Hawaïaanse godsdienst afgeschaft, vooral onder invloed van de komst in 1820 van de eerste Amerikaanse protestantse missionarissen. Onder Kamehameha III (1814-1854) veranderde het land van een absolute monarchie in een constitutionele monarchie. In 1840 kreeg Hawaï een grondwet en parlement. Onder zijn regering had het land te maken met grote epidemieën, overgebracht door de Europeanen en Amerikanen. Ook was er een steeds verdere inmenging van buitenlandse staten. In 1831 werden op advies van protestantse raadslieden de katholieke missionarissen van de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria uitgewezen; ze konden pas na 1839 terugkeren toen het Franse fregat Artémise de haven van Honolulu binnenvoer en de vrijheid van godsdienst afdwong. In 1842 werd een handelsverdrag gesloten met de Verenigde Staten, dat daarna zijn invloed in Hawaï steeds verder uitbreidde. (meer…)

Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion.
.
Herwen, Kleine Geldersche Waard vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, oktober 2006.
Met mislukte avontuur in Santo Tomas de Castilla
In 1821 had het huidige Guatemala de onafhankelijke status gekregen, maar de eerste jaren verliep de onafhankelijkheid. De bestuurders vroegen daarom Britse kolonisatiemaatschappijen het helpen met de ontwikkeling van het land. Als tegenprestatie kregen de Britse maatschappijen een concessie in Guatemala toegewezen. Omdat de Britse maatschappijen rond 1840 failliet gingen, mislukte de samenwerking en ging Guatemala op zoek naar andere landen en maatschappijen om hen bij te staan. Net op dat moment dat koning Leopold I laten weten dat de nieuwe staat België graag ook wilde beschikken over een kolonie, die niet alleen goedkope grondstoffen zou kunnen leveren maar ook een geschikte afzetmarkt moest zijn voor de Belgische industrie. Bovendien wilde België graag wat ongewenste onderdanen (werkelozen, kleine criminelen, kansarmen, mensen van ‘lage zeden’ en avonturiers) willen deporteren naar een afgelegen gebied om een mogelijk binnenlands conflict te vermijden. Er werd onder deze bevolkingsgroepen intensief propaganda gemaakt voor een emigratie met de belofte van ongekende mogelijkheden in het beloofde land ‘Verapaz’. Er werden met valse brieven van zogenaamde migranten uit dit Verapaz in omloop gebracht, die het land bejubelden en ook verschenen er exotische gravures van het paradijs Guatemala. De Belgische agenten die op zoek waren naar een geschikt land kwamen dan ook al snel uit bij Guatemala en deden het Midden-Amerikaanse land een voorstel. (meer…)
Van Edgar Kellner is aanvankelijk slechts bekend dat hij in september 1943 moet zijn geboren en verbleef bij het echtpaar Sjaak Gielen (Venray, 17 mei 1912 – Venlo, 12 maart 1984) (foto links) en Marie Gielen-Janssen (Meerlo, 15 november 1911 – Tienray, 25 juni 1993). Het echtpaar trouwde op 22 april 1939 in Meerlo, waar ze gingen wonen in de buurtschap Moleneind, iets ten noorden van Meerlo, tegenover frietkraam De Hap. De buurtschap Moleneind kent momenteel dertig huizen en heeft 75 inwoners. Dat zal in de oorlogsjaren waarschijnlijk nog iets minder zijn geweest. Het echtpaar is kinderloos gebleven. Eind 1943 heeft men dus de Joodse baby Edgar Kellner in huis genomen, ongetwijfeld op verzoek van mensen uit de groep van Hanna van der Voort, die dit een betrouwbaar en veilig adres vonden. Het echtpaar was snel zeer verknocht geraakt aan het mannetje, dat als nieuwe voornaam Eddie of Jacky schijnt te hebben gekregen. Het enige bericht dat ik over hen vond, sloot af met de kille mededeling: ‘De moeder van het mannetje heeft de oorlog overleefd en het jongetje weer afgehaald’.
Wie was nu deze moeder? Op Joods Monument komt de naam Kellner maar vier keer voor, waaronder Juliana Halberstad-Kellner (Schwarzbach, 10 april 1877 – Auschwitz, 3 augustus 1944), lerares Berta Kellner (Praag, 9 september 1894 – Auschwitz, 17 september 1943) en Lilli Kellner (Keulen, 12 juli 1925). Lilli arriveerde op 22 november 1938 als dertienjarige vluchtelinge in Nederland, waar zij werd opgevangen in enkele verzamelplekken voor Palestina-Pioniers. Van 5 januari 1940 tot 7 december 1942 woonde zij als pupil in het Jeugd-Alijah tehuis in Paviljoen Loosdrechtse Rade te Loosdrecht. Hierna dook zij onder en probeerde vanuit haar onderduikadres samen met zeven andere Palestina-Pioniers naar Zwitserland te ontsnappen. De groep werd echter aan de Belgische grens opgepakt. Lilli Kellner werd op 31 oktober 1942 met transport XVII van Mechelen naar Auschwitz gedeporteerd en is daar op een onbekende datum overleden. Geen van de drie vrouwen kan de moeder van de kleine Edgar Kellner zijn geweest. (meer…)
Bart van der Boom (1964) studeerde na het behalen van zijn atheneumdiploma in Doetinchem een jaar in Minneapolis en daarna Geschiedenis en Amerikanistiek aan de Universiteit van Amsterdam. In 1990 schreef hij een biografie over de NSB’er Kees van Geelkerken (1901-1976), in 1931 een van de medeoprichters van de Nationaal-Socialistische Beweging en sindsdien de vaste rechterhand van Anton Mussert. In 1995 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘Den Haag in de Tweede Wereldoorlog’. Hij kreeg hiervoor de tweejaarlijkse Littéraire Witte Prijs, een prijs voor een letterkundig werk van een Haagse auteur of over een Haags onderwerp. Daarna publiceerde hij ‘Atoomgevaar? Dan zeker B.B. De Geschiedenis van de Bescherming Bevolking’ (2000), ‘We leven nog. De stemming in bezet Nederland’ (2003) en ‘Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust’ (2012). In dat laatste boek onderzocht hij aan de hand van oorlogsdagboeken wat bij de ‘gewone Nederlander’ in de oorlogsjaren bekend was over de uitroeiing van de Joden. Voor dit boek ontving hij de Libris Geschiedenis Prijs. Met zijn nieuwste boek onderzocht hij het functioneren van de Joodse Raad, ‘…in een poging te onderzoeken hoe goede bedoelingen de weg naar de ondergang plaveiden.’ (meer…)
Herwen, Bosje vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, oktober 2006.
Inleiding
Met de Belgische Revolutie (25 augustus – 4 oktober 1830) werd de facto de afscheiding van de zuidelijke provincies van het Koninkrijk der Nederlanden een feit en werd België onafhankelijk. Koning Willem I van Nederland weigerde echter negen jaar lang halsstarrig de Belgische onafhankelijkheid te erkennen. Aan zijn volhardingspolitiek kwam as een eind met de ondertekening op 19 april 1839 van het Verdrag van Londen, waarmee ook de grenzen tussen beide landen werden vastgesteld. Met de onafhankelijkheid in 1830 kwam in de nieuwe staat onmiddellijk de wens op ook zelf koloniën te bezitten. In de voorgaande twee decennia hadden diverse Vlamingen en Walen belangrijke rollen toebedeeld gekregen in Nederland en haar koloniën. Zo was Leonard du Bus de Gisignies, een hoge ambtenaar en politicus uit de omgeving van Moeskroen, werd in 1818 benoemd als voorzitter van de Tweede Kamer en werd hij op 10 augustus 1825 benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, telkens als eerste Zuid-Nederlander in die positie. Vooral de laatste benoeming werd met argwaan bekeken in Noord-Nederland omdat men een groeiende koloniale invloed vanuit het zuiden bemerkte. De afscheiding werd in België vanaf 1830 economisch goed merkbaar. De belangrijke industriestad Gent verwerkte in 1829 nog 7,5 miljoen kilo katoen, maar dat was in 1832 geslonken tot amper 2 miljoen kilo. In de stad waren veel arbeiders werkeloos geworden en de lonen waren in 1832 gezakt tot net 30% van het loon van drie jaar eerder. Ook in andere industriesteden als Luik en Charleroi waren vergelijkbare cijfers te zien. Voor de havenstad Antwerpen was de ramp nog veel groter. (meer…)
De gezaghebbende Britse historicus Bernard Wasserstein beschrijft in zijn laatste boek de rol van de Joodse maatschappelijk werkster Gertrude van Tijn bij de concentratie van de Nederlandse Joden in Westerbork en de daarop volgende deportatie naar de Duitse vernietigingskampen. Het verhaal begint in de eerste dagen van april 1941, toen Gertrude van Tijn vanuit Berlijn per vliegtuig aankwam in Lissabon om daar met vertegenwoordigers van de Portugese overheid en het American Jewish Joint Distribution Committee (meestal kortweg de Joint genoemd) in opdracht van de Duitse bezetter in West-Europa te onderhandelen over een grootschalig vertrek van Europese Joden naar geallieerd of neutraal terrein. De missie had weinig kans van slagen omdat de Amerikaanse en Britse overheid nog maar mondjesmaat vluchtelingen toelieten. Van Tijn keerde onverrichter zake terug naar Amsterdam om haar werk voort te zetten bij de afdeling Emigratie van de Joodse Raad. Ze bleef zich daar gedurende de eerste jaren van de oorlog intensief inzetten om zoveel mogelijk mensen via emigratie uit de Duitse klauwen te houden. In een latere fase, toen de kansen op emigratie eigenlijk nog slechts een utopie waren, werd de afdeling omgevormd tot de afdeling Hulp aan Vertrekkenden, die mensen die door de bezetter naar Oost-Europa gedeporteerd werden, voorzag van advies en hulpmiddellen.
Gertrude van Tijn werd op 4 juli 1891 als Gertrud Francisca Cohn in Braunschweig geboren in een welgestelde familie. Als twintigjarige vertrok ze naar Londen, waar ze min of meer toevallig in de vrouwenbeweging terecht kwam. Ze werd er lid van de organisatie van Millicent Garrett Fawcett, die zich in tegenstelling tot de aanzienlijk strijdbaardere suffragettes in de strijd om het vrouwenkiesrecht strikt aan de wet hield. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kwam Gertrude als veronderstelde ‘vijandelijke buitenlander’ in een loyaliteitsconflict, dat voor haar begin 1915 werd opgelost door het besluit van de Britse overheid dat ze per direct het land diende te verlaten. Ze koos voor het neutrale Nederland, waar ze een nieuwe passie ontdekte: het zionisme. Tot dan hadden zij en haar familie nog maar amper het besef dat ze Joods waren. (meer…)
1940
01-07-1940 Verbod voor Joden om in de luchtbeschermingsdienst te werken.
06-09-1940 Verbod om Joden in overheidsdienst aan te nemen. Joden die al in dienst zijn mogen niet bevorderd worden. Kort daarop wordt dit uitgebreid van departementen en universiteiten naar alle gesubsidieerde instellingen.
26-09-1940 Verbod op publicatie van Joodse kranten, met uitzondering van Het Joodsche Weekblad
05-10-1940 Alle medewerkers aan universiteiten, departementen en gesubsidieerde instellingen moeten een Ariërverklaring invullen over hun afstamming.
22-10-1940 Alle Joodse zakenlieden moeten hun onderneming laten registreren. Deze verordening regelt in grote lijnen ook wie wel en wie niet als Jood beschouwd dient te worden. Hier is deze omschrijving bedoeld om ervoor te zorgen dat de bedrijven niet te makkelijk op naam kunnen worden gezet van anderen. De definitie zal echter later bij de deportaties veelvuldig worden toegepast: Joods is iedereen met drie of meer Joodse grootouders en zelf lid is van een Joodse kerkelijke gemeente of met een Jood is getrouwd.
04-11-1940 Aankondiging dat per 21 november alle Joodse ambtenaren zullen worden geschorst en later ontslagen.
19-12-1940 Verbod voor Joden om Duits huishoudelijk personeel in dienst te hebben.
(meer…)
.
Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
De historicus Erik Somers is sinds 1977 in dienst van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Hij heeft nu aan zijn lange lijst van publicaties over de Tweede Wereldoorlog een boek toegevoegd over en van David Cohen. Deze was tijdens de oorlog, samen met Abraham Asscher, voorzitter van de omstreden Joodse Raad. Deze raad lag al tijdens de oorlog zwaar onder vuur binnen de joodse gemeenschap. Toen al was de centrale vraag of via de werkzaamheden voor de Joodse Raad nu sprake was van onaanvaardbare collaboratie of van een zinvolle poging om erger te voorkomen en nuttige tijdwinst te bewerkstelligen. Een vraag die in wezen nimmer bevredigend beantwoord kan worden. Hoe kan men immers ooit objectief vaststellen tot waar in barre tijden sprake is van zuiverheid en verantwoordelijkheidsgevoel en waar de kritische grens wordt gepasseerd en wordt overgegaan tot verwijtbaar gedrag en laakbaar optreden. Zeker als men in overleg wil treden met een partij die men in essentie vijandig gezind is.
Het boek bestaat in wezen uit twee delen, onderverdeeld in vijf hoofdstukken. De kern van het boek bestaat uit de ‘Herinneringen’ die David Cohen in 1956 op verzoek van de historici Lou de Jong en Sam Presser schreef. Het document zou lang een niet openbaar stuk blijven en pas in mei 1982 worden gepubliceerd in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, voorzien van allerlei aanvullingen en commentaren door historici en journalisten. In de hoofdstukken 1 t/m 4 wordt in ruim veertig pagina’s eerst een biografisch schets van het leven van David Cohen gegeven en wordt in een aantal kanttekeningen het functioneren van de Joodse Raad beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de totstandkoming van de ‘Herinneringen” en de reacties in 1982 op de publicatie in het NIW in 1982. Erg nuttige en zeer leesbare stukken, die onontbeerlijk zijn om de ‘Herinneringen’ van David Cohen binnen zijn juiste context te kunnen lezen en begrijpen. (meer…)
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
.
Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion
Abraham Asscher werd op 19 september 1880 in Amsterdam geboren. Zijn vader en diens broer werkten in de diamanthandel en hadden in 1891 een eigen bedrijf opgericht, de Diamantmaatschappij. Later werd Abraham Asscher de directeur en enige aandeelhouder van het bedrijf. Onder zijn leiding verwierf de firma wereldwijde bekendheid. Het absolute hoogtepunt in de geschiedenis van Asschers diamantfabriek was ongetwijfeld het slijpen van de Cullinan, de grootste diamant die ooit ter wereld werd gevonden. Asscher behoorde van jongs af tot de Joodse religieuze elite, hoewel hij zeker geen orthodox levende of vroom opgevoede Jood was. Slechts op hoogtijdagen bezocht hij de synagoge. Zijn politieke betrokkenheid was beduidend groter dan zijn religieuze engagement. Al op jeugdige leeftijd was hij de lijsttrekker en fractievoorzitter van de Liberale Staatspartij, waarvoor hij in 1917 lid werd van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Zoals gebruikelijk onder de Joodse religieuze elite waarvan hij een prominent lid was, had Asscher een enorme afkeer van het socialisme, de politieke stroming die juist onder het Joodse proletariaat een enorme aanhang kende. Als belangrijk industrieel en vooraanstaand politicus was hij een man met grote status binnen de Amsterdamse wereld en verbonden aan bijna alle belangrijke Joodse instituten en commissies. Asscher was een man die alles groots aanpakte. Het liefst sprak hij voor volle zalen met prominente mensen in het publiek. Als bestuurder en vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap volgde hij dr. Dünner op als voorzitter van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, de koepelorganisatie van de Joodse gemeenten in Nederland. Verder maakte hij deel uit van het bestuur van de kerkenraad van de grootste lidorganisatie van deze koepel, de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge Amsterdam . Ook zat hij in het bestuur van Keren Hajesod, een opbouwfonds voor Palestina. Vanwege zijn grote verdiensten benoemde men hem in 1935 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die onderscheiding kreeg hij opgespeld in aanwezigheid van vele vooraanstaande mensen uit politiek en bestuurlijk Nederland. (meer…)
David Cohen werd op 31 december 1882 te Deventer geboren als oudste zoon van koopman, makelaar en taxateur Hartog (Herman) Cohen en Rebecca van Essen. Later zouden nog drie broers en één zus volgen. Hij doorliep in zijn geboortestad de lagere school, de Joodse godsdienstschool en het gymnasium; daarna studeerde hij klassieke talen in Leipzig, Göttingen en Leiden. Zijn grote belangstelling ging uit naar egyptologie, papyrologie en de Joodse geschiedenis. Vanaf 1910 combineerde hij zijn studie met een baan als leraar aan het Nederlands Lyceum in Den Haag. In 1912 promoveerde hij in Leiden cum laude op een proefschrift over de Joodse geschiedenis in de Hellenistische tijd. In 1922 werd hij privaatdocent aan de Rijksuniversiteit Leiden en twee jaar later aan deze universiteit bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Hellenistische tijd. In 1926 werd hij gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis en de Griekse en Romeinse Antiquiteiten aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam (de huidige Universiteit van Amsterdam), een functie die hij tot 1953 zou vervullen. Cohen was een hoogleraar die zijn vakgebied in de volle breedte beheerste, maar meer docent dan onderzoeker was. Tot oorspronkelijk wetenschappelijk werk kwam hij weinig, zijn voorliefde ging uit naar het onderwijs. Hij verzorgde enkele belangrijke leerboeken over de klassieke oudheid en begeleidde vele promovendi. Deze klassieke oudheid was voor hem de ideale wereld, waarin het goede en schone overheerste. Hij haalde uit deze wereld zijn voorbeelden om te tonen hoe de moderne wereld vormgegeven diende te worden. Hij was bepaald geen kamergeleerde, zoals hij door sommigen ten onrechte werd genoemd, maar iemand die erg betrokken was bij de actualiteit en vol mededogen voor de onderdrukten in de samenleving. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, de Spoorbrug, Landhoofd en Snelbinder, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg
In maart 1942 werd door SS-Obergruppenführer Oswald Pohl het SS-Wirtschafts-Verwaltungshauptamt (SS-WVHA) opgericht, dat twee andere organisaties die onder leiding van Pohl stonden combineerde: het SS-Hoofdbureau voor Bestuur en Economie en het Hoofdbureau voor Begroting en Gebouwen van het Rijksministerie van Binnenlandse Zaken. De WVHA, dat nauw samenwerkte met de SS, beheerde de industrieën, ambachten en bedrijven van de SS in de concentratiekampen en voegde deze samen in hun eigen bedrijven. Vanaf 1942-1943 stond het hele concentratiekampsysteem onder de exclusieve controle van Oswald Pohl. De SS-WVHA bestond uit vijf bureaugroepen: Bureau A: Troepenadministratie onder SS-brigadeleider Heinz Fanslau ; Bureau B: Troepenbeheer onder leiding van SS-groepsleider Georg Lörner, Kantoor C: Bouw onder leiding van SS-groepsleider Hans Kammler, Bureau D: Concentratiekampsysteem onder SS-groepsleider Richard Glücks en Office W: Zakelijke ondernemingen onder direct beheer van Pohl. (meer…)
Van 6 februari 1922 tot 10 februari 1939 was Pius XI (1857-1939)hoofd van de rooms-katholieke kerk. Tijdens het interbellum werd hij geconfronteerd met de opkomst van communistische en fascistische regimes en bedreigingen voor de kerk en religie. Hij liet in zijn regeerperiode van 17 jaar maar liefst 31 encyclieken uitvaardigen, die erg richtingbepalend waren voor het denken en optreden van katholieken en het kerkinstituut. Veel van de encyclieken waren krachtige diplomatieke protestnota’s tegen maatschappelijke ontwikkelingen. In Iniquis Afflictisque (1926), Acerba Animi (1932) en Nos es muy conocida (1937) veroordeelde hij in harde bewoordingen de vervolging van rooms-katholieken in Mexico. In Dilectissima Nobis (1933) en Non abbiamo bisogno (1931) deed hij datzelfde over de positie van de kerk in Spanje en Italië. In andere encyclieken veroordeelde hij de destructieve gevolgen die de leer van Karl Marx had op de kerk en op de samenleving, specifiek in de Sovjet-Unie. Zijn bekendste encycliek is de Duitstalige Mit brennender Sorge van 14 maart 1937 over de toestand van de katholieke kerk in Duitsland. Het nationaalsocialisme met haar racisme werd scherp veroordeeld en de totalitaire staat afgewezen. Deze encycliek werd hoofdzakelijk geschreven door zijn pauselijke staatssecretaris Eugenio Pacelli, de latere paus Pius XII. Pius XI sloot in 1929 met de fascistische regering van Italië ook het Verdrag van Lateranen, waardoor de soevereiniteit van Vaticaanstad erkend werd met de paus als staatshoofd. (meer…)
Op Bataviastraat 38-2 (het huidige nummer 31) in Amsterdam woonde vanaf 1939 het gezin van Aron Gans (Amsterdam, 9 november 1905 – Amsterdam, 17 augustus 1986), die knecht was bij een expeditiebedrijf. Aron was op 23 juli 1930 in het huwelijk getreden met Rijntje van Gelderen (Amsterdam, 23 mei 1912 – Amsterdam, 3 januari 1939), die al op 26-jarige leeftijd overleed. Het echtpaar had vijf kinderen: David, Duifje, Esther, Dora en Mozes. Aron hertrouwde op 24 januari 1940 met Josephina Loyen (Antwerpen, 9 januari 1902 – Amsterdam, 30 januari 1985). De ouders van Aron, de poelier David Gans (1881-1943) en Esther Gans-Lisser (1880-1943), hadden negen kinderen, waarvan zeven kinderen en hun partners en 24 kleinkinderen in de oorlog werden vermoord. Een nabestaande schreef over de omgekomen familieleden deze tekst: ‘Wij zijn nu zestig jaar bevrijd, maar jullie is niet eens een graf bereid. Jaren zijn jullie belaagd en toen zo maar weggevaagd. We zijn beroofd van alle mooie dingen waarmee we elkaar hebben kunnen omringen. Het was voor de nabestaanden ook geen leven, want waar waren jullie in vredesnaam gebleven? Waar moesten we jullie zoeken gaan? Maar nu is er een laan in Sobibor gemaakt om te gedenken. Daar hebben we jullie een boom kunnen schenken. Een boom met een steen met jullie namen erop geschreven. Een steen, een monument een mensenleven.’ Ook de familie van Rijntje van Gelderen kende tientallen personen die in de Duitse concentratiekampen weden vermoord: haar beide ouders Manuel van Gelderen (1882-1942) en Ester van Gelderen-Hilversum (1894-1942), acht van hun kinderen en vele kleinkinderen. (meer…)
Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:
Willem Mulder (Amsterdam, 20 december 1888), was een leraar scheikunde te Amsterdam, maar op de slachtofferlijst van Kamp Amersfoort wordt ‘kantoorbediende’ als beroep opgegeven. Er is slechts een jeugdfotootje van hem beschikbaar, want hij moet in de oorlogsjaren eind vijftig zijn geweest. Er is verder alleen nog maar van hem overgeleverd dat hij waarschijnlijk betrokken was bij Vrij Nederland en verspreiding van illegale bladen. Dat ‘waarschijnlijk’ is veelzeggend. Er moet een relatie zijn geweest met de groep-Schimmelpenninck en Ordedienst, maar meer dan dat hij onderdak heeft geboden aan Cor van Rijn is niet te achterhalen. Samen met deze Cor van Rijn werd hij op 16 april 1942 opgepakt. Hij heeft dus in elk geval een tijd doorgebracht in kamp Amersfoort en is van daaruit vervoerd naar kamp Haaren. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd. Deze fusilladeplaats van het kamp lag op een paar honderd meter afstand van begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Veel geëxecuteerden zijn later herbegraven op deze begraafplaats, waaronder de 17 geëxecuteerden van het Tweede OD-proces. Er liggen verder 150 slachtoffers uit Kamp Amersfoort begraven, waaronder verzetsstrijders,politieke gevangenen, gijzelaars en onderduikers. Ook Willen Mulder heeft waarschijnlijk hier zijn laatste rustplaats. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, de Spoorbrug, Landhoofd en Snelbinder, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg
Jacob (Jaap) Knol (Amsterdam, 17 april 1914 – Gröditz, 19 maart 1945) was het oudste kind van Hendrik Knol (Amsterdam, 19 oktober 1889) en Elisabeth Cornelia Batteram (Weesp, 14 januari 1889) die op 26 juni 1913 in Weesp in het huwelijk waren getreden. Hij woonde bij het uitbreken van de oorlog op de Donarstraat 5 – 3 hoog in de Amsterdamse Stadionbuurt. Op 21 augustus 1940 trouwde Jacob Knol de 26-jarige leeftijd met Clasina Johanna de Jager. Hij werkte als kantoorbediende bij een bank en volgde een avondstudie boekhoudkunde om leraar middelbaar onderwijs te worden. Hij was als belijdend lid van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam-Zuid ook erg geïnspireerd in de politieke ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. Deze Gereformeerde Kerk zat in eerste instantie in de Schinkelkerk, op de hoek van de Amstelveenseweg en de Eerste Schinkelstraat, pal naast het Vondelpark. Het tamelijk sobere vormgegeven bakstenen gebouw was gebouwd toen in de Nederlandse Hervormde Kerk in 1886 onder onder leiding van dominee Abraham Kuyper een scheiding plaatsvond, de Doleantie. De Schinkelkerk werd in 1890 opgeleverd naar ontwerp van architect Tjeerd Kuipers (1857-1942). Op dat moment lag de kerk nog in de gemeente Nieuwer-Amstel, maar in 1896 en 1921 werd de gemeente door Amsterdam geannexeerd. In 1924 hield dominee Johannis Geelkerken de deze kerk een preek waarin hij in de ogen van een broeder te losjes sprak over het bijbelboek Genesis, specifiek de vraag of de slang in het paradijs nu wel of niet letterlijk had gesproken. De dominee werd na veel gedoe ontslagen en begon met aanhangers in 1926 een nieuw kerkverband: de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, die de Parkkerk toegewezen. In 1930 nam de Gereformeerde Kerk in de Apollobuurt aan het Raphaëlplein 27 haar tweede kerk in gebruik, de Raphaëlkerk. De Schinkelkerk bleef tot 1975 in gebruik en kende daarna tal van bestemmingen: duiksportcentrum, tuincentrum, antiekwinkel en sinds 2019 een sportschool. (meer…)
Fritz Todt werd op 4 september 1891 in Pforzheim geboren als zoon van een industrieel. Van 1911 tot 1920 studeerde hij in Karlsruhe en München voor bouwkundig ingenieur. Een studie die tijdens de Eerste Wereldoorlog werd onderbroken door in het Duitse leger te dienen als officier en vliegtuigwaarnemer, waarbij hij in augustus 1918 zwaargewond raakte. Van 1921 tot 1925 werkt hij bij een waterkrachtcentrale en daarna tot 1933 als technisch directeur bij Sager & Wörner, een bedrijf dat actief was in de wegenbouw. Het bedrijf kwam in 1927 met het voorstel om onder Todt’s leiding de eerste Autobahn in Duitsland aan te leggen, een traject van 25 kilometer tussen München en Würmsee. In 1931 promoveerde hij tot doctor met het proefschrift Fehlerquellen beim Bau von Landstraßen aus Teer und Asphalt.
Al in 1922 was Todt lid geworden van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP), waarbij hij tot de eerste leden van de partij hoorde. In 1931 werd hij hoofdcommandant van de Sturmabteilung (SA), de knokploeg die in 1921 door Hitler was opgericht om de partij-vergaderingen van de NSDAP te beschermen tegen politieke tegenstanders. De ‘Bruinhemden’ werden echter vooral ingezet bij het gewelddadig intimideren van politieke tegenstanders. Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen werd Todt op 5 juli 1933 benoemd tot algemeen inspecteur voor de Duitse wegen en kreeg daarmee de algehele leiding bij de aanleg van de rijkssnelwegen. Ook werd hij verantwoordelijk voor het gehele Duitse wegennet en werd lid van de raad van bestuur van de Duitse spoorwegen. In november 1934 nam Todt ook de leiding over van de Nationalsozialistischen Bundes Deutscher Technik (NSBDT) en het Amtes für Technik, später Hauptamts für Technik van de NSDAP en werd hij benoemd tot lid van de raad van bestuur van het Duitse Museum. (meer…)
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
De aanleg van een nieuwe spoorlijn was eind negentiende eeuw een onderneming van belang. Het spoorwegennet was pas enkele decennia echt amper in ontwikkeling. Allerlei steden gevochten om ook zo snel mogelijk een aansluiting op het landelijk spoorwegnet te krijgen. Daar was niet alleen veel geld en prestige mee gemoeid, maar soms speelde ook militair-strategische afwegingen een rol. Nijmegen wilde uiteraard ook een aansluiting, maar omdat Nijmegen omstreeks 1870 nog steeds een vestingstad was, was vanwege deze strategische positie een spoorwegverbinding over de Waal steeds onbespreekbaar. In 1860 begon het Nijmeegsch Spoorwegcomité met een lobby om alsnog een spoorverbinding te krijgen. Dit leidde in 1863 tot de oprichting van de Nijmeegsche Spoorwegmaatschappij (NSM), die in 1865 het spoorlijntje Nijmegen-Kleef wist te realiseren. Het lijntje liep via Groesbeek en Kranenburg naar Kleef, waar men een verdere aansluiting had op het Duitse spoorwegennet. De wens echt aansluiting te hebben op het Nederlandse net bleef bestaan, maar Nijmegen was een belangrijke schakel in de gordel van steden en forten die Nederland moest beschermen tegen invallen. De Waal was de belangrijkste ‘slotgracht voor Fort Holland’ en een spoorbrug zou dan zorgen voor een ernstige verzwakking van de landsverdediging. (meer…)
13 – De Radiendocrinator
De Radiendocrinator was een snufje voor de superrijken die ook van de voordelen van radioactieve straling wilden profiteren. Het werd in de markt gezet als het allernieuwste dat de wetenschap op dit terrein naar voren had gebracht. Voor de prijs van 150 dollar kon men al een goedkope uitvoering van de Radiendocrinator bezitten, maar de prijs voor de oorspronkelijke, luxe uitgave bedroeg 1.000 dollar. Hert kleinood werd aangeleverd in een kleine leren cassette, binnen afgewerkt met blauw satijn waarop de van bladgoud voorziene Radiendocrinator de gelukkige eigenaar glimmend toekeek. De kern van het apparaatje bestond uit ongeveer zeven met radium doordrenkte vloeipapierachtige stukjes papier, ongeveer zo groot en vorm als een creditcard. Deze waren bedekt met een dun stuk doorzichtig plastic en twee gouddraadschermen. Het kleinood was bedoeld bij het slapen te worden geplaatst bij het een deel van het endocrien systeem, ‘… which have so masterful a control over life and bodily health’. Het product werd vanaf 1922 uitgegeven door American Endocrine Laboratories uit New York City, dat was opgericht door William J. Bailey, die het bedrijf in 1925 of 1926 van de hand deed omdat hij meer heil zag in de productie van de al besproken Radithor, zijn meest beruchte product. Aanvankelijk was de eerste versie van het apparaat, de ‘Clinic Type Radiendocrinator’ genaamd, ongeveer zo groot als een voetbal, eivormig en op een standaard gemonteerd. Die kon niet in massa worden geproduceerd en verkocht, zodat men wilde overstappen op een kleiner product dat werd omschreven als: ‘Het nieuwste type Radiendocrinator voor thuisgebruik is een heel klein apparaatje en wordt geleverd met adapters om het aan het lichaam te bevestigen.’ (meer…)