MET VEEL BERICHTEN OVER DE PERIODE 1795-1945, MAAR OOK ALLERLEI ZAKEN NA 1945 DIE ME TOEVALLIG INTERESSEREN
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
Harlingen, 4 november 2021
Op donderdag 4 november 2021 vond in Harlingen de presentatie plaats van het boek ‘London/Ardens’ van Jan Bommerson. Een schrijver waarvan ik al twee schitterende boeken had uitgegeven. Het ene een lang reisverhaal naar het hoge noorden van Noorwegen (‘Noors’) om daar het noorderlicht met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Wat uiteindelijk een grote teleurstelling zou worden omdat hij op het laatste moment geconfronteerd werd met hordes Japanse toeristen, die met busladingen aankwamen op het geweldige uitzichtpunt dat de eenzame Nederlandse toerist voor zichzelf had uitgezegd. Het tweede reisverhaal ging over zijn solitaire tocht naar de barre Shetlandeilanden (‘De ontdekking van Shetland’), waarover de bewoners zelf de auteur bij zijn bezoek meedeelde dat er hier helemaal niets te beleven was. Dat bleek uiteindelijk behoorlijk mee te vallen, flink in de hand gewerkt trouwens doordat Jan indertijd, het zijn allemaal opgetekende jeugdherinneringen, de onbedwingbare neiging zich in wat roekeloze uitstapjes te storten. Het derde boek had twee titels en een unieke uitvoering in keerdruk. Dat betekent dat het boek twee omslagen heeft. Aan de ene kant’ Londons’ over een kort verblijf in een naargeestig Londen gedurende de week van Kerst en oud-en-nieuw in 1973. Oorlog in het Midden-Oosten, een olieboycot en crisis in het westen, bomaanslagen door de IRA, beestenweer in de duistere wereldstad, een wanhopige zoektocht naar een slaapplaats en wonderlijke ontmoetingen met de meest uiteenlopende figuren. Aan de andere kant ‘Ardens’, met anekdotes over tien verschillende reizen naar de Ardennen in de jaren tachtig, altijd in de paasvakantie. Op jacht naar goedkope kitsch en twijfelachtig antiek in de talloze antiekschuren en brics-a-bracs. Welnu, dat nieuwe boek werd in de plaatselijke boekenwinkel gepresenteerd en natuurlijk trokken Dinie en ik op uit om daar aanwezig te zijn. (meer…)
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
.
Beeldentuin Mariënheem, juni 2021, © Frans van den Muijsenberg
.
De Hessenberg tijdens de renovatie, oktober 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Het speel- en oogstbos te Lobith, Elten, september 2024, © Frans van den Muijsenberg.
Orvelte, 4 november 2007
Op een kille en regenachtige zaterdag struinden we rond in het Drentse brinkdorp. Dat is één groot open monument, maar bij deze temperaturen en de constant miezerige regen heb je daar toch weinig oog voor. Dinie en ik hadden elkaar pas een half jaartje eerder voor het eerst ontmoet, maar al behoorlijk wat uitstapjes gemaakt. Gezamenlijk naar Alanya, de eerste keer dat Dinie een reis maakte die verder ging dan Luxenburg, de eerste keer dat ze met het vliegtuig op vakantie ging en de eerste keer dat ze van huis ging zonder de kinderen aan haar rok te hebben hangen. Of met een hele bende naar Virton in de Belgische Ardennen, waar we de twee kinderen van Dinie en mijn vijf kleinkinderen mee naartoe namen. Gezellig, maar of ik nu anderen snel zal aanraden zeven kinderen mee op sleeptouw te nemen? Pfff .. nou, eerlijk gezegd Ja. Het was superleuk en de zware vermoeidheid na zo’n lang weekend ben je weer snel vergeten. En ook de paar negatieve zaken, en die zijn er altijd als je met zijn negenen in een huisje zit. Het blijkt dat degenen met een gelukkige jeugd negatieve gebeurtenissen minder goed onthouden en vooral de positieve en leuke dingen des levens in het beperkte geheugen opslaan. Het geheugen is weliswaar groot maar niet oneindig, er moeten keuzes worden gemaakt en dat doet dat geheugen helemaal zelfstandig voor ons. Dank geheugen daarvoor en dank ook aan beider ouders om te zorgen dat ons geheugen vooral positieve content bewaard heeft. (meer…)
Deel 3 – Felix Dzerzjinski
Feliks Edmoendovitsj Dzerzjinski (Kojdanów, 11 september 1877 – Moskou 20 juli 1926), met de alleszeggende bijnaam ‘IJzeren Felix’ was een van de leiders van het Revolutionaire Militaire Comité van Petrograd (RMCP), dat in 1917 slechts 53 dagen actief was, maar wel de grondslag legde voor de vervolging van iedereen die werd geclassificeerd als ‘vijand van het volk’. Uit deze kwam op 20 december 1917 de Tsjeka, de eerste bolsjewistische geheime dienst, voort. Felix Dzerzjinski was tot zijn dood in 1926 de leider van de eerste twee Sovjet-geheime politieorganisaties, de Tsjeka en de OGPU. Hij was daarmee een belangrijke architect van de Rode Terreur en de-Kossackisering.
Zijn afkomst en jeugdjaren deden niet vermoeden, dat hij in de jaren twintig in een brief aan zijn zus zou schrijven: ‘Voor velen is er geen vreselijkere naam dan de mijne.’. Hij werd geboren uit etnisch Poolse ouders van adellijke afkomst, op het landgoed van de familie Dzerzhinovo, ongeveer 15 kilometer van het stadje Ivyanets in het gouvernement Minsk in het huidige Wit-Rusland. In het Russische Rijk behoorde zijn familie tot de oeradel, maar ze hadden niet de privileges die de nieuwe adel zich had toegeëigend. Zijn zus Wanda stierf op twaalfjarige leeftijd op het landgoed toen ze per ongeluk met een jachtgeweer werd neergeschoten door een van haar broers, waarvoor of Felix of zijn broer Stanislaw verantwoordelijk werd gehouden. Nog meer tragedie op het landgoed: ook twee broers van Felix zouden er een gewelddadige dood sterven. Stanislaw werd in juli 1917 door Russische soldaten neergeschoten, waarschijnlijk omdat hij van het front was gedeserteerd. Kazimierz werd in augustus 1943 door de Duitsers geëxecuteerd vanwege zijn deelname aan het verzet. Als vergelding voor dat verzetswerk werd bovendien het woonhuis in brand gestoken. (meer…)
Deel 2 – De dictatuur van het proletariaat
De ellende zat al in de theorie ingebakken en wel in de theorie van de dictatuur van het proletariaat. In de oorspronkelijke Romeinse interpretatie van de term dictatuur werd ermee een aan strikte regels gebonden noodtoestand bedoeld waarbij één persoon tijdelijk alle macht had. Karl Marx breidde de term uit naar de heerschappij van één klasse, de proletarische meerderheid. In de overgangsfase moest de kapitalistische maatschappij ofwel de dictatuur van de burgerij (waarin de rijke klassen alle productiemiddelen bezit en de werkende klasse misbruikt voor eigen winst) worden vervangen door een geheel klasseloze, staatloze maatschappijvorm, het communisme. Volgens de marxistische leer zou er eerst een overgangsperiode zijn van het kapitalisme naar het communisme, de proletarische democratie of dictatuur van het proletariaat. Lenin deed dar nog een schepje bovenop en zei dat dan tegelijkertijd sprake moest zijn van de dictatuur van de bolsjewistische partij.
Volgens Marx moest het kapitalistisch systeem door een revolutie van georganiseerde arbeiders worden afgeschaft, waarna de arbeiders na deze proletarische revolutie’ een socialistisch economisch systeem zouden moeten vestigen, dat ze met alle macht moesten verdedigen tegen reactionaire krachten. In hoofdstuk 2 van het Communistisch Manifest beschrijven Marx en Engels de volgende kenmerken van de heerschappij van het proletariaat: (meer…)
Dr. Sylvester Andral Kilmer (1840-1924) werd geboren in Cobleskill, New York. Op zijn achttiende begon hij homeopathische geneeskunde te studeren onder een gerenommeerde dokter in Schoharie County, New York. Nadat hij jarenlang in het hele land allerlei medische kennis had opgedaan, keerde Dr. Kilmer rond 1878 terug naar New York en zette een praktijk op in Binghamton. Daar ging hij aan de slag met het ontwikkelen en verkopen van homeopathische middelen. In de loop der jaren bedacht hij in zijn laboratorium in Binghamton veel remedies bedacht, waaronder Dr. Kilmer’s Ocean Weed Heart Remedy, Female Remedy, Indian Cough and Consumption Cure, Autumn Leaf Extract, Prompt Parilla Pills en zijn bekendste remedie: Dr. Kilmer’s Swamp Root Kidney Liver and Bladder Cure. Zijn Dr. Kilmer’s Female Remedy werd beschreven als ‘de grote bloedzuiveraar en systeemregulator’ of als ‘het enige alternatieve en zuiverende kruidengeneesmiddel ooit ontdekt, specifiek aangepast aan de vrouwelijke constitutie…’). De ondernemingen van Kilmer waren zo succesvol dat hij navolgers inspireerde, misschien zelfs vervalsers die producten produceerden die in geen enkele officiële reclame van het bedrijf te vinden zijn, zoals: Dr. Kilmer’s Wild Indian Female Cancer Injection en Dr. Kilmer’s Wild Indian Female Secret. (meer…)
Dit sprookje werd door de gebroeders Grimm opgenomen in ‘Kinder- und Hausmärchen’, een verzameling van 201 sprookjes en 10 kinderlegenden die vanaf 1812 werd uitgegeven. Dit sprookje, gerangschikt onder het nummer KHM39, had de oorspronkelijke titel ‘Die Wichtelmänner’, werd in Engeland uitgebracht onder de naam ‘The Elves and the Shoemaker’. In Nederland was onderstaand verhaal een van de drie verhalen die onder de simpele naam ‘De kabouters’ werd uitgebracht. Een Wichtelmännchen is een soort kabouter, een goedaardige, kleine huisgeest die voorkomt in sagen. In moderne verhalen is een Wichtelmann echter soms kwaadaardig en een hulpje van heksen. Traditioneel brengen tijdens de kerstperiode de Wichtelmännchen cadeautjes voor de personen die lootjes trekken (in het Duits Wichteln). Wichtelmännchen wordt wel vertaald als dwerg, kobold, kabouter, gnoom, brownie, lilliputter, duimpje, pygmee of halve portie. In Zuid-Duitsland voorspelt de Wichtel de dood van een mijnwerker door driemaal te kloppen, waarbij de geluiden van het mijnwerk imiteren. (meer…)
.
De Hessenberg tijdens de renovatie, oktober 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Het speel- en oogstbos te Lobith, Elten, september 2024, © Frans van den Muijsenberg.
Deventer/Arnhem, Schokland, zaterdag 25 mei en donderdag 31 oktober 2024
‘Kent één van jullie Alex Roeka?’, vroeg vriendin C. plotseling op oudejaarsavond. Echtgenoot M. keek een beetje nors en ongeïnteresseerd op van de schaal met oliebollen en schudde amper zichtbaar dat ie deze zanger niet kende. Zijn hele lichaam straalde uit dat hij ook geen enkele interesse had daar verandering in te brengen. Ook mijn Dinie bleek nooit van Roeka te hebben gehoord. Verwonderlijk, want hij was de afgelopen jaren door muziekjournalisten en collega-muzikanten bij herhaling de hemel in geprezen. ‘De beste tekstschrijver van Nederland’, meende Huub van der Lubbe van De Dijk. ‘De schrijver van het allermooiste lied over het wielrennen’, vond sportjournalist Bert Wagendorp, verwijzend naar het inderdaad magistrale Het Rode Vod. Vriendin C. keek verrast op dat ik Roeka wel kende. Natuurlijk kende ik die, liet ik triomfantelijk weten. Ik heb immers in kleine kring een reputatie op te houden als muziekkenner. Als bewijs noemde ik ‘Gestreeld en gekrast door de liefde’, ‘Noem het geen liefde’ en ‘Vader’, een paar van de nummers die ik met regelmaat van hem draaide. Nadat we wat nummers van hem op een mobieltje hadden afgespeeld, liet Dinie weten dat dit toch niet het soort liedjes was waar ze van hield. Echtgenoot M. vond het niet eens nodig te reageren, hij bleef onverstoorbaar nors voor zich uitkijken. Maar goed, zijn mening was op voorhand al duidelijk. Spontaan kwam het idee op dat vriendin C. en ik eens een concert van Alex Roeka zouden gaan bijwonen. We kregen de zege de beide echtgenoten. (meer…)
Op 11 september 1907 werd Emily Elizabeth Dimmock (bekend als Phyllis), een parttime prostituee in haar huis in 29 St Paul’s Road in Camden vermoord. Emily werd op 20 oktober 1884 in het dorp Stanford (Hertfordshire) geboren, waar haar vader café The Red Lion runde. Toen ze 21 jaar oud was in 1905 woonde Emily in een huis vlak bij de stations Kings Cross, St Pancras en Euston. Het huis was eigendom van een John William Crabtree, die in de twee jaar daarna af en toe werd gearresteerd op beschuldiging van het runnen van een bordeel. Vanaf 1906 leefde ze in Camden Town samen met de pas negentienjarige spoorwegarbeider Bertram Shaw, eerst op kamers in Great College Street en vanaf begin 1907 in St Pauls Road. Overdag was Emily een plichtsgetrouwe huisvrouw, maar zodra Bert naar zijn werk vertrok, vertrok Emily naar de plaatsen van haar vorige beroep. Blijkbaar miste ze het entertainment dat de vele openbare huizen in Euston Road boden, met name de Rising Sun. Wellicht had ze ook simpelweg het geld nodig.
Op vrijdag 6 september 1907 ontmoette Emily in de Eagle in Royal College Street de kunstenaar Robert Wood. Die schreef daarna op een ansichtkaart die hij had meegenomen van een vakantie in Brugge: ‘Phyllis lieverd. Als het u behaagt mij om 8.15 uur te ontmoeten in de (en hier tekende hij een kunstenaarsimpressie van een opkomende zon). De jouwe tot ik slechts as ben.’ Hij signeerde het met Alice om Berts argwaan niet te wekken. Deze ansichtkaart zou later centraal staan in de rechtszaak tegen Wood. Hij werd pas in de vroege uurtjes van zondagochtend gepost. Toen de kaart op maandag 9 september arriveerde, werkte Bert Shaw nog steeds aan zijn nachtdienst in de treinen. Emily had echter eerst nog een man voor drie nachten mee naar huis genomen, de scheepskok Robert Percival Roberts. Op de avond van woensdag 11 september was deze Robert Roberts met zijn vriend Frank Clarke opnieuw in The Rising Sun, in de verwachting daar Emily weer te ontmoeten. Zij was inderdaad in de Eagle, opnieuw met Robert Wood. Het was de laatste keer dat Emily levend werd gezien. (meer…)
De moordzaken die in verband werden gebracht met Jack the Ripper spraken vanaf het begin tot de verbeelding. In de tweede helft van 1888 werden in Londen vijf vrouwen (de zgn. ‘canonical five’ Mary Ann Nichols, Annie Chapman, Elizabeth Stride, Catherine Eddowes, and Mary Jane Kelly) gruwelijk verminkt en vermoord. De vijf moorden werden op loopafstand van elkaar gepleegd en toegeschreven aan een seriemoordenaar waarvan de identiteit nooit is achterhaald. Daarnaast werden in Whitechapel van 1888 tot 1891 nog vijf, mogelijk zelfs zes vrouwen vermoord van wie werd vermoed dat ze door dezelfde dader werden vermoord. Over het motief van de moorden bestaan allerlei theorieën en de lijst met verdachten is in der loop der jaren steeds langer geworden. De mythe die de moorden omringt is omgeven door een combinatie van geschiedkundig onderzoek, samenzweringstheorieën en folkloristische verzinsels. Door de beperkte feitenkennis over de moordenaar werd de verbeelding in de loop der tijd zodanig gestimuleerd, dat naar tal van mensen met een beschuldigende vinger werd gewezen. Een van de verdachten was de kunstschilder Walter Sickert.
Walter Richard Sickert (München, 31 mei 1860 – Bath, 22 januari 1942) was een in Duitsland geboren kunstenaar van Britse en Deense afkomst, die voor het eerst werd genoemd als mogelijke Ripper-verdachte in Donald McCormicks boek The Identity of Jack the Ripper (1959). Hij geldt echter als een weinig betrouwbaar schrijver, omdat hij geheel afhankelijk was van een informeel netwerk van mondelinge informanten en sterk lette op een goed lopend en verkoopbaar verhaal. Algemeen zijn McCormicks controversiële beweringen onmogelijk op betrouwbaarheid te controleren. Bij baseerde zich onder meer sterk op het feit dat Sickert erg gefascineerd was door de Ripper-moorden en zelfs zo ver ging dat hij in een kamer verbleef waarvan werd gezegd dat Jack the Ripper zelf er ooit als huurder had geleefd. Hij beeldde soortgelijke scènes af in veel van zijn schilderijen. (meer…)
Tarrare (circa 1772 – 1798) was een Franse entertainer, soldaat en spion, maar hij stond vooral bekend om zijn ongewone eetlust en eetgewoonten. Al als een kind had hij altijd honger en kon hij enorme hoeveelheden eten verstouwen. Zoveel dat zijn ouders niet langer voor hem konden zorgen en hem als tiener op straat zette. De jongeman belande toen in het gezelschap van dieven en hoeren, die door Frankrijk toerden en de zakken van het publiek rolden terwijl ze hun acts opvoerden. Tarrare was al snel een van hun hoofdattracties: de ongelooflijke man die alles kon eten. Tijdens deze act kon hij zijn enorme, misvormde kaak zo wijd openzwaaien dat hij een hele mand vol appels in zijn mond kon gooien en er een dozijn in zijn wangen kon houden als een eekhoorn. Hij slikte kurken, stenen en levende dieren in zijn geheel door, tot vreugde en afschuw van de menigte. Volgens degenen die zijn daad zagen: ‘Hij greep een levende kat met zijn tanden, haalde er eerst de ingewanden uit, zoog het bloed eruit en at het op, waarbij alleen het kale skelet overbleef. Hij at ook honden op dezelfde manier. Op een keer werd gezegd dat hij een levende paling doorslikte zonder hem te kauwen.’ Ook deze circusmensen waren echter niet lang in staat de veelvraat van voldoende etenswaren te voorzien. Deze act voerde hij kort daarna op in Parijs als straatartiest. (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
VIERDE HOOFDSTUK (3e deel)
Van eenzelfde soort en van eenzelfden slag als Marchand, was Saint-Denis, bijgenaamd Aly, die in rang op Marchand volgde en die, na hem, het meest met den Keizer in aanraking kwam en met hem verkeerde. Hij was jager en fungeerde als Mameluk. In 1788 te Versailles geboren – zijn vader was er als piqueur aan de koninklijke stallen verbonden – had hij een zeer goede opvoeding en uitstekend en uitgebreid onderwijs genoten, was eerst eenige jaren klerk op een notaris-kantoor geweest, wat hem al heel gauw verveelde, en werd in 1806 als leerling-piqueur aan het Huis van den Keizer verbonden. Ook hij nam in ’11 deel aan de reis naar Holland, nadat hij de veldtochten in Spanje en in Duitschland had meegemaakt. Op het einde van dat jaar werd Saint-Denis tot Marneluk uitgekozen in plaats van den echten Aly – die indertijd, evenals Roustam, uit Egypte was meegekomen, maar dien men, om zijn soms gevaarlijke driftbuien, niet langer als lakei had kunnen houden, waarom men hem een dienst te Fontainebleau had gegeven – wiens oostersche kleedij en wiens naam hij tevens overnam. In het vervolg dus, deed hij denzelfden dienst als Roustam en vervulde dezelfde functies van kamerdienaar, jager en “aide-porte-arquebuse”; in den veldtocht bewaarde hij de verrekijker en de zilveren veldflesch met cognac. Hij maakte de tocht naar Rusland mee en die in Saksen; in Mainz achtergelaten, was hij verhinderd deel te nemen aan den strijd tegen de geallieerden in Frankrijk. (meer…)
Nijmegen is gebouwd op zeven heuvels, die ontstonden in de voorlaatste ijstijd, die ongeveer 10.000 jaar geleden eindigde. Vanuit Scandinavië schoof het landijs toen honderden meters hoge bergen zand en grind voor zich uit. Daaruit ontstond een enorme stuwwal die later door de grote rivieren werd uitgesleten. De heuvels die daardoor ontstonden werden later bebouwd, de dalen werden straten. De zeven heuvels van de Nijmeegse Benedenstad, elk bebouwd met een of meerdere belangrijke beschermde monumenten zijn de Hessenberg (Heezeberg), de Hundisburg (waarop de Sint-Stevenskerk is gebouwd), de St. Jansberg, de Klokkenberg, de St. Anthoniusberg (of Geitenberg, Lindenberg), de Hofberg en de St. Geertruidsberg (die een deel is van de Hunnerberg, Hoenderberg).
De Hessenberg is het stadscentrum is het gebied met de Pijkestraat, Hessenberg, Jodenberg, Achter de Carmel en Kroonstraat. Op 7 mei 2008 besloot de gemeenteraad om de openbare ruimten op het voormalige Gelderlanderterrein namen te geven. Na een tweetal wijzingen op een later tijdstip weerden dat: Arnold van Akenplein, Gebroeders Van Lymborchplein, Groot Bethlehem, Hertog van Berryplein, Johan Maelwaelplein, Klein Bethlehem, Op het Spinhuis, Weeshuistrappen. In die periode werd de Hessenberg flink verbouwd. Het terrein waarop eerst de drukkerij van De Gelderlander had gestaan kwam braak te liggen en werd ingrijpend verbouwd. De monumentale voorgevel van het dagblad kon gelukkig worden behouden. (meer…)

.
Het speel- en oogstbos te Lobith, Elten, september 2024, © Frans van den Muijsenberg.
Delft, zaterdag 6 januari 2019
De eerste dagen van 2019 werden gebruikt voor een kort bezoekje aan Delft. Daar werden de gebruikelijke monumenten bezocht, zoals de Nieuwe Kerk aan de Markt met het praalgraf van Willem de Zwijger en de Prinsenhof waar dezelfde zwijger op 10 juli 1584 door Balthasar Gerards werd vermoord. Veel oud leed, wat in onze jeugdjaren de geschiedenislessen behoorlijk domineerde. Het Oranjegevoel en een behoorlijke dosis nationalisme werd er bijna ingeramd. Dat viel in het katholieke zuiden nog niet mee, want daar was van oudsher de prins van Oranje niet echt geliefd. Van generatie op generatie werd doorgegeven dat diezelfde Vader des Vaderlands vanaf 1759 in bijvoorbeeld de rooms-katholieke Meierij van ’s-Hertogenbosch opdracht had gegeven alle dorpen plat te branden en de oogsten stelselmatig te verwoesten. De uithongeringstactiek slaagde niet, pas in 1629 werd ’s-Hertogenbosch uiteindelijk veroverd, maar in de periode 1759-1588 daalde door Willems meedogenloze optreden de bevolking in de Meierij met maar liefst zeventig procent. Geen wonder dat twee weken na de moord op Willem van Oranje in de Sint-Janskathedraal van ‘s-Hertogenbosch door kanunniken het Te Deum werd gezongen, uit dankbaarheid en blijdschap om de dood van de gehate prins. In andere delen van Brabant zal het sentiment niet veel anders zijn geweest. Maar al dat grote leed uit het verleden leeft nog slechts in de geschiedenisboeken. Nu loopt iedereen in diepe eerbied langs zijn praalgraf, bestudeerd de details van de enorme tombe en het interieur van de kerk. Met terugwerkende kracht toch wel een geschikte peer, die Willem. (meer…)
Ethel Stein (New York, 22 juni 1917 – Cortlandt, 9 maart 2018) was de dochter van Tanya Levy en werd opgevoed in Croton-on-Hudson, een van de buitenwijken van New York, door haar tante en oom Ella en Abbo Ostrowsky. Ze ging naar de Hessian Hills school en kreeg houtbewerkingslessen van beeldhouwer Wharton Esherick en schilderen van schilder/muurschilder/lithograaf George Biddle. In de tweede helft van de jaren dertig werkte ze als assistente aan de Educational Alliance Art School, waar haar oom Abbo Ostrowsky directeur was. Daar kreeg ze les van beeldhouwer Chaim Gross en studeerde ze bij Louise Nevelson. Eind jaren dertig verhuisde Stein naar Cambridge, Massachusetts, waar ze studeerde bij Josef Albers, de echtgenoot van de wever Anni Albers, en anderen die verbonden waren met de Bauhaus-beweging. Hier ontmoette ze haar man, de architect Richard G. Stein, die toen zijn masteropleiding deed aan Harvard. Hij diende in de Tweede Wereldoorlog, waarna het echtpaar zich vestigde in Croton-on-Hudson. Stein begon haar artistieke carrière als beeldhouwer. In de jaren zestig exposeerde ze als lid van de Vectors-kunstenaarsgroep in New York City. Enkele jaren later raakte ze steeds meer geïnteresseerd in textiel en bestudeerde ze de textielcollectie van het Cooper Hewitt, Smithsonian Design Museum. (meer…)
Anton de Kom (Paramaribo, 22 februari 1898 – Kamp Sandbostel, Neuengamme, 24 april 1945) schreef tijdens de oorlog gedichten over het Nederlands slavernijverleden en kolonialisme. Deze gedichten werden vorig jaar uitgegeven in de bundel Vandaag vrij, altijd vrij, waaruit in een eerder blog al het gedicht ‘O, ik haat het alledaagse zwoegen’ is gegeven. Nu het gedicht De Balatableeder.
De eerste vraag is natuurlijk: war gaat dit over. Wat is ‘balata’? In de taal van de Cariben wordt er een vrij hard, roodbruin rubberachtig product mee bedoeld, dat afkomstig is van de blataboom of bolletri die voorkomt in Guyana, Suriname, Frans-Guyana, Venezuela, Noord-Brazilië en de Antillen. De boom komt verspreid in de oerwouden voor met een gemiddelde dichtheid van één boom per hectare. In 1858 werd in Suriname voor het eerst een concessie afgegeven voor het tappen van de balata. Al snel bleek dat het tappen van deze bomen een lucratieve arbeid was, zodat steeds meer regels moesten worden afgegeven om het tappen moesten reguleren. In 1898 werden er voor een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 3,2 miljoen hectare 54 concessies afgegeven. Twee jaar later werden voor een gezamenlijke oppervlakte van 50.000 hectare nogmaals 12 concessies afgegeven. In 1914 wilde het koloniaal bestuur de balatawinning wat meer reguleren en stelde een verordening vast. Het land werd ingedeeld in 42 blokken van 780 tot 20.000 km2, die zo veel mogelijk begrensd werden door rivieren en beken, en verder door meridianen en parallellen. In het zuiden was dat niet overal mogelijk, omdat daar de precieze loop van de rivieren nog niet goed in kaart gebracht was. De percelen kregen daarom rechte grenslijnen en waren ook enorm groot. Dat was toen geen bezwaar omdat daar nauwelijks exploitatie was. In 1920 werd de verordening aangepast, omdat in de eerdere verordening wat juridische foutjes waren geslopen, waarvan slimme ‘stropers’ handig gebruik wisten te maken. (meer…)
Anton de Kom (Paramaribo, 22 februari 1898 – Kamp Sandbostel, Neuengamme, 24 april 1945) verzette zich in Suriname tegen de Nederlandse koloniale overheersing. In 1920 vestigde hij zich in Nederland, waar hij vanwege zijn verzet tegen het kolonialisme en zijn lidmaatschap van diverse communistische organisaties door de overheid in de gaten werd gehouden. Hij vertrok op 20 december 1932 met zijn gezin naar Paramaribo, waar hij op 4 januari 1933 aankwam. Zijn komst leidde tot acties van de Surinaamse bevolking tegen het koloniale gezag. Uiteindelijk werd het gezin De Kom wegens ‘communistische agitatie’ in mei 1933 weer op de boot naar Nederland gezet. Terug in Nederland schreef hij zijn meesterwerk Wij slaven van Suriname. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet, wat uiteindelijk tot gevolg had dat hij werd gearresteerd in april 1945 en in Sandbostel, één van de vele buitenkampen van Neuengamme om het leven kwam.
Tijdens de oorlog schreef De Kom gedichten over het Nederlands slavernijverleden en kolonialisme. Het duurde tot zestiger jaren van de vorige eeuw tot het werk van De Kom herontdekt werd, in de eerste plaats door herpublicatie van zijn Wij slaven van Suriname. In 1969 verschenen zijn gedichten in een kleine oplage onder de titel Strijden ga ik, die is ontleend aan een zin uit het gedicht ‘Vaarwel Akoeba’. In 2023 gaf uitgeverij Atlas Contact de gedichtenbundel Vandaag vrij, altijd vrij uit. In de nieuwe bundel is de spelling aangepast aan de huidige spellingsregels, zijn er voetnoten toegevoegd om de gedichten nader te duiden en zijn enkele nooit eerder gepubliceerde gedichten toegevoegd: een Engelstalig gedicht, een gedicht uit De Communistische Gids, een merkwaardig gelegenheidswerk over Hofzicht en enkele nooit eerder gepubliceerde werken. Alle gedichten handelen over vrijheid, over De Koms grote liefde Suriname en over het Nederlands slavernijverleden, het kolonialisme en de gevolgen daarvan. Uit deze bundel het gedicht ‘O, ik haat het alledaagse zwoegen’. (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
VIERDE HOOFDSTUK (2e deel)
Van het groot aantal personen – plus minus honderd – dat te Rochefort den grand maréchal verzocht had op de lijst geplaatst te worden van hen die den Keizer naar St. Helena zouden volgen, had de Engelsche regeering vijftien daartoe verlof gegeven. Daaronder waren elf bedienden, die – een enkele uitgezonderd – reeds hun dienst in de Tuilerieën hadden verricht en die de volgende functies bekleedden: Kamerbedienden: Marchand, een Parijzenaar, eerste kamerdienaar; Saint-Denis, bijgenaamd, Aly, van Versailles; eveneens kamerdienaar; Noverraz, een Zwitser, deur-bewaarder; Santini, van Corsica, kamer-bediende ; Lakeien: Archambault, de oudste der twee broers, van Fontainebleau, piqueur – Archambault, de jongste broer, idem; Gentilini, van Elba, lakei ; Tafelbedienden en keuken: Cypriani van Corsica, maître d’ hotel; Pierron, Parijzenaar, chef van het keukenpersoneel; Lepage, kok; Rousseau van Fontainebleau, zilver-bewaarder.
Dit personeel onderging in het verloop van tijd eenige verandering. Cypriani stierf op St. Helena. Toen de Engetsche regeering – op aansporen van Hudson Lowe, doch onder voorgeven, dat het onderhoud van zooveel personeel te veel kostte – beval, dat het met één officier en drie bedienden moest worden verminderd, wees Napoleon behalve Piontkowski, den officier, dien niemand kende en die door niemand gevraagd op St. Helena was gekomen en die door de Engelsche regeering met name genoemd werd, Archambault den jongeren, Rousseau, die nu niet zoo strikt noodig waren en Santini, die te gevaarlijk werd en dien men in Europa beter kon gebruiken, aan. Piontkowski was den 29sten December ’15 op St. Helena gekomen om de gevangenschap van den Keizer te deelen. Niemand wist wie hij was. Alleen Bertrand wist iets van hem, namelijk, dat hij officier van de lanciers der garde was geweest, dat hij mee op Elba gekomen was en dat hij bij verschillende gelegenheden bewijzen van toewijding voor de Keizer had gegeven. Op een vraag van den Keizer, wat hij eigenlijk ongevraagd op St. Helena kwam doen en zijn weigering om hem te ontvangen, opperde men het vermoeden, dat hij misschien de drager van belangrijk nieuws was. Daarop ontving de Keizer hem. (meer…)

.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

.
Het speel- en oogstbos te Lobith, Elten, september 2024, © Frans van den Muijsenberg.
Borculo, zondag 5 september 2021
‘Nou, zijn we weer met ons tweeën,’ zei Dinie en keek er een beetje beteuterd bij. ‘En vinden we dat erg?,’ bracht ik er een beetje aarzelend tegenin. Ze keek een paar seconden wat aarzelend voor zich en haalde een keer diep adem, maar daar kwam alweer een voorzichtige glimlach. ‘Nou, eigenlijk niet hé. Maar wat gaan we nu doen?’
De planning was inderdaad behoorlijk overhoop gegooid. Het moest een driedaags gezinsuitje worden. Het werd echter zoals De Dijk in hun nimmer ‘Ietsje Later’ al zong: ‘Ik kom waarschijnlijk ietsje later en moet ook wat eerder weg.’ In plaats van vroeg in de vrijdagmiddag kwamen de vier anderen pas net voor het avondeten binnenwaaien en op zondag vertrok de ene helft daarvan direct na het ontbijt en de andere helft rond het middaguur. Was allemaal reuze gezellig hoor, maar toch flink korter dan we ons hadden voorgesteld. Gelukkig lag er in het huisje een stapel folders met al wat er aan leuks voor toeristen in Holten en wijde omgeving te doen is. Dat was niet weinig. Het was inmiddels al september, maar het toeristenseizoen was nog lang niet afgelopen en het was bovendien stralend weer. Maar toch, de ene na de andere ‘attractie’ werd niet goed bevonden. (meer…)
Quassie van Timotibo (Ghana, 1692 – Paramaribo, 12 maart 1787) werd geboren in West-Afrika en als jonge slaaf overgebracht naar Suriname, waar terecht kwam op de suikerplantage Nieuw-Timotibo aan de rivier de Perica. De omstandigheden op de suikerplantage waren verschrikkelijk. De Nederlands-Schotse militair John Gabriel Stedman, die tegen de Marrons vocht, schreef over een van de plantages: ‘Op de Plantagie Alia, ‘(…) morgens, onder het ontbyt, wierden zeven Negers strengelyk gegeeseld.’ De plantage Nieuw-Timotibo was eigendom van Willem Bedloo, de stamvader van een van de oudste kolonistenfamilies in Suriname. Hij behoorde tot de groep Frans Hugenoten en was vanuit Middelburg met Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (1637-1688) naar Suriname gekomen. Deze Van Aerssen van Sommelsdijck had ervoor gezorgd dat hij werd gekozen tot onbezoldigd gouverneur van Suriname. Hij en zijn reisgenoten kwamen op 24 november 1683 te Paramaribo aan. Er woonden toen in Suriname ongeveer 1.200 blanken; in Paramaribo stonden niet meer dan zestig huizen, waaronder veel kroegen en herbergen. Het garnizoen soldaten bedroeg driehonderd man. Een van de eerste daden van de gouverneur was het platbranden van dorpen van de inheemse bevolking van Suriname. De volwassen mannen die de gewelddadige overval overleefden liet hij doodknuppelen. Drie jaar later kwam een verdrag tussen de kolonisten en inheemsen tot stand, waarin onder meer werd vastgelegd dat zij niet meer tot slavernij zouden worden gebracht. Van Aerssen vroeg in 1683 ook aan de regenten van het aalmoezeniersweeshuis om tientallen kinderen, die onder de gereformeerde planters zouden worden verdeeld. Bij zijn Amsterdamse opdrachtgevers vroeg hij om goede ambachtslieden, vooral metselaars en timmerlieden naar de kolonie te sturen. (meer…)
Joan Winters (Seattle, 8 december 1909 – Jerusalem, oktober 1933) was een Broadway-danseres die in 1933 werd vermoord in de tuin van Getsemane, ook wel bekend als de Hof van Olijven. Tussen Jerusalem en de Olijfberg ten oosten van de stad ligt het Kidrondal, met daarin aan de voet van de Olijfberg de tuin of hof Getsemane. De tuin is beroemd omdat Jezus daar bad in de nacht voor zijn kruisiging. Het Evangelie volgens Johannes zegt dat Jezus de tuin inging met elf van zijn discipelen. Judas Iskariot, de twaalfde apostel, was tijdens het eraan voorafgaande Laatste Avondmaal al vertrokken en betrad de hof van Getsemane later met een groep die Jezus in hechtenis nam. Om deze reden was de hof van Getsemane werd al vroeg populair bij christelijke pelgrims. Sinds de zeventiende eeuw is de Hof van Getsemane in handen van de Franciscanen. In de vierde eeuw bevond zich in Getsemane een Byzantijnse eeuw die echter in 746 door een aardbeving werd vernietigd. In de twaalfde eeuw werd op dezelfde plaats door de kruisvaarders een kapel gebouwd, die in 1345 werd verlaten. Daarna bouwde de Sassaniden er een kerk die in 1919 door de Franciscanen werd vernield om de bouw mogelijk te maken van de Kerk van Alle Naties, ook wel de Bassilica van de Doodangst genoemd, die in 1924 gereed was. In deze kerk bevindt zich een rots die wordt aangewezen als de plek waar Jezus alleen bad in de Hof van Olijven in de nacht dat hij werd gearresteerd. (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
VIERDE HOOFDSTUK (1e deel)
Longwood, dat oorspronkelijk een boerderij van de O. I. Compagnie was en waarvan de onder-gouverneur van St. Helena zijn zomerverblijf had gemaakt, bevindt zich op een der hoogstgelegen plateaux van het eiland. Niettegenstaande de verbouwingen en de veranderingen, die men er voor de komst van Napoleon had aangebracht, bleef het een boerderij, misschien geschikt om gedurende de heetste maanden van het jaar te worden bewoond, maar ten eenenmale ongeschikt om er het geheele jaar door te verblijven. Zeker voor Napoleon en het tamelijk groot gevolg van zijn ‘hofhouding’ en van minderen en bedienden.
Onwillekeurig stelt men zich de vraag, waarom men Napoleon niet Plantation House als verblijfplaats aanwees. Zelfs Seaton – die de handelingen van de Engelsche regeering en van Hudson Lowe à tort et à travers verdedigt – moet toegeven, dat het vrij wat beter zou zijn geweest, wanneer men dat zou hebben gedaan. Dat de O. I. Camp. alléén op de voorwaarde, dat Plantation House niet door Napoleon zou worden bewoond, het bestuur van het eiland aan de Engelsche regeering zou hebben overgelaten en dat men naar aanleiding daarvan aan den gouverneur de instructie zou hebben gegeven een andere woning uit te kiezen, kan niet als een ernstige beweegreden worden opgevat, eyenmin als de verontschuldiging, die men voor het verbod aanvoerde, namelijk, dat alle telegrafische posten van het eiland op Plantation House bijeen kwamen. En dat zich daar hun eindpunt bevond. Maar nog, wanneer dit alles reden genoeg was om Plantation House als verblijfplaats voor Napoleon buiten beschouwing te laten, dan waren er op St. Helena nog wel beter bewoonbare plaatsen te vinden dan juist Longwood. Ook dit wordt door Seaton erkend. Waarom weigerde de Engelsche regeering om, op verzoek van Napoleon, de Briars voor hem te koopen of hem te veroorloven het zelf te bekostigen? In alle geval, Longwood was wel een der slechtst gekozen woningen. (meer…)
Deel 1 – Inleiding
Laten we beginnen met een anekdote, die leuk zou zijn als de achterliggende geschiedenis niet zo dieptreurig is. Van augustus 1936 tot maart 1938 werd de Russische bevolking geterroriseerd door wat nu de Grote Zuivering wordt genoemd, maar voorheen de veel toepasselijkere naam De Grote Terreur had. Tijdens die anderhalf jaar zouden volgens de officiële cijfers in de jaren 1937 en 1938 681.692 officiële executies hebben plaatsgevonden. Daarnaast waren er 116.000 doden in de Goelag, 2.000 onofficieel gedood bij schietpartijen. De totale schatting van het aantal doden als gevolg van de Grote Zuivering varieert van 950.000 tot 1,2 miljoen, vanwege executies, doden in gevangenschap en degenen die kort na hun vrijlating uit de Goelag stierven als gevolg van hun behandeling. Er waren ook nog 16.500 tot 50.000 doden bij de deportatie van Sovjet-Koreanen tijdens de Zuivering. Honderdduizenden burgers verdwenen in werkkampen of belandden voor het vuurpeloton. Dat alles vanwege de ziekelijke achterdocht van Jozef Stalin en scrupuleuze partijbonzen. (meer…)

.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

.
Het speel- en oogstbos te Lobith, Elten, september 2024, © Frans van den Muijsenberg.
Millingerwaard, zondag 7 juni 2017
De Millingerwaard is een schitterend natuurgebied in de Ooijpolder en in het midden ervan ligt de Millinger Theetuin, een paradijs in de polder. In de jaren negentig werd hier vanuit het niets pal langs de uiterwaarden aan de Waal een betoverende tuin aangelegd, vol exotische planten en met bijzondere beelden. Bananenplanten, palmen, vijgen en andere mediterrane planten staan er in potten. Verder een verzameling vaste planten, waaronder vele soorten delphiniums, hosta’s, daglelies en phloxen. De oude, krakkemikkelige gebouwen kregen een oriëntaals-mediterraan aanzien. Er kwam ook een Marokkaans uitziend theehuis, een waranda met een bijpassend pleintje en waterpartij en verder zijn er in de tuin verschillende waterbassins. In het theehuis kon een afternoon tea worden besteld, een lichte maaltijd met thee, volgens de Engelse traditie tussen vier en vijf uur in de middag. De traditie zou rond 1840 zijn ontstaan toen hertogin Anna, echtgenote van de zevende hertog van Bedford, telkens tussen de lunch en het diner honger kreeg. Halverwege de negentiende eeuw nam de Engelse upperclass namelijk de gewoonte aan om steeds later de avondmaaltijd te gebruiken, terwijl de lunch onveranderd om twaalf uur werd opgediend. Niet onlogisch dus dat bij de hertogin zo rond vier uur de maag wat begon te rammelen. Traditioneel kwam bij mevrouw de hertogin bij haar high tea het volgende op tafel: cucumber sandwiches, zeer dun gesneden wittebrood met dito komkommer, sandwiches met dun gesneden zalm, sandwiches met waterkers, peper en citroensap, vispastei, ham, eieren, scones (een zoet pasteideeg, met clotted cream, fruitcurd en jam), victoria sponge, Battenberg-cake, fruitcake, Dundee-cake, koekjes en nog wat plaatselijke delicatessen. (meer…)
Le Jugement de Paris
Henri-Pierre Picou
1850-1860
Dahesh Museum of Art
Henri-Pierre Picou (Nantes, 27 februari 1824 – 17 juli 1895) schilderde hoofdzakelijk klassieke historische onderwerpen, vaak op basis van allegorische en mythologische thema’s. Ze modelleerden de figuren op basis van beeldhouwwerken uit de oudheid en plaatsten die in niet-bestaande arcadische landschappen en paleisachtige constellaties. Deze geïdealiseerde wereld vol met mythologische figuren of bijbelse personages werd dan rijkelijk voorzien van klassiek naakt. De uitgebeelde taferelen stonden mijlenver af van de dagelijkse beslommeringen van de burgerij. Dat sprak de opdrachtgevers aan, want het bevestigde hun gevoel superieur te zijn, hun status en de idylle waarin zij in hun fraaie buitenhuizen en paleizen leefden. Kunst met wezens en verhalen die zij als klassiek geschoolden tot hun belevingswereld konden rekenen, was in zekere zin hún werkelijkheid. In een eerder blog kwam Picou’s versie van een odalisk al een de orde, een schilderij in het kader van het oriëntalisme dat in zijn tijd erg in zwang was. Dat oriëntalisme had in elk geval één ding gemeen met de allegorische en mythologische onderwerpen waarop Picou en collega’s zo verzot waren: ze gaven de schilders alle gelegenheid om mooie, naakte vrouwen te schilderen. Bij de Drie Gratiën kon dat naakte lichaam zelfs van drie kanten worden geschilderd. Van voren, van achteren en van opzij. (meer…)
Henri-Pierre Picou (Nantes, 27 februari 1824 – 17 juli 1895) had een oeuvre dat aanvankelijk vooral bestond uit portretten en klassieke historische onderwerpen, maar later ging hij over op allegorische en mythologische thema’s. Hij was een schilder van de school der Academische Kunst, een stijl van beeldhouwen en schilderen gedurende de negentiende eeuw vanuit de Franse kunstacademies en universiteiten. Picou was een van de oprichters van de Neo-Grec school, een neoclassicistische stijl die populair werd in de architectuur, decoratieve kunsten en schilderkunst tijdens het Tweede Keizerrijk van Frankrijk, de regering van Napoleon III (1852-1870). De school nam als uitgangspunt de eerdere uitingen van de neoclassicistische stijl, geïnspireerd door 18e-eeuwse opgravingen in Pompeii, die in 1848 serieus werden hervat, en soortgelijke opgravingen in Herculaneum. De stijl mengde elementen van de Grieks-Romeinse, Pompeiaanse, Adam- en Egyptische neostijlen tot ‘een rijke eclectische polychrome melange’. De stijl kwam vooral een tijdlong in de mode in de Verenigde Staten en had ook kortstondig impact op het interieurontwerp in Engeland. Hij richtte deze Neo-Grec School op samen zijn goede vrienden Gustave Boulanger, Jean-Léon Gérôme en Jean-Louis Hamon , ook academische schilders. Ze studeerden allemaal in de ateliers van Paul Delaroche en later Charles Gleyre. Vooral de laatste had veel invloed op de stijl van Picou. Terwijl de anderen in het algemeen klassieke en mythologische onderwerpen schilderde, kreeg Picou ook opdrachten voor grote religieuze fresco’s van kerken, waaronder de Église Saint-Roch. (meer…)
Oto Iskandar di Nata (31 maart 1897 – 20 december 1945) was een Indonesische politicus en nationale held, die in Nederland totaal vergeten is. Voor de onafhankelijkheid van Indonesië was hij in de periode 1921-1924 vicevoorzitter van de afdeling Bandung en na 1924 als vicevoorzitter van de afdeling Pekalongan van Budi Utomo, de eerste inheemse georganiseerde beweging in Nederlands-Indië. Hij zou er ook lid van de gemeenteraad van Pekalongan zijn geweest. Over die periode werd de volgende anekdote opgetekend: ‘Otto Iskandar di Nata en de Nederlandse spion. Er is iets fascinerends aan het lidmaatschap van de gemeenteraad in Pekalongan. Oto Iskandar di Nata staat bekend als iemand die de waarheid durft te verdedigen. Daarom behoorden hij en twee van zijn vrienden van BU, Darmosoegito en Kartosoebroto, samen met Fadhol van de Indonesische Islamitische Uniepartij, tot degenen die werden geblokkeerd door de Nederlands-Indische regering. Dat wil zeggen, als er op een dag iets gebeurt in Pekalongan, dan moeten ze ter verantwoording worden geroepen. De vier mensen werden als gevaarlijk beschouwd, dus wanneer ze een vergadering hielden, werden ze constant bespioneerd door de PID (Politieke Inlichtingen Dienst) of de toenmalige Nederlands-Indische geheime politie. Ooit hadden Oto Iskandar di Nata en zijn drie vrienden een vergadering onder toezicht van een PID-lid. Vervolgens werden alle PID-leden uitgenodigd om deel te nemen. Zoals bleek, had hij net gerealiseerd dat de bijeenkomst die Oto Iskandar in Nata en zijn vrienden hielden, de belangen van de gemeenschap besprak, geen persoonlijke belangen, laat staan het volk ophitsen zoals gewoonlijk wordt beweerd. En sindsdien heeft het PID-lid zijn baan opgezegd en is hij bij BU gaan werken’. (meer…)
De Matterhorn ligt op de grens van Zwitserland en Italië, met aan de Zwitserse kant het kanton Wallis en ten zuiden van de grens het Italiaanse Valle d’Aosta. De berg maakt deel uit van de Walliser Alpen, een hooggebergte dat zich uitstrekt over Zwitserland en Italië met veel van de hoogste bergen in de Alpen, mooi verdeeld over beide landen. De Matterhorn is met haar hoogte van 4.478 meter een van de hoogste bergen in het gebied. Pas in 1581 kreeg de berg pas voor het eerst een naam, wat toch wat verbazing wekt. De eerste naam was het Franstalige Mont Servin, dat later in het Italiaans Il Cervino werd. De huidige Italiaanse plaats Breuil-Cervinia aan de voet van de berg verwijst nog naar deze oorspronkelijke naam. In Frankrijk wordt de berg overigens nog steeds aangeduid als Le Cervin. Later kwamen ook nog een tijdje de namen Monte Silvio en Monte Servino voor, maar vanaf 1682 kreeg de berg de Duitse naam Matterhorn die van lieverlee geheel overal werd overgenomen. Bijna overal, want de Italianen en Fransen houden vast aan de oude naam. De Matterhorn geldt als een van de meest pittoreske bergen ter wereld. Vanaf Zermatt gezien heeft de berg een piramidevorm, bijna een perfecte driehoek. Dat maakt de berg erg lastig te beklimmen. Deze kant van de berg is het bekendst. Het werd het symbool voor Zwitserland en ook van het chocolademerk Tablerone, waarvan de repen een bergachtige vorm hebben zoals de Matterhorn. Toen de firma enkele jaren geleden een deel van de productie verplaatste naar Slowakije, moest het bedrijf conform de Zwitserse wettelijke bepalingen de berg van de verpakking verdwijnen. (meer…)

.
Begraafplaats Rustoord, aan de Postweg in Nijmegen-Oost. Zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.
Iets buiten Lobith aan de Batavenweg ligt het zogenaamde ‘Gat van de Mus’, waarvan de oorsprong van de naam me volstrekt onbekend is. Het is in elk geval een mooi verscholen juweeltje voor sportvissers. In 2017 is er in opdracht van Stichting Landschap Rijnwaarden door de lokale hengelsportvereniging Ons Eiland een mooie vissteiger aangelegd die vooral bedoeld is voor sportvissers niet meer goed aan de natuurlijke waterkant kunnen zitten. Er zou voor degenen die niet goed ter been zijn vanaf de Batavenweg een verhard toegangspad naartoe moeten lopen, maar sinds de aanleg is dat pad behoorlijk overwoekerd. De vissteiger is dus niet meer zo makkelijk te bereiken als indertijd de bedoeling was. De vissteiger is ook een veilige plek aan het viswater voor de jeugd die net met vissen begin. Direct na deze vissteiger komt men terecht in het Speel- en Oogstbos voor de jeugd. Honden zijn hier uitdrukkelijk niet toegestaan. Daar kunnen kinderen door de struiken rondstruinen, in de bomen klimmen, in het bos hutten bouwen, met een trekvlotje op het water varen, op een touwbrug balanceren of aan een touw over het water slingeren. Bovendien kunnen ze daar in de zomermaanden zelf fruit plukken. Afhankelijk van het seizoen zijn er appels, peren, kersen, hazelnoten en bramen te vinden. (meer…)
Schokland, zaterdag 7 maart 2009
Wie in hemelsnaam op het idee was gekomen in de eerste dagen van maart een wandeling te gaan maken, is niet meer te achterhalen. Dinie zal het niet zijn geweest. Die had nog maar goed een jaar eerder haar intrede in de familie gemaakt en was toen nog een erg bescheiden meid. Ongetwijfeld zullen we bij een van de familiedagen wel enthousiast hebben verteld over onze eerste wandelingen van de Rothaarsteig. Heb ik de anderen enthousiast gemaakt over de schoonheid van het ‘eiland’? Ik was er immers met Thea in de zomer van 2003 al eens geweest? Voldoende reden voor andere wandelfanaten in de familie om voor te stellen eens wat gemeenschappelijks te ondernemen. Maar waarom al begin maart? De winter is dan nog bezig aan haar laatste weken en trouwens, al zou de lente al net zijn aangebroken, een garantie voor lekker wandelweer is het allerminst. En waarom helemaal naar Schokland? Niet bepaald naast de deur voor de twee wandelaars uit het West-Brabantse Roosendaal en evenmin voor het tweetal uit Lobith in de uithoek van Gelderland. Waarschijnlijk heeft het derde stel uit Dronten de doorslag gegeven. Voor hen is Schokland zo’n beetje om de hoek. Het juiste antwoord is echter verdwenen in de mist der tijd. (meer…)
Het voormalige eiland Schokland is ontstaan op een grijze, zandige vuursteenrijke keilemen ondergrond, een overblijfsel van een minstens 150.000 jaar ouden stuwwal die zich uitstrekte van Texel en Wieringen naar Urk en Vollenhoven. Die stuwwal werd tijdens de laatste ijstijd bedekt met een dikke laag stuifzand, waar in het zuiden en noorden de rivieren de IJssel en Vecht stroomden. Een kleine twaalfduizend jaar geleden begon in een groot gebied rond dat gebied de zeespiegel te stijgen. Dat was het gevolg van een van de vele klimaatveranderingen die onze planeet te verduren heeft gekregen. Deze ingrijpende gebeurtenis was echter niet het gevolg van menselijk ingrijpen. Het zou nog de nodige duizenden jaren duren voordat in deze contreien de eerste mensen hun voeten in de drassige grond planten. Van enige invloed op de leefomstandigheden kon al helemaal geen sprake zijn. Maar door die stijging van de zeespiegel ontstond een veenlaag van twee tot vijf meter. Dat proces van veenvorming ging verder tot ongeveer de dertiende eeuw. Twee eeuwen later werd de smalle strook land die het schiereiland Schokland nog met het vasteland verbond, definitief door het water van de Zuiderzee overstroomd. Schokland werd een eiland en zou dat ruim viereneenhalve eeuw blijven. (meer…)
Johannes van Swinderen (Zutphen, 6 oktober 1594 – Zutphen, 8 augustus 1636) was de derde van de zeven kinderen van Johan van Swinderen (Steenwijk, 1549 – Zutphen, 14 november 1619) en Catharina Ketelaers (Zutphen, 1564 – Zutphen, 6 september 1636). Deze Johan van Swinderen was waarschijnlijk tingieter of koperslager was de stamvader van het geslacht Van Swinderen, waarvan leden sinds 1817 tot de Nederlandse adel behoren. Er is echter ook een tak van afstammelingen van deze Johan van Swinderen waarvan de achternaam in het begin van de achttiende eeuw veranderd in Zwinderman. Op 15 oktober 1617 trouwde de 23-jarige Johannes van Swinderen in de gereformeerde kerk in zijn geboorteplaats met Margaretha van Opgangh, die op 11 augustus 1636, drie dagen na haar echtgenoot, zou overlijden. Zij was de dochter van Wyert, ‘burger te Boekholt’, wat kan verwijzen naar de Duitse plaats Bocholt dat indertijd in het Nederlands de benaming Boekholt had. Het is ook mogelijk dat er een verband was met de buurtschap Boekelte in de Friese gemeente Weststellingwerf. Het echtpaar kreeg zes kinderen. Drie sterfgevallen binnen een maand in de familie in 1636. Het jaar 1636-1637 was een van de zware pestjaren in de Nederlanden. In Zutphen stierf in 1636 een derde van de bevolking. Het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 10 vermeldt over Van Swinderen: ‘Ongetwijfeld is hij dezelfde, aan wie de stad Zutphen in 1627 ruim 67 gld. Betaalt voor het schilderen van ‘Salomonis Judicium’, dat in de ‘raetkamer’ kwam te hangen (waarsch. hetzelfde stuk, dat thans in de audiëntie-zaal der rechtbank te Z. te zien is). (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
DERDE HOOFDSTUK (4e deel)
Als een bewijs echter voor het ware en juiste van haar inzicht en van haar beoordeeling, kan men de indrukken aanvoeren, welke ook anderen van hem kregen, die hem op St. Helena ontmoetten en met hem in aanraking kwamen. Een Engelsche dame – de vrouw van een officier van het 53ste regiment (dat vóór het 66ste in het kamp van Deadwood op St. Helena gedetacheerd was) schrijft van haar eerste ontmoeting met Napoleon: ‘Ik heb twee jaar in de buurt van Napoleon, op een paar honderd meters afstand van hem, gewoond. Maar in de maand December van het jaar ’15, zes of zeven weken, na zijn komst op St. Helena, zag ik hem voor het eerst op de Briars. Ik werd op ,een grappige wijze aan hem voorgesteld door de dochters van het huis, twee vroolijke jonge meisjes, die pas van de kostschool in Engeland waren gekomen. Ik wandelde met haar en met mijn dochtertje van acht jaar in den tuin, toen de Keizer de tent uitkwam, die men, naast het paviljoen, dat hij bewoonde, had gemaakt. Napoleon was kort en gezet. Hij had een mooi gezicht, een beetje geelachtige kleur en lichte, grijs-blauwe oogen. Wanneer hij zweeg en wanneer hem niets opwekte, leek hij moeilijk en in zich zelf gekeerd; maar wanneer hij sprak, wanneer hij belang stelde in een onderwerp van gesprek, vermooide dadelijk de uitdrukking van zijn gezicht en ik heb nooit iemand gekend, die zóó lief kon glimlachen … (meer…)
.
Rozenpad, een zijpad van de Floraweg, september 2006, © Frans van den Muijsenberg.

.
Elten in de avondzon, januari 2011, © Frans van den Muijsenberg.
Een zeemeermin is een mythisch wezen, met het bovenlichaam van een vrouw en in plaats van benen een vissenstaart. Haar minder bekende mannelijke tegenhanger is de zeemeerman. De bekendste zeemeerman is waarschijnlijk Triton uit de Griekse mythologie. Jac. van Looy schreef ooi over hem een mooi, maar ook wat triest gedicht. Verhalen over zeemeerminnen – – mannen gaan nog verder terug in de oudheid, waarschijnlijk vonden ze hun oorsprong bij de Babyloniërs en Soemeriërs ongeveer 5.000 jaar voor Christus. In de Middeleeuwen gebruikten kerkvaders de gespleten persoonlijkheid van zeemeerminnen – immers half vrouw, half vis – als een teken van wantrouwen. Het verhaal van sirenen en zeemeerminnen werd door de Kerk dan ook gebruikt om mensen te waarschuwen voor het kwaad van de verleiding. In die tijd waren om die reden dan ook in veel kerken, kloosters en kathedralen afbeeldingen van zeemeerminnen te vinden.
De middeleeuwse fantasie over meerminnen met een vissenstaart komt van de verhalen van zeelui, die dachten deze wezens in het schuim gezien te hebben. In werkelijkheid hebben zij waarschijnlijk zeekoeien gezien, zoogdieren uit tropische wateren met een spitse vorm. De vrouwtjes hebben ook tepels, die het beeld van de vrouwelijke lichaamsvormen oproepen. Columbus meende in 1493 zeemeerminnen te zien tijdens zijn reis naar Amerika en beschreef deze in zijn dagboek. Hij tekende op dat voor de kust van Hispaniola ‘vrouwelijke vormen’ die hoog uit de zee zouden rijzen, maar niet zo mooi waren als vaak weergegeven. Over het algemeen wordt gedacht dat Columbus die dag lamantijnen (een soort zeekoe) heeft zien zwemmen. In het logboek van de Engelse piraat Zwartbaard (1680-1718) wordt vermeld dat hij zijn bemanning instrueert om bepaalde wateren te mijden die hij ‘betoverd’ noemt vanwege zeemeerminnen die hij en zijn bemanning hadden gezien. (meer…)
Een geisha is in Japan traditioneel een muze voor artiesten. In het algemeen wordt er een gezelschapsdame mee aangeduid die gekleed is in de typische, streng gestileerde kledij en die met klassieke Japanse muziek, zang en dans de avond van een gezelschap aangenaam opluistert. Letterlijk betekent geisha ‘kunstpersoon’. In de achttiende en negentiende eeuw waren geisha’s de gebruikelijke entourage bij zulke gelegenheden. Kenmerkend voor de geisha zijn de kunstige pruik van donkerzwart haar, het witgemaakte gezicht met de rode lippen en een opvallend versierde kimono of zijden kleed dat op een bepaalde manier om het lichaam geknoopt is. Geisha’s werden beschouwd als toonbeelden van schoonheid en verfijnde cultuur. In de westerse wereld werden geisha’s echter vaak, en bijna altijd ten onrechte, gezien als prostitués. Naast de wereld van de geisha’s was er ook een wereld van courtisanes, waar wel prostitutie (tayu of oiran) in voorkwam.
De oorspronkelijke geisha’s waren mannen, die in het begin van de achttiende eeuw als entertainers in bordelen verschenen. Ze speelden muziek en zongen om mannen bezig te houden die wachtten op de diensten van een oiran. Na verloop van tijd werd het steeds gebruikelijker dat vrouwen geisha werden, maar deze waren absoluut niet betrokken bij de seksbusiness van het bordeel. Het was hen zelfs ten strengste verboden daaraan deel te nemen omdat het de zaken van de oiran zou benadelen. Later ontstond wel een stelsel waarbij tegen grof geld het recht kon worden verkregen om de maagdelijkheid van een geisha te ontnemen, maar ze waren nooit verplicht om seks te hebben met klanten, ook niet met degene die betaalde voor een maagdelijke geisha. (meer…)
In die tijd nam de carrière van beide dames een verrassende wending. Eind 1869 huurden Victoria Woodhull en Tennessee Claflin twee kamers in het chique Hoffman House in New York City. In januari 1870 stuurden ze visitekaartjes uit waarin ze de oprichting van hun makelaarskantoor aankondigden, Woodhull, Claflin & Company. Ze werden daarbij financieel ondersteund door Cornelius Vanderbilt. Ze rekenden $ 25 voor een consult, vooraf te voldoen. Het elegant ingerichte kantoor werd op 14 februari 1870 geopend, waardoor Woodhull en Claflin de eerste vrouwen waren die een makelaarskantoor op Wall Street openden. De zussen werden bij de opening belegerd door zoveel nieuwsgierige bezoekers dat honderd politieagenten moesten worden ingezet om de orde te handhaven. The New York Times stelde in het artikel ‘Wall-Street Aroused’ de competentie van de beide dames ter discussie, niet verwonderlijk gezien hun uitermate karige opleidingsniveau. Overigens niet om die reden en ook niet vanwege het simpele feit dat ze vrouwen waren, maar vanwege hun bedenkelijke reputatie vanwege hun activiteiten binnen het spiritualisme en enkele onorthodoxe standpunten. Harper’s Weekly noemde hen in een cartoon ‘Bewitching Brokers’, terwijl een ander artikel in het tijdschrift in twijfel trok of er wel genoeg vrouwelijke investeerders waren om het bedrijf tot een succes te maken. Nou dat lukte wonderwel, want Victoria en Tennessee hadden een ongebruikte bron van investeringskapitaal gevonden: vrouwen en weduwen, leraren, eigenaren van kleine bedrijven, actrices, dure prostituees en hun madams. Ze vonden hun weg naar Woodhull, Claflin & Company, dat meteen een financieel succes was. De zussen huurden al snel een duur appartement op 38th Street in het exclusieve Murray Hill-gedeelte van Manhattan. (meer…)
Reuben Buckman Claflin, bekend als ‘Buck Claflin, (Sandisfield, Massachusetts, 1796 – Kensington, United Kingdom, 19 november 1885) was een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Hij was onderwijzer, boer, winkelier, herbergier, wapenhandelaar, houthandelaar, vlotter, fokker van renpaarden, hotelhouder, graan- en zagerij-operator, advocaat, speculant in Chicago en kruidendokter. Van december 1833 tot mei 1835 was hij postmeester in Sinnemahoning in Lycoming County, Pennsylvania. Hert postkantoor was gevestigd in ‘Claflin’s’, dus mogelijk gevestigd in zijn winkel daar. Later was hij ruim een jaar (1843-1844) postmeester van Homer, Ohio. Buck verwierf echter vooral bekendheid als slangenolieverkoper die zich voordeed als een dokter. Hij had enige juridische opleiding en presenteerde zichzelf soms als advocaat. Zijn werkervaringen omvatten echter vooral het vervoeren van hout over de Susquehanna-rivier en het werken in een saloon. Hij kwam uit een verarmde tak van de in Massachusetts wonende Schots-Amerikaanse familie Claflin, en was een verre neef van gouverneur William Claflin van Massachusetts. In december 1825 trouwde Buck Claflin met Roxanna Hummel, die meestal Roxy of Annie werd genoemd. Het stel had elkaar ontmoet in Selinsgrove, Pennsylvania, toen Buck te gast was in het huis waar Roxanna als dienstmeisje werkte. Roxanna zou de nicht zijn geweest van een welvarende salooneigenaar en/of de buitenechtelijke dochter van een dienstmeisje. Zoals haar naam al aangaf, was ze van Duitse afkomst. Ze sprak met een duidelijk Duits accent, dus was waarschijnlijk pas op (bijna) volwassen leeftijd naar de Verenigde Staten gekomen. Roxanna zou mogelijk hebben opgereden als een spiritualiste, wat later een belangrijke bron van inspiratie zou worden voor Buck Claflin en hun elf kinderen: drie zonen en acht dochters. Het gezin leefden lange tijd in grote armoede. Hun buren herinnerden de kinderen als wild, vuil en hongerig en Buck als een gewelddadige vader, die zijn kinderen regelmatig zonder enige aanleiding sloeg. (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
DERDE HOOFDSTUK (3e deel)
Er kwam echter nog iets bij, waardoor het gezelschap van Betsy hem aantrok! Zonder bepaald verliefd op haar te zijn – daarvoor was het verschil in leeftijd en stand te groot – was het toch het vrouwelijke in haar dat invloed op hem had, het eigenaardig vrouwelijke, dat den omgang met een meisje geheel anders doet zijn, dan de omgang met jongens van dezelfde ouderdom, het moeilijk uit-te-Ieggen en te verklaren voelen dat bijna iedere man tegenover een jong meisje van dien leeftijd heeft, een gevoel, dat hij weet en waarvan hij overtuigd is, dat het slechts tijdelijk kan zijn en is, maar dat hem toch een zekere gelukkige triestheid van iedere verliefdheid geeft, zonder bepaald met de duidelijkheid van een verliefdheid tot zijn bewustzijn te komen, een behoefte tot het ontvangen en geven van teederheid, die – wanneer men jonger is – gemakkelijk tot verliefdheid overgaat. En Napoleon had een groote hoeveelheid teederheid in reserve om te geven, waartoe hij nooit gelegenheid had gehad, evenals hij gedurende zijn geheele leven veel te weinig teederheid van vrouwen had ontvangen. Van de drie vrouwen toch, die hij in zijn leven heeft lief gehad, was er maar één, Mad. Walewska, bij wie hij die echt en groot genoeg had gevonden. (meer…)
.
Rozenpad, een zijpad van de Floraweg, september 2006, © Frans van den Muijsenberg.

.
Elten in de avondzon, januari 2011, © Frans van den Muijsenberg.
Donderdag 27 september 2012 was een druilerige dag. Er stond ook een behoorlijke wind. Nog maar de eerste prille dagen van de herfst, maar het was al duidelijk dat dit jaar niet al te veel hoefde te worden gerekend op een indian summer. Iets na half acht was de zon heel voorzichtig verschenen, maar het betekende niets meer dan dat het niet langer donker was. Het bleef miezeren en dat zou de rest van de dag ook niet meer ophouden. De dagen werden vanaf nu weer snel korter, minder dan twaalf uur per etmaal. Thuis zaten Alies en Paula wat verveeld voor zich uit te kijken, wachtend op het tijdstip dat eindelijk kon worden vertrokken. Het wachten was even op het moment dat ook ik en Dinie klaar waren voor vertrek. En daarna moesten Claudi en Joep nog arriveren. Rond kwart voor acht kon dat selecte gezelschap van zes personen vertrekken naar het stadhuis in Lobith. Een min of meer geheime trouwdag, wat later in de uitgebreide familie enige verbazing en ook wat ongemak met zich meebracht. Maar goed, het was onze uitdrukkelijke keuze het zo te doen. Eigenlijk hadden we op vakantie willen gaan en daar in het geheim trouwen. Dat vonden we toch ietsje te gewaagd. Bovendien leek ons het organiseren van een trouwplechtigheid in een of ander ver buitenland toch ook wel wat lastig. Dus toch maar een ‘kleine’ concessie: gewoon in Lobith trouwen, de beide dochters erbij en dan zijn twee getuigen ook noodzakelijk. De trouwplechtigheid verliep keurig en snel. Zo rond half tien stonden we met zijn zessen bij het stadhuis weer voor de deur, de paraplus paraat. Snel op weg naar een locatie voor een feestelijk hapje en drankje en daarna door naar Schiphol. Op weg naar Egypte, naar het mooie weer en vooral naar een lange en zonnige toekomst. (meer…)
Jacques Mahé de la Villeglé (Quimper, 27 maart 1926 – Parijs, 6 juni 2022) gebruikte de artiestennaam Jacques Villeglé, wat inderdaad een stuk makkelijker is. Hij was sinds 1956 getrouwd met Marie-Françoise de Faultrier; het echtpaar kreeg drie dochters. Villeglé studeerde van 1944 tot 1946 kunst en architectuur aan de École des Beaux-Arts in Rennes en van 1947 tot 1949 architectuur aan de École Nationale Supérieure des Beaux-Arts in Nantes. In 1947 begon hij in Saint-Malo met het verzamelen van objets trouvés – aanvankelijk wat er nog over was van de oorlog: stukken staal en overblijfselen van de Atlantikwall, waar hij sculpturen van maakte. Samen met zijn vriend Raymond Hains, die hij tijdens zijn studie in Rennes had ontmoet, concentreerde hij zich vanaf december 1949 in Parijs op gescheurde posters, die hij van de muren verwijderde en transformeerde ze tot nieuwe werken op canvas. Hun samenwerking duurde tot 1954. Het eerste gezamenlijke werk was Ach Alma Manetro, waarvan de titel was ontleend aan de woordfragmenten dat op de demontage te lezen was. Hun werken waren de reden voor het ontstaan van de kunstterm décollage. De vrienden noemden zichzelf ‘affichistes’ ofwel ‘posterscheurders’ en hun werken ‘affiches lacérées’ (afgescheurde posters ).
In februari 1954 ontmoetten Villeglé en Hains de lettristische schrijver François Dufrêne, die hen voorstelde aan Yves Klein, wereldberoemd geworden door de foto Le Saut dans le Vide, Jean Tinguely en de kunstcriticus Pierre Restany. Tussen 1950 en 1954 werkten Villeglé en Hains aan de kleurenfilm Pénélope , waarbij ze experimenteerden met enkele, dubbele en driedubbele vervormde lenzen om beelden te reorganiseren op basis van hun dominante kleuren en lijnen. Door experimenten op de normale typografie van letters, ontstond het idee van een ultiem alfabet dat de uitspraak tartte. (meer…)
De tweeling Leo en Max van Gelder werd op 7 maart 1939 in Amsterdam geboren. Vader Benjamin van Gelder (Groningen, 7 februari 1905 – Sobibor, 21 mei 1943) verdiende de kost als handelsreiziger. In andere dossier staat als beroep ‘venter’, genoemd, wat toch behoorlijk minder chique klinkt. Hij was getrouwd met Sophia Weinberg (Keulen-Calk, 1 mei 1915 – Sobibor, 21 mei 1943). Sophia, haar moeder Szaindel Weinberg (Tyrawa Woloska, 28 maart 1886 – Sobibor, 21 mei 1943) en haar oudere zus Ernestine, roepnaam Erna (Keulen, 6 augustus 1908 – Amsterdam, 28 oktober 1970) vluchtten kort nadat Hitler in Duitsland aan de macht kwam naar Nederland. Ze hadden zich eerst gevestigd in de Langestraat 52 te Tilburg, waar ze vanaf 9 augustus 1933 woonde. Szaindel was de weduwe van Moshe Barasch (Braila, Roemenië, 1888). Haar schoonbroer David Leibu Barasch (Boekarest, 26 september 1888 – Auschwitz, 31 januari 1943), sinds 1931 weduwnaar, vestigde zich met zijn drie dochter Anna Lisa (1913), Sophie (1915) en Rosa (1919) ook in Tilburg. Ook zus Sophie Barasch (Braila, Roemenië, 1 juli 1895 – onbekende plaats en datum van overlijden), moeder Barasch en een nicht Frieda Kappel-Hirsch kwamen in dezelfde periode terecht in Tilburg.
Ergens in 1933-1934 moet Sophia de handelsreiziger Van Gelder hebben ontmoet. Op 4 juli 1935 trad ze met hem in Groningen in het huwelijk. De huwelijksacte vermeldde dat de minderjarige Sophia de niet-erkende dochter was van Szaindel Weinberg, waarvan ook geen beroep, woon- of verblijfplaats bekend was. Het echtpaar moet het wel degelijk hebben geweten dat zij toen in Tilburg woonde, want ze vertrokken direct na de huwelijksvoltrekking naar de Nicolaas Beetsstraat 3 te Tilburg, waar ze 2,5 maand (4 juli 1935 tot 20 september 1935) woonde. Op 20 september 1935 vertrokken ze naar Amsterdam, waar ze zich vestigde in Amstellaan 27-II. Dar werd op 7 maart 1939 de tweeling Leo en Max van Gelder geboren. (meer…)
Victor Müller (Frankfurt am Main, 29 maart 1830 – München, 21 december 1871) was de zoon van de Frankfurter arts Valentin Christian Müller en zijn vrouw Charlotte Schmid. Hij groeide op in een omgeving van de hogere middenklasse. Na zijn opleiding schreef hij zich in 1845 in aan het Städelschen Kunstinstitut en werd een leerling van Jakob Becker, Friedrich Maximilian Hessemer, Johann David Passavant en Johann Nepomuk Zwerger, door wie hij de werken ging waarderen van de Nazareners, een genootschap van kunstschilders die worden gerekend tot de Duitse romantiek. In de herfst van 1848 maakte hij een uitgebreide studiereis, die hem eerst naar Antwerpen bracht. Daar bestudeerde en kopieerde hij werken van Anthonis van Dyck en Peter Paul Rubens. In maart 1850 vestigde hij zich in Parijs. Volgens zijn eigen verklaring ging hij elke dag naar het Louvre om ‘een nieuwe poëtische richting te zoeken’. Daar ontwikkelde hij een voorliefde voor Domenico Fetti, Raphael, Titiaan en Paolo Veronese, maar bewonderde hij ook de werken van zijn tijdgenoten, zoals Gustave Courbet, Eugène Delacroix en Jean-François Millet. Zijn schetsen en studies van het landschap laten duidelijk de invloed van de School van Barbizon zien. In 1855 nam hij – met de steun van zijn leraar Thomas Couture – deel aan de Wereldtentoonstelling van Parijs met zijn schilderij L’homme, le sommeil, le rêve. In 1858 keerde hij terug naar Frankfurt zonder zijn nauwe contacten met zijn Franse collega’s te verliezen. Waarschijnlijk kwam Gustave Courbet op uitnodiging van Müller in hetzelfde jaar naar Frankfurt, waar hij zes maanden doorbracht en een intensieve artistieke uitwisseling onderhield met Müller en andere collega-schilders uit Frankfurt. (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
DERDE HOOFDSTUK (2e deel)
Door zijn ligging, zóó dicht bij den equator, zou St.-Helena een altijd warm, droog en zuiver klimaat moeten hebben. Ten gevolge van zijn plotseling hooge verheffing uit de onmetelijke zeevlakte, houdt het echter de dampen en nevels tegen, die door de passaat-winden worden meegevoerd en verdicht die tot koude slagregens, die voornamelijk op het plateau van Longwood neerkomen, dat – zeventien honderd voet hoog, bijna loodrecht boven de zee en boven de afgronden – met zijn vlakte dikwijls in een dichte mist verborgen ligt, die een gestadige, ongezonde, rillige kilheid onderhoudt. Van de twee dagen regent het er één en er valt driemaal meer regen dan in James Town, terwijl tusschen de buien, wanneer er geen wind blaast, (wat zeldzaam het geval is), een gloeiende hitte op het plateau heerscht. (meer…)
.
Rozenpad, een zijpad van de Floraweg, september 2006, © Frans van den Muijsenberg.

.
Elten in de avondzon, januari 2011, © Frans van den Muijsenberg.
Een jaar geleden belegerden Russische troepen Mariupol. De beroemde Azovstal Iron and Steel Works was een bolwerk geworden voor de laatste Oekraïense soldaten die de omsingelde stad verdedigden, en een toevluchtsoord voor wanhopige burgers. Degenen die erin slaagden te ontsnappen uit Mariupol, zeiden dat de Russische aanval hun geboortestad in een ‘hel op aarde’ veranderde. Journalisten melden dat er alleen al in Mariupol 75.000 mensen zijn gedood; dorpen aan de rand van de stad herbergen nu uitgestrekte massagraven.
Ondertussen liggen de uitgestrekte terreinen van Azovstal – net als het grootste deel van Mariupol – in puin. De Russische autoriteiten, die afwisselend gebouwen afbreken en optrekken in een poging om oorlogsmisdaden te verdoezelen en een stad te redden die door hun troepen met de grond gelijk is gemaakt, hebben besloten Azovstal niet te herbouwen. Een functionaris van het Ministerie van Bouw noemde de herbouw van de fabriek een ‘onmogelijke en onrendabele’ taak. In 2023 is het negentig jaar geleden dat Azovstal voor het eerst in bedrijf werd genomen. Meduza plaatste op 13 april 2023 een korte geschiedenis van de staalfabrieken die het hart van het leven in Mariupol vormen, zoals verteld door journalist en onderzoeker Konstantin Skorkin. Het is een ingekorte vertaling van het uitgebreide artikel dat oorspronkelijk verscheen in Kit, een Russischtalige nieuwsbrief van Meduza. Deze kortere versie plaatste Meduza in The Beet, haar wekelijkse e-mailverzending over Centraal- en Oost-Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië. (meer…)
In de nacht van 24 op 25 maart 1933 werd Erik Jan Hanussen (foto links), een bekende Oostenrijks-Joodse publicist, ‘helderziende’ performer en charlatan, in de SA-gevangenis aan de Papestrasse in Berlijn-Tempelhof doodgeschoten. Tijdens zijn leven werd Hanussen geprezen als hypnotiseur, mentalist, occultist en astroloog. Hij was in de Weimarrepubliek Duitsland actief en in nazi-Duitsland fungeerde hij, ondanks zijn Joodse afkomst als nazi-sympathisant. Er wordt beweerd dat hij Adolf Hitler heeft onderwezen in optreden voor publiek en het bereiken van dramatisch effecten. Het viertal dat verantwoordelijk was voor de moord bestond uit de SA-Führer Wilhelm Ohst, die de leiding van de operatie had, SA-Gruppenführer van Berlin-Brandenburg Karl Ernst, SA-lid Kurt Egger en Sturmführer Rudolf Steinle.
Rudolf Steinle (Ottweiler, 31 augustus 1911 – Terebez, 12 augustus 1941) was de tweede zoon van meester-banketbakker Hans Steinle en Lina Müller. Van 1917 tot 1925 bezocht hij in Wiesbaden de middelbare school en daarna in dezelfde plaats in Wiesbaden een driejarige handelsopleiding in de ijzergroothandel bij Josef Hupfeld GmbH in Wiesbaden. Bovendien kreeg hij les aan de handelsschool van de stad. In 1927 werd de zestienjarige Steinle lid van de Hitlerjugend en nam namens die organisatie deel aan de vierde NSDAP-partijbijeenkomst die van 1 t/m 4 augustus in Neurenberg werd gehouden. Het was de tweede keer dat de partij in Neurenberg bijeenkwam, na eerder in 1927 hier bijeen te zijn gekomen. Een jaar later moest de partij wegens geldgebrek een nieuwe landelijke bijeenkomst achterwege laten. Dat zou ook in 1932 het geval zijn, zo goed stond de partij er (in elk geval financieel) in die periode niet voor. In de jaren 1930 en 1931 verbood Neurenberg de NSDAP partij in de stad bijeen te komen omdat er tijdens het evenement in 1929 massale vechtpartijen plaatsvonden tussen de nationaalsocialisten en communisten. Pas vanaf 1933, nadat Hitler en trawanten aan de macht waren gekomen, werd Neurenberg de stad voor de beruchte massale bijeenkomsten. (meer…)
Rafaël (Urbino, 6 april 1483 – Rome, 6 april 1520) was een Italiaanse kunstschilder en architect uit de hoogrenaissance. Naast fresco’s, altaarstukken en portretten maakte hij ontwerpen voor kerken, palazzo’s en wandtapijten. Zijn bekendste werk is De school van Athene in het Vaticaan. Zijn echte naam was Raffaello Sanzio. Sanzio is een variant van Santi, de naam van zijn vader (allebei afgeleid van het Latijnse sancti, “heilig”). Als hij zijn werk signeerde, deed hij dit vaak met raphael urbinas, de pseudo-Latijnse vorm van zijn bijnaam Raffaello da Urbino (Rafaël van Urbino). Ook Rafaël maakte een schildering van het beroemde oordeel van Koning Salomon, zoals verwoord in 1 Kon. 3 over het conflict tussen twee vrouwen die elkaar het moederschap van een kind betwistten. Salomo besluit het kind in tweeën te laten snijden, waarop de echte moeder zich bereid toont het kind af te staan opdat het blijft leven. Rafaël schilderde dit fresco op het plafond van de Stanza della Segnatura, de zaal in het pauselijk paleis waar hij ook de beroemde School van Athene schilderde. In een andere zaal was op dat moment Rafaëls ‘concurrent’ Michelangelo bezig met een serie fresco’s in de Sixtijnse kapel, ook in opdracht van paus Julius II. Een fresco (Italiaans voor “vers”) is een muur- of plafondschildering waarbij de verf direct op de natte kalk wordt aangebracht, zodat zij daarmee na droging één geheel vormt. Fresco’s hebben zeer duurzaam kleuren, maar hebben als nadeel dat latere correcties onmogelijk zijn. (meer…)
Catharina de Grebber (Leiden,1495/1496 – gestorven na 1515) was de dochter van Pieter Claesz. de Grebber en Alyt van Tetrode. De familie De Grebber was in die tijd een van de oudste adellijke families in het huidige Waterland en de stad Amsterdam. Hun oorsprong ligt vermoedelijk in Edam en Monnickendam, waar zij uitgebreide bezittingen bezaten. Hun wapen met een zwaan duidt op afstamming van de oude heren van Waterland. Jacob de Grebber (geboren rond 1235) was de stamvader van de familie en waarschijnlijk de eerste die de naam Grebber droeg. Zijn zoon Claes (Klaas) Jacobsz de Grebber was een van de edelen die West-Friesland in 1296 naar de onafhankelijkheid van graaf Floris V van Holland leidde. Zijn broer Willem Jacobsz de Grebber was in 1315 baljuw van Waterland. Sommige van zijn nakomelingen bekleedden ook dit ambt. Aan het einde van de veertiende eeuw kwam een lijn van de De Grebbers naar Amsterdam en maakte daar al snel del uit van het plaatselijke patriciaat. Andere leden van de familie De Grebber waren vertegenwoordigd in de stadsbesturen in Haarlem, Den Haag, Leiden, Delft en Alkmaar. De vader van Catherine, Pieter Claesz. de Grebber, was jarenlang schepen in Leiden. Ook haar moeder stamde uit een vooraanstaande familie, het geslacht Van Tetrode. Die woonden in Haarlem in een jachtslot (kasteel Tetrode) in de huidige gemeente Bloemendaal. Het wapen van de gemeente Bloemendaal is afgeleid van het familiewapen van het geslacht Van Tetrode. Dat wapen had een schild van sabel (zwart) met daarop drie zilveren plompenbladen. In het gemeentewapen van Bloemendaal zijn de kleuren omgedraaid: zwarte pompenbladen op een zilveren achtergrond. Alyt was de dochter van Jan Willemsz van Tetrode (ca. 1450), een rijke bierbrouwer, ook werkzaam in de lakennijverheid en lid van de veertigraad van Leiden. Hij was ook de stichter van het Sint Stevenshofje aan de Haarlemmerstraat in Leiden. Catharina en haar ouders woonden in Bon Wolhuis: de stadswijk tussen Breestraat, Pieterskerkchoorsteeg, Langebrug en de Steenschuur. (meer…)
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
DERDE HOOFDSTUK (1e deel)
Reeds in 1814 had men, buiten de officiëele zittingen van het congres te Weenen, er over gesproken Napoleon van Elba op te lichten en hem naar een ver eiland in den Grooten Oceaan te brengen. Men had zelfs voorgesteld hem op Sint Lucy gevangen te zetten, waar het moordend klimaat spoedig een eind aan zijn leven zou hebben gemaakt. Dat men dit in 1815 niet heeft gedaan, was niet een gevolg der menschelijke gevoelens, die de verbonden vorsten bezielden, maar omdat men vond, dat de gelegenheid om van Sint Lucy te ontsnappen, te groot was. Daaruit echter kan men zien, dat de Engelsche regeering – nadat zij later uit verschillende verslagen vernomen had, welk ongezond klimaat St. Helena had – wel degelijk de hoop koesterde, dat daardoor spoedig een eind aan Napoleons leven zou worden gemaakt! (meer…)
.
Goffertwei in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Appel in het bos, januari 2017, © Frans van den Muijsenberg.
De Telegraaf, 26 maart 1895: ‘De dynamiet-ontploffing. Bij de schade, die door de dynamiet-ontploffing bij Lobith is teweeggebracht, doet zich de vraag voor, wie verplicht zal zijn het door verschillende bewoners geleden nadeel te vergoeden. De te Lobith en bij den Rijn wonende Hollanders zullen, naar men verneemt, de tusschenkomst der Nederlandsche regeering inroepen, om de geleden schade te herstellen. De Clever Volksfreund twijfelt niet of de schade die eenige Nederlanders door de ramp hebben geleden, zal door de Pruisische regeering geheel worden vergoed.’
Nieuwsblad van het Noorden, 26 maart 1895: ‘Dynamiet-ontploffing bij Lobith. De regerings-president te Dusseldorf heeft de ‘Köln. Ztg’ hert volgende schrijven toegezonden: Tegen het einde van Januari werden zeven kleine met dynamiet geladen schepen op den Rijn nabij de Hollandsche grens door ijsgang overvallen, zoodat zij een veilige ligplaats moesten zoeken in een ouden arm van den Rijn bij Keeken, het zogenaamde Vossegat. Wijl het te duchten was, dat de schepen door de ijsmassa’s beschadigd zouden worden en het dynamiet zoude ontploffen, wat dan, afgezien van andere nadeelige gevolgen, de vernieling van de Rijndijk en daarmede misschien vreeselijke onheilen na zich zouden sleepen, werd het lossen van het dynamiet uit de vaartuigen noodzakelijk geacht. Toen de Rijn weder ijsvrij was, werd van de zijde der autoriteiten de wederinscheping van het dynamiet en het vervoer daarvan toegestaan. Het weer inladen geschiedde onder dezelfde voorzorgsmaatregelen als het lossen, en uitsluitend door daarin ervaren personeel van de fabriek van afzending, en onder bijzonder toezicht van een technisch beambte. Gedurende de inscheping op den 19den dezer maand, te ongeveer 6 uur des avonds, vloog het reeds geheel geladen schip ‘Elizabeth’, met 866 kisten dynamiet van 20 k.k. ieder, in de lucht. Bij deze ramp werden 13 personen gedood en drie gewond. Hoe het ongeluk is ontstaan, is tot hiertoe niet opgehelderd. Het onderzoek wordt voortgezet. De schade aan huizen en bezittingen is wel is waar niet geheel onbeteekenend, maar de hieromtrent verspreide berichten zijn toch sterk overdreven. De meest in de nabijheid van de plaats der ramp, maar nog altijd op een kilometer afstands gelegen gebouwen hebben, als men eenige verbrijzelde ruiten en beschadigingen aan de daken uitzondert, nauwelijks eenige schade bekomen.
De officiële mededeeling wijkt vooral hierin af van sommige andere berichten, dat de inscheping van het dynanmiet zou geschied zijn met inachtneming der noodige vioorzorgsmaatregelen en door personen, vertrouwd met de behandeling van dynamiet. (meer…)
Eind januari 1895 waren twee schepen met dynamiet vanuit de omgeving van Keulen onderweg met een lading dynamiet. De eindbestemming was Port Elisabeth in Zuid Afrika, waar het dynamiet gebruikt zou gaan worden in de goudmijnen. Het was winter, het water in de Rijn stond hoog en er was gevaar voor ijsvorming. De Nederlandse douane vond de lading te gevaarlijk om door te laten varen en eiste dat het dynamiet over verschillende schepen moest worden verdeeld. Kort daarna trad strenge vorst op. Begin februari dreven er al grote ijsschotsen op de Rijn, zodat verder vervoer te gevaarlijk werd en dus zochten de schepen tijdelijk toevlucht in het Vossegat. Nog voor het ijs op 10 februari volledig vast ging zitten, werd besloten de beide schepen te lossen tot de weersomstandigheden zouden zijn verbeterd. Het dynamiet werd bij Salmorth nabij Griethausen opgeslagen in een grote hal die ongeveer honderd meter verwijderd was van de zuidelijke oever en die bekend stond als ‘de Schürpoll’. Het dynamiet in de 1.100 kisten werd vanuit de schepen op karren geladen en naar die hal vervoerd. De weg werd met stro bedekt om schokken te vermijden. Op 17 februari was het karwei geklaard. (meer…)
Das Urteil des Paris
Niklaus Manuel
1517-1518
Kunstmuseum Basel
Niklaus Manuel Deutsch, gewoonlijk Niklaus Manuel genoemd, (Bern, omstreeks 1484 – Bern, 28 april 1530) was een Zwitserse kunstenaar, schrijver, huurling en gereformeerd politicus. Hij was waarschijnlijk de zoon van Emanuel Aleman (of Alleman), een apotheker van wie de vader was geëmigreerd uit Chieri in Piemonte. Diens vrouw Margaretha Fricker (of Frikart) was een buitenechtelijke dochter van de Berner stadsschrijver Thüring Fricker. Niklaus gebruikte ‘Manuel’, de voornaam van zijn vader, als zijn achternaam en voegde hier ‘Deutsch’ aan toe, de Duitse vertaling van Aleman/Alleman. Hij ondertekende zijn werken met de initialen NMD. Hij werd voor het eerst vermeld in 1509, toen hij trouwde met Katharina Frisching. Zij was de dochter van Hans Frisching, een voormalige Berner schout en lid van de stadsraad (Kleiner Rat). Niklaus Manuel en Katharina Frisching kregen zes kinderen. Twee van hen, Hans Rudolf Manuel Deutsch (1525-1571) en Niklaus Manuel Deutsch de Jongere (1528-1588), waren ook kunstenaars. Niklaus Manuel wordt beschouwd als de stichter van de patriciërsfamilie Manuel van Bern. Vanaf 1510 was Niklaus Manuel lid van het stadsparlement (Grosser Rat). (meer…)
Deze Veluwse sage gaat over het ontstaan van twee dicht bij elkaar gelegen Veluwse meertjes in de buurt van Uddel. Een strijd tussen Thor en de slang gaat er aan vooraf. Thor slaat de slang uit de hemel en die stort neer en veroorzaakte een diep gat. Maar ook de dondergod zelf valt vlak daarbij op aarde en er ontstaat daardoor nog een diepe kuil. Na de ijstijd blijft er water in de kuilen achter en zo worden het meren.
Volgens een andere sage zou er eeuwen geleden op de plaats waar het Uddelermeer ligt een groot en sterk kasteel gestaan hebben, waarin een heel rijk man woonde. Die was echter zo boos en slecht dat hij de duivel in eigen persoon leek. Op een nacht toen het vreselijk onweerde, haalden de reuzen de grond onder de burcht weg, zodat het gehele slot met bewoner en al in een onmetelijke diepte verzonk. Vaak had men later geprobeerd de schatten uit het meer op te vissen, maar het enige wat men ooit naar boven had gekregen was de ijzeren vuurplaat van de haard. Volgens weer een andere sage lagen in het Bleekemeer de schatten van de vroegere Friese koningen. De geschiedschrijvers maakten melding van een burcht of lusthof van de Friese koningen, in 323 door koning Ruchold gebouwd aan het Godenmeer of Witte Meer op de Veluwe. Weer een andere sage van het Bleekemeer meldde dat een christenprediker er een gouden beeld van de Dondergod in heeft geworpen. (meer…)
Christian Megert (Bern, 6 januari 1936) is een Zwitserse beeldhouwer, installatie- en objectkunstenaar. Van 1952 tot 1955 studeerde hij in zijn geboortestad aan de Hochschule der Künste, daarna maakte hij van 1956 tot 1960 uitgebreide studiereizen naar Berlijn, Stockholm en Parijs en bezocht daar de lokale kunst- en ambachtsscholen. Megert had in 1956 zijn eerste tentoonstelling in Bern. Hij creëerde monochrome materiële en structurele beelden, en ook sculpturen van ijzer en kunsthars. Eind jaren vijftig begon hij spiegels te gebruiken als zijn belangrijkste medium om te experimenteren met de reflecterende effecten van licht, ‘.. waardoor hij illusoire geconstrueerde omgevingen en dynamische kunstruimtes creëerde die het perspectief en de sensatie van continuïteit en oneindigheid van de kijker uitdaagden. De diverse eigenschappen van spiegels stelden Megert in staat om de thema’s van meervoudigheid van reflectie, helderheid, doorschijnendheid en aspecten van beeldfragmentatie en transformatie van iemands directe visuele omgeving te verkennen.’
In 1961 schreef hij zijn manifest ‘Een nieuwe ruimte’ ter gelegenheid van een tentoonstelling in Kopenhagen waar werken van hem werden getoond. In het manifest werd opgeroepen ‘om alles ruimtelijk te heroverwegen met behulp van kunst.’ Hij heeft verschillende tentoonstellingen gehad met de ZERO-groep, waarmee hij een reeks omgevingen en kinetische objecten creëerde. Megert creëerde in 1961 zijn eerste ruimtelijke omgeving: een spiegelkamer die werd geïnstalleerd in de galerie van zijn Kopenhagense kunstvriend Addi Køpcke. Een muur van de kamer was behangen met spiegelvierkanten die fragmenten van ruimte en bezoekers vermenigvuldigden, waardoor nieuwe ruimtes in eindeloze synthese ontstonden. (meer…)
.
Muur in de Bergstrasse in Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.
Klaas A.D. Smelik (Hilversum, 1950) studeerde theologie, semitische talen, oude geschiedenis en archeologie in Utrecht, Amsterdam en Leiden. In 1977 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over koning Saul. Hij nam deel aan verschillende opgravingen in het mediterrane gebied. Smelik was werkzaam aan de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam, de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel en de KU Leuven. Hij was van 2006 tot 2009 directeur van het Etty Hillesum Onderzoekscentrum, eerst in Gent en later in Middelburg. In 1986 gaf hij de integrale editie uit van de nagelaten geschriften van Etty Hillesum, waarvan in 2021 de zevende druk verscheen. Hij is auteur, medeauteur of eindredacteur van een vijftigtal boeken over de Oudheid, het Hebreeuws, de Bijbel en het jodendom. Hij is dus goed bekend met de geschiedenis van de Jodenvervolging. Met dit boek wil hij een kort overzicht geven van de geschiedenis van de Sjoa in Europa, waar in de oorlogsjaren Joden zeer weinig mogelijkheden hadden om aan de Duitse vernietigingsmachinerie te ontsnappen. Smelik stelt daarbij: ‘De onverschilligheid van de meerderheid van de Europese bevolking tegenover hun lot vormt naast het fanatisme van nazi’s en hun hoogst efficiënte aanpak om Joden op te sporen en te vermoorden, een belangrijke reden dat zoveel Joden zijn omgekomen. Niettemin was er Joods verzet en waren mensen actief om Joden uit de handen van de nazi’s te houden.’ Verder probeert hij bij de geschiedenis in de verschillende Europese landen antwoord te geven op de vraag waarom de percentages slachtoffers per land zo verschillen. (meer…)



Édouard Louis Félix Bisson (Parijs, 6 april 1856 – Orgeval, 8 juli 1945) was rond de eeuwwisseling een gerenommeerd portrettist, met genretaferelen als specialiteit. Hij was een representatieve vertegenwoordiger van de zogenaamde Academische kunst, de term die wordt gebruikt voor de kunst en kunstenaars die gedurende de 19e eeuw onder invloed stonden van de Franse Académie des Beaux-Arts. In de 19e eeuw moesten jonge artiesten jarenlang een strenge opleiding volgen. Alleen studenten met een referentie van een professor in de beeldende kunst werden toegelaten tot de École des Beaux-Arts. Hun opleiding bestond vooral uit tekenen van klassieke beeldhouwwerken, om daarmee de basisprincipes van contour, licht en schaduw onder de knie te krijgen. Als ze dit onderdeel met succes hadden afgerond, konden ze met levende modellen gaan oefenen. Pas aan het eind van de opleiding kwam het leren schilderen aan bod en wel door toegelaten te worden tot de studio van een academicus. Alleen kunstenaars die zich hielden mochten exposeren in de prestigieuze Parijse Salons, waarmee ze toetraden tot de gevestigde orde in de kunstwereld. Het academisme kreeg eind 19e eeuw steeds meer kritiek. Een scheldnaam van de Franse academiekunst was ‘Art pompier’, letterlijk brandweerkunst, een verwijzing naar de net-echt blinkende helmen van de afgebeelde historische helden. De opkomende impressionisten stonden lijnrecht tegenover deze academische kunstopvatting. Ze werden dan ook consequent geweigerd door de Salons, tot in 1897 de ban werd gebroken toen in het Musée du Luxembourg een alternatieve Salon gehouden, waar moderne schilders als Paul Cézanne, Edgar Degas, Édouard Manet en Claude Monet mochten exposeren. Jean-Léon Gérôme, een belangrijke vertegenwoordiger van de academische kunst en professor aan de École des Beaux-Arts, dreigde daarop zijn functie neer te leggen als de werken zouden worden geëxposeerd. Hij waarschuwde zelfs voor de “ondergang van de Franse natie”, maar 38 van de 67 schilderijen werden toch tot de tentoonstelling toegelaten. (meer…)
Deze Veluwse sage gaat over het ontstaan van twee heuvels, de Grote en de Kleine Heuvel. In de sage wordt gesproken over Thunar, wat de oud-Saksische naam is voor Donar of Thor, de god van de donder. Uunnilo ofwel het Uunni-bos is de naam van een oud woud dat in 1222 door brand geheel werd verwoest, waarna hier uitgestrekte heidevelden ontstonden met het Uddeler- en het Bleekemeer. Meede is een uit honing bereide drank, die bij feestelijke gelegenheden op de Veluwe nog steeds wordt gedronken. Het ontstaan van heuvels doordat reuzen hier het zand uit hun klompen schudden, komt ook voor in de sage De reus en de vier mudzakken rogge uit Vierhouten, een dorp tussen Elspeet, Vaassen en Nunspeet.
Waarschijnlijk zijn de twee heuvels restanten van een hoefijzervormige omwalling die in de tiende eeuw door de graven van Hamaland werd aangelegd als versterking om de noordgrens van het ijzerwingebied op de Oost-Veluwe te beschermen. Het ruwe ijzer dat met karren vanuit de omgeving van Apeldoorn werd aangevoerd, werd hier tijdelijk opgeslagen. Vanaf de overslagplaats kon het metaal via de nabijgelegen Staverdensche, Leuvenumse en Hierdense beek worden getransporteerd naar Harderwijk en van daar uit verder verscheept via het Almere (IJsselmeer). De ongeveer 25 meter brede en 4 meter hoge omwalling wordt omgeven door brede en diepe droge buitengracht. De oorspronkelijke toegang bevindt zich aan de zuidzijde. De doorgang aan de oostzijde is in de negentiende eeuw gemaakt. In die periode hebben archeologen meerdere malen op en rond de Hunneschans onderzoek verricht. Aan de zuidrand van het Uddelermeer vonden ze sporen van een Trechterbeker-dorpje. Iets jonger zijn de grafheuvels van Klokbeker-boeren (2400-1800 v.Chr.), waarvan er twee langs de Garderenseweg liggen. Op het grote binnenterrein van de burg op de Hunneschans zijn sporen van houten gebouwen uit de 13de eeuw ontdekt.
De sage is overgenomen uit de bundel Veluwse Sagen van de schilder, schrijver en illustrator Gustaaf van de Wall Perné (Apeldoorn, 18 mei 1877 – Amsterdam, 27 december 1911). (meer…)

Dag 23 – 8 september 2023 – Vimy, Le mémorial canadien de Vimy, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 23 – 8 september 2023 – Vimy, Le mémorial canadien de Vimy, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 21 – 6 september 2023 – Guerlesquin, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 21 – 6 september 2023 – L’église de Guerlesquin, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 19 – 4 september 2023 – Carantec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 19 – 4 september 2023 – Carantec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Daoulas et Landerneau, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Abbaye Notre-Dame de Daoulas, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Abbaye Notre-Dame de Daoulas, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Chateau de Trévarez, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Chateau de Trévarez, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 18 – 2 september 2023 – Chemin chez Keranflech, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 17 – 1 september 2023 – Morlaix, Le viaduc ferroviaire, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 17 – 1 september 2023 – Morlaix, Le viaduc ferroviaire, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 15 – 30 augustus 2023 – Le Jardin Exotique de Roscoff, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 14 – 30 augustus 2023 – Chateau de Kerjean, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 13 – 29 augustus 2023 – Chaos de Huelgoat, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 13 – 29 augustus 2023 – Abbaye du Relec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 13 – 29 augustus 2023 – Abbaye du Relec, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 12 – 28 augustus 2023 – Sizun, Église Saint-Suliau, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11- 27 augustus 2023 – Saint-Pol-de Leon, Cathédrale Saint-Paul Aurélien, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11- 27 augustus 2023 – Saint-Pol-de Leon, Cathédrale Saint-Paul Aurélien, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11 – 26 augustus 2023 – Insectarium de Lizio, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 11 – 26 augustus 2023 – Insectarium de Lizio, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 10 – 25 augustus 2023 – Guérande, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 10 – 25 augustus 2023 – Guérande, Chapelle Notre-Dame-la-Blanche, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 8 – 23 augustus 2023 – Saint-Brevin-les-pins, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 23 augustus 2023 – Marais Salants de Guérande, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 23 augustus 2023 – Piriac-sur-Mer, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 23 augustus 2023 – Piriac-sur-Mer, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 7 – 22 augustus 2023 – Saint-Michel-Chef-Chef, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Passage du Gois, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Noirmoutier-en-l’Île, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – L’église de Noirmoutier-en-l’Île, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Noirmoutier, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 6 – 21 augustus 2023 – Passage du Gois, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 4 – 19 augustus 2023 – Saint-Brevin-les-pins. Le serpent d’ocean, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 4 – 19 augustus 2023 – Saint-Brevin-les-pins. Pont de Saint Nazaire, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 4 – 19 augustus 2023 – L’église de St. Martin-du-Limet, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 3 – 18 augustus 2023 – Musée Robert Tatin, Cossé-le-Vivien, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 2 – 17 augustus 2023 – Cimetière de La Roche Guyon, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Mantes-la-Jolie, La Collégiale Notre-Dame, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Giverny, Maison et jardin de Claude Monet, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Giverny, Maison et jardin de Claude Monet, © Frans van den Muijsenberg.

Dag 1 – 16 augustus 2023 – Giverny, Maison et jardin de Claude Monet, © Frans van den Muijsenberg.
.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
TWEEDE HOOFDSTUK (6e deel)
En de dagen gingen eentonig, ’t zelfde, regelmatig en geregeld, zonder afwisseling, zonder verschil! Slechts nu en dan een kleine verandering, zooals men die in elke beschrijving van de reis met een zeilschip kan vinden: een storm; een haai, die gevangen wordt; een zwerm vliegende visschen; de plechtigheid, wanneer men de linie passeert. Door den invloed van admiraal Cockburn ontkwamen Napoleon en zijn gevolg er aan. De Keizer wilde hem honderd Napoleons voor het scheepsvolk ter hand stellen, maar de admiraal bracht die som terug tot Vijf, dat was genoeg. Volgens het Journal van Gourgaud, zijn ook die – ten gevolge van het talmen van Bertrand – niet uitbetaald! (meer…)
.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
TWEEDE HOOFDSTUK (5e deel)
Intusschen was het kwaad geschied! In October kwam het congres der geallieerde vorsten te Aken bijeen. Las Cases was steeds, met onvermoeiden ijver, bezig geweest alles ten gunste van Napoleon te bewegen; hij had brieven geschreven aan de verschillende vorsten, regeeringen en hooggeplaatste personen, aan familie-leden van den Keizer, aan ieder, die hij maar kon vermoeden, dat hem zou kunnen behulpzaam zijn om het lot van Napoleon te verzachten. “Ik heb er alles aan gedaan”, heeft hij geschreven, “om te zorgen voor verzoeken om verlichting. Ik had Marie-Louise geschreven; ik was verantwoordelijk voor het overhandigen aan de vorsten van een brief van mevrouw Moeder, alle andere familieleden moesten op hun beurt handelen, en ikzelf had voor elk van de vorsten zorgvuldig alle bestaande authentieke documenten verzameld en er een bescheiden aantekening bij gemaakt, opgenomen in een brief aan hen gericht. Niet aan Lord Castlereagh, aan wie ik het niet nodig vond hem mee te delen in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de koning van Engeland.” (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
24
19 februari 1946 – Johannes Tipker
Johannes Tipker (Kopstukken, 30 maart 1920-Groningen, 19 februari 1946) werd geboren in Kopstukken, een langgerekt dorp met lintbebouwing dat in de loop van de 19e eeuw ontstond uit de ontginning van het veengebied, en dat tot de toenmalige gemeente Onstwedde hoorde. Hij was de zoon van de arbeider Geert Tipker en Geessien Braam. Jogie, zoals Johannes Tipker in de volksmond werd genoemd, was slager van beroep. Op 22 november 1937 was hij op 17-jarige leeftijd in Onstwedde in het huwelijk getreden met de even oude Berendiena (‘Diene’) Brakke. Vanaf mei 1943 werd door de Duitsers flink ingezet op de Arbeitseinsatz voor Nederlandse mannen van zestien tot veertig jaar. Behoorlijk wat mannen uit Onstwedde en omgeving hadden al een oproep gehad en waren inmiddels al aan de slag, ergens bij de oosterburen. Om onduidelijke redenen waren Jogie en een flink stel leeftijdgenoten nog steeds de dans ontsprongen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
23
16 augustus 1945 – Jan Lukens
Jan Lukens (Onstwedde, 5 januari 1921-Onstwedde 16 augustus 1945) was de zoon van Albert Lukens (1892-1964) en Geessien Luttjeboer (1896-1991), die op 23 augustus 1913 in Onstwedde trouwde en in totaal maar liefst vijftien kinderen kregen. Vier daarvan stierven al voor hun eerste levensjaar. Vooral op de naam Hillechien leek geen zegen te rusten, want in 1914, 1915 en 1919 werden dochters geboren die deze naam kregen en nog hetzelfde jaar overleden. Jan was de derde zoon en woonde nog bij zijn ouders in de buurtschap Tange, tussen de dorpen Onstwedde en Alteveer. Hij ging al op zeer jonge leeftijd werken in de sigarenfabriek Albatros, die vanaf 1920 in het centrum van Nieuwe Pekela stond en aan honderden mensen werk verschafte. De sigaren die er werden geproduceerd werden tot ver over de landsgrenzen verkocht. Na de oorlog werd de naam gewijzigd in Champ Clark en werd het handwerk steeds meer vervangen door machinale vervaardiging. Het kon de eerst zo welvarende fabriek echter niet redden. In 1970 sloot het bedrijf haar deuren. In de periode dat Jan Lukens er werkte was de sfeer in het bedrijf zeer gemoedelijk. Er was weinig afstand tussen directie en personeel; ook de directeuren en hun kinderen sprongen in tijd van grote drukte bij. Er was dan ook weinig verloop in het personeelsbestand. Het is dus niet verwonderlijk dat ook Jan Lukens het uitstekend naar zijn zin had in het bedrijf. Hij werd op het bedrijf en privé zeer gewaardeerd om zijn fijne karakter: aardig tegen iedereen, altijd bereid een ander te helpen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
22
31 mei 1945 – Hendrik Nobbe
Hendrik Nobbe (Onstwedde, 18 februari 1915 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945) trouwde op 14 februari 1938 in Onstwedde op 22-jarige leeftijd met de pas achttienjarige Hillechien Lutjeboer (1919-1994). Het echtpaar kreeg vier kinderen. Na de oorlog bleef Hillechien lang weduwe, tot ze op 2 januari 1961 in Onstwedde voor de tweede maal in het huwelijk trad met Garnt Kok, met wie ze nog één kind kreeg. Hendrik was met als zijn vader landarbeider. Hij was het zevende van de dertien kinderen die Wubbo Nobbe in de periode 1905-1928 kreeg. Hendrik werd op 26 juni 1944 thuis gearresteerd door twee NSB’ers uit Onstwedde, terwijl twee andere NSB’ers buiten voor de deur op wacht stonden. Zijn arrestatie hield verband met die van Jan Wever en het gezin Meijer (14-15 juni 1944) en dus ook met die van Jacob Korsse (13 juli 1944). Het waren namelijk dezelfde vier NSB‘ers die bij eerst bij Wever aan de deur stonden, die nu elf dagen later bij Hendrik Nobbe in de Boslaan aanklopte. Hendrik was niet thuis op het moment dat twee van de leden van dec Nederlandse Landwacht bij hem aanklopte. Als hij alert was geweest, had hij zich tijdig uit de voeten kunnen maken. Net op het moment dat hij zijn woning naderde, kwamen ook twee andere mannen van de Landwacht uit Alteveer aanlopen die met hem mee oplopen. (meer…)

.
St. Agnetenweg, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
TWEEDE HOOFDSTUK (4e deel)
Meer nog dan de Montholon door egoïstische motieven gedreven – en misschien uitsluitend daardoor – grenzenloos ijdel (vooral nadat hij baron was geworden) en zijn goede eigenschappen (want die had hij werkelijk ; hij was een goed mathematicus en een uitstekend artillerist) overschattend, behept met een bijna pathologische jaloesie (doordat hem alles in zijn carrière was meegeloopen, was hij het meer of minder als een inbreuk op zijn recht gaan beschouwen, wanneer een ander iets te beurt viel, wat hij meende, dat hèm toekwam,) onverdraagzaam en moeilijk om mee om te gaan, heeft Gourgaud den Keizer, zoolang hij op St. Helena in zijn omgeving verkeerde, veel verdriet en onaangenaamheid bezorgd en hem veel schade gedaan, nadat hij van Longwood en St. Helena was vertrokken. (meer…)
.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
TWEEDE HOOFDSTUK (3e deel)
Evenmin als Las Cases, werd Bertrand door egoïstische motieven gedreven. Zijn gedrag werd hem voorgeschreven, zoowel door zijn liefde voor Napoleon, voor zijn Keizer, aan wien hij veel, zoo niet alles had te danken, als door zijn plichtsgevoel. Hij toch was een plicht-mensch bij uitnemendheid! Na den dood van Duroc door Napoleon tot diens opvolger, tot grand marechal en intendant van zijn Huis, benoemd, werd hij spoedig de vertrouwde van den Keizer en toonde zich in zijn nieuwe werkkring van een nauwkeurigheid en een nauwgezetheid, die zich evenmin in de schittering van het hof in de Tuileriën als later op Elba en daarna op St. Helena – waar de hofhouding nog slechts een armzalige afspiegeling van de vroegere pracht en grootheid vertoonde – verloochende, hoeveel moeite het hem ook in den beginne kostte, zich er in te schikken en van zijn verplichtingen op de hoogte te komen. Vreemd en ongewoon toch, was zijn nieuwe werkkring geheel voor hem. Nooit had hij dermate voortdurend aan het hof en in de omgeving van den Keizer geleefd. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
21
22 mei 1945 – Roelf Nomden
Roelf Nomden (Wedde, 16 mei 1924-Onstwedde, 22 mei 1945) werd geboren in het dorp Wedde, dat tot 1968 een zelfstandige gemeente was waarvan naast het hoofddorp ook de dorpen, buurtschappen en gehuchten Blijham, Hoornderveen, Hoorn, Lutjeloo, Morige, Tjabbesstreek, Wedderheide, Weddermarke en Wedderveer deel van uitmaakte. In 1968 werden Wedde en Hebrecht toegevoegd aan de gemeente Vlagtwedde, dat in 2018 met de gemeente Bellingwedde fuseerde tot de nieuwe gemeente Westerwolde. Wedde ligt maar een paar kilometer verwijderd van Onstwedde, maar beide dorpen hebben nooit tot dezelfde gemeente gehoord. Roelf was de zoon van de landbouwer Berend Nomden (Wedde, 27 mei 1899-Onstwedde, 21 maart 1961), die op 26 februari 1921 in Wedde trouwde met Engelina Vos (Onstwedde, 15 oktober 1899-Onstwedde, 28 februari 1996). Het echtpaar had twee kinderen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
19-20
25 april 1945 – Lammert Kiewiet en Derk Ossel
Lammert Kiewiet (Bunde, 15 maart 1916-Wangerooge, 25 april 1945) en Derk Ossel (Nieuwe Pekela, 30 juni 1902-Wangerooge, 25 april 1945) gingen beiden in de oorlog in Duitsland werken. Het is daarbij de vraag of dat gedwongen ging via de Arbeitseinsatz of dat ze min of meer vrijwillig gingen. In mei 1940 stonden beide mannen in Onstwedde als werkzoekende geregistreerd. Dat hield in dat ze als werklozen moesten zien rond te komen van een uiterst bescheiden steun die vanuit het Ministerie van Sociale Zaken werd verstrekt. Op het hoogtepunt van de crisis waren ruim 600.000 van de acht miljoen Nederlanders werkloos. De armoede was enorm en de regering had geen oplossing. Voor de minimale uitkering moesten de werklozen één of twee keer per dag komen ‘stempelen’, zodat ze niet stiekem wat extra’s konden verdienen. Daarnaast konden ze gedwongen worden in de werkverschaffing te gaan werken. Zwaar werk met behoud van de uiterst karige steun. Die werkverschaffing kon als resultaat hebben dat een werkloze onderwijzer met de schop aan het werk moest om sloten te graven of dijken aan te leggen. Nog bij het uitbreken van de oorlog telde Nederland ongeveer 350.000 werklozen. DE Nederlandse overheid was dan ook erg inschikkelijk om de Duitsers te helpen bij het oplossen van het werklozenprobleem. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
18
7 maart 1945 – Geert Vos
Geert Vos (Onstwedde, 26 september 1923-Osnabrück, 7 maart 1945) was het enige kind van Jurrien Vos (Holte-Onstwedde, 12 april 1890 – Onstwedde, 23 mei 1966) en Jantje Snitjer (Nieuwolda, 14 januari 1892-Stadskanaal, 17 maart 1969), die op 27 juli 1912 in Onstwedde waren getrouwd. Hun twee eerdere kinderen Sibolt (1914-1914) en Alida (1921-1922) waren zeer jong gestorven. Halverwege 1942 werd de pas 19-jarige Geert Vos net als veel dorpsgenoten voor de Arbeitseinsatz opgeroepen. ‘Dei verrekte Duutsen!’, schijnt Geert die de reputatie had zijn mening niet onder stoelen of banken te steken, te hebben gezegd. Dat zal eventjes hebben opgelucht, maar iets later had hij zich toch maar gemeld. Duitsland had in mei 1941 ongeveer 1 miljoen krijgsgevangenen en ongeveer 1,3 miljoen buitenlandse arbeiders, die het werk in de Duitse economie moesten vervangen voor Duitse jongelui die hun militaire dienstplicht vervulden. Vanuit Nederland waren op dat moment ongeveer 120.000 man in de Duitse economie werkzaam, bijna allemaal verplicht. Voor de Duitse economie was dat aantal van 2,3 miljoen ‘gastarbeiders’ nog onvoldoende. In juni 1941 werd namelijk de Sovjet-Unie binnengevallen en in tegenstelling duurde die operatie niet het voorziene ene jaar. Dat betekende onherroepelijk dat de Duitse werkkrachten onder de wapenen bleven en dat ook nieuwe lichting richting front gingen en niet richting fabriekspoorten. De Duitse economie schreeuwde dus om arbeidskrachten en steeds meer oorlogsmateriaal. Vanaf maart 1942 werd de regeling om Nederlandse arbeiders in de Duitse economie in te zetten verruimd, in mei 1943 volgde een nog scherpere regelgeving. (meer…)

.
De Voorstenkamp, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.
.
Vervallen boerderij aan de Lobitherstrasse en Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.
.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
TWEEDE HOOFDSTUK (2e deel)
Het incident – tevens de reden, waarom Las Cases het eiland moest verlaten – waarop Napoleon in dezen brief toespeling maakt, is het volgende. Op den 17den November 1816 had Hudson Lowe den bediende van Las Cases van Longwood verwijderd, onder het voorwendsel, dat het gevolg van Napoleon uit te veel personen bestond, en had hem een bediende van den Keizer. aangewezen, die in het vervolg ook hem van dienst kon zijn. Eenige dagen later, op den 23sten November, vond Las Cases, toen hij ’s avonds van den Keizer kwam, zijn vroegeren bediende op hem wachten, die hem vertelde, dat hij een dienst bij iemand had gevonden. dat hij met dien persoon naar Europa terug ging, dat hij zich met allerlei listen en langs allerlei omwegen – wetend, hoezeer Longwood, van alle kanten door soldalen werd bewaakt – in het donker naar Longwood had kunnen begeven en dat hij dit alleen had gedaan om Las Cases aan te bieden, wanneer deze het wenschte, brieven of anderszins voor hem naar Europa mee te nemen. Las Cases nam zijn aanbod aan en schreef een langen brief, of liever liet dien door zijn zoon op een stuk satijn schrijven, aan Lucien Bonaparte gericht, waarin hij hem op de hoogte stelde van alles wat er op St. Helena geschiedde, van den toestand en het leven van Napoleon, van het bestaan dat men den Keizer en zijn gevolg op het eiland liet leiden. Dit stuk werd door den knecht in diens vest genaaid en hij vertrok, nadat Las Cases hem nog een aanbevelingsbrief voor een zijner kennissen – Lady Clavering – te Londen had gegeven. Napoleon zelf wist, tot een zekere hoogte, daar niets van. Wèl wist hij, door Las Cases, dat diens vroegere knecht hem had bezocht, maar had zich verder niet met de zaak ingelaten, noch was hij op het voorstel van Las Cases om een schrijven naar Europa te zenden, ingegaan, omdat hij dat beneden zijn waardigheid en niet in overeenstemming met de gedragslijn vond, die hij zich eenmaal had voorgenomen te volgen. (meer…)
.
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
DOOR DR. A. ALETRINO
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1916
TWEEDE HOOFDSTUK (1e deel)
Al op de Northumberland begonnen, onder de hooger geplaatsten van Napoleons gevolg, de oneenigheden, die hem, later, op St. Helena, het leven zoozeer zouden verbitteren. Te verwonderen nu, is dit niet! Behalve toch, dat een dieper-prikkelende oneenigheid reeds zal ontstaan, wanneer menschen – die onder normale omstandigheden gewoon zijn om met elkaar om te gaan – gedwongen worden om een langen tijd in een kleine omgeving samen te leven, kan een grooter en grooter hatende verbittering niet uitblijven, wanneer personen, die elkaar ternauwernood kennen, wier naturen en karakters zóóver uiteenloopen, wier beweegredenen, waarom zij bij en met elkaar blijven, zóó verschillend zijn als bij de hooger geplaatsten van Napoleons omgeving, onder zulke omstandigheden verkeeren. Het meerendeel van hen, die hem op de Bellerophon waren gevolgd, kende Napoleon niet. De meeste trouwens waren niet van plan, verder met hem mee te gaan! Zoolang zij in de meening verkeerden, dat hij zich in Engeland of in Amerika zou vestigen, was het hun voornemen – wijl het met hun voordeel overeenkwam – bij hem te blijven. Niet zoodra echter begonnen de geruchten te loopen, dat hij naar St. Helena zou worden verbannen, of zij begonnen zich terug te trekken en vonden het beter om in Europa te blijven. (meer…)
Het communistische Arbeiders-Schrijverscollectief Links Richten gaf in de jaren 1932 en 1933 elf nummers uit van het gelijknamige tijdschrift. Uit nummer 2 van het blad verscheen een korte bijdrage van de Japanse schrijver en dramaturg Fujimori Seikichi (Kamisuwa, 28 augustus 1892 – Nagano – 26 mei 1977), een zoon van een handelaar in natuurlijke medicijnen. Hij studeerde af aan de filosofiefaculteit van de Universiteit van Tokio en voltooide twee jaar later zijn studie Duits als de beste afgestudeerde. In de jaren daarna schreef hij verschillende werken, maar niet zelden werden die in hert steeds militaristisch wordende Japan verboden. In die periode groeide zijn interesse in het socialisme en werd hij de eerste voorzitter van de NAPF-commissie, die binnen de Japanse literatuur geïnspireerd was op het socialisme en communisme. In 1930 reisde Fujimori met zijn vrouw naar Europa en bleef tot 1932 in Duitsland. Bij terugkeer in Japan in 1933 werd hij onmiddellijk gearresteerd wegens overtreding van de openbare veiligheidswet. Hij herriep zijn opvattingen en wendde zich vervolgens tot historische romans. Na de oorlog werd hij weer lid van de Japanse Communistische Partij, was medeoprichter van literaire clubs en was ook betrokken bij de burgerrechtenbeweging. In 1977 kwam hij tragisch om het leven toen hij bij een wandeling werd aangereden door een vachtwagen. Zijn korte verhaal ‘De man die niet applaudisseerde’ werd in diverse vertaling opgenomen in publicaties over moderne en revolutionaire Japanse literatuur. Links Richten voorzag het van de volgende voetnoot: ‘Vertaald uit Literatuur der Wereld-Revolutie, Maandblad van de internationale bond van Proletarische schrijvers. Verschijnt in ’t Russisch, Fransch, Duitsch en Engelsch. Abonnement 1 dollar of 3 gulden per jaar. 60 cent per nummer. Adres: M.O.P.R. Postbox 850, Moscou. Verhalen, gedichten, schetsen, feuilletons, theoretische artikelen, arbeiderskorrespondenties, internationale kroniek, boekkritiek en bibliografie. 160 pagina’s in ieder nummer, teekeningen van revolutionnaire kunstenaars. Foto’s en reproducties in kleuren.’ (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
16-17
2 januari en 26 juni 1945 – Jacob Korsse en Jan Wever
Jacob Korsse (Onstwedde, 2 december 1916 – Neuengamme, 2 januari 1945) was de zoon van de arbeider Jan Korsse (Onstwedde, 25 januari 1882 – Onstwedde, 29 januari 1919), die op 12 april 1913 in het huwelijk trad met Wubke Luttjeboer (Onstwedde, 6 april 1883). Jan Korsse zou al vier dagen na zijn 37e verjaardag overlijden. Eerder had het echtpaar een dochter Grietje (Onstwedde, 25 mei 1914-26 augustus 1914), die echter na drie maanden was overleden. Jacob bleef enig kind, moeder Wubke zou nooit hertrouwen. Hij en zijn moeder (‘oll’ vrouw Kozze’) woonden in een boerderijtje aan de Wessinghuizerweg. Bij aanvang van de oorlog werkte de vrijgezelle Jacob als boer en losarbeider, met wat bijverdienste in wat handeltjes. Om het karige gezinsinkomen wat aan te vullen ventte moeder Korsse brood voor bakker Horlings uit de Dorpsstraat. Dat geld verdween in een grote portemonnee die ze in een nog grotere ‘buutse’ onder haar bovenrok droeg, wat ze nog steeds deed toen ze als bejaarde in een bejaardenwoning van de Zonnehof woonde. Zowel Jacob als zijn moeder ergerde zich enorm aan de vele verbodsmaatregelen en het getreiter van de bezetter tegen hun Joodse dorpsgenoten. Ze waren dan ook een van de eersten die hun bescheiden onderkomen wel beschikbaar wilden stellen voor Joodse onderduikers. Jacob Korsse was namens de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) actief. Hij gaf het Joodse echtpaar Salomon Meijer en Carolina Meijer-Jacobsens, plus hun zonen Mozes Meijer en Simon Meijer vanaf september 1942 op de boerderij onderdak. Hij kende de familie Meijer uit de Dorpsstraat van de veehandel. Hij deed wel eens zaken met hen en kon goed met hen opschieten. Hij en zijn moeder besluiten hen te helpen. Een ambtenaar op het gemeentehuis zorgde ervoor dat de papieren van de Meijers werden overgeheveld naar de gemeente Assen. (meer…)
Het oorlogsmonument in de Hardingestraat in Onstwedde (gemeente Stadskanaal) bestaat uit een hardstenen tegel en een natuurstenen gedenksteen in een omlijstingsplateau van veldkeien. Op de tegel is in reliëf een kruisteken aangebracht. Het monument is 1 meter 40 hoog, 1 meter breed en 14 centimeter diep. Naast het gedenkteken is een kunststof gedenkplaat geplaatst in een frame van metaal. De tekst op de gedenksteen luidt: ‘‘Nooit meer 1940 – 1945’ en de tekst op de tegel ‘Misschien is er hoop’, met ook de Hebreeuwse vertaling van deze tekst. Met het monument worden de 24 inwoners herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen om het leven kwamen, plus de twee Britse piloten die in de directe omgeving van het dorp neerstortten.
13-14-15
30 oktober 1944 / 31 januari 1945 – Karl, Carolina en Herbert Menkel
Carolina van der Berg (Grossefehn, 13 november 1890 – Auschwitz, 30 oktober 1944) was afkomstig uit het stadje Grossefehn, iets ten noorden van Emden. Anders dan de achternaam doet vermoeden had de familie Van der Berg de Duitse nationaliteit, dat kan zijn door haar huwelijk maar mogelijk stamt haar familie oorspronkelijk uit Groningen. De streek rond Grossefehn met veel moerasnederzettingen verarmde eind 19e eeuw snel omdat turf als brandstof steeds meer werd vervangen door steenkool. Bovendien vervingen de spoorwegen de binnenvaart. Veel Großefehntjers emigreerden naar de Verenigde Staten. Onder degenen die bleven werd de streek een NSDAP-bolwerk. Bij de verkiezingen in 1932 en 1933 haalden de nazi’s hier meer dan 90% van de stemmen. Voldoende redenen voor de Joodse inwoners om snel de wijk te nemen. Caroline, roepnaam Liny, was getrouwd met Karl Menkel (Lüdenscheid, 30 juli 1886 – Auschwitz, 30 oktober 1944). In het Ems- en Münsterland was de familienaam Menkel erg verbonden met textielfabricage en -handel. Karl Menkel was in Leer de trotse eigenaar van een grote confectiezaak. Het echtpaar had twee kinderen, Herbert Menkel (Leer, 7 april 1921 – Extern kommando Friedland, 31 januari 1945) en Margot Menkel (Leer, 15 april 1922 – Rotterdam, Herbert en Margot werden geboren in Leer, een stadje net ten zuiden van Emden, aan de monding van de Dollard. Ook hier was de NSDAP sterk vertegenwoordigd. Al in 1933 en 1934 verlieten de eerste Joden de stad, velen van hen net over de grens met Nederland. (meer…)

.
Spiegelvijver met beeld Kammende Baadster bij het rosarium in het Goffertpark, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
.
Vervallen boerderij aan de Lobitherstrasse en Elten (Duitsland), april 2010, © Frans van den Muijsenberg.