Andere Braziliaanse avontuurtjes
Voordat Charles Van Lede in 1844 met zijn Compagnie belgo-brésilienne de Colonisation en met koninklijke goedkeuring op pad ging naar Santo Catarina in Zuid-Brazilië was al een eerdere Belgische kolonisatiepoging ondernomen. Die eerste poging staat op naam van Ludgero Joseph Nelis, geboren in een familie van handelaars en kleine linnenfabrikanten in het Oost-Vlaamse Zele. Zele was al eeuwenlang een textielcentrum voor vlas. Vanwege het afvalproduct van vlas dat in balen werd geperst hadden de Zelenaars de spotnamen Kloddezakken of Kloddelopers meegekregen. In de 19e eeuw hoorden Zele en buurgemeente Hamme tot de meest verpauperde plaatsjes in Vlaanderen. Het stadje had het typische uiterlijk van het arme Vlaamse platteland: vele cafés, enkele brouwerijen, een distilleerderij en ongeveer 12 molens. Voldoende om alle ellende weg te zuipen. Veel reden ook om weinig verandering te verwachten, want alle misstanden in de plaatselijke fabrieken werden door de burgerlijke en religieuze overheden keurig afgedekt. Het is dus niet verwonderlijk dat juist uit Zele een poging werd gedaan uit de misère te ontsnappen en zijn heil te zoeken in het verre Brazilië waarover zoveel fantastische verhalen d ronde deden. (meer…)
Vanaf 10 december 1815 verbleef Napoleon Bonaparte in Longwood House op zijn verbanningsoord Sint-Helena, een godsverlaten eilandje in het zuiden van de Atlantische Oceaan, ruim tweeduizend kilometer ten westen van de Afrikaanse kust. Longwood House had tot dat moment dienst gedaan als residentie van de Engelse gouverneur van het eiland, die er tijdens warmere periodes verbleef. Napoleon heeft het eiland vanaf het begin ervaren als onprettig om te leven. Niet onbegrijpelijk want zo midden op de oceaan had men te kampen met een zeer wisselend klimaat. Er was op het eiland, slechts half zo groot als Ameland, zelfs een microklimaat met op de lagere delen zoals de haven windstil en vrij warm en op hetzelfde moment op de hogere delen veel wind en gure omstandigheden. De voormalige keizer sleet zijn dagen met het maken van aantekeningen van zijn veldslagen en verslagen van zijn bewind. Ook legde hij een groentetuin en maakte veel wandelingen. Longwood House, waarvan Napoleons huisknecht Louis-Joseph Marchand een aquarel maakte die de situatie precies weergaf, ligt op ongeveer zes kilometer van de hoofdstad Jamestown. Het huis is nu eigendom van de Franse staat en dient het als museum. (meer…)
In 1668 duikt in de Nijmeegse archieven de ‘Evert Reindershoff’ op, die in 1740 onder de naam ‘De Goffert’ terugkeerde toen ene Jonas Reijnen van de raad toestemming kreeg om op de door hem gepachte percelen bouwland gelegen op de ‘Hasencamp’ onder Hatert ‘een huijs off schuur te mogen setten daerinne te stellen een tropje schapen, die althans bij Jan Derkse den Goffert aen de heijde waren leggende en welke schapen aen de heijde soude blijven weijde”. Die Jan Derkse den Goffert (de bijnaam duidde op een groot en dik persoon) bezat of pachtte een boerderij op de toenmalige Malderheide. Later is zijn bijnaam overgegaan op de boerderij, de Goffertboerderij. Die naam kwam pas voor het eerst voor in 1780 toen het Borger Kinderen Weeshuis uit Nijmegen zijn bezittingen op de Malderheide, de zogenaamde Weezenheide, uitbreidde met de aankoop van een hofstede met bouw- en weiland, waarbij werd opgetekend dat deze vanouds Maldenburg, Maldenbij, Maldenbeim of De Goffert werd genoemd en afkomstig was uit de nalatenschap van een zekere kapitein W. Keizer. Sinds 1817 waren de boerderij en omliggende percelen eigendom van het Protestants Kinderen Weeshuis, dat bij iedereen bekend stond als het Borgeren Kinderen Weeshuis.
In 1921 werd dit terrein De Goffert met een grootte van 63 hectare door de gemeente Nijmegen aangekocht als toekomstig bouwterrein. In 1931 besloot de raad echter om een gedeelte van De Goffert geen woongebied te maken, maar te bestemmen als een voor het publiek toegankelijk bosterrein. Vanaf de eeuwwisseling werden in verschillende Duitse en Engelse steden grote ‘volksparken’ aangelegd, waar stadsbewoners zich konden ontspannen en recreëren. Ze waren een mix van educatieve tuinen, bossen en grote ligweiden waar grootschalige evenementen konden worden gehouden. De parken moesten ook fungeren als groene longen van de vaak snel groeiende steden. Burgemeester Joseph Steinweg moet zoiets in gedachten hebben gehad toen hij in 1932 het idee lanceerde ook in Nijmegen een dergelijk stadsplan aan te gaan leggen. (meer…)
.
Natuurgebied De Geuzenwaard in de uiterwaarden van de Rijn bij Lobith, september 2012, © Frans van den Muijsenberg.
Nederzetting in het Braziliaanse Santa Catarina
Santa Catarina is een deelstaat in het zuiden van Brazilië, gelegen aan de Atlantische Oceaan. Aan het begin van de 19e eeuw was de regering van de jonge staat Brazilië erg geïnteresseerd in het bevolken van de lange kust. Zeker twee eeuwen lang was die kustlijn het doelwit was van Spaanse, Nederlandse, Engelse en Franse expedities en slavenhandel. Brazilië, net iets meer dan twintig jaar onafhankelijk, had een overvloed aan vruchtbare gronden en rijkdom aan ertsen als kolen, ijzer en goud, maar had door de afschaffing van de slavernij een groot tekort aan arbeidskrachten. De Braziliaanse grootgrondbezitters wilden graag arbeidskrachten uit Europa te importeren, dus de regering ging het vestigen van kolonisatiecentra aanmoedigen. Vooral de koffieboerderijen in het zuidoosten van het land trokken massaal Europeanen aan. De Braziliaanse regering had belang bij het bevolken van het zuiden van het land omdat er territoriale geschillen waren met Uruguay dat in 1925 ook zelfstandig werd. een onafhankelijke natie werd. De bevolking van het gebied met Europese migranten die droomden van een eigen stuk grond kon wel eens beslissend zijn bij dat soort conflicten. Vooral de zuidelijke regio was voor Europese erg aantrekkelijk omdat daar nog veel onontgonnen grond was en er een klimaat was dat vergelijkbaar was met dat in Europa. Er was daar een uitstekende mogelijkheid om andere landbouwgewassen te ontwikkelen, dit ter vervanging van suikerriet dat sinds de afschaffing van de slavernij niet langer exploitabel was. In de deelstaat woonde omstreeks 1830-1840 nog veel indianen in de bossen, maar toen er steeds meer kolonisten verschenen werden die steeds meer naar het binnenland verdreven of simpelweg uitgemoord. (meer…)
Boizenburg/Elbe is de meest westelijke stad van Mecklenburg, gelegen op het drielandenpunt van Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein. Hier stroomt de Boize in de Sude, waarna goede een kilometer verder de Sude in de Elbe uitkomt. De stad wordt nu weer gerekend tot de ‘Metropolregion Hamburg’, waarbij het traditioneel behoorde. In de naoorlogse jaren lag het echter in de DDR en liep de grens precies langs het plaatsje. Een enorme wachttoren iets ten zuiden van Boizenburg herinnert nog aan die tijd en bij het Grenzmuseum Leisterförde, iets ten noorden van Boizenburg, is op originele grootte een stukje van de voormalige muur op de paar kilometer tussen de gehuchten Leisterförde en Fortkrug nagebouwd. Bij binnenkomst van Boizenburg vanuit de richting Hamburg over de voormalige snelweg 5 staan nog twee gebouwen van de voormalige transitcontrolepost 4, waar DDR-volkspolitieagenten van 1973 tot 1990 het autoverkeer richting de grens controleerden en het grensgebied in de gaten hielden. Met een geluidsinstallatie in de toren wordt het leven in het verboden gebied nagebootst, in bijzonder bij ontsnapping en gedwongen deportatie. Vlak bij deze torens staat ook een barak, die getuigt van het voormalige subkamp van concentratiekamp Neuengamme. Het is het enige gebouw dat van het voormalige kamp is overgebleven. (meer…)
.
Herwen, Kleine Geldersche Waard vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
Een poging in Hawaï die in de kiem werd gesmoord
In 1843 sloot Leopold I een contract met het bedrijf Ladd & Company met in het achterhoofd de gedachte het prille koninkrijk Hawaï te koloniseren. In 1794 had Kamehameha I (1758-1819) van de Britten kanonnen gekocht, wat hem in staat stelde met geweld zijn macht uit te breiden over alle Hawaïaanse eilanden. Alleen Kauai trad in 1810 vrijwillig toe tot het koninkrijk. Een jaar later riep Kamehameha I zich uit tot de eerste koning van Hawaï, dat tot de inlijving in 1893 door de Verenigde Staten een onafhankelijke staat zou blijven. In de eerste jaren van zijn regering slaagde hij er met Britse steun in om een relatief stabiele monarchie op te bouwen en de Russische pogingen te dwarsbomen om op Hawaï een basis te stichten. Onder Kamehameha II (1797-1824) werd in 1819 het oude kastenstelsel afgeschaft, kregen vrouwen meer rechten, werden mensenoffers verboden en werd de Hawaïaanse godsdienst afgeschaft, vooral onder invloed van de komst in 1820 van de eerste Amerikaanse protestantse missionarissen. Onder Kamehameha III (1814-1854) veranderde het land van een absolute monarchie in een constitutionele monarchie. In 1840 kreeg Hawaï een grondwet en parlement. Onder zijn regering had het land te maken met grote epidemieën, overgebracht door de Europeanen en Amerikanen. Ook was er een steeds verdere inmenging van buitenlandse staten. In 1831 werden op advies van protestantse raadslieden de katholieke missionarissen van de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria uitgewezen; ze konden pas na 1839 terugkeren toen het Franse fregat Artémise de haven van Honolulu binnenvoer en de vrijheid van godsdienst afdwong. In 1842 werd een handelsverdrag gesloten met de Verenigde Staten, dat daarna zijn invloed in Hawaï steeds verder uitbreidde. (meer…)

Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion.
.
Herwen, Kleine Geldersche Waard vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, oktober 2006.
Met mislukte avontuur in Santo Tomas de Castilla
In 1821 had het huidige Guatemala de onafhankelijke status gekregen, maar de eerste jaren verliep de onafhankelijkheid. De bestuurders vroegen daarom Britse kolonisatiemaatschappijen het helpen met de ontwikkeling van het land. Als tegenprestatie kregen de Britse maatschappijen een concessie in Guatemala toegewezen. Omdat de Britse maatschappijen rond 1840 failliet gingen, mislukte de samenwerking en ging Guatemala op zoek naar andere landen en maatschappijen om hen bij te staan. Net op dat moment dat koning Leopold I laten weten dat de nieuwe staat België graag ook wilde beschikken over een kolonie, die niet alleen goedkope grondstoffen zou kunnen leveren maar ook een geschikte afzetmarkt moest zijn voor de Belgische industrie. Bovendien wilde België graag wat ongewenste onderdanen (werkelozen, kleine criminelen, kansarmen, mensen van ‘lage zeden’ en avonturiers) willen deporteren naar een afgelegen gebied om een mogelijk binnenlands conflict te vermijden. Er werd onder deze bevolkingsgroepen intensief propaganda gemaakt voor een emigratie met de belofte van ongekende mogelijkheden in het beloofde land ‘Verapaz’. Er werden met valse brieven van zogenaamde migranten uit dit Verapaz in omloop gebracht, die het land bejubelden en ook verschenen er exotische gravures van het paradijs Guatemala. De Belgische agenten die op zoek waren naar een geschikt land kwamen dan ook al snel uit bij Guatemala en deden het Midden-Amerikaanse land een voorstel. (meer…)
Van Edgar Kellner is aanvankelijk slechts bekend dat hij in september 1943 moet zijn geboren en verbleef bij het echtpaar Sjaak Gielen (Venray, 17 mei 1912 – Venlo, 12 maart 1984) (foto links) en Marie Gielen-Janssen (Meerlo, 15 november 1911 – Tienray, 25 juni 1993). Het echtpaar trouwde op 22 april 1939 in Meerlo, waar ze gingen wonen in de buurtschap Moleneind, iets ten noorden van Meerlo, tegenover frietkraam De Hap. De buurtschap Moleneind kent momenteel dertig huizen en heeft 75 inwoners. Dat zal in de oorlogsjaren waarschijnlijk nog iets minder zijn geweest. Het echtpaar is kinderloos gebleven. Eind 1943 heeft men dus de Joodse baby Edgar Kellner in huis genomen, ongetwijfeld op verzoek van mensen uit de groep van Hanna van der Voort, die dit een betrouwbaar en veilig adres vonden. Het echtpaar was snel zeer verknocht geraakt aan het mannetje, dat als nieuwe voornaam Eddie of Jacky schijnt te hebben gekregen. Het enige bericht dat ik over hen vond, sloot af met de kille mededeling: ‘De moeder van het mannetje heeft de oorlog overleefd en het jongetje weer afgehaald’.
Wie was nu deze moeder? Op Joods Monument komt de naam Kellner maar vier keer voor, waaronder Juliana Halberstad-Kellner (Schwarzbach, 10 april 1877 – Auschwitz, 3 augustus 1944), lerares Berta Kellner (Praag, 9 september 1894 – Auschwitz, 17 september 1943) en Lilli Kellner (Keulen, 12 juli 1925). Lilli arriveerde op 22 november 1938 als dertienjarige vluchtelinge in Nederland, waar zij werd opgevangen in enkele verzamelplekken voor Palestina-Pioniers. Van 5 januari 1940 tot 7 december 1942 woonde zij als pupil in het Jeugd-Alijah tehuis in Paviljoen Loosdrechtse Rade te Loosdrecht. Hierna dook zij onder en probeerde vanuit haar onderduikadres samen met zeven andere Palestina-Pioniers naar Zwitserland te ontsnappen. De groep werd echter aan de Belgische grens opgepakt. Lilli Kellner werd op 31 oktober 1942 met transport XVII van Mechelen naar Auschwitz gedeporteerd en is daar op een onbekende datum overleden. Geen van de drie vrouwen kan de moeder van de kleine Edgar Kellner zijn geweest. (meer…)
Bart van der Boom (1964) studeerde na het behalen van zijn atheneumdiploma in Doetinchem een jaar in Minneapolis en daarna Geschiedenis en Amerikanistiek aan de Universiteit van Amsterdam. In 1990 schreef hij een biografie over de NSB’er Kees van Geelkerken (1901-1976), in 1931 een van de medeoprichters van de Nationaal-Socialistische Beweging en sindsdien de vaste rechterhand van Anton Mussert. In 1995 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘Den Haag in de Tweede Wereldoorlog’. Hij kreeg hiervoor de tweejaarlijkse Littéraire Witte Prijs, een prijs voor een letterkundig werk van een Haagse auteur of over een Haags onderwerp. Daarna publiceerde hij ‘Atoomgevaar? Dan zeker B.B. De Geschiedenis van de Bescherming Bevolking’ (2000), ‘We leven nog. De stemming in bezet Nederland’ (2003) en ‘Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust’ (2012). In dat laatste boek onderzocht hij aan de hand van oorlogsdagboeken wat bij de ‘gewone Nederlander’ in de oorlogsjaren bekend was over de uitroeiing van de Joden. Voor dit boek ontving hij de Libris Geschiedenis Prijs. Met zijn nieuwste boek onderzocht hij het functioneren van de Joodse Raad, ‘…in een poging te onderzoeken hoe goede bedoelingen de weg naar de ondergang plaveiden.’ (meer…)
Herwen, Bosje vanaf de Aerdtseweg bij Herwen, maart 2024, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg, oktober 2006.
Inleiding
Met de Belgische Revolutie (25 augustus – 4 oktober 1830) werd de facto de afscheiding van de zuidelijke provincies van het Koninkrijk der Nederlanden een feit en werd België onafhankelijk. Koning Willem I van Nederland weigerde echter negen jaar lang halsstarrig de Belgische onafhankelijkheid te erkennen. Aan zijn volhardingspolitiek kwam as een eind met de ondertekening op 19 april 1839 van het Verdrag van Londen, waarmee ook de grenzen tussen beide landen werden vastgesteld. Met de onafhankelijkheid in 1830 kwam in de nieuwe staat onmiddellijk de wens op ook zelf koloniën te bezitten. In de voorgaande twee decennia hadden diverse Vlamingen en Walen belangrijke rollen toebedeeld gekregen in Nederland en haar koloniën. Zo was Leonard du Bus de Gisignies, een hoge ambtenaar en politicus uit de omgeving van Moeskroen, werd in 1818 benoemd als voorzitter van de Tweede Kamer en werd hij op 10 augustus 1825 benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, telkens als eerste Zuid-Nederlander in die positie. Vooral de laatste benoeming werd met argwaan bekeken in Noord-Nederland omdat men een groeiende koloniale invloed vanuit het zuiden bemerkte. De afscheiding werd in België vanaf 1830 economisch goed merkbaar. De belangrijke industriestad Gent verwerkte in 1829 nog 7,5 miljoen kilo katoen, maar dat was in 1832 geslonken tot amper 2 miljoen kilo. In de stad waren veel arbeiders werkeloos geworden en de lonen waren in 1832 gezakt tot net 30% van het loon van drie jaar eerder. Ook in andere industriesteden als Luik en Charleroi waren vergelijkbare cijfers te zien. Voor de havenstad Antwerpen was de ramp nog veel groter. (meer…)
De gezaghebbende Britse historicus Bernard Wasserstein beschrijft in zijn laatste boek de rol van de Joodse maatschappelijk werkster Gertrude van Tijn bij de concentratie van de Nederlandse Joden in Westerbork en de daarop volgende deportatie naar de Duitse vernietigingskampen. Het verhaal begint in de eerste dagen van april 1941, toen Gertrude van Tijn vanuit Berlijn per vliegtuig aankwam in Lissabon om daar met vertegenwoordigers van de Portugese overheid en het American Jewish Joint Distribution Committee (meestal kortweg de Joint genoemd) in opdracht van de Duitse bezetter in West-Europa te onderhandelen over een grootschalig vertrek van Europese Joden naar geallieerd of neutraal terrein. De missie had weinig kans van slagen omdat de Amerikaanse en Britse overheid nog maar mondjesmaat vluchtelingen toelieten. Van Tijn keerde onverrichter zake terug naar Amsterdam om haar werk voort te zetten bij de afdeling Emigratie van de Joodse Raad. Ze bleef zich daar gedurende de eerste jaren van de oorlog intensief inzetten om zoveel mogelijk mensen via emigratie uit de Duitse klauwen te houden. In een latere fase, toen de kansen op emigratie eigenlijk nog slechts een utopie waren, werd de afdeling omgevormd tot de afdeling Hulp aan Vertrekkenden, die mensen die door de bezetter naar Oost-Europa gedeporteerd werden, voorzag van advies en hulpmiddellen.
Gertrude van Tijn werd op 4 juli 1891 als Gertrud Francisca Cohn in Braunschweig geboren in een welgestelde familie. Als twintigjarige vertrok ze naar Londen, waar ze min of meer toevallig in de vrouwenbeweging terecht kwam. Ze werd er lid van de organisatie van Millicent Garrett Fawcett, die zich in tegenstelling tot de aanzienlijk strijdbaardere suffragettes in de strijd om het vrouwenkiesrecht strikt aan de wet hield. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kwam Gertrude als veronderstelde ‘vijandelijke buitenlander’ in een loyaliteitsconflict, dat voor haar begin 1915 werd opgelost door het besluit van de Britse overheid dat ze per direct het land diende te verlaten. Ze koos voor het neutrale Nederland, waar ze een nieuwe passie ontdekte: het zionisme. Tot dan hadden zij en haar familie nog maar amper het besef dat ze Joods waren. (meer…)
1940
01-07-1940 Verbod voor Joden om in de luchtbeschermingsdienst te werken.
06-09-1940 Verbod om Joden in overheidsdienst aan te nemen. Joden die al in dienst zijn mogen niet bevorderd worden. Kort daarop wordt dit uitgebreid van departementen en universiteiten naar alle gesubsidieerde instellingen.
26-09-1940 Verbod op publicatie van Joodse kranten, met uitzondering van Het Joodsche Weekblad
05-10-1940 Alle medewerkers aan universiteiten, departementen en gesubsidieerde instellingen moeten een Ariërverklaring invullen over hun afstamming.
22-10-1940 Alle Joodse zakenlieden moeten hun onderneming laten registreren. Deze verordening regelt in grote lijnen ook wie wel en wie niet als Jood beschouwd dient te worden. Hier is deze omschrijving bedoeld om ervoor te zorgen dat de bedrijven niet te makkelijk op naam kunnen worden gezet van anderen. De definitie zal echter later bij de deportaties veelvuldig worden toegepast: Joods is iedereen met drie of meer Joodse grootouders en zelf lid is van een Joodse kerkelijke gemeente of met een Jood is getrouwd.
04-11-1940 Aankondiging dat per 21 november alle Joodse ambtenaren zullen worden geschorst en later ontslagen.
19-12-1940 Verbod voor Joden om Duits huishoudelijk personeel in dienst te hebben.
(meer…)
.
Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.
De historicus Erik Somers is sinds 1977 in dienst van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Hij heeft nu aan zijn lange lijst van publicaties over de Tweede Wereldoorlog een boek toegevoegd over en van David Cohen. Deze was tijdens de oorlog, samen met Abraham Asscher, voorzitter van de omstreden Joodse Raad. Deze raad lag al tijdens de oorlog zwaar onder vuur binnen de joodse gemeenschap. Toen al was de centrale vraag of via de werkzaamheden voor de Joodse Raad nu sprake was van onaanvaardbare collaboratie of van een zinvolle poging om erger te voorkomen en nuttige tijdwinst te bewerkstelligen. Een vraag die in wezen nimmer bevredigend beantwoord kan worden. Hoe kan men immers ooit objectief vaststellen tot waar in barre tijden sprake is van zuiverheid en verantwoordelijkheidsgevoel en waar de kritische grens wordt gepasseerd en wordt overgegaan tot verwijtbaar gedrag en laakbaar optreden. Zeker als men in overleg wil treden met een partij die men in essentie vijandig gezind is.
Het boek bestaat in wezen uit twee delen, onderverdeeld in vijf hoofdstukken. De kern van het boek bestaat uit de ‘Herinneringen’ die David Cohen in 1956 op verzoek van de historici Lou de Jong en Sam Presser schreef. Het document zou lang een niet openbaar stuk blijven en pas in mei 1982 worden gepubliceerd in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, voorzien van allerlei aanvullingen en commentaren door historici en journalisten. In de hoofdstukken 1 t/m 4 wordt in ruim veertig pagina’s eerst een biografisch schets van het leven van David Cohen gegeven en wordt in een aantal kanttekeningen het functioneren van de Joodse Raad beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de totstandkoming van de ‘Herinneringen” en de reacties in 1982 op de publicatie in het NIW in 1982. Erg nuttige en zeer leesbare stukken, die onontbeerlijk zijn om de ‘Herinneringen’ van David Cohen binnen zijn juiste context te kunnen lezen en begrijpen. (meer…)
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
.
Wijkgebouw in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg.

Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion
Abraham Asscher werd op 19 september 1880 in Amsterdam geboren. Zijn vader en diens broer werkten in de diamanthandel en hadden in 1891 een eigen bedrijf opgericht, de Diamantmaatschappij. Later werd Abraham Asscher de directeur en enige aandeelhouder van het bedrijf. Onder zijn leiding verwierf de firma wereldwijde bekendheid. Het absolute hoogtepunt in de geschiedenis van Asschers diamantfabriek was ongetwijfeld het slijpen van de Cullinan, de grootste diamant die ooit ter wereld werd gevonden. Asscher behoorde van jongs af tot de Joodse religieuze elite, hoewel hij zeker geen orthodox levende of vroom opgevoede Jood was. Slechts op hoogtijdagen bezocht hij de synagoge. Zijn politieke betrokkenheid was beduidend groter dan zijn religieuze engagement. Al op jeugdige leeftijd was hij de lijsttrekker en fractievoorzitter van de Liberale Staatspartij, waarvoor hij in 1917 lid werd van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Zoals gebruikelijk onder de Joodse religieuze elite waarvan hij een prominent lid was, had Asscher een enorme afkeer van het socialisme, de politieke stroming die juist onder het Joodse proletariaat een enorme aanhang kende. Als belangrijk industrieel en vooraanstaand politicus was hij een man met grote status binnen de Amsterdamse wereld en verbonden aan bijna alle belangrijke Joodse instituten en commissies. Asscher was een man die alles groots aanpakte. Het liefst sprak hij voor volle zalen met prominente mensen in het publiek. Als bestuurder en vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap volgde hij dr. Dünner op als voorzitter van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, de koepelorganisatie van de Joodse gemeenten in Nederland. Verder maakte hij deel uit van het bestuur van de kerkenraad van de grootste lidorganisatie van deze koepel, de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge Amsterdam . Ook zat hij in het bestuur van Keren Hajesod, een opbouwfonds voor Palestina. Vanwege zijn grote verdiensten benoemde men hem in 1935 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die onderscheiding kreeg hij opgespeld in aanwezigheid van vele vooraanstaande mensen uit politiek en bestuurlijk Nederland. (meer…)
David Cohen werd op 31 december 1882 te Deventer geboren als oudste zoon van koopman, makelaar en taxateur Hartog (Herman) Cohen en Rebecca van Essen. Later zouden nog drie broers en één zus volgen. Hij doorliep in zijn geboortestad de lagere school, de Joodse godsdienstschool en het gymnasium; daarna studeerde hij klassieke talen in Leipzig, Göttingen en Leiden. Zijn grote belangstelling ging uit naar egyptologie, papyrologie en de Joodse geschiedenis. Vanaf 1910 combineerde hij zijn studie met een baan als leraar aan het Nederlands Lyceum in Den Haag. In 1912 promoveerde hij in Leiden cum laude op een proefschrift over de Joodse geschiedenis in de Hellenistische tijd. In 1922 werd hij privaatdocent aan de Rijksuniversiteit Leiden en twee jaar later aan deze universiteit bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Hellenistische tijd. In 1926 werd hij gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis en de Griekse en Romeinse Antiquiteiten aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam (de huidige Universiteit van Amsterdam), een functie die hij tot 1953 zou vervullen. Cohen was een hoogleraar die zijn vakgebied in de volle breedte beheerste, maar meer docent dan onderzoeker was. Tot oorspronkelijk wetenschappelijk werk kwam hij weinig, zijn voorliefde ging uit naar het onderwijs. Hij verzorgde enkele belangrijke leerboeken over de klassieke oudheid en begeleidde vele promovendi. Deze klassieke oudheid was voor hem de ideale wereld, waarin het goede en schone overheerste. Hij haalde uit deze wereld zijn voorbeelden om te tonen hoe de moderne wereld vormgegeven diende te worden. Hij was bepaald geen kamergeleerde, zoals hij door sommigen ten onrechte werd genoemd, maar iemand die erg betrokken was bij de actualiteit en vol mededogen voor de onderdrukten in de samenleving. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, de Spoorbrug, Landhoofd en Snelbinder, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg
In maart 1942 werd door SS-Obergruppenführer Oswald Pohl het SS-Wirtschafts-Verwaltungshauptamt (SS-WVHA) opgericht, dat twee andere organisaties die onder leiding van Pohl stonden combineerde: het SS-Hoofdbureau voor Bestuur en Economie en het Hoofdbureau voor Begroting en Gebouwen van het Rijksministerie van Binnenlandse Zaken. De WVHA, dat nauw samenwerkte met de SS, beheerde de industrieën, ambachten en bedrijven van de SS in de concentratiekampen en voegde deze samen in hun eigen bedrijven. Vanaf 1942-1943 stond het hele concentratiekampsysteem onder de exclusieve controle van Oswald Pohl. De SS-WVHA bestond uit vijf bureaugroepen: Bureau A: Troepenadministratie onder SS-brigadeleider Heinz Fanslau ; Bureau B: Troepenbeheer onder leiding van SS-groepsleider Georg Lörner, Kantoor C: Bouw onder leiding van SS-groepsleider Hans Kammler, Bureau D: Concentratiekampsysteem onder SS-groepsleider Richard Glücks en Office W: Zakelijke ondernemingen onder direct beheer van Pohl. (meer…)
Van 6 februari 1922 tot 10 februari 1939 was Pius XI (1857-1939)hoofd van de rooms-katholieke kerk. Tijdens het interbellum werd hij geconfronteerd met de opkomst van communistische en fascistische regimes en bedreigingen voor de kerk en religie. Hij liet in zijn regeerperiode van 17 jaar maar liefst 31 encyclieken uitvaardigen, die erg richtingbepalend waren voor het denken en optreden van katholieken en het kerkinstituut. Veel van de encyclieken waren krachtige diplomatieke protestnota’s tegen maatschappelijke ontwikkelingen. In Iniquis Afflictisque (1926), Acerba Animi (1932) en Nos es muy conocida (1937) veroordeelde hij in harde bewoordingen de vervolging van rooms-katholieken in Mexico. In Dilectissima Nobis (1933) en Non abbiamo bisogno (1931) deed hij datzelfde over de positie van de kerk in Spanje en Italië. In andere encyclieken veroordeelde hij de destructieve gevolgen die de leer van Karl Marx had op de kerk en op de samenleving, specifiek in de Sovjet-Unie. Zijn bekendste encycliek is de Duitstalige Mit brennender Sorge van 14 maart 1937 over de toestand van de katholieke kerk in Duitsland. Het nationaalsocialisme met haar racisme werd scherp veroordeeld en de totalitaire staat afgewezen. Deze encycliek werd hoofdzakelijk geschreven door zijn pauselijke staatssecretaris Eugenio Pacelli, de latere paus Pius XII. Pius XI sloot in 1929 met de fascistische regering van Italië ook het Verdrag van Lateranen, waardoor de soevereiniteit van Vaticaanstad erkend werd met de paus als staatshoofd. (meer…)
Op Bataviastraat 38-2 (het huidige nummer 31) in Amsterdam woonde vanaf 1939 het gezin van Aron Gans (Amsterdam, 9 november 1905 – Amsterdam, 17 augustus 1986), die knecht was bij een expeditiebedrijf. Aron was op 23 juli 1930 in het huwelijk getreden met Rijntje van Gelderen (Amsterdam, 23 mei 1912 – Amsterdam, 3 januari 1939), die al op 26-jarige leeftijd overleed. Het echtpaar had vijf kinderen: David, Duifje, Esther, Dora en Mozes. Aron hertrouwde op 24 januari 1940 met Josephina Loyen (Antwerpen, 9 januari 1902 – Amsterdam, 30 januari 1985). De ouders van Aron, de poelier David Gans (1881-1943) en Esther Gans-Lisser (1880-1943), hadden negen kinderen, waarvan zeven kinderen en hun partners en 24 kleinkinderen in de oorlog werden vermoord. Een nabestaande schreef over de omgekomen familieleden deze tekst: ‘Wij zijn nu zestig jaar bevrijd, maar jullie is niet eens een graf bereid. Jaren zijn jullie belaagd en toen zo maar weggevaagd. We zijn beroofd van alle mooie dingen waarmee we elkaar hebben kunnen omringen. Het was voor de nabestaanden ook geen leven, want waar waren jullie in vredesnaam gebleven? Waar moesten we jullie zoeken gaan? Maar nu is er een laan in Sobibor gemaakt om te gedenken. Daar hebben we jullie een boom kunnen schenken. Een boom met een steen met jullie namen erop geschreven. Een steen, een monument een mensenleven.’ Ook de familie van Rijntje van Gelderen kende tientallen personen die in de Duitse concentratiekampen weden vermoord: haar beide ouders Manuel van Gelderen (1882-1942) en Ester van Gelderen-Hilversum (1894-1942), acht van hun kinderen en vele kleinkinderen. (meer…)
Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:
Willem Mulder (Amsterdam, 20 december 1888), was een leraar scheikunde te Amsterdam, maar op de slachtofferlijst van Kamp Amersfoort wordt ‘kantoorbediende’ als beroep opgegeven. Er is slechts een jeugdfotootje van hem beschikbaar, want hij moet in de oorlogsjaren eind vijftig zijn geweest. Er is verder alleen nog maar van hem overgeleverd dat hij waarschijnlijk betrokken was bij Vrij Nederland en verspreiding van illegale bladen. Dat ‘waarschijnlijk’ is veelzeggend. Er moet een relatie zijn geweest met de groep-Schimmelpenninck en Ordedienst, maar meer dan dat hij onderdak heeft geboden aan Cor van Rijn is niet te achterhalen. Samen met deze Cor van Rijn werd hij op 16 april 1942 opgepakt. Hij heeft dus in elk geval een tijd doorgebracht in kamp Amersfoort en is van daaruit vervoerd naar kamp Haaren. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd. Deze fusilladeplaats van het kamp lag op een paar honderd meter afstand van begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Veel geëxecuteerden zijn later herbegraven op deze begraafplaats, waaronder de 17 geëxecuteerden van het Tweede OD-proces. Er liggen verder 150 slachtoffers uit Kamp Amersfoort begraven, waaronder verzetsstrijders,politieke gevangenen, gijzelaars en onderduikers. Ook Willen Mulder heeft waarschijnlijk hier zijn laatste rustplaats. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, de Spoorbrug, Landhoofd en Snelbinder, juli 2006, © Frans van den Muijsenberg
Jacob (Jaap) Knol (Amsterdam, 17 april 1914 – Gröditz, 19 maart 1945) was het oudste kind van Hendrik Knol (Amsterdam, 19 oktober 1889) en Elisabeth Cornelia Batteram (Weesp, 14 januari 1889) die op 26 juni 1913 in Weesp in het huwelijk waren getreden. Hij woonde bij het uitbreken van de oorlog op de Donarstraat 5 – 3 hoog in de Amsterdamse Stadionbuurt. Op 21 augustus 1940 trouwde Jacob Knol de 26-jarige leeftijd met Clasina Johanna de Jager. Hij werkte als kantoorbediende bij een bank en volgde een avondstudie boekhoudkunde om leraar middelbaar onderwijs te worden. Hij was als belijdend lid van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam-Zuid ook erg geïnspireerd in de politieke ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. Deze Gereformeerde Kerk zat in eerste instantie in de Schinkelkerk, op de hoek van de Amstelveenseweg en de Eerste Schinkelstraat, pal naast het Vondelpark. Het tamelijk sobere vormgegeven bakstenen gebouw was gebouwd toen in de Nederlandse Hervormde Kerk in 1886 onder onder leiding van dominee Abraham Kuyper een scheiding plaatsvond, de Doleantie. De Schinkelkerk werd in 1890 opgeleverd naar ontwerp van architect Tjeerd Kuipers (1857-1942). Op dat moment lag de kerk nog in de gemeente Nieuwer-Amstel, maar in 1896 en 1921 werd de gemeente door Amsterdam geannexeerd. In 1924 hield dominee Johannis Geelkerken de deze kerk een preek waarin hij in de ogen van een broeder te losjes sprak over het bijbelboek Genesis, specifiek de vraag of de slang in het paradijs nu wel of niet letterlijk had gesproken. De dominee werd na veel gedoe ontslagen en begon met aanhangers in 1926 een nieuw kerkverband: de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, die de Parkkerk toegewezen. In 1930 nam de Gereformeerde Kerk in de Apollobuurt aan het Raphaëlplein 27 haar tweede kerk in gebruik, de Raphaëlkerk. De Schinkelkerk bleef tot 1975 in gebruik en kende daarna tal van bestemmingen: duiksportcentrum, tuincentrum, antiekwinkel en sinds 2019 een sportschool. (meer…)
Fritz Todt werd op 4 september 1891 in Pforzheim geboren als zoon van een industrieel. Van 1911 tot 1920 studeerde hij in Karlsruhe en München voor bouwkundig ingenieur. Een studie die tijdens de Eerste Wereldoorlog werd onderbroken door in het Duitse leger te dienen als officier en vliegtuigwaarnemer, waarbij hij in augustus 1918 zwaargewond raakte. Van 1921 tot 1925 werkt hij bij een waterkrachtcentrale en daarna tot 1933 als technisch directeur bij Sager & Wörner, een bedrijf dat actief was in de wegenbouw. Het bedrijf kwam in 1927 met het voorstel om onder Todt’s leiding de eerste Autobahn in Duitsland aan te leggen, een traject van 25 kilometer tussen München en Würmsee. In 1931 promoveerde hij tot doctor met het proefschrift Fehlerquellen beim Bau von Landstraßen aus Teer und Asphalt.
Al in 1922 was Todt lid geworden van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP), waarbij hij tot de eerste leden van de partij hoorde. In 1931 werd hij hoofdcommandant van de Sturmabteilung (SA), de knokploeg die in 1921 door Hitler was opgericht om de partij-vergaderingen van de NSDAP te beschermen tegen politieke tegenstanders. De ‘Bruinhemden’ werden echter vooral ingezet bij het gewelddadig intimideren van politieke tegenstanders. Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen werd Todt op 5 juli 1933 benoemd tot algemeen inspecteur voor de Duitse wegen en kreeg daarmee de algehele leiding bij de aanleg van de rijkssnelwegen. Ook werd hij verantwoordelijk voor het gehele Duitse wegennet en werd lid van de raad van bestuur van de Duitse spoorwegen. In november 1934 nam Todt ook de leiding over van de Nationalsozialistischen Bundes Deutscher Technik (NSBDT) en het Amtes für Technik, später Hauptamts für Technik van de NSDAP en werd hij benoemd tot lid van de raad van bestuur van het Duitse Museum. (meer…)
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
De aanleg van een nieuwe spoorlijn was eind negentiende eeuw een onderneming van belang. Het spoorwegennet was pas enkele decennia echt amper in ontwikkeling. Allerlei steden gevochten om ook zo snel mogelijk een aansluiting op het landelijk spoorwegnet te krijgen. Daar was niet alleen veel geld en prestige mee gemoeid, maar soms speelde ook militair-strategische afwegingen een rol. Nijmegen wilde uiteraard ook een aansluiting, maar omdat Nijmegen omstreeks 1870 nog steeds een vestingstad was, was vanwege deze strategische positie een spoorwegverbinding over de Waal steeds onbespreekbaar. In 1860 begon het Nijmeegsch Spoorwegcomité met een lobby om alsnog een spoorverbinding te krijgen. Dit leidde in 1863 tot de oprichting van de Nijmeegsche Spoorwegmaatschappij (NSM), die in 1865 het spoorlijntje Nijmegen-Kleef wist te realiseren. Het lijntje liep via Groesbeek en Kranenburg naar Kleef, waar men een verdere aansluiting had op het Duitse spoorwegennet. De wens echt aansluiting te hebben op het Nederlandse net bleef bestaan, maar Nijmegen was een belangrijke schakel in de gordel van steden en forten die Nederland moest beschermen tegen invallen. De Waal was de belangrijkste ‘slotgracht voor Fort Holland’ en een spoorbrug zou dan zorgen voor een ernstige verzwakking van de landsverdediging. (meer…)
13 – De Radiendocrinator
De Radiendocrinator was een snufje voor de superrijken die ook van de voordelen van radioactieve straling wilden profiteren. Het werd in de markt gezet als het allernieuwste dat de wetenschap op dit terrein naar voren had gebracht. Voor de prijs van 150 dollar kon men al een goedkope uitvoering van de Radiendocrinator bezitten, maar de prijs voor de oorspronkelijke, luxe uitgave bedroeg 1.000 dollar. Hert kleinood werd aangeleverd in een kleine leren cassette, binnen afgewerkt met blauw satijn waarop de van bladgoud voorziene Radiendocrinator de gelukkige eigenaar glimmend toekeek. De kern van het apparaatje bestond uit ongeveer zeven met radium doordrenkte vloeipapierachtige stukjes papier, ongeveer zo groot en vorm als een creditcard. Deze waren bedekt met een dun stuk doorzichtig plastic en twee gouddraadschermen. Het kleinood was bedoeld bij het slapen te worden geplaatst bij het een deel van het endocrien systeem, ‘… which have so masterful a control over life and bodily health’. Het product werd vanaf 1922 uitgegeven door American Endocrine Laboratories uit New York City, dat was opgericht door William J. Bailey, die het bedrijf in 1925 of 1926 van de hand deed omdat hij meer heil zag in de productie van de al besproken Radithor, zijn meest beruchte product. Aanvankelijk was de eerste versie van het apparaat, de ‘Clinic Type Radiendocrinator’ genaamd, ongeveer zo groot als een voetbal, eivormig en op een standaard gemonteerd. Die kon niet in massa worden geproduceerd en verkocht, zodat men wilde overstappen op een kleiner product dat werd omschreven als: ‘Het nieuwste type Radiendocrinator voor thuisgebruik is een heel klein apparaatje en wordt geleverd met adapters om het aan het lichaam te bevestigen.’ (meer…)
Er zijn in Friesland minstens twee plaatsen met de naam Het Goddeloze Tolhek/Tolhuis. De eerste ligt iets ten noordoosten van Feanwâlden (Veenwouden), bij het ruige moerasgebied De Houtwiel. Er waren tal van fantastische volksverhalen in omloop over het Goddeloze Tolhuis, gelegen bij de Goddeloze Singel en de Skilige Pijp (de Schele Pijp), zoals de Goddeloze Brug ook werd genoemd. Dat kan helaas niet gezegd worden over het Goddeloze Tolhek tussen Gorredijk en Beetsterzwaag. Daar bevindt zich het terrein De Sweach. De weg die daar loopt, de Sweachterwei, is nu een bosrijke weg, met in de zomer veel ooievaarsnesten en later in het jaar prachtige herfstkleuren. Over die Sweachterwei reed vanaf 1882 een tramlijn, met halverwege een oud tolhuisje met en houten tolpoort voor de boeren die daar met paard en wagen passeerden. Het heeft pas tamelijk recent de naam gekregen Goddeloze Tolhek, denkbaar geïnspireerd op de ook hier bekende volksverhalen uit Feanwâlden of wellicht uit het nabijgelegen Hardegarijp, waar het Goddeloze Hek dat nooit dicht kon blijven. Ook in Olterterp, iets ten noordoosten van Beetsterzwaag, bestond zo’n Goddeloze Tolhek, dat steeds vanzelf open ging. Ook al maakte men die hekken nog zo goed vast, het gaat altijd vanzelf weer open. De tolpoort bij De Sweach kreeg op een geven moment ook de naam Goddeloze Tolhek omdat er in de directe omgeving steeds ongelukken gebeurden. Op een gegeven moment brandde een huis voor de tweede keer in korte tijd af, waarna de man van het tolpoortje zou hebben uitgeroepen: ‘Dat goddeloze tolpoortje!’. De twee mannen die bij de brand waren omgekomen, werden door de tolgaarder bij het tolhuisje begraven. Later is op de plaats waar het graf had gelegen een cementen steen neergelegd, met een jaaraanduiding. Het paadje naar het hek bleef voor de omwonenden altijd een onheilspellende plaats. Op een gegeven moment kwamen hier twee mannen onder de tram, maar daarover later meer. (meer…)
Greetje Friedmann werd op 21 oktober 1933 geboren, maar het is onbekend in welke plaats of welk land. De kans is namelijk best groot dat ze oorspronkelijk uit Duitsland of Polen kwam. Er is een grote lijst van mannen en vrouwen met de naam Friedmann op de lijst oorlogsvermisten, maar nadere gegevens over hen zijn er niet. Er is slechts bekend dat ze op 1 mei 1943 via een zekere familie Goldfeder naar de familie Weerstra in het Friese IJlst is gebracht. Nu is er in Nederland maar één familie Goldfeder te vinden, namelijk de uit Rusland stammende Daniël Goldfeder (Kalisch, 2 januari 1910 – Sobibor, 16 juli 1943), zijn echtgenote Rachla Goldfeder-Hendeles (Kozminek, 26 april 1909 – Sobibor, 16 juli 1943) en hun dochtertje Ilenka Goldfeder (Amsterdam, 28 februari 1938 – ?, 28 april 1996). Daniël Goldfeder had vanaf 1941 in de Nieuwe Kerkstraat 9 in Amsterdam de besteldienst DAGO. Het is logisch te veronderstellen dat Goldfeder kennis had van een familie Friedmann in zijn directe omgeving. Op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat – Amstel woonde bijvoorbeeld Martin Friedmann (Leipzig, 3 januari 1895 – Sobibor, 9 april 1943), een musicus en dirigent die voor de oorlog onder meer samenwerkte met René Sleeswijk en Willy Walden. Er is echter geen enkele aanwijzing dat Martin Friedmann gehuwd was of was geweest. Iets verderop, op Oosteinde 6 bovenhuis, woonde een gezin Friedmann, bestaande uit de vier broers Arthur (Masgrabowa, 14 oktober 1895 – Sobibor, 23 april 1943), Walter (Treuburg, 30 mei 1897 – Sobibor, 23 april 1943), Julius (Insterburg, 14 juli 1900 – Sobibor, 30 april 1943) en Berthold (Königsberg, 16 september 1905 – Sobibor, 9 april 1943), allemaal koopmannen en zover na te zoeken geen van allen gehuwd. De familie van Greetje Friedmann blijft dus onbekend. (meer…)
.
Tiergarten Kleve, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg
9 – Het cosmeticamerk Tho-Radia
Vanaf 1932 werd in Frankrijkdoor een farmaceutisch het cosmeticamerk Tho-Radia geproduceerd ‘voor farmaceutische producten, schoonheidsproducten en parfums’. Rond 1910 kwam de apotheker Alexandre Jaboin met de theorie van ‘microcurietherapie’, geïnspireerd door het succes van curietherapie bij de behandeling van bepaalde vormen van kanker. Hij ging ervan uit dat zeer kleine doses radium levende cellen zouden stimuleren en hun energie zouden verhogen. Deze opvattingen waren niet wetenschappelijk aangetoond, maar ze veroorzaakten een rage voor met radium beladen medicijnen en cosmetica. Verschillende merken begonnen in de loop van de jaren tien de markt te exploiteren, met name Activa en Radior. Omstreeks 1920 trad apotheker Alexis Moussalli in dienst bij de farmaceutische laboratoria van Millot in Parijs. Gebruikmakend van zijn expertise op het gebied van zeldzame aardmetalen bedacht hij de schoonheidscrème Tho-Radia uit, die 0,5 mg thoriumchloride en 0,25 mg radiumbromide per 100 gr crème bevatte. Om zijn eigen merk goed in de markt te zetten, ging hij een samenwerking aan met de arts Alfred Curie, die geen enkele band had met Pierre en Marie Curie, maar de gelijke achternaam deed wonderen. Pierre en Marie Curie hebben blijkbaar nog even overwogen juridische stappen tegen het bedrijf te ondernemen. Alfred Curie registreerde het merk Tho-Radia op 29 november 1932 met de misleidende vermelding ‘naar de formule van Dr. Alfred Curie’. De gezichtscrème had vanwege de veelbelovende genezende en verfraaiende eigenschappen direct een groot succes in Parijs. Het assortiment producten zou namelijk de bloedsomloop verbeteren en rimpels verwijderen, maar zou ook het haar en onaardse stralende glans gaven. De Tho-Radia-crèmes werden opgemerkt door hun herkenbare advertenties, waarin een jonge, blonde vrouw wordt afgebeeld die van onderaf wordt verlicht door zichtbare stralen. Vanaf 1937 werd hert gebruik van radium beperkt tot medische behandelingen en moesten producten met radium het opschrift ‘Gif’ 0f ‘Toxisch’ bevatte. Het bedrijf paste nu de samenstelling aan om de productlijn te kunnen voortzetten. (meer…)
Nigtevecht is het meest noordelijk gelegen dorp binnen de provincie, iets van vijf kilometer ten zuiden van het Nood-Hollandse Weesp. Het dorp werd voor het eerst vermeld in 1281 als Nigftarvechta (aan de Vecht), als een langgerekt dorp op een rivierduin langs de linkeroever van de slingerende Vecht. Dat werd later verbasterd tot Nichtervecht en weer later tot Nigtervecht. De tekening hiernaast toont het vredige dorpje in 1666.
Toen de Franse legers op 12 juni 1672 bij Lobith het land binnentrokken, werden eerst Arnhem en Nijmegen door hen belegerd. Daarna verspreidden ze zich over de IJsselvallei. Er was een plan van de Republiek voor een IJssellinie als eerste verdedigingslijn, maar de vestigingssteden en vestingwerken lagen er al decennialang verwaarloosd en onderbemand bij. Er was ook een plan het gebied in de IJsselvallei te inunderen in geval van een aanval, maar ten tijde van de Franse aanval was dat vanwege de lage waterstand geen optie. Ook hadden inwoners al jarenlang geprotesteerd tegen het plan, zodat er geen voorbereidende werkzaamheden waren verricht. In de IJsselvallei kwam het tot wat gevechten, maar na een snelle Franse overwinning lag de rest van de Republiek helemaal open voor de Fransen. Op 19 juni 1672 viel Naarden en op 23 juni lag het onverdedigde Utrecht zich over aan de Fransen. De republiek had toen in juni 1672 met overstromingen al gezorgd dat het plan van de Hollandse Waterlinie in werking kon treden. Dat was eigenlijk te laat om de inundaties echt succesvol te laten zijn, maar koning Lodewijk XIV treuzelde lang. Hij veronderstelde dat de Republiek het hopeloze van de situatie zou inzien, snel zou capituleren en hem een aantrekkelijke oorlogsvergoeding zou betalen. Bovendien was er onder de Franse soldaten weinig animo te gaan aanvallen en het risico te lopen te sneuvelen. Ze zouden namelijk worden uitbetaald in wissels die in Amsterdam verzilverd moesten worden. Ze vreesden dat na de gewelddadige val van Amsterdam hun wissels waardeloos zouden zijn. Ook voor hen was wachten op de vrijwillige overgave van de Republiek de meest aantrekkelijkste optie. Het gaf de Republiek de gelegenheid de Hollandse Waterlinie in juli 1672 tijdig af te krijgen. (meer…)

.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg
7 – Zelflichtgevende verven
De gevaren van radium werden aanvankelijk niet goed begrepen, de commerciële mogelijkheden des te beter. In het theater werd hoofdzakelijk de term ‘radium’ als wervend middel ingezet, van daadwerkelijk gebruik van het gevaarlijk goedje was meestal geen sprake. Dat werd bij industrieel gebruik een stuk anders. Men ging radium gebruiken voor het produceren van zelflichtgevende verven voor horloges, nucleaire panelen, vliegtuigschakelaars, klokken en wijzerplaten van instrumenten. Een zelflichtend horloge met radiumverf bevatte ongeveer 1 microgram radium. In 1917 werd in Chicago de Radium Dial Company opgericht, een divisie van de Standard Chemical Company, dat de radiumverf Undark produceerde om in hun fabriek in East Orange lichtgevende horloge- en klokwijzerplaten te produceren. Het snel werd kort daarna verplaatste naar Ottawa, Illinois om dichter bij de belangrijkste klant te zijn, de Westclox Clock Company. Op haar hoogtepunt werkte voor de Radium Dial Company ongeveer 1.000 jonge vrouwen, voornamelijk Italiaanse immigranten, die hun eigen verf mengden uit radiumpoeder. Om een fijne penseelpunt te krijgen voor het schilderen van de kleine cijfers, maakten de fabrieksarbeiders de penseelpunt tussen hun lippen nat. Sommigen beschilderden zelfs hun lippen en tanden met de lichtgevende verf om hun echtgenoten en vriendjes te verrassen. Dagelijks werden door hen ongeveer 4.3000 wijzerplaten afgeleverd. In 1922 begonnen veel van de wijzerplaatschilders verontrustende gezondheidsproblemen te krijgen. Toen ze naar artsen gingen over pijnlijke zweertjes in de mond en tandbederf, waren de artsen geschokt toen ze ontdekten dat de botten in hun gezicht en kaken waren gedesintegreerd. Veel vrouwen kregen toen kanker. Artsen vermoedden dat het plotselinge begin van deze vreselijke ziekte bij gezonde jonge vrouwen werd veroorzaakt door de blootstelling aan radiumverf. Verschillende werknemers stierven als gevolg van de werkzaamheden, maar hoewel de gezondheidsrisico’s van radium van lieverlee steeds duidelijker werden, ging het bedrijf tot 1940 verder met het schilderen van fluorescerende wijzerplaten. (meer…)

Foto’s van Julien Vallou de Villeneuve (1795-1866), model Henriette Bonnion
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal, januari 2007, © Frans van den Muijsenberg
6 – Een radium polshorloge
Militairen gebruikten voor de Eerste Wereldoorlog al veelvuldig zakhorloges. Voor officieren was het hebben van een zakhorloges een onmisbaar onderdeel van de uitrusting. Die zakhorloges waren echter onpraktisch bij het paardrijden, in de open cockpits van vroege vliegtuigen of in de krappe omstandigheden van de loopgraven. Het werd veel logischer om in het vervolg de horloge rond de pols te doen. Dat was voor militairen een behoorlijke stap, want voor de oorlog droegen meestal alleen vrouwen polshorloges. Mannen met polshorloges werden als verwijfd beschouwd. Deze trend om toch zo’n vermaledijd polshorloge te dragen zou zijn begonnen tijdens de Boerenoorlog (1899-1902), toen Groot-Brittannië oprukte naar de Boerenstaten Transvaalrepubliek en Oranje Vrijstaat. De soldaten kregen nu een hand vrij die normaal gebruikt werd gebruikt om een zakhorloge te bedienen. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waren de functionele voordelen van het polshorloge al zo ingeburgerd dat al een kwart van de gewone soldaten een polshorloge had. Deze eerste militaire polshorloges waren bestendig, waterdicht en hadden onbreekbaar glas. Een grote innovatieve oplossing, maar het bleef een probleem om op je horloge in het donker de tijd te zien. Het aansteken van een lucifer had het risico dat de vijand je positie kon achterhalen. Horloges met lichtgevende wijzerplaten werden daarom al snel een essentieel veiligheidselement: een must-have-gadget. In het boek Knowledge for War: Every Officer’s Handbook for the Front (1916) van Captain B.C. Lake stond op de lijst onmisbare items ‘Een lichtgevend polshorloge met onbreekbaar glas’, nog vóór ‘Veldkijkers’ en ‘Revolver’. (meer…)
Tadeusz Borowski (Zjytomyr, 12 november 1922 – Warschau, 3 juli 1951) werd geboren in de historische stad Zjytomyr, die toen deel uitmaakte van de Oekraïense Volksrepubliek en een grote Poolse en Joodse minderheid kende. Zijn vader Stanislaw Borowski (1890-1966) en moeder Teofila Karpińska (1897–1993) kwamen uit boerenfamilies in Oekraïne. Ze trouwden in Zjytomyr in 1917. Ze kregen twee zonen, Juliusz en Tadeusz. Stanisław werkte als accountant bij een bijenteelt- en tuinbouwcoöperatie. Sinds de Tweede Poolse Deling in 1793 maakte de stad deel uit van het Russische Rijk en was toen al een belangrijk vervoersknooppunt op een route van Kiev via Brest naar het westen. In 1861 vormde de Joden een derde van de totale bevolking en was de stad een officieel Joods centrum in het zuidelijk deel van deze streek in Oost-Europa, waar Vilnius in Litouwen indertijd dezelfde status had in het noordelijk deel. Voor de Eerste Wereldoorlog had de Joodse bevolking in de Oekraïne met regelmaat te lijden onder pogroms. Dat gold zeker gedurende de korte Oekraïense onafhankelijkheid (1918-1922) toen Zjytomyr de hoofdstad van Oekraïne was. Vanaf de oprichting van de Sovjet-Unie op 28 december 1922 kwam het land onder de heerschappij van de Sovjet-Unie. Tadeusz Borowski was toen net een weekje of zes oud. (meer…)
Denis Claire Baudouin Mesritz (Den Haag, 16 november 1919 – Rathenow, 16 maart 1945) was de jongste zoon van Leo Mesritz (Samarang, 1 november 1876 – Zürich, 20 oktober 1965), een advocaat aan het Gerechtshof te Den Haag, die op 15 mei 1915 op 38-jarige leeftijd trouwde met de 30-jarige Ernestine Emma Claire Tiberghien, een dochter van een advocaat aan het Gerechtshof te Brussel. Het is een schriftelijke afhandeling, want de bruidegom verkleef op dat moment in het Carlton Hotel te Edinburgh terwijl de bruid in dezelfde plaats in het Romburgh Hotel verbleef. De andere kinderen waren Marie-Claire (1919-1973), Lucien (1916-1935) en Jean (1918-1945). Stamhouder van de familie was Wolf Juda, die in 1766 werd geboren in het Pruisische stadje Meseritz, dat voornamelijk Duitse inwoners had maar toch aan de uiterste westgrens van het Poolse koninkrijk lag. Vanwege die strategische ligging werd de stad in de 17e en 18e eeuw in oorlogen meermalen verwoest. Daarnaast waren pogroms tegen de Joodse bevolking in de regio geen onbekend verschijnsel. In 1793 werd de stad bij de Tweede Poolse Deling Pruisisch, in 1807 bij het napoleontische groothertogdom Warschau gevoegd, in 1815 werd het Pruisisch gezag hersteld en bij de provincie Posen (Poznań) gevoegd. Kortom, onzekere tijden in Mesritz, dat door de Polen Międzyrzecz werd en wordt genoemd. Wolf Juda besloot in 1812 naar Nederland uit te wijken. Hier was juist in 1811 de wet aangenomen dat iedereen een vaste achternaam moest aannemen. Zoals erg gebruikelijk werd daarbij vaak de stad waaruit men afkomstig was als achternaam aangenomen. Op deze manier werd Wolf Juda in 1812 Wolf Juda Mesritz, waarbij de tweede ‘e’ uit de plaatsnaam verdween. De ondernemende familie deed het sociaal-economisch erg goed en heeft binnen enkele generaties personen op goede posities en huwelijken gesloten met vooraanstaande families. Ze waren ook lid van de Waalse Kerk, die vanaf de oprichting van de Nederlands Hervormd Kerk in 1815 onder dit kerkgenootschap valt. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

.
Crematorium Beuningen, december 2006, © Frans van den Muijsenberg
3 – De Sunshine Dinner Party
Hetzelfde bedrijf van L.D. Gardner produceerde het gepatenteerde radium-gezondheidswater Liquid Sunshine en introduceerde dat spectaculair in februari 1904 in een Sunshine Dinner. Gardner was hoofd van de amusementscommissie van het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology (MIT). Het feest was alleen toegankelijk voor mannelijke alumni en gasten van het MIT omvatte een spannende vertoning van het nieuwe middel radium. Het was de bedoeling om de aanwezigen te vermaken en om te pronken met de nieuwste wetenschappelijke nieuwigheden. Na de maaltijd werd de eetkamer verduisterd en werden de effecten van lichtgevende verf gedemonstreerd. De meningen hoe dat gebeurde verschillen. Sommigen beweren dat er glow-in-the-dark dansende skeletten en ballonnen waren en er is zelfs een melding dat de oprichter van het MIT zich vertoonde als een gloeiend menselijk skelet. Nog bizarder waren de versieringen met twee glow-in-the-dark kartonnen kippen die om een ei vochten: een visuele verwijzing naar een speculatie eerder dat jaar door een boer uit Washington, dat het mengen van radium met kippenvoer zogenaamde ‘radio-eieren’ zou opleveren, die mogelijk zichzelf hard koken. Het was slechts de opmaat naar het hoofdevenement van de avond, waarbij de aanwezigen een glas ‘Liquid Sunshine’ mochten drinken. Toen de gasten aan tafel gingen, vonden ze naast hun borden een miniatuurmok met daarin een capsule aesculine (een extract uit paardenkastanjes dat net als kinine blauw fluoresceert bij blootstelling aan straling) en een kristallen glas puur, bruisend water. Op signaal van de toastmaster kregen de gasten te horen dat ze de capsule (die eerder zou zijn blootgesteld aan radium) in het glas moesten doen. De capsule zou dan oplossen en het water doordrenken met radioactiviteit, waardoor elk drankje door de fluorescerende aesculine indrukwekkend gloeide in de verduisterde kamer. Er werd daarna een toast uitgebracht, de Liquid Sunshine werd gedronken als een shot whisky en de groep ging verder met het zingen van een aantal opzwepende liedjes. Het tempo werd aangehouden door een dirigent die zwaaide met een glinsterend stokje voorzien van glow-in-the-dark verf. (meer…)
Het Stichtse Pepertje was een illegale uitgeverij die werd opgericht door een aantal medewerkers van de illegale kranten Ons Volk, den vaderlant ghetrouwe en Oranje-Bulletin in Utrecht.
Ons Volk ontstond in de zomer van 1943 doordat studenten en pas afgestudeerden van de universiteiten in Leiden en Utrecht een nieuw illegaal periodiek wilde opzetten, dat in grote oplage kon worden verspreid, een populaire stijl had en zo veel Nederlanders zou aanspreken. Op die manier kon dan de geest van verzet onder de bevolking worden gestimuleerd. Omdat er geen overeenstemming kon worden bereikt over de opzet van het blad, besloten Han Gelder (Indologische Studies te Leiden), en Wim Eggink (kandidaat sociale geografie te Utrecht) om samen de redactie en uitgave te gaan verzorgen. Zij vonden dat er behoefte was aan echte verzetsliteratuur tegen aantasting van ‘de humaniteit’. Ons Volk verscheen vanaf 7 oktober 1943 tot en met 5 juli 1945 in gedrukte vorm vooral in Amsterdam, Utrecht en Den Haag, tot september 1944 maandelijks, daarna ongeveer 2 keer per maand. De oplage varieerde tussen de 55.000 en 120.000 exemplaren. (meer…)
Titus Willem de Tourton Bruijns (Teteringen, 15 mei 1898 – Buchenwald, 6 april 1943) was een telg uit een militair geslacht. De achternaam ontstond nadat Willem von Bruyns (1771-1864) halverwege de negentiende eeuw toestemming kreeg de achternamen van zijn ouders Jan von Bruyns en Elizabeth Maria de Tourton samen te voegen. Deze Willem von Bruyns was in 1788 werkzaam aan het hof van stadhouder Willem V en 1e Luitenant in het Duitse Infanterieregiment 15 von Zach en daarna majoor bij het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL). Deze Willem von Bruyns, inmiddels Willem de Tourton Bruijns, overleed in 1864 op 92-jarige leeftijd in Kampen, waar dat jaar zijn kleinzoon werd geboren. Titus Willem was de zoon van Titus Willem de Tourton Bruijns (Kampen, 1864), eerste luitenant van de artillerie van het Oost-Indische Leger, en Sara Magdalena Jakoba Immink (Bergh, 1863). Het echtpaar had al twee dochters. Drie dagen voor de geboorte van Titus Willem jr. was de vader al verhuisd naar Amsterdam, op 12 augustus 1898 werden ook de moeder en drie kinderen in het Amsterdamse geboorteregister ingeschreven, met de Tweede Oosterparkstraat 234 als definitieve adres van het gezin. Titus woonde bij het uitbreken van de oorlog in Amsterdam, waar hij Inspecteur van de Registratie en Domeinen was. Die waren belast met het bijhouden van registers, het vorderen van vertalingen, de vermelding van een verklaring op de akte, de registratie van meerdere akten als een akte, het waarmerken van renvooien en het nummeren van de akten. Voorts waren zij belast met het afgeven van ontvangstbewijzen en verklaringen. Op 14 mei 1940 was Titus Willem de Tourton Bruijns een van de oprichters van het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF), een van de vroegste verzetsorganisaties in Nederland. Een andere oprichter was Sybrand Marinus van Haersma Buma (Den Haag, 30 december 1903 – Neuengamme, 11 december 1942), die in 1929 op 26-jarige leeftijd burgemeester werd in Stavoren en in 1938 van Wymbritseradeel. (meer…)

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
Radium is een chemisch element, waarvan alle isotopen radioactief zijn; de meest stabiele isotoop is radium-226 met een halfwaardetijd van 1.600 jaar. Wanneer radium vervalt, zendt het als bijproduct ioniserende straling uit die fluorescerende chemicaliën kan opwekken en radioluminescentie kan veroorzaken. Radium werd in 1898 ontdekt door Pierre Curie en Marie Curie toen ze bij het onderzoeken van het mineraal uraniniet na het verwijderen van het uranium uit het mineraal, bemerkte dat het residu nog steeds radioactief was. In 1910 werd radium voor het eerst geïsoleerd in zijn metaalachtige toestand door Marie Curie en André-Louis Debierne door de elektrolyse van radiumchloride. Nadat wetenschappers in Europa in vroege experimenten met succes kankercellen hadden gedood met radium, steeg de vraag naar het element enorm. Zieke patiënten over de hele wereld eisten behandeling met ‘het wonderbaarlijke radium’. Terwijl sommige artsen serieus experimenteerden met een radiumgeneesmiddel voor ziekten als kanker, tuberculose en lupus, werd hun werk overschaduwd door gewetenloze zakenlieden en kwakzalvers die radiumgeneeswijzen voor bijna elke kwaal op de markt brachten. Radium fascineerde de wereld met zijn radioactieve en lichtgevende eigenschappen. Omdat er geen inzicht was in de nadelige gevolgen van stralingsvergiftiging, werd radium een modieuze trend, een medisch wondermiddel en een industrieel wonder. Kranten stelden zich toekomstige steden voor die verlicht zouden worden door radiumlampen, restaurants die glow-in-the-dark radiumcocktails en snoep zouden serveren, radiumkunstmest die de opbrengst van boerderijen zou verbeteren en artsen die radium gingen gebruiken om kanker voor altijd te genezen. De zakenlieden en kwakzalvers maakten echter op agressieve wijze reclame met hun radium-producten en verkochten met enorm succes radiumcrèmes, dranken, zouten en zetpillen die beweerden acne, bloedarmoede, artritis, astma, kaalheid, moedervlekken, blindheid, constipatie, diabetes, struma, verharde slagaders, hoofdpijn, impotentie, krankzinnigheid, rachitis, tandbederf en wratten te genezen. In dit en volgende delen enkele ‘fraaie’ producten uit de ‘Radium-dagen’, die grotendeels duurde van omstreeks 1904 tot 1927. (meer…)
Op 26 oktober 1593 had de soldaat Gil Pérez de wacht buiten het paleis van de gouverneur in Manilla. Extra waakzaamheid was geboden, want een dag eerder was Gómez Pérez Dasmariñas (Betanzos, 1539 – 25 oktober 1593), de zevende Spaanse gouverneur-generaal van de Filipijnen, vermoord. Dasmariñas had bij zijn aanstelling in 1590 de opdracht gekregen om de Audiencia van Manilla op te heffen en de verdediging van de stad te versterken. Hij hief die Audiencia snel op en stuurde de president en de rechters van het tribunaal terug naar Spanje. Voor e verdediging van de stad werd een garnizoen van enkele honderden manschappen opgericht en er werd rond de stad een muur gebouwd, die begin 1593 gereedkwam. Hij liet ook een versterkt Fort Santiago bouwen en spoorde de bewoners van Manilla aan in het vervolg stenen in plaats van houten gebouwen neer te zetten. In 1592 werd de nieuwe stenen Kathedraal van Manilla afgeleverd. Langs de kust liet hij versterkingen bouwen en hij stuurde zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas op militaire expedities naar opstandige gewesten of delen van de archipel waar de Spanjaarden nog niet waren geweest. In 1593 organiseerde Dasmariñas een vloot en troepenmacht van zo’n 900 mensen naar het eiland Ternate van de Molukken om daar het stenen fort van de Hollanders te veroveren. Dasmariñas zou de expeditie persoonlijk leiden. Op 24 oktober 1593 vertrok hij in een galei met Chinese roeiers vanuit Cavite naar Pintados, waar zich de vloot onder leiding van zijn zoon bevond. Op de tweede dag van de reis daarheen kwamen de Chinese roeiers echter in opstand, waarbij gouverneur-generaal Dasmariñas en diverse andere Spanjaarden om het leven kwamen. Zijn zoon Luis Pérez Dasmariñas volgde hem op als gouverneur-generaal van de Filipijnen. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wie kent of heeft gekend André René de Normandiër ’s Jacob in het concentratiekamp Engerhafen bij Aurich?
André René de Normandie s’Jacob (Staverden, 8 september 1921 – Neuengamme, 5 februari 1945) werd geboren op het landgoed Staverden als zoon van de grootgrondbezitter Herman Theodoor s’Jacob en van Elizabeth Jacoba van der Leeuw. Van het geslacht s’Jacob begon de stamreeks met René (Renier) Jacob, in rond 1630 in de omgeving van het Franse Châteaudun geboren, later werkzaam in het lakenbedrijf te Delft en in die plaats in 1708 overleden. Zijn kleinzoon Josué (1693-1776) werd in 1717 poorter van Rotterdam. Het geslacht kende in de loop der jaren vele bestuurders en in de persoon van Frederik s’Jacob (Den Haag, 25 februari 1822 – Utrecht, 3 april 1901) van 12 april 1881 tot 20 januari 1884 een gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In 1911 werd het geslacht opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat en vanaf 7 november 1925 werd per Koninklijk Besluit de toch al ongebruikelijke achternaam ‘sJacob voorafgegaan met de toevoeging ‘de Normandie’, waarschijnlijk als verwijzing naar de afkomst van verre voorvader René Jacob. (meer…)
Naam van het subkamp: Aurich-Engerhafe
Periode van bestaan: 21 oktober 1944 tot 22 december 1944
Aantal gevangenen: 2000 mannen
Type werk: Bouw van vestingwerken en Tankgrachten (Project Friesenwall)
Opdrachtgever: Reichsverteidigungskommissar im Wehrkreis X Militair district X
Tijdens het nationaalsocialistische tijdperk was in alle plattelandsgemeenschappen in Oost-Friesland sprake van een vergelijkbare situatie. Na de machtsoverdracht in het Duitse Rijk zette dit zich ook door in de gemeentelijke instellingen. In de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen werden in 1933 alle burgemeesters ingeruild voor partijleden of mensen die dicht bij de NSDAP stonden. Ook werden er geen gemeenteraadsleden meer gekozen, maar benoemd uit de rangen van de partij. De lokale leider van de NSDAP had het laatste woord over alle besluiten van het gemeentebestuur en de burgemeester. Met ingang van 1 april 1938 werden op bevel van de president van de provincie Hannover de gemeenten Engerhafe, Oldeborg, Upende en Fehnhusen samengevoegd tot de gemeente Oldeborg. De belangrijkste reden was dat de NSDAP niet genoeg gekwalificeerde mensen naar voren kon schuiven voor de diverse politieke functies. In de zomer van 1933 werd op basis van een Reichswet een verkiezing van kerkenraden verplicht, waarin de politieke bestuurders een grote inbreng hadden. Een enorme inbreuk door de nationalistische staat op het traditionele kerkelijk recht, maar er was geen enkel verzet van de regionale kerk. (meer…)
In de buurt van Rockall bevinden zich Hasselwood Rock (200 meter ten noorden van Rockall) en Helen’s Reef (2 km ten oostnoordoosten van Rockall), twee verraderlijke klippen die alleen op zeldzame momenten bij laag water zichtbaar worden, maar verder alleen te herkennen zijn aan de golfpatronen. Hasselwood Rock, op het breedste punt dertien meter en met een oppervlakte van 130 m2, ligt bij laag water slechts één meter boven de zeespiegel en normaliter slechts te herkennen aan brekende golven op de rotsen onder de oppervlakte. Helen’s Reef bestaat uit een serie van rotsachtige eilanden, die ook bijna altijd net onder het wateroppervlakte liggen. Het rotseiland Rockall en deze omliggende klippen bestaan voornamelijk uit fijnkorrelige stollingsgesteente gabbro, dat erg rijk aan olivijn is. Doordat die veel ferromagnetische mineralen bevatten, is er een magnetische anomalie waardoor scheepskompassen in het gebied tot zo’n 15 km afstand van het eiland onbetrouwbaar zijn. Gekoppeld aan de geringe hoogte van de rots en de twee verraderlijke klippen kan dit een groot aantal scheepsrampen in het gebied verklaren. (meer…)
Tot 1948 telde het Koninkrijk der Nederlanden honderden vulkanen, bijna allemaal gelegen in het toenmalige Nederlands-Indië. De topografie van Indonesië wordt gedomineerd door honderden vulkanen, die zijn ontstaan doordat de Euraziatische Plaat en de Indo-Australische plaat onder elkaar schuiven (subductie). De Indonesisxche vulkanen maken deel uit van de zogenaamde Pacifische Ring van Vuur, een hoefijzervormig gebied rondom de Grote Oceaan met veel aardbevingen, zeebevingen en vulkaanuitbarstingen die worden veroorzaakt door verschillende subductiezones van tektonische platen. In deze Ring of Fire treft men vaak diepe troggen in de oceaan aan of een boog van vulkanen. Over een lengte van ruim 40.000 kilometer loopt de gordel rond de Grote Oceaan, te beginnen bij Nieuw-Zeeland en loopt dan via een aantal eilandengroepen naar Indonesië, de Filipijnen, Japan, de Russische eilandengroep de Koerilen, het Russische schiereiland Kamtsjatka en Alaska. Vanaf hier gaat de ring verder langs de westkust van Canada, Amerika, Mexico en de volledige westkust van Midden- en Zuid-Amerika. Er zijn in totaal 452 vulkanen in dit gebied, waarvan 128 actieve vulkanen en daarvan gelden 65 vulkanen als extreem gevaarlijk. Bij het gebied van Sumatra tot Flores in Indonesië schuift de Australische plaat met een snelheid van ongeveer 6 centimeter per jaar onder de Euraziatische plaat. (meer…)

Naam van het subkamp: Alt Garge
Periode van bestaan: 24 augustus 1944 – 15 februari 1945
Aantal gevangenen: 500 mannen
Type werk: Bouw van elektriciteitscentrales
Opdrachtgever: HEW, Fa. Rosseburg, Grün & Bilfinger, Wayss & Freytag
Alt Garge was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hoofdzakelijk een industriegebied met spaarzame bewoning van het personeel van de daar gevestigde bedrijven. Het lag zo’n zes kilometer zuidoostelijk van Bleckede aan de westoever van de Elbe, op bijna tachtig kilometer van Hamburg. In de jaren dertig steeg in Duitsland de vraag naar elektrische energie sterk vanwege het sterk toenemende particuliere elektriciteitsgebruik. Steeds meer huizen en bedrijven kregen elektrisch licht, gaslantaarns werden massaal vervangen door elektrische verlichting en elektromotoren vervingen de stoomaandrijving. Er was een enorme groei van energie-intensieve industrieën, met name voor de wapenindustrie ter voorbereiding op de aanstaande oorlog, die op volle toeren draaide. De Hamburgische Electricitäts-Werke AG (HEW), een bedrijf dat in 1894 werd opgericht om voor Hamburg elektriciteit en stadsverwarming te leveren, plande in Alt Garge een nieuwe, ultramoderne energiecentrale met een vermogen van ongeveer honderdveertig megawatt om te voorzien in de groeiende elektriciteitsbehoefte van Hamburg en de industriële gebieden in het oosten van Nedersaksen en Mecklenburg. (meer…)

Naam van het subkamp: Alderney (I. SS-Baubrigade)
Periode van bestaan: 5 maart 1943 – 22 september 1944
Aantal gevangenen: 1000 mannen
Type werk: Bouw van verdedigingswerken
Opdrachtgever: Opperbevel van de Wehrmacht, Organisation Todt
Het lege eiland Alderney was op 2 juli 1940 door de Wehrmacht bezet. Een maand eerder had Groot-Brittannië de 1.400 inwoners al van het eiland naar Engeland geëvacueerd. Voor de Duitsers moesten de Britse Kanaaleilanden deel gaan uitmaken van hun Atlantikwall. In januari 1942 richtte Organisation Todt op het Britse Kanaaleiland Alderney vier werkkampen in, die allemaal een naam kregen die verwees naar de Oost-Friese eilanden. De vier werkkampen moesten zorgen voor de bouw van verdedigingswerken op het eiland, om het Derde Rijk te kunnen beschermen tegen een gevreesde invasie vanuit Groot-Brittannië. Voor de bouw maakte Organisation Todt gebruik van dwangarbeiders, maar in hun terminologie waren het vrijwilligers (Hiwi’s) die in werkkampen gehuisvest waren. Werkkampen die ze eerst zelf moesten bouwen. Het Lager Borkum lag dicht bij het centrum van Alderney en was het kleinste van de vier kampen. Hier werkte voornamelijk Duitse technici en echte vrijwilligers uit diverse landen. Het Lager Helgoland lag in de noordwestelijke hoek van het eiland; hier werkte voornamelijk Russische Hiwi’s. De mannen in deze twee kampen werden voor hun werk (karig) betaald, maar hun werkomstandigheden en de behandeling door de kampleiding waren uitzonderlijk streng en bijna gelijk aan de beide andere kampen. Deze twee kampen bleven tot het eind van de oorlog onder de bewindvoering staan van Organisation Todt. Van Lager Borkum resteren momenteel nog slechts de toegangspoorten in een open veld, van Lager Helgoland zijn geen sporen meer te vinden op het eiland. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.
Begin 1945 waren er voor het hele kamp ongeveer 49.000 gevangenen geregistreerd, waarvan ongeveer 10.000 vrouwen. Alleen al het hoofdkamp was drie keer overvol met 12.000 gevangenen. Het hele kamp Neuengamme werd beheerd door 2.211 SS-leden. Inclusief de subkampen werden tussen januari 1945 en de ontruiming van het kamp minstens 9.000 doden geregistreerd. Op 15 maart 1945 begon de repatriëring van de Scandinavische gevangenen, vanaf 24 maart 1945 werden de subkampen ontruimd, als eerste de Emsland-kampen. Naar schatting 20.000 gevangenen werden overgebracht naar opvangkampen zoals Bergen-Belsen , Stammlager XB in Sandbostel of Wöbbelin. Vele duizenden gevangenen stierven van de honger. Op 8 april 1945 bombardeerde het Britse leger een gevangenentrein, waarbij ongeveer 2.000 gevangenen omkwamen. Het 9e Amerikaanse leger bevrijdden op 14 april 1945 3.000 vrouwen uit het kamp Salzwedel. Vanaf 19 april 1945 werd het hoofdkamp geëvacueerd. In Neuengamme voerde SS-arts Kurt Heißmeyer (1905-1967) tuberculose-experimenten uit op gevangenen. In de nacht van 20 op 21 april 1945, slechts enkele dagen voor het einde van de oorlog, werden twintig Joodse kinderen vermoord in de kelder van de school aan de Bullenhuser Damm in Hamburg-Rothenburgsort, een gebouw dat sinds oktober 1944 als subkamp werd gebruikt. Hun vier verzorgers en 24 Sovjet-krijgsgevangenen werden samen met de kinderen vermoord. De moord was bedoeld om elk bewijs van menselijke experimenten te verdoezelen voor de naderende Britse troepen. Tussen 20 en 26 april 1945 werden zo’n 9.000 gevangenen naar Lübeck vervoerd en op de schepen Cap Arcona, Thielbek en Elmenhorst geplaatst. Het zinken van de Cap Arcona bij Neustadt op 3 mei 1945 eiste ongeveer 7.100 levens, waaronder 6.600 gevangenen. Ook de stoomschepen Olga Siemers en Rheinfels werden in april 1945 ingezet om concentratiekampgevangenen uit Neuengamme te vervoeren. Eind april 1945 werden de laatste 600 tot 700 gevangenen geëvacueerd, alle dossiers werden vernietigd en het kamp werd gedeeltelijk ontmanteld en opgeruimd. De laatste gevangenen werden overgebracht naar de speciale eenheid SS Dirlewanger. Op 2 mei 1945 troffen Britse troepen het concentratiekamp leeg aan. De laatste gevangenen werden op 10 mei 1945 in Flensburg vrijgelaten. (meer…)
In 1938 begon het SS-bedrijf Deutsche Erd- und Steinwerke GmbH met de stad Hamburg de onderhandelingen voor de aankoop van een terrein van vijftig hectare in de wijk Neuengamme. Daar stond een steenfabriek die al jaren gesloten was, maar er waren hier gebieden die geschikt waren voor de kleiwinning. De contractpartners kwamen overeen een door de stad gefinancierd Concentratiekamp Neuengamme te bouwen, dat zou functioneren als een subkamp van het concentratiekamp Sachsenhausen in Oranienburg (bij Berlijn). Het concentratiekamp moest jaarlijks twintig miljoen stenen gaan leveren voor de herontwikkeling van de oevers van de Elbe. De steenfabriek begon op 12 december 1938 met honderd gevangenen uit het concentratiekamp Sachsenhausen, die door veertig SS’ers uit het concentratiekamp Buchenwald werden bewaakt. Na een inspectie van Heinrich Himmler in januari 1940 werd besloten dat de productie van stenen voor de bestuurdersgebouwen aan de oevers van de Elbe de belangrijkste taak van het kamp zou worden. Hiervoor moet op het terrein een grotere steenfabriek worden gebouwd, moest een spoorverbinding worden aangelegd, een zijkanaal naar de Dove Elbe (een achttien lange zijrivier van de Elbe) worden gegraven, een nieuw havenbekken worden gerealiseerd en moest de Dove Elbe stroomafwaarts worden verbreed.
De consequentie was dat het subkamp in het voorjaar van 1940 door de grote uitbreiding een onafhankelijk concentratiekamp werd. De eerste maand had SS-Sturmbannführer Walter Eisfeld (1905-1940) de leiding van het kamp. In april 1940 werd Martin Gottfried Weiß (1905-1946) als tweede kommandant belast met de opbouw van het kamp. Hij was in 1933 een van de medewerkers in het eerste concentratiekamp Dachau en had in de daarop volgende jaren veel ervaring opgedaan met het begrip ‘Vernichtung durch Arbeit’. De eerste taak die de gevangenen van de SS kregen was een nieuw kamp te bouwen. Eind 1940 werkten hiervoor al 2.900 gevangenen, die zich naast de bouw van hun eigen gevangenkamp ook werkzaam waren in de werkploegen ‘Dove Elbe’ en ‘Klinkerwerk’ om de eerste kleiputten bloot te leggen. Kommandant Weiß onthield de gevangenen elke medische zorg en liet het toezicht op de gevangenen uitvoeren door criminele gevangenisfunctionarissen, die wreder en dus gevreesder waren dan de meeste politieke gevangenisfunctionarissen. Tegen het einde van het jaar waren al 430 gevangenen omgekomen. (meer…)
In de Verenigde Staten was vanaf de dertiger jaren al goed bekend dat antisemitisme een centraal onderdeel was van de nazi-ideologie. Gedurende de jaren van grote economische depressie vanaf 1929 was de NSDAP van Adolf Hitler snel populair geworden, waarbij consequent de Joden werden afgeschilderd als de verantwoordelijken voor alle politieke, sociale en economische problemen waarmee de Duitse bevolking werd geconfronteerd. Daarbij grepen ze terug op al langer bestaande vooroordelen op sociaal-economisch en religieus gebied ten opzichte van de Joodse minderheid. Nadat ze in januari 1933 aan de macht waren gekomen, werd deze lijn dor de nazi’s steeds sterker doorgevoerd. Vanaf 1933 werd een groot aantal anti-Joodse wetten en maatregelen afgekondigd, waarbij de rechtvaardiging steeds was dat de Joden streefden naar wereldheerschappij en daarbij parasiteerde op de Duitse samenleving. Om het beleid te verdedigen gebruikte de nazi’s een keur van raciale argumenten, maar werd ook gebruik gemaakt van negatieve stereotyperingen: communistische subversieve elementen, oorlogsprofiteurs, zwarthandelaren en niet-loyale staatsburgers. Er volgden boycots tegen Joodse winkeliers en boekverbrandingen. In 1935 werden de Rassenwetten van Neurenberg aangenomen waarmee en strikte scheiding tussen Ariërs en niet-Ariërs werd afgekondigd. Tijdens de Kristallnacht in november 1938 werden in Duitsland 1400 synagogen en 7.500 Joodse winkels en bedrijven vernietigd. Ook Joodse huizen, scholen, begraafplaatsen en ziekenhuizen kregen de maken met vernietigende aanvallen. De brandweer en politie was het verboden in te grijpen. Ook in Oostenrijk en Sudetenland werden Joden aangevallen en hun bezittingen vernield. Er zouden minstens vierhonderd Joden zijn vermoord of tot zelfmoord gedreven. Daarnaast werden ongeveer 30.000 Joden overgebracht naar de concentratiekampen in Duitsland, waar ook al snel ongeveer duizend doden vielen. Nadat Duitsland in september 1939 Polen was binnengevallen, in het voorjaar van 1940 West-Europa door hen was overrompeld en ze in juni 1941 waren begonnen aan de veldtocht tegen Rusland, was het voor elke Amerkaan wel duidelijk hoe groot het gevaar vanuit nazi-Duitsland was. IN de beter ingelichte kringen begon ook het besef te komen dat het antisemitisme wel eens kon uitmonden in een grootschalige genocide. (meer…)
.
In de omgeving van Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.
Om de veiligheid van Duitsland te waarborgen gaf Hitler al direct na zijn aantreden in 1933 opdracht voor de bouw van de Westwall, een aaneenschakeling van (ondergrondse) bunkers, betonnen tankversperringen, mitrailleursnesten, loopgraven, prikkeldraadversperringen en mijnenvelden. De Westwall werd gebouwd tussen 1936 en 1945, waarbij de leiding van de werken vanaf 1938 berustte bij ingenieur Fritz Todt. De linie was overigens een reactie op de Franse Maginotlinie, een gigantisch fortenstelsel langs de Duitse grens dat de Duitsers veel ontzag inboezemde. De verdedigingslinie van 630 kilometer liep vanaf Kleef aan de Nederlandse grens tot aan de Zwitserse grens. De Geallieerden noemde het liever de Siegfriedlinie, wat door de Duitsers niet erg werd gevonden omdat deze naam veel beter dan het neutrale Westwall de gewenste ‘onoverwinnelijkheid’ uitstraalde. Toen in 1941 heel West-Europa was bezet, werd het plan gelanceerd een Neue Westwall te bouwen, die langs de kust van Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland, België en Frankrijk moest lopen, een totale lengte van 5.000 kilometer. Met deze verdedigingslijn zou het Derde Rijk worden behoed voor een eventuele invasie van de geallieerden. Bovendien kon via deze ijzersterke linie een groot aantal troepen van de kustverdediging worden vrijgemaakt en worden ingezet om aan het oostfront tegen de Sovjet-Unie te vechten. Om propagandistische redenen werd de linie later de Atlantikwall. (meer…)

.
St. Agnetenweg, wijk 41 van De Kamp, deel van de Lindenholt, kadastraal Neerbosch-West
© Frans van den Muijsenberg.
Op de lijst van Joodse kinderen die via de onderduikadressen van Hanna van der Voort de Tweede Wereldoorlog overleefden komen helaas nogal wat foutjes voor. Zo wordt hierop melding gemaakt van ene Joop van Coevorden, die op 15 november 1933 in Groningen zou zijn geboren en onder de schuilnaam Joop Stolk in Melderslo zat ondergedoken bij de weduwnaar Grad van Helden. In werkelijkheid werd Joop van Coevorden op 15 november 1932 in Haarlem geboren. Hij was de zoon van de handelsreiziger Joshua van Coevorden (Amsterdam, 8 december 1900 – Gleiwitz, 18 januari 1945) en van Grietje (Gré) Waag (Groningen, 13 september 1905 – Haarlem, 25 november 1988). Op 24 juli 1942, in de periode dat de eerste deportaties van Joden begonnen, stond in Het Joodsche Weekblad een advertenties waarin hun beide kinderen Joop en Henny lieten weten het 12,5 jarige huwelijk van hun ouders te herdenken. Op dat moment woonde het gezin aan de Marsstraat 95 in Haarlem-Noord. Op 5 november 1942 berichtte het Algemeen Politieblad dat de Commissaris van Politie van Haarlem de opsporing, aanhouding en voorgeleiding verzocht van Josua van Coevorden, die ervan werd verdacht van woonplaats te zijn veranderd zonder daartoe de vereiste vergunning te hebben. Wat voor de goede verstaander betekende dat Joshua was ondergedoken en de rest van het gezin ongetwijfeld ook. Josua zou op een gegeven moment toch worden opgespoord. Op 24 maart 1944 kwam hij terecht in Westerbork, verbleef daar tot 5 april 1944 toen hij op transport werd gezet naar Auschwitz, waar hij twee dagen later aankom. Joshua zou op 18 januari 1945 sterven in Arbeitslager Gleiwitz IV, een buitenkamp van Auschwitz. In dit kamp, dat in juni 1944 in gebruik werd genomen, werkte de overwegend Joodse gevangenen voor Organisation Todt aan het vliegveld, de haven, bouwden voor de bedrijven Zieleniewski Maschinen en Waggonbau GmbH legervoertuigen om zodat ze op houtverbranding konden rijden, ruimden na bombardementen de ingestorte gebouwen op en bouwden schuilkelders. Op 18 januari 1945 werden de gevangenen die nog fit genoeg waren op transport gezet naar het kamp Blechhammer, een ander buitenkamp van Auschwitz. De ongeveer zestig gevangenen die voor deze zware reis niet fit genoeg waren, werden geëxecuteerd. De 42-jarige Joshua van Coevorden was een van hen. (meer…)



De Britse kunstenaar Andy Edward ontwierp in 2014 een levensgroot kunstwerk over het befaamde kerstbestand in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op het kunstwerk met de titel All Together Now reikte een Britse en Duitse soldaat elkaar de hand reiken, terwijl een voetbal aan hun voeten lag. Een polyester voorontwerp van het kunstwerk werd in december getoond tijdens de voetbalmatch in de Engelse Premier League tussen Stoke City en Chelsea. Een fraaie verwijzing naar de mythische voetbalwedstrijd tussen Duitse en Engelse militairen, eindigend in een 3-2 zege voor de Duitsers. Een wedstrijd die misschien wel nooit heeft plaatsgevonden en zeker niet op die eerste kerstdag. Op woensdag 24 december 2014, aan de vooravond van de honderdste verjaardag van het historische kerstbestand, kwam het kunstwerk aan in Mesen aan, waar het gedurende een paar weken lang op de Markt stond. Daarna stond het ontwerp een tijdje bij de Menenpoort in Ieper en vervolgens begon het model aan een reizende tentoonstelling door Europa, waarbij het onder meer werd tentoongesteld in de buurt van de gebouwen van het Europees Parlement in Brussel en van de Unesco in Parijs. Op 7 juni 2015 zou het ontwerp zijn Europese rondreis beëindigen bij de vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Ierland en Engeland in Dublin. Daar werd echter door de autoriteiten en stokje voor gestoken, omdat men vond dat de betreffende wedstrijd geen enkele relatie had met Duitsland en men bovendien een herhaling vreesde van de supportersrellen die twintig jaar eerder plaatsvonden bij de laatste ontmoeting tussen de Ieren en Engelsen. Het standbeeld was in mei 2015 wel aanwezig bij de Engelse Cup Final in het Wembley stadion. Nadat hiervoor voldoende financiën waren verworven kon het echte standbeeld worden vervaardigd. Op dinsdag 22 december 2015 werd het standbeeld officieel onthuld op de markt in Mesen, voor de ingang van het bezoekerscentrum dat het historische verhaal van Mesen tijdens de Eerste Wereldoorlog toont. (meer…)
Niemand had verwacht dat de oorlog zo lang zou duren. De Duitse legerleiding had de stellige verwachting dat na ‘eine kurze und fröhliche Krieg’ de manschappen half september in Parijs zouden staan. Al snel werd die hoop de grond in geboord. Na de Eerste Slag bij de Marne (5-12 september 1914) groeven de legers zich in en begon een loopgravenoorlog, die uiteindelijk vier jaar zou duren. Tegen Kerstmis 1914 was aan het westelijke front meer dan een miljoen soldaten gesneuveld, gewond, vermist of krijgsgevangen. De Britse legerleiding vreesde een spontaan kerstbestand van de Geallieerde en Duitse militairen. Dat was immers ook gebeurd tijdens de Krimoorlog (1853-1856), de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) en de Tweede Boerenoorlog (1899-1902), toen de vijanden op vriendschappelijke manier samen Kerstmis vierden. Generaal Horace Smith-Dorrien berichtte op 5 december 1914 aan alle hogere officieren: ‘Met Kerstmis vermindert de aanvalsbereidheid. Daarom moeten alle officieren ervoor zorgen dat het vijandbeeld versterkt wordt. Elke vriendelijke omgang met de vijand en alle onofficiële wapenbestanden zijn absoluut verboden.’
Wel kregen de Britse militairen voor de kerstdagen pakjes van thuis en werden er honderdduizenden Princess Mary’s Gift Boxes uitgedeeld, officieel een geschenk van de enige dochter van koning George V, die sigaretten, tabak en een reep chocola bevatten. De legerleiding had voor zichzelf een welverzorgd kerstdiner van ‘koud blikjesvlees en een stuk koude kerstpudding’. (meer…)

.
Uitzicht over Neerbosch-Oost, met op de achtergrond de St. Stevenskerk.
© Frans van den Muijsenberg.
Izaak Levie Creveld (Utrecht, 8 juni 1932 – Utrecht, 28 maart 1992) was de zoon van Benjamin Creveld (Utrecht, 19 december 1903 – Utrecht, 19 januari 1978), waarvan als beroep in de archieven staat dat hij ‘bedrijfsleider en vleeshouwer’ was, dus waarschijnlijk een slager met eigen zaak. Hij was op 24 juni 1931 in Arnhem getrouwd met Eva Bromet (Arnhem, 16 maart 1905 – Amsterdam, 16 december 1989), op het moment van haar huwelijk een ‘rijkstelefoniste’ bij de gemeente Arnhem. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Izaak Levie en Rebecca, roepnaam Rita (1937). Van dit gezin van vier personen zou iedereen de oorlog overleven. Voor andere familieleden gold dat niet. De ouders van Benjamin hadden acht kinderen, waarvan de moeder al in 1934 was overleden, maar de vader Izaak Crefeld (1874), de kinderen Emmanuel (1905), Simon (1909) (zie foto hieronder met zijn echtgenote Jet Keizer), Esther (1912), Mietje (1914), Joseph (1918) en Bertha (1922), hun partners en kinderen werden allemaal vermoord in Auschwitz of Sobibor. Slechts de zonen Samuel en Benjamin (1903) en Samuel (1908) zouden de oorlog overleven. Van de familie van Eva Bromet, de moeder van Izaak Levie Crefeld, kwamen de beide ouders Levie Bromet (1877) en Frederika Kaufman (1880), haar drie zussen Sophia (1909), Cornelia (1913) en Sara (1915), hun drie partners en twee jonge kinderen om in de Duitse vernietigingskampen. Tegenover het geluk van het gezin van Izaak Levie’s gezin staat dus de diepe ellende dat bijna de gehele rest van de uitgebreide familie de oorlog niet had overleefd. (meer…)

.
Wellman Recycling aan de Spijksedijk, halverwege tussen Spijk en Lobith, 16 december 2007, © Frans van den Muijsenberg.
.
Elektriciteitshuisje in De Gildekamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.
Waverveen is een klein dorp in de polder Groot-Mijdrecht, het gebied en voormalige waterschap bij de plaatsen Mijdrecht en Wilnis, ten westen van de Vinkeveens Plassen. Al in de middeleeuwen stond de heerlijkheid Waverveen op de kaart, midden in een agrarisch gebied. De heerlijkheid hoorde bij het graafschap Holland en het baljuwschap Amstelland. Het heerlijkheidswapen was dan ook nauw verbonden met de wapens van onder meer Amsterdam, Amstelveen, Ouder-Amstel en Nieuwer-Amstel. Allemaal wapens die zijn afgeleid van het wapen van Jan van Persijn, met zijn kenmerkende andreaskruizen als zinnebeeld van goddelijke kracht en bescherming tegen het kwade geesten, demonen en onheil. Het teken werd om die reden ook vaak gebruikt bij muurankers als bescherming tegen blikseminslag. Het Wapen van Waverveen had een rood schild met daarop een zwarte horizontale balk waarop twee zilveren andreaskruizen. Vanaf begin zeventiende eeuw werd het landbouwgebied steeds meer gebruikt voor de winning van turf. Tijdelijk erg winstgevend, maar door de grote plassen die ontstonden, verarmde het gebied langzaam. In 1731 verkochten de Staten van Holland de heerlijkheid Waverveen. In 1795 werd Waverveen na de Bataafse Omwenteling met de drie aangrenzende heerlijkheden Waveren, Botshol en Ruige Wilnis samengevoegd tot één gemeente. Het waren inmiddels sterk verarmde gebieden die voor het grootste deel uit water bestonden. Op 1 januari 1819 ging de gemeente van de provincie Noord-Holland over naar de provincie Utrecht. Op 1 januari 1841 werd de gemeente toegevoegd aan de gemeente Vinkeveen en Waverveen, die op 1 januari 1989 opging in de gemeente De Ronde Venen. (meer…)
In 1672 werd het echter duidelijk dat Frankrijk onder leiding van koning Lodewijk XIV van plan was op korte termijn een oorlog met de Republiek te beginnen. In februari 1672 werd weer gesproken over het bouwen van de waterlinie. De Staten-Generaal wilde een gezamenlijke defensie tegen de te verwachte invasie door te zorgen voor een troepenopbouw bij Maastricht, langs de Gelderse IJssel en in de Kleefse barrière. De Staten van Holland en Staten van Utrecht voelden daar weinig voor en onderzochten net als in 1589 twee opties: een waterlinie in de Grebbevallei en een waterlinie langs de Vaartsche Rijn en Vecht, aansluitend op het Horstermeer, Naardermeer en de Hollandse vesting Naarden. Omdat voor Utrecht de verdedigingslinie in de Grebbevallei al snel op grote bezwaren stuitte, resteerde slechts de optie van verdediging langs de Utrechtse Vecht. Op 22 april sloten beide provincies een overeenkomst om een gezamenlijke verdedigingslinie te gaan bouwen, maar al op 11 mei 1672 werden de werkzaamheden stilgelegd. De Staten van Holland hadden hier al geanticipeerd met de benoeming in april 1672 van een commissie die moest onderzoeken of op Hollands grondgebied een eigen waterlinie kon worden gerealiseerd. (meer…)

.
Wellman Recycling aan de Spijksedijk, halverwege tussen Spijk en Lobith, 16 december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
Henny Eickenboom (Den Haag, 22 februari 1933) woonde bij het uitbreken van de oorlog met haar ouders in Maastricht. Haar oorspronkelijke naam was Henny Fresco, de dochter van de ongehuwde Adriana Eleonora Fresco (Den Haag, 9 maart 1911), die op 28 september 1938 in Den Haag zou trouwen met Peter Anton Eickenboom (Wesel, 7 november 1909 – Amstelveen, 28 januari 2001), die in het Amsterdamse Gemeentearchief stond ingeschreven als kantoorbediende en musicus. Hij was de kleinzoon van de Maastrichtse porseleinwerker Piet Eikenboom (Maastricht, 28 juni 1845), die in 1884 met zijn gezin verhuisde naar het Duitse Poppelsdorf, in de omgeving van Bonn. In 1894 emigreerde het gezin voor de tweede keer, nu naar Longwy in de Franse Elzas. Daar raken vader Piet, moeder Jantje en drie van hun zoons in conflict met de familie Balthasar, wat leidde tot wat slagen over en weer en enkele verwondingen. Elk gezinslid kreeg een boete van vijf frank en men keerde weer terug naar Duitsland. Zoon Willem Eikenboom (Maastricht, 9 januari 1878 – Rotterdam, 21 december 1953), de vader van Peter Anton, verhuisde in 1910 voor een paar jaar naar Engeland, maar het is bekend of zijn vrouw en pasgeboren zoon toen meegingen. Peter Anton groeide verder op in Duitsland, de reden dat zijn achternaam toen werd gewijzigd in ‘Eickenboom’. Na de oorlog keerde de gebruikelijke Nederlandse achternaam weer terug. Blijkbaar verhuisde het gezin Eickenboom-Fresco naar Maastricht, de thuisbasis van de echtgenoot. Er werden daar nog drie kinderen geboren: Louis, Lilian en Boudewijn Eickenboom. Henny Fresco werd blijkbaar door Piet, de roepnaam van Peter Anton, erkend als zijn dochter en kreeg de naam Henny Eickenboom. Het was blijkbaar geen gelukkig huwelijk, want op 30 maart 1942 werd het huwelijk na slechts iets meer dan drie jaar ontbonden. Het is ook niet ondenkbaar dat het feit dat het een huwelijk was met een Joodse vrouw een rol speelde. Adriana Fresco bleef gewoon in Maastricht wonen, waar ze op 4 augustus 1945 na een ongelukkige val van de trap op slechts 34-jarige leeftijd zou overlijden. Ex-partner Piet Eickenboom was op 91-jarige leeftijd in Amstelveen overlijden. (meer…)
Col. George Gill Green (1842-1925) werd geboren in Clarksboro, New Jersey als zoon van de slager Lewis M. Green (1818-1894). In de zestiger jaren studeerde hij twee jaar lang medicijnen aan de University of Pennsylvania, maar verliet de opleiding in 1864 zonder te zijn afgestudeerd. Op dat moment was de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) in volle gang en Green meldde zich bij het 142nd Illinois Volunteer Infantry Regiment, waar hij vanaf 1864 tot het einde van de burgeroorlog dienst deed. In 1867 begon hij in Baltimore een groothandel in medicijnen, maar de fabriek werd na enkele jaren door brand geheel verwoest. Hij verhuisde toen naar Ohio om te trouwen met Angie Brown. Het echtpaar Brown-Green kreeg hier hun eerste kind. Later zou nog drie kinderen volgen.
In 1872 nam hij van zijn vader de patentrechten over van twee gepatenteerde geneesmiddelen, wat betekende dat het vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddelen of medicinaal preparaten waren die door een handelsnaam en soms ook een octrooi werden beschermd. Lewis M. Green verkocht zijn elixer onder de naam ‘L.M. Green’, maar George Green introduceerde voor zijn twee handelsproducten de namen ‘Green’s August Flower’ en ‘Dr. Boschee’s German Syrup’. George Green begon daarna een uitgebreide marketingcampagne met onder meer de verspreiding op grote schaal van gratis proefexemplaren en de distributie van duizenden almanakken. Er werd over George Green opgemerkt: ‘It’s not the ingredients that make Green’s August Flower and Dr. Borchee’s German Syrup so fascinating; it’s the marketing genius behind them. If there was a hall-of-fame for peddlers of patent medicines and cure-alls, George Gill Green would be at the top of the heap.’ (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 48 van 15 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Wil lange, donkere man, die zich Juli-Augustus 1944 vervoegd heeft bij DAMES, Hofmeyerstraat 25 II, met de mededeeling, dat Mary Winnink in of op weg naar het Westerbork ontsnapt is, zich met ons in verbinding stellen onder nr. 16 van ons blad.’
Mary Winnik (Amsterdam, 22 augustus 1937 – Auschwitz, 6 september 1944) en Annie Koekoek (Amsterdam, 5 december 1935 – Auschwitz, 6 september 1944) (hieronder twee foto’s van haar) zaten ondergedoken op de adressen Vilgert 247 en Vilgert 267 in Velden, een buurtschap bij Venlo. Ze waren twee van de vele Joodse kinderen uit Amsterdam die door de groep rond Hanna van der Voort in de omgeving in een onderduikadres waren geplaatst. Op dinsdag 4 juli 1944 werden zij daar door opperwachtmeester Johan Berendsen en zijn compagnon Geert Kannegieter, een agent uit Ommen, opgehaald. Omstreeks 17.30 uur werden ze afgeleverd op het politiebureau in Venlo. Uit de notitie in het dagrapport van de gemeentepolitie valt geen emotie af te lezen: “17.30 In bewaring. Voor Berendsen in bewaring gesteld twee Joodsche kinderen genaamd: Marij Winnik en Annie Leesma.” De daaropvolgende dagen werd volstaan met minimale notities. Om acht uur ’s ochtends controleerde men of de gevangenen nog in de cel zaten: “8 (uur) In bewaring … Winnik, Leesma, …” ‘Leesma’ was de onderduikachternaam van Annie, haar echte achternaam was Koekoek. (meer…)

.
Rheinbrücke bij Emmerich am Rhein, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, grafzerk.
© Frans van den Muijsenberg

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Jan Gottlieb, geb. 13 Januari 1916, overgebracht naar Scheveningen op 12 October 1944.’
Hendrikus Martinus Jan Gottlieb (Den Haag, 13 januari 1916 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was de zoon van een Haagse politieagent, later rechercheur. Na eerst twee jaar de Mulo te hebben gevolgd, ging hij vier jaar lang naar de kleermakersschool. Na afronding van deze studie ging hij werken als gediplomeerd coupeur. In 1934 verbond hij zich als aspirant voorgeoefend sergeant bij het Landstormverband ’s Gravenhage van de Vrijwillige Landstorm. Deze organisatie was aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914) opgericht voor vrijwilligers bij het Nederlandse leger en gericht op het verdedigen van Nederland. Aanvankelijk lag de focus op het beschermen tegen een mogelijke socialistische revolutiepoging, maar vanaf begin jaren dertig zag men als grootste gevaar het nationaalsocialisme vanuit Duitsland en de opkomst van de NSB in eigen land. De Vrijwillige Landstorm groeide uit tot een grote organisatie ‘om steun te geven aan het wettige gezag’ met bijna 100.000 leden, verdeeld over ongeveer 1.300 steden en dorpen. Er werd wekelijks geoefend met schieten en er waren jaarlijkse landdagen met grote opkomst. In mei 1940 vocht de Vrijwillige Landstorm met ongeveer 42.000 man mee met het Nederlandse staande leger van 240.000 man tegen de binnenvallende Duitse troepen. Honderden vrijwilligers komen bij de gevechten om het leven. Na de capitulatie werd de Vrijwillige Landstorm door de bezetter opgeheven. (meer…)

.
Landschap bij de Rheinbrücke bij Emmerich am Rhein, juli 2008, © Frans van den Muijsenberg.
Leo Moonen (Heerlen, 31 augustus 1895 – Bergen-Belsen, 2 april 1945) was de zoon van een bakker. Hij werd in 1923 op 28-jarige leeftijd in Heerlen tot priester gewijd. Van 1923 tot 1927 studeerde hij in Nijmegen theologie aan de Rooms Katholieke Universiteit. Toen in mei 1940 Nederland bij de Tweede Wereldoorlog werd betrokken was Leo Moonen al enkele jaren werkzaam als secretaris van het bisdom Roermond. Guillaume Lemmens, de bisschop van Roermond, was een fervent tegenstander van het nationaalsocialisme en wees elke vorm van samenwerking met de Duitse bezetter af. Guillaume Lemmens, Johannes Huibers, zijn collega in het bisdom Haarlem en aartsbisschop Johannes de Jong uit Utrecht, liet gedurende de oorlog verschillende herderlijke brieven uitgaan waarin het beleid en de maatregelen van de Duitsers scherp werden veroordeeld. Aartsbisschop De Jong gaf daarbij leiding aan de katholieke verzet tegen de Duitse bezetter. De Jong kondigde een door Titus Brandsma ontworpen verbod uit over het opnemen van NSB-advertenties in de rooms-katholieke dagbladen. Op 21 februari 1943 werd een gezamenlijke bisschoppelijke brief in de kerken voorgelezen over de Duitse misdaden en in een bisschoppelijk mandement van 16 mei 1943 werd geageerd tegen de verplichte tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland. Gelovigen werden steeds opgeroepen in de lijn van deze brieven niet met de bezetter samen te werken. Door deze principiële afwijzing van de Duitse aanwezigheid en hun beleid werden veel lagere geestelijken en gelovigen ook actief verzet en gingen hulp bieden aan degenen die onder het Duitse beleid grote problemen ondervinden. (meer…)
Emmerich am Rhein, een naam die het pas sinds 1 februari 20011 heeft, daarvoor was het gewoon Emmerich en in het dagelijks gebruik wordt door iedereen dat ‘am Rhein’ ook consequent weggelaten, werd in 828 voor het eerst schriftelijk vermeld onder de naam Emmerik, wat tot de stad door het koninkrijk Pruisen werd overgenomen in 1816 ook de officiële naam was. Emmerik ontwikkelde zich in de Middeleeuwen tot een belangrijke handelsplaats aan de Rijn. Tussen 1307 en 1570 was Emmerik een hanzestad. Tot 1233 berustte het gezag en de rechtspraak over de handelsnederzetting Emmerik bij het kapittel van Sint-Maarten namens de bisschop van Utrecht. Op 12 mei 1233 kwam de stad onder de bescherming van graaf Otto II van Zutphen en Gelre, maar nog twee jaar lang behield de Utrechtse bisschop de rechten op de parochiekerk, het tol- en muntrecht en de rechten op de jaarmarkten. Toen graaf Otto II op 31 mei 1233 aan Emmerik stadsrechten gaf, droeg hij ok de rechtspraak over aan de stad. Door de stadsrechtverlening breidde Otto II zijn gezag en territorium flink uit, allemaal ten koste van de Utrechtse bisschop. Koning II verklaarde echter op de rijksdag van 5 september 1310 te Worms dat deze stadsrechtverlening ongeldig was, omdat de graaf hiertoe net zonder koninklijke goedkeuring had mogen besluiten. Tot 1402 bleef Emmerik behoren tot het hertogdom Gelre . In de 17e eeuw was het fort van Emmerik deel van de Kleefse barrière, de benaming voor een zestal Rijnforten in het Hertogdom Kleef: Rees, Orsoy, Wezel, Emmerik, Büderich en Rijnberk. Ten tijde van het Rampjaar 1672 had de Republiek der Zeven Provinciën er tevergeefs op vertrouwd dat deze forten de Franse opmars flink zouden vertragen, misschien wel tegenhouden. De forten waren trouwens niet in het bezit van de Republiek, maar ze kregen wel toestemming hier garnizoenen te legeren. De Fransen konden de forten zonder slag of stoot innemen, waarmee een definitief einde kwam aan de Nederlandse aanwezigheid en invloed in deze zes plaatsen. (meer…)

.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg
Lennie Boas (Lenie van de Bergh) werd op 16 juli 1931 in Amsterdam geboren. Haar vader Mozes Boas (Amsterdam, 12 oktober 1898 – Auschwitz, 28 januari 1944) was een koopman, die met zijn echtgenote Roosje Boas-Cohen (Amsterdam, 18 augustus 1902 – Auschwitz, 28 januari 1944) en twee dochter Sipora Leny Boas (Amsterdam, 12 december 1924 – Auschwitz, 28 januari 1944) en Lennie Boas woonde op Rijnstraat 129-iii te Amsterdam. Lenie is de enige overlevende van het gezin. De drie anderen werden eind januari 1944 vanuit Westerbork op transport gezet en na aankomst vermoord.
Lennie was toen uit vanuit de hoofdstad overgebracht naar Limburg waar ze werd ondergebracht bij de familie Rutten-Linders in Meerlo. Lennie schijnt het haar onderduikouders niet erg gemakkelijk te hebben gemaakt. Herman van Rees merkt in zijn boek ‘Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog’(2013) over haar op: ‘Soms werden gastgezinnen werkelijk tot wanhoop gedreven door het gedrag van hun pleegkind. Lenie Boas was via Hanna van de Voort ondergedoken bij een familie in Meerlo. Haar gedrag was onuitstaanbaar. Toch wisten de pleegouders het met haar vol te houden tot na de bevrijding. Toen was de maat vol. Zij zetten Lenie buiten de deur en stuurden haar naar Hanna, met een briefje: Wij zijn zo vrij geweest Lenie naar Tienray te sturen. Vermoedelijk had u ze al eerder verwacht. Enfin, vanmiddag heb ik haar weggejaagd, na er eerst nog een bord (dat jammer genoeg tegen de muur in plaats van tegen haar hoofd is terechtgekomen), een vork en een asbak aan gewaagd te hebben. Het afscheid was zo dat een goed geschoolde woonwagenbewoner van de ergste en brutaalste soort haar niet had kunnen verbeteren, wat het bezigen van schimpscheuten en scheldwoorden betreft. Het tekent de solidariteit van de gastouders in Noord-Limburg, dat er toch een gezin in Melderslo werd gevonden dat bereid was het nog eens met Lenie te proberen.’ Dat tweede gezin was de familie Van Gerven-Reinders in Melderslo, waar ze bleef tot ook de rest van Nederland was bevrijd. (meer…)
Deel 7 – Anton de Kom over reis naar Suriname
In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.
Weerzien en afscheid – deel 2.
Voller en voller worden mijn schriften der ellende. Feller en feller worden de hetzartikelen in de blanda pers, ‘de West’ en ‘de Surinamer’. Voorop de pers der Katholieke geestelijkheid. De ‘echo’s uit de missie’ jammerden over de ‘arme misleiden’. Hadden het tegelijkertijd over ‘communistische Creolen en zwarte deernen’. Over ‘sluw overlegd plan’. Men sprak van moorden, brand stichten in huiveringwekkende geheimzinnigheid. Door de straat ratelen nog altijd, dag aan dag, de motorbrigades. En toch, wat kan ik voorloopig anders doen dan in de harten het beginsel der solidariteit planten, het eerste zaadje waaruit naar ik hoop eenmaal de sterke, goedgefundeerde organisatie zal groeien die wij noodig hebben. (meer…)
Deel 6- Anton de Kom over reis naar Suriname
In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.
Weerzien en afscheid – deel 1.
Sranang, mijn vaderland, ik heb U weergezien, en uwe schoonheid was zooals ik die vaak gedroomd heb, verlangend woelend in mijn bed in Holland. Over het diepe blauwe water van den Oceaan draagt de ‘Rensselaer’ mij naar uw kusten. Vliegende visschen, als dansende diamantjes, schrikken op bij het naderen van de boot, vliegen vijf à zes meter verder, werpen zich dan opnieuw, een zilveren spoor teekenend, in het water. De lucht is vochtig en frisch, een sterke passaatwind waait om mij heen met den adem der vrijheid. Als het monotone geluid der meeuwen zingt door mijn hart verlangen naar het weerzien. (meer…)
In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Willem Hanegraaf, geb. 20-9-’21, wonende te Den Haag, P. v. Troostwijkstr. 255; gearresteerd 12 October 1944 en naar Scheveningen gebracht.’
Willem Hanegraaf (Nijmegen, 20 september 1921 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was een ongehuwde zoon van het gereformeerde Nijmeegse echtpaar Govert Hanegraaf (Gameren, 13 augustus 1893) en Antje de Zwart (Boksum, 11 november 1892). Hij werkte bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag als kantoorbediende bij het Bedrijfschap Zuivel. In mei 1941 raakte hij bij het verzet betrokken toen in Rijswijk en Delft werd herdacht dat een jaar eerder de Duitse inval had plaatsgevonden. Er werden in beide plaatsen duizenden enveloppen met illegaal vervaardigde circulaires verspreid. In mei 1943 hielp Hanegraaf mee bij het verzenden door het verzet van duizenden circulaires waarin Nederlandse officieren en militairen werd opgeroepen geen gehoor te geven aan de Duitse oproep zich te melden voor krijgsgevangenschap. (meer…)
Yisrael Meir Lau werd op 1 juni 1937 geboren in Piotrków Trybunalski en was een van de zeer weinige uit zijn geboortestad die de oorlog overleefde. Zijn vader, rabbijn Moshe Chaim Lau (Lviv, 22 mei 1891 – Treblinka, oktober 1942) was de laatste opperrabbijn van deze stad en werd op 51-jarige leeftijd vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Toen Yisrael Meir Lau nog maar amper zes jaar oud was werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Treblinka en daar gescheiden van zijn vader Moshe en moeder Chaya Fraenkel-Teomim (Chrzanow, 1 januari 1900–Ravensbrück, 1945), die uiteindelijk in de loop van 1945 in het Duitse concentratiekamp van ontbering zou sterven. Ook bijna alle andere kinderen van het gezin zouden de oorlog niet overleven. Slechts Yisrael Meir Lau en zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie (1926-2014) zouden wel overleven en naar Palestina emigreren. Op 21 augustus 1943 werd Treblinka ontmanteld en werd het gehele terrein omgebouwd tot een boerderij. Een Oekraïense bewaker bleef achter om de indruk te wekken dat er niets bijzonders was gebeurd en ook om te voorkomen dat de lokale bevolking zou gaan zoeken naar mogelijk achtergebleven kostbaarheden. De laatst overgebleven Joodse gevangenen werden overgebracht naar Sobibór. In november 1943 resteerde er niets meer van Treblinka, waar na Auschwitz de meeste Joden werden vermoord. De jonge Yisrael Meir Lau kan dus nooit erg lang in dit concentratiekamp hebben verbleven. Hij werd uiteindelijk op 11 april 1945 bevrijd in het concentratiekamp Buchenwald, nog geen acht jaar oud. Dat hij die erbarmelijke omstandigheden wist te overleven schreef Yisrael later toe aan de heldhaftige inspanningen van zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie, die hem samen met andere gevangenen de hele tijd verborgen hield. (meer…)
Cilie Blitz (Tineke Kuipers en Anneke Schouten) was de dochter van Louis Blitz en Anna van Lochem, die beiden op 4 juni 1943 in Sobibor werden vermoord. De ouders van Anna van Lochem waren Elias van Lochem (Amsterdam, 25 maart 1880 – Amsterdam, 12 juni 1929) en Eva van Dal (Amsterdam, 15 september 1880-Sobibor, 23 april 1943) die op 18 juni 1902 in hun beide geboortestad trouwde. Op het moment dat Elias werd opgeroepen voor de keuring voor militaire dienst was hij diamantversteller, maar ten tijde van zijn huwelijk was hij venter van beroep. Vanaf 1903 woonde aan de Verwersstraat, waar de beide kinderen Salomon van Lochem en Anna van Lochem werden geboren. Daarna verhuisden men nog een paar keer. Vanaf 1923 hadden Eva en Elias allebei marktkaarten voor de Nieuwmarkt met ‘kanten en stroken’. Eva stond ook zelf op de markt aan de Westerstraat met ‘borduursels en modeartikelen’. Elias overleed op 12 juni 1929 in Amsterdam. In 1930 trouwde dochter Anna met Louis Blitz. Zoon Salomon trouwde in 1933 en Eva trok toen in bij haar dochter Anna en schoonzoon Louis, die toen aan de Slingerbeekstraat 25 III hoog in de Rivierenbuurt woonden. Na een paar maanden vertrok Eva naar de Geulstraat 19 II hoog, waar ze bleef wonen tot 9 december 1942. Ze trok toen in hij haar zoon Salomon en zijn vrouw aan de Maasstraat 140 III hoog. Dit is haar laatst bekende woonadres, want ze werd opgepakt en naar Westerbork gebracht. (meer…)
Fred Benedik (Beek, 18 juli 1911-Sittard, 3 december 1974) was bij de familie Dinghs in Castenray, ook door de bemiddeling van Hanna van der Voort (foto). Hij trouwde op 16 augustus 1946 te Venray voor de burgerlijke stand en op 3 september 1946 werd in Castenray het kerkelijk huwelijk voltrokken met Petronella Hubertina Dinghs, de dochter van de zijn onderduikgezin. Hij zette later in Landgraaf de voormalige slachterij Benedik op. Fred Benedik was al volwassen toen hij als Jood moest onderduiken. Zijn vader Jacob Benedik (Schimmert, 27 januari 1870-Sobibor, 14 mei 1943) stamde uit een familie van handelaars, aanvankelijk in dierenhuiden, later in vee en vlees. In 1899 trouwde hij met de Duitse Johanna Brückheimer (Külsheim, 18 oktober 1875-Sobibor, 14 mei 1943). Het jonge echtpaar vestigde zich in Beek en kreeg vier kinderen: Selma (1900), Leo (1902), Bertha (1903) en Fred (1911). Jacob vormde samen met veehandelaar Joep Wolf het bestuur van de Joodse hulpsynagoge in Beek. De twee ondertekenden in januari 1943 een brief waarin zij weigerden de heilige wetsrollen uit de synagoge van Beek elders veilig onder te brengen. Op 24 augustus 1942 overhandigden Beekse politiemensen aan Joden die jonger waren dan 60 jaar een schriftelijke ‘oproeping’ met het bevel zich op 25 augustus te melden op een verzamelplaats in Maastricht om vervolgens te worden overgebracht naar Westerbork. De twee zonen Leo en Fred kregen ook een oproep. Fred dook dankzij de hulp van twee Beekse vrienden onder en kwam terecht in Castenray. Leo Benedik meldde zich wel in Maastricht en werd op 28 augustus 1942 gedeporteerd. Bij een tussenstop in Cosel werd hij uit de trein geselecteerd en ingezet bij dwangarbeid in Silezië voor de Organisation Schmelt. Op 30 april 1943 bezweek hij op een onbekende plaats in Midden-Europa. (meer…)

.
Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.
Het district van Arthur Greiser stond niet alleen met de massale deportaties in de voorhoede van ‘interne rassenzuivering’ volgens nazi-idealen. Twee SS’ers die direct onder Greisers bevel stonden, SS-Standartenführer Ernst Damzog en SS-Obergruppenfüfrer Wilhelm Koppe, zorgde in mei-juni 1940 voor de deportatie van geestelijk gehandicapten aan het Sonderkommando van Herbert Lange, die in de Reichsgau Oost-Pruisen verantwoordelijk was voor het vergassen van duizenden patiënten uit psychiatrische inrichtingen. Greiser zorgden voor de hervestiging van Volksdeutsche vluchtelingen uit op de Sovjet-Unie veroverde gebieden. Tussen oktober en december 1939 werden bijna 60.000 Volksduitsers vanuit de Baltische staten Estland en Letland naar Duitsland overgebracht. Later werden ruim 100.000 Volksduitsers, voornamelijk boeren en plattelandsmensen, geëvacueerd uit Wolynië en Oost- Galicië naar de omgeving van Lódz, dat intussen was aangewezen als het belangrijkste opvangcentrum van de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi). In mei 1940 werden nog eens 30.000 Volksduitsers overgeplaatst vanuit het Generalgouvernement overgeplaatst naar Greisers Reichsgau. Vanaf juni 1941, tijdens de Duitse invasie en bezetting van de Sovjet-Unie, werden nog eens 300.000 etnische Duitsers uit Rusland en Oekraïne naar Reichsgau Wartheland geëvacueerd. Daar werd Posen inmiddels beschouwd als de meest gegermaniseerde stad in de veroverde gebieden. Dat werd op 3 augustus 1943 in aanwezigheid van kopstukken als Martin Bormann, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler feestelijk gevierd. (meer…)
Deel 5- Anton de Kom in LinksRichten
In Links Richten, nummer 5-6 van maart 1933 verschenen twee artikelen over de reis van Anton de Kom naar Suriname.
Het eerste, korte artikel bevatte een kort berichtje van Adekom, het weinig verhullende pseudoniem van De Kom, en een redactionele toevoeging over diens snelle arrestatie na aankomst.
In het tweede artikel, ‘Hoe Van der Sleen Suriname zag’, gaf De Kom zijn eerste impressies van de levensomstandigheden in Suriname voor de arbeiders, waarin de auteur ingaat op de lezingen die de Nederlandse schrijver en ‘ontdekkingsreiziger’ Wicher van der Sleen eind 1932 had gehouden over zijn bezoeken aan Indonesië en Suriname. Het geeft een aardig beeld van hetgeen hij in januari 1933 aan zijn Surinaamse toehoorders moet hebben gemeld en wat het gezag ter ore moet zijn gekomen.
In nummer 8 van LinksRichten iets later in 1933 verscheen een gedicht van Bertus Meijer, waarin de inmiddels weer in Nederland teruggestuurde Anton de Kom en zijn Surinaamse medestanders een hart onder de riem werd gestoken. (meer…)
Deel 4- Anton de Kom in Suriname
Anton de Kom (Paramaribo, 22 februari 1898 – Kamp Sandbostel, Neuengamme, 24 april 1945) was een Surinaamse antikoloniale schrijver en nationalist en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland een verzetsstrijder. De Kom was de zoon van de boer Adolf Damon de Kom en Judith Jacoba Dulder. Zijn vader was nog geboren in slavernij en behoorde toe aan de slavenmacht van plantage Molhoop, in eigendom toebehorend aan Hendrik Jan Veldwijk. Zijn naam is waarschijnlijk afgeleid van een plantage-eigenaar Mok. Zijn moeder kwam uit een familie die in 1841 werd vrijgekocht; ze had een winkel. Anton de Kom vertrok eind 1920 naar Nederland, waar hij omstreeks 1925 vertegenwoordiger in koffie, thee en tabak was voor de Haagse koffiebranderij Reuser en Smulders. Hier leerde hij zijn latere echtgenote Nel Borsboom, met wie hij vier kinderen zou krijgen. Hij was actief in diverse socialistische en antikoloniale organisaties. Zo was hij in 1927 aanwezig op de oprichtingsvergadering in Brussel van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking. Hij riep daar Mohammed Hatta en andere Nederlands-Indische leiders op om op te staan tegen het kolonialisme. Ook was hij betrokken bij Indische studentenverenigingen die zich afzetten tegen het kolonialisme en bij Links Richten, een vereniging met sympathie voor het Russische communisme, en het communistische dagblad De Tribune. De Centrale Inlichtingendienst (CID) had hem in 1929 al in het vizier en had het over één West-Indiër die zich ophield bij de antikoloniale beweging Perhimpoenan Indonesia. (meer…)
Jouno Birnbaum (Joke Pereboom) werd op 4 april 1939 in Rotterdam geboren. Zijn vader Henri Birnbaum was daar administrateur van het Joodse kerkhof. Henri Birnbaum had drie broers en een zus, die alle vier in Auschwitz of Sobibor om het leven kwamen: Marcus Birnbaum (1891-1943), Louise Cahn-Birnbaum (1892-1943), Betsij Workum-Birnbaum (1893-1943) en Simon Sigmund Birnbaum (1894-1943). Ook hun echtgenoten, kinderen en aangetrouwde familieleden werden tijdens de oorlog bijna allemaal vermoord.
Alleen van Simon Sigmund Birnbaum (Amsterdam, 17 juni 1894-Sobibor, 23 juli 1943), de oom van Jouno Birnbaum is een redelijke beschrijving te vinden. Op 17 november 1924 trouwde Simon met Jeanne Charlotte Lang (Zürich, 11 augustus 1904-Sobibor, 23 juli 1943). Het echtpaar kreeg drie kinderen. De eerste twee werden in Amsterdam geboren: Eugène Arthur op 2 september 1925 en Doris Sabine op 27 april 1928. In februari 1931 verhuisde de familie Birnbaum van Amsterdam naar Hilversum. Daar werd op 13 februari 1936 Elly Rosalie geboren. De verhuizing naar Hilversum was nodig vanwege de aanstelling van Simon als directeur van het Bioscooptheater Casino (voorheen Feest- en Concertgebouw Trianon). Het pand met een voor die tijd vooruitstrevende architectuur werd in 1912 gebouwd als autogarage en showroom voor de welgestelden uit Hilversum en omstreken. Simon was actief in het Hilversumse Joodse leven: hij was penningmeester van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Hilversum en tijdens de oorlog werd hij plaatselijk Hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad te Hilversum. In 1939 nam men de Duits-Joodse vluchteling Heinz Erich Pfifferling (1926-1945) in huis. (meer…)
John Blom (Jan Blom) werd op 27 oktober 1930 geboren als tweede zoon van Maurits Blom (Amsterdam, 21 september 1894 – Sobibor, 16 juli 1943) en Rachel Blom-Maij (Amsterdam, 29 september 1894 – Auschwitz, 19 november 1943), aan Rijnstraat 58 in Amsterdam een luxe banketbakkerij annex chocolaterie genaamd ‘Maison Blom’ hadden, bekend van de orgeade- en gemberbolussen. De clientèle kwam uit de hele stad. Zijn acht jaar oudere broer Daniel Gerrit Blom (Amsterdam, 24 mei 1922 – Sobibor, 4 juni 1943) was na de middelbare school het diamantvak ingegaan bij de Firma May op de Ceintuurbaan, ongetwijfeld familie van moederskant. In het gezin werden veel boeken gelezen en werd naar klassieke muziek geluisterd. Het gezin was niet godsdienstig, maar onderhield wel bepaalde joodse tradities. John Blom publiceerde in 2008 als enig overlevende kind uit dit gezin zijn levensverhaal ‘Nooit meer naar huis. Mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. John verbleef sinds 1 september 1943 tot 1 augustus 1944 bij het gezin Custers-Claessens in Swolgen. Daarna was hij nog een tijdje bij een pleeggezin in Sint Hubert. Op Joods Monument plaatste hij in januari 2011 drie korte ‘Herinneringen aan het gezin Blom-Maij’ ter herinnering aan zijn beide ouders en broer. John Blom heeft zijn ervaringen opgeschreven in het boek ‘Nooit meer naar huis : mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. (meer…)

Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.
Arthur Karl Greiser (1897-1946) is een van de tienduizenden onbekende Duitse ‘Schreibtischtäter’, die Hannah Arendt in haar beroemde boek in 1963 over het proces tegen Adolf Eichmann al beschreef en betitelde als ‘the bureaucracy of murder“ en ‘the modern, state-employed mass murderers’. De soort moordenaars die vaak wegkomt met alle wandaden die ze onder hun verantwoordelijkheid hebben laten plegen, terwijl de ondergeschikten wel vaak (en terecht) zwaar moeten boeten voor de door hen medegepleegde massamoorden. De nazi-politicus, SS-Obergruppenführer, Gauleiter en Reichsstatthalter van de Reichsgau Wartheland had niet dat geluk. Hij was primair verantwoordelijk voor het organiseren van de holocaust in zijn deel van bezet Polen en voor tal van andere misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd in 1945 door de Amerikanen gearresteerd en in 1946 in Polen berecht, veroordeeld en geëxecuteerd door ophanging.
Greiser werd op 22 januari 1897 geboren in Schroda (nu Środa Wielkopolska) in de toenmalige Duitse provincie Posen als zoon van een lokale gerechtsdeurwaarder, in de omgeving van Poznan. Tijdens zijn jeugd binnen een overwegend Poolse gemeenschap leerde hij vloeiend Pools spreken. Na de lagere school volgde hij eerst twee jaar de middelbare school en daarna het Königlich-Humanistisches Gymnasium in Hohensalza, een oud Poolse stadje dat centraal ligt in de driehoek Lódz-Poznan-Bydgoszcz. Die naam kreeg het pas in 1904, voorheen heette het Inowrocław, dat het na 1945 weer aannam. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, verliet de zeventienjarige Greiser de school zonder een diploma te hebben behaald om op 4 augustus 1914 vrijwillig dienst te nemen in de Duitse Keizerlijke Marine. Van augustus 1914 tot juli 1915 was hij gelegerd bij de marine in Fort Korügen, en Fort Laboe, die tot 1919 op de oostelijke rivierkant deel uitmaakte van forten voor de landverdediging van de belangrijke marinebasis in Kiel. (meer…)
Deel 3- Wolfenbüttel als strafkamp
Het opsluiten van Louis Doedel, een van de organisatoren van de Hongeroproer in 1931, in de psychiatrische inrichting Wolfenbüttel was geen eenmalige actie van het koloniale bewind. De link tussen Surinaamse namen van plantages en nederzettingen met Duitsland, waarvan Wolfenbüttel er slechts een van de velen is, is uiteengezet in een artikel op Buku-Bibliotheca Surinamica van Carl Haarnack. In 1737 werd voor het eerst melding gemaakt van de ‘coffiegrond Wolffenbuttel, gelegen aan het reypad’’, vlakbij Paramaribo. Rond 1891 besloot het koloniaal bestuur om een stuk land van 85 ha groot bij plantage Wolfenbüttel aan te kopen om te dienen als ‘bewaarplaats voor de geesteszieken’. In 1895 kon in de directe omgeving van Plantage Wolfenbüttel de inrichting voor psychiatrische patiënten in gebruik worden genomen. De inrichting werd in de volksmond vaak ‘Kolera’ genoemd, omdat voorheen psychiatrische patiënten werden opgesloten in barakken die eerder waren gebruikt om cholerapatiënten in quarantaine op te sluiten. Op 10 augustus 1896 werd dr. F.C. Dobberke, psychiater en geneesheer aan het provinciaal gesticht voor krankzinnigen Meer en Berg in de gemeente Bloemendaal benoemd tot eerste geneesheer-directeur van het krankzinnigengesticht. Er werd begonnen met veertig patiënten (26 mannen, 14 vrouwen) bij een capaciteit van honderd bedden en een personeelsbestand van zeven personen. De patiënten werden toen nog steeds in isolatie gehouden, maar er werden, zonder grote successen overigens, wel door de uit Nederland overgekomen Dobberke nieuwe behandelingsmethoden toegepast, zoals koortsbehandeling, badtherapie, therapieën waarbij insuline en cardiazol werd gebruikt en elektroshocktherapie. In 1912 werd de Krankzinnigenwet afgekondigd, waarin werd bepaald dat de procureur-generaal verantwoordelijk was voor de opname en verpleging van krankzinnigen in het gesticht. (meer…)
Zilli Bak (Thea Maarschalkerweerd), geboren op 14 mei 1937, was de dochter van winkelier Benediktus Bak (Den Haag, 4 mei 1909 – Auschwitz, 30 juni 1944) en Debora Bak-Lehrer (Mochnate, 15 november 1913 – Auschwitz, 28 januari 1944), die van Poolse afkomst was. Benedictus Bak was een zoon van Joël Bak en Kaatje Bak-Gobes die in de Wagenstraat 165 te Den Haag een winkel in belegde broodjes hadden, waar het echtpaar ook woonde. Ze hadden ook nog een winkel in Scheveningen. Het echtpaar had drie kinderen: Benedictus, Joseph en Betsy. Vader Joël Bak overleed onverwachts op zestigjarige leeftijd in Amsterdam op 12 augustus 1942.
Benedictus (bekend als Ben) en Joseph (Joop) werkten in de broodjeszaken, die bekend waren om hun heerlijke om hun kroketten. Ze woonden toen in de Koningin Wilhelminalaan 21 in Leidschendam. Er woonden aan het begin van de oorlog slechts 25 Joden in Leidschendam, inclusief Stompwijk dat in 1938 bij Leidschendam was gevoegd. Eind 1940 werd in Leidschendam Hendrik Banning benoemd tot burgemeester, nadat hij omstreeks oktober 1940 na slechts een half jaar moest vertrekken als burgemeester van Tubbergen om plaats te maken voor een nationaalsocialist. Al twee maanden na zijn benoeming vond In Leidschendam een aanslag plaats op zijn ambtswoning, waar geen gewonden bij vielen, want er waren grote twijfels over de politieke gezindheid van de nieuwe burgemeester. Dat bleek niet terecht en in 1942 werd hij door de Duitsers dan ook vervangen door NSB-burgemeester Simonis. (meer…)
Lea Szanowski (Lenie de Groot) was de dochter van de Amsterdamse kleermaker Abram Szanowski (Lodz, 28 juli 1907-Mauthausen, 10 oktober 1941) en Gitel (Guta) Goldblum (Lodz, 15 februari 1914 – Buenos Aires, 16 september 2003). De ouders van Abram hadden in Lodz een kruidenierswinkel. Begin 1926 vertrok broer Jacob vanuit Lodz naar Amsterdam, Abram volgde hem in 1928. Beide broers waren kleermaker en vonden werk bij de confectiefabriek van David Nord op de Nieuwendijk. Jacob had nog een tijdje een ijswinkel, maar later begonnen de broers samen in de Van Swindenstraat 3 in Amsterdam-Oost, waar Abram vanaf eind 1933 woonde, de ‘Weener Kleerdermakerij’ waar ze klleding op maat maakten. Toen Abram in 1936 voor een bezoek terugging naar zijn geboortestad, ontmoete gij daar Gittel Goldblum. Op 13 augustus 1936 traden ze in Lodz in het huwelijk, maar pas bijna een jaar later kon Gitel zich bij haar man voegen die toen in de Van Swindenstraat in Amsterdam woonde. In november 1938 werd hun eerste dochtertje Lea geboren en op 8 januari 1941 hun tweede, Estera (roepnaam Elli), die was vernoemd naar Abrams zus, die ook naar Nederland was gekomen maar in het kraambed was gestorven. Abram zou zijn jongste dochtertje maar zes weken mee. Toen hij op zondag 23 februari 1941 naar het centrum van de stad ging om boodschappen te doen, werd hij bij de tweede razzia opgepakt. Als gevolg van al maandenlange spanningen en conflicten tussen enerzijds leden van de nationaalsocialistische Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB en anderzijds communistische knokploegen en de Joodse bevolking in de stad, culminerend in de dood van WA-man Hendrik Koot en rellen rond diens begrafenis, voerde de Duitsers op 22 en 23 februari 1941 twee razzia’s uit. Er werden ongeveer 400 Joden opgepakt en overgebracht, waar de meeste om het leven kwamen. De twee razzia’s leidden tot een golf van ontzetting onder de Amsterdamse bevolking en waren de directe aanleiding voor de Februaristaking (25-26 februari 1941). Abram Szanowski was een van de opgepakten. Hij kwam via kamp Schoorl en Buchenwald in Mauthausen terecht, waar hij op 10 oktober 1941 stierf. (meer…)
Pannerden werd voor het eerst omstreeks het jaar 1.000 genoemd. Het is dan een nederzettinkje in de omgeving van een versterkt huis, waarschijnlijk de Heukelumshof dat later bekend zou worden als het Kasteel Byland. Het kasteel zou rond 1726 door de rivier zijn weggespoeld. De nederzetting behoorde in die tijd toe aan de bisschop van Luik. In 1284 werd de nederzetting Pannerden door de Proost van Luik verkocht aan het kapittel van Emmerik, die het daarna in erfpacht uitgaf aan Willem Doys, die al het Kasteel Byland (ook wel Kasteel Scate genaamd) van de Graaf van Kleef in leen had. Door het huwelijk van Willem’s kleindochter Sophia met de Graaf van Bergh in 1346 werd Pannerden een leen van het Huis Bergh, wat het tot 1801 zou blijven. In dat jaar werd de heerlijkheid Pannerden gekocht door Carel Herman van Nispen. In 1600 was Pannerden tijdens de reformatie gereformeerd geworden, maar van de Pannerdense kerk werd slechts het koor van de kerk door de gereformeerden voor de diensten gebruikt. Het kerkschip raakte in verval en op die plaats werd toen een schooltje gebouwd. In 1878 werd een nieuwe kerk gebouwd, de Sint-Martinuskerk.
Tot 1817 behoorde Pannerden tot het koninkrijk Pruisen, maar werd in dat jaar overgedragen aan het Koninkrijk der Nederlanden en werd op 1 januari 1818 een zelfstandige gemeente. Op die dag werd de gemeente Herwen verdeeld door het ene gedeelte verder te laten gaan als gemeente Pannerden en de andere helft als de gemeente Herwen en Aerdt, waartoe ook de opgeheven gemeente Lobith werd gevoegd. (meer…)
Deel 2- Het tragische leven van Louis Doedel
Over de activiteiten van De Kom in Suriname wordt in de delen 4, 5 en 6 ingegaan. Eerst echter het tragische verhaal van hoe het Louis Doedel vanaf het vertrek van Anton de Kom in mei 1933 is vergaan.
In 1933 zette Louis Doedel een ‘Kantoor voor Algemene Zaken’, dat een vakliedenbeurs kende om beter zicht te krijgen op de omvang van de werkloosheid en om te bemiddelen bij werk. In de jaren daarna gaf hij een hele serie pamfletten, manifesten en kranten uit, waaronder De Banier, De Meidoorn en Jong Suriname. Hierin vroeg hij voortdurend aandacht voor de problemen waarmee arbeiders, kleine boeren en werklozen in Suriname te kampen hadden. In alle publicaties verweet hij consequent het koloniaal bewind een krachteloos beleid te voeren tijdens de jarenlange economische crisis. Door zijn politieke activiteiten en geprononceerde stellingname raakte Doedel onvermijdelijk in conflict met de koloniale autoriteiten. In 1934 raakte Doedel in conflict met procureur-generaal Frans van Haaren over het artikel ‘Welk parool?’ in zijn maandblad ‘Jong Suriname’, met een heftige aanval op de Nederlandse kruidenierspolitiek ten aanzien van Suriname. In 1935 publiceerde hij crisismanifesten, waarin hij twee jaar ‘laissez-faire-bestuursbeleid’ van gouverneur Johannes Kielstra (die in oktober 1933 gouverneur Rutgers had opgevolgd) onder de loep nam. (meer…)
Deel 1- De voorgeschiedenis
Vanaf eind achttiende eeuw bevond de economie van Suriname zich in een neerwaartse spiraal. De opkomst van concurrerende producten zoals bietsuiker uit Europa en katoen uit de Verenigde Staten was goed merkbaar. De afschaffing van de slavernij in 1863 was een tweede factor van betekenis. Door de opening van het Suezkanaal waren er steeds betere investeringsmogelijkheden in het toenmalige Nederlands-Indië, wat ten koste ging van investeringen in Suriname. Bovendien volgde de Nederlandse regering een laissez-faire politiek in plaats van problemen planmatig aan te pakken. Als gevolg van dit alles verlieten vele voormalige slaven de plantages in de binnenlanden en trokken naar de steden, met name naar Paramaribo. Het koloniaal bestuur speelt hierop amper en in bleef krampachtig vasthouden aan de plantagelandbouw en de eind negentiende eeuw opkomende grondstoffenexploitatie. Toen vanaf 1929 een mondiale economische crisis uitbrak, was Suriname dan ook zeer slecht uitgerust om hier weerstand tegen te bieden.
Op politiek terrein werd het land sinds 1866 geregeerd door de Koloniale Staten, die slechts de elitaire bovenlaag van nog geen 2% van de bevolking vertegenwoordigden. Alle bevoegdheden tot het nemen van beslissingen berustte bij de gouverneur, een Nederlandse ambtenaar die door de Nederlandse regering werd benoemd. Alle politieke macht was dus in feite in handen van de Nederlandse regering. Er waren geen politieke partijen en de pers, vaak gerund door Statenleden, hadden een belangrijke politieke rol. De zogenaamde volksklasse had vanwege het censuskiesrecht niets in te brengen en kon haar stem slechts laten horen door bijvoorbeeld plichtsverzuim, stakingen, opstanden en vakbondsorganisatie. Gelukkig voor het koloniale gezag waren al die acties lokaal gericht, kenden geen lange-termijndoelstellingen en ontbrak het altijd aan goede leiding en organisatie, ook bij de vakbondjes die vanaf 1900 opkomen. (meer…)
De Duitsers annexeerde op 8 oktober 1939 de veroverde Poolse gebieden en verdeelde het westelijk-noordelijke deel in vier Reischgaue en in het oosten werd het Generalgouvernement opgericht. Piotrków Trybunalski kwam te liggen in de Reichsgau Posen, waarvan SS-Obergruppenführer Arthur Greiser tot Gauleiter werd benoemd. Hij zou die functie gedurende gehele oorlog behouden. Op 29 januari 1940 werd de Reichsgau Posen omgedoopt tot de Reichsgau Wartheland. Piotrków Trybunalski werd benoemd tot de hoofdstad van een Kreis, die deel uitmaakte van het nieuw gecreëerde Regierungsbezirk Litzmannstadt (District Lódz) binnen de Reichsgau. De Wehrmacht onder bevel van General der Artillerie Walter Petzel vestigde zich in Posen (Poznan) en bestuurde van daaruit haar militaire operaties over het gebied, dat overwegend werd bewoond door etnische Polen. Er was een redelijke Duitse minderheid (16,7%) en een kleine Joodse bevolking. De Duitse overheid streefde naar het volledig germaniseren van het geannexeerde Poolse gebied, waarmee in 1939 in de nieuwe Reichsgau Wartheland moest worden begonnen. De Poolse bevolking diende te worden geherhuisvest en hun plaatsen diende te worden ingenomen door Duitse militaire en civiele kolonisten, waaronder Oost -Europees Volksdeutsche. De Joodse bevolking werd in eerste instantie vooral bijeengedreven in het getto van Łódź, ongeveer 25 kilometer ten noorden van Piotrków Trybunalski, en vervolgens binnen twee jaar werden uitgeroeid in Vernichtungslager Kulmhof (Chełmno). (meer…)
Al vanaf het begin van de oorlog was er in Hilversum en omstreken een groepje zeer jeugdige scholieren die zich afzette tegen de Duitse bezetting. Dat waren onder meer Rob Korpershoek (1926-2014), Wouter Albers, Wim Freni, Guus Dull en Leo de Zoeten. Ze lieten hun onvrede merken door illegale bladen en pamfletten te maken en die door de stad te verspreiden. Het amateuristische maar ook de jeugdige spontaniteit, zich amper bewust van de risico’s die ze liepen, spat er vanaf. Zo weerden artikelen ondertekent met ‘Simon Saboteur’ en Rob Korpershoek ondertekende altijd met een simpele ‘M’, die was afgeleid van de eerste letter van zijn schuilnaam ‘M.O.F. Fenhater. Vanaf 1943 gebruikte het groepje de naam NV De Strijders en publiceerde ze onder meer het blad Ons Verzet (nr. 580 in L. Winkel, De Ondergrondse Pers). Ook werd een jaarlijkse Vrijheidskalender uitgegeven, die in 1944 in een oplage van 100 exemplaren en een tarief van 50 cent werd verspreid onder geïnteresseerden. Op 15 januari 1945 publiceerde Korpershoek een prent tegen aanmelding tegen de Arbeitseinsatz, die tegen het eind van de oorlog bijzonder aansloeg.
In de Boekenlage1987 van Vrij Nederland verscheen onder de titel ‘Jongeren in de illegaliteit. Hilversumse scholieren in het verzet 1940-1945) onderstaand artikel van Hans Mulder. Dit naar aanleiding van het boek van Jet Baruch en Jenny Smit, ‘Oorlog met de tekenpen Verzet van jongeren in het Gooi, 1940-’45’ en de tentoonstelling die daarover tot maart 1988 in het Rijksmuseum liep. Ter illustratie daarbij de beroemde tekening die Rob Korpershoek maakte voor een strooibiljet, dat in een oplage van maar liefst 400.000 exemplaren werd verspreid. Vanwege die grote oplage werd lang gedacht dat het biljet vanuit de geallieerde propagandamachine kwam. (meer…)
Hanna van de Voort (Meerlo, 26 november 1904 – Utrecht, 26 juli 1956) was de dochter van een banketbakker in het Limburgse Meerlo, een dorpje langs de Maas en vlak bij Venray. Bij het uitbreken van de Tweede Oorlog was ze in het nabijgelegen Tienray kraamverzorgster. De oorlog zou bijna rustig aan haar voorbij zijn gegaan als ze niet in mei 1943 door twee Limburgse jongens die in Amsterdam studeerde was benaderd met de vraag of ze niet pleeggezinnen kende die een tijdje Joodse kinderen uit Amsterdam wilde opvangen. Dat waren Karel Ex (Venlo, 1923 – Amsterdam, 1999) en Joe Russell uit Tegelen, de zoon van de mede-eigenaar van het Tegelse keramiekbedrijf N.V. Russel-Tiglia was een keramiekbedrijf. Hanna vroeg na deze onverwachtse vraag om advies aan haar hulpbehoevende moeder Marie van de Voort-Everts, die direct antwoordde: ‘Duizend kinderen, Hanna! Die moeten we helpen!’ Hanna organiseerde vervolgens in Tienray de hulp aan joodse onderduikertjes. Ze werden hierin bijgestaan door de joodse onderduiker Kurt Löwenstein en de ondergedoken student Nico Dohmen.
Kurt Löwenstein (Allenstein, 17 november 1925 – Beverly Hills, 8 mei 2017) waas de zoon van een Joodse advocaat die zich nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen noodgedwongen Berlin moest vestigen waar een grotere Joodse gemeenschap was, dus meer kans op werk. Zijn oudere broer Heinz was enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog naar Groot-Brittannië uitgeweken. Kurt en zijn ouders hadden de pech dat uitgerekend op de dag dat ze vanuit Rotterdam de overtocht naar de Verenigde Staten zouden maken, de Duitsers Nederland binnenvielen. Zijn vader kon door zijn werk bij de Joodse Raad in Amsterdam nog een tijdlang vrijstelling van deportatie krijgen, maar in juni 1943 kwam het drietal toch terecht in Kamp Westerbork. (meer…)

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.
Het Maasplein en omgeving ligt in het oudste gedeelte van het Waterkwartier en is genoemd naar de rivier de Maas, die in Frankrijk op het plateau van Langres ontspringt. De bijna geheel gekanaliseerde rivier heeft een lengte van 925 kilometer en komt bij Maastricht ons land binnen. Op 25 mei 1921 werd in Nijmegen het raadsbesluit genomen dit deel te bebouwen. In dat raadsvoorstel stonden onder meer de namen Amstelplein en Amstelstraat, Maasplein en Maasstraat, Merwedestraat, Rijnstraat en Waalstraat. Bij de Maasstraat en het Maasplein werd wel onderscheid gemaakt tussen de straat en het plein, maar het Maasplein was dan ook aanmerkelijk groter dan het zogenaamde Amstelplein. De buurt waar die straten en pleinen liggen, heette oorspronkelijk de Rivierenbuurt. Logisch gezien de namen. Al vanaf het begin kwam bij de bevolking echter de naam Waterkwartier in zwang en werd de officiële benaming helemaal verdrongen. Bij de Volkstelling 1960 werd de wijk- en buurtindeling aangepast en werd de naam Waterkwartier vervangen door Biezen. Meer dan zestig jaar later is deze nieuwe naam nog steeds niet erg ingeburgerd en wordt nog steeds gesproken over het Waterkwartier. Deze naam is nooit formeel door de gemeenteraad vastgesteld en komt ook niet voor in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Officieel bestaan het Amstelplein en het Waterkwartier dus niet. In 1922 werden in dit oudste gedeelte van het Waterkwartier 314 arbeiderswoningen gebouwd. Op 28 Januari 1923 besloot de Gemeenteraad tot aankoop van verschillende percelen om de verbinding tussen de Maasstraat (het oudste gedeelte) en de Biezenstraat te verbeteren. Per Raadsbesluit van 1 februari 1928 werd dit nieuwe gedeelte ook Maasstraat genoemd. Bij Raadsbesluit d.d. 14 mei 1997 kreeg een deel van de Maasstraat alsnog de naam Maasplein op grond van onder meer de volgende argumenten: (1) De tekst van de raadsbesluiten van de straatnamen Maasplein en Maasstraat wijkt af van de feitelijke situatie; (2) De huisnummering van de betreffende woningen is al op basis van de daadwerkelijke situatie vastgesteld. (meer…)
Volgens het register van 1940 waren er 20.421 Joden in de provincie Piotrków. Het getto van Piotrków Trybunalski werd van 15 tot 21 oktober 1942 geliquideerd. Van juli tot september 1942 schoten de Duitsers zestig mensen dood in de bossen van Raków. Tijdens de liquidatie van het getto werden ongeveer 22.000 mensen afgevoerd naar het Duitse vernietigingskamp in Treblinka. Honderdvijftig mensen werden neergeschoten en de rest – in totaal 2,4 duizend – opgesloten in werkkampen. De laatsten uit deze kampen werden op 25 november 1944 naar Duitsland vervoerd. Gevangenen werden naar de kampen Buchenwald en Ravensbrück gestuurd. In 1945 waren er nog 372 Joden in Piotrków Trybunalski. Maar de overgrote meerderheid van hen verliet de stad in de daaropvolgende jaren. Binnen enkele jaren was een einde gekomen aan een eeuwenlang bloeiende Joodse gemeenschap binnen het Poolse stadje, waarvan in 1928 maar liefst 65% van alle ambachtslieden en kooplieden Joods was. Het stadje kende Joodse ondernemers met een sodawaterfabriek, een paar leerlooierijen, een oliemolen, een ijzergieterij, een timmermanswerkplaats, een zagerij, een steenfabriek, een triplexfabriek, een stoomzagerij, een vatenfabriek, drie graanmolens en tal van kruideniers- en kledingswinkels. Plus een rijk cultureel en religieus leven. Ruim 20.000 Joodse inwoners van Piotrków Trybunalski waren tussen 1942-1945 door de Duitsers vermoord. Twintigduizend, dat is een hoog aantal, maar zegt tegelijkertijd zo weinig omdat het slechts een getal is, een abstract gegeven. We kunnen er geen twintigduizend gezichten bij voorstellen, zoals we wel gezichten kunnen voorstellen bij een ongeluk waarbij vijf mensen om het leven komen of een misdrijf waarbij vier mensen worden vermoord. Daarom spreekt het verhaal van Anne Frank zo aan, een jonge Joodse puber, die een dagboek naliet en waarvan wat foto’s dat trieste levensverhaal ondersteunen. Daarom is het boek In Memoriam van Guus Luijters ook zo overdonderend, want naast de lijst met namen van kinderen die naar de concentratiekampen werden getransporteerd, staan de foto’s die de schrijver van die kinderen heeft kunnen achterhalen. Van de inwoners van het getto in Piotrków Trybunalski in 1942 is het samenstelling van zo’n portrettengalerij onmogelijk. Een overzicht van enkele inwoners van het stadje in 1919-1920 geeft een aardig beeld van wat bruut werd vermoord. (meer…)
Joop Westerweel (Zutphen, 25 januari 1899 – Vught, 11 augustus 1944) was de zoon van een drukker in Zutphen. Zijn ouders werden later lid van de Vergadering van Gelovigen, een uit Engeland afkomstige protestantse vernieuwingsbeweging. Inspiratiebron voor hen waren de eerste christelijke bewegingen, gekoppeld aan eerbied voor het Oude Testament. Joop brak al jong met de Vergadering, maar de bijbel bleef voor hem een inspiratiebron. Hij was rond 1920 politiek actief ter linkerzijde van sociaaldemocratische SDAP. Als pacifistische christenanarchist geloofde hij sterk in een geweldloze oplossingen van conflicten. Hij werd dan ook onvermijdelijk dienstweigeraar toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst. Hij was op dat moment werkzaam als onderwijzer in Nederlands-Indië. Hij kreeg een gevangenisstraf en werd het land uitgewezen. In Nederland ging hij werken aan de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven, een algemeen-bijzondere school met basisonderwijs en voortgezet onderwijs die in 1926 was opgericht door Kees Boeke en zijn vrouw Betty Cadbury. De school bestaat nog steeds en is onveranderd gebaseerd op hun pedagogische opvattingen waarbinnen de strijd tegen militarisme en geweld en het streven naar een vreedzame samenleving de centrale gedachten zijn. Voor de oorlog organiseerde Westerweel daar de opvang van Duitse en Poolse Joodse vluchtelingen en zorgde ervoor dat hun kinderen onderwijs kregen. (meer…)
Weer een dag later werd door Johan Berendsen met dezelfde meedogenloosheid Willem Kohlen (1881-1944) geëxecuteerd. Op 19 september liet de bezetter weten dat de binnenstad van Venlo moest worden ontruimd omdat het centrum Sperrgebiet zou worden. Ook het echtpaar Willem en Johanna Kohlen laden het broodnodige op een kar om hun woning te verlaten. Er ontstond commotie toen een medebewoonster van de Hakkesplaats de 63-jarige koopman en kraamverhuurder Kohlen, die de reputatie had nooit een blad voor de mond te nemen, ervan beschuldigde een portret van Adolf Hitler bij de vuilnis te hebben gezet en linnengoed van haar te hebben gestolen. Kohlen schamperde dat hij haar ‘stinkonderbroek’ niet nodig had. De jonge vrouw was echter in gezelschap van enkele Duitsers, die Kohlen een paar klappen gaven, zijn huis insleurden en daar verder mishandelden. De buurvrouw, werkzaam in het Deutsches Haus, en de Duitsers gingen vervolgens naar het pakhuis van de koopman en verdwenen iets later met twee kisten. Kohlen sloeg het advies in de wind zo snel mogelijk te verdwijnen. Toen de Duitsers terugkwamen, werd hij gearresteerd. Daarna werd door hen Johan Berendsen gebeld om naar de Ortskommandant in de Paterskerk te komen, Daar werd hem bevolen om een plunderaar te executeren. Berendsen en een AKD-collega, wachtmeester Sytze Blaauw, namen Willem Kohlen die avond mee en brachten hem bij de machineloods van de Maasbuurt-Spoorweg dicht bij het oude station met acht tot tien kogels om het leven. Een pater van de Sint-Josephparochie die het Heilig Oliesel wilde toedienen, werd door Berendsen weggestuurd. Een monteur van de Maasbuurt Spoorweg, L. Heurkens, had gezien wat er was voorgevallen en in oktober 1945 bleken ook twee andere personen getuigen te zijn geweest. Een van die getuigen beet hij toe: ‘Dit doen we met plunderaars!’ en in een rapport noteerde hij dat de man bij een vluchtpoging was neergeschoten. Het stoffelijk overschot van Wiel Kohlen werd overgebracht naar de begraafplaats aan de Kerkhofweg. Sytze Blaauw kreeg na de oorlog de doodstraf, maar werd later omgezet in een lange vrijheidsstraf. Mejuffrouw B., de boosaardige buurvrouw, werd ondanks halsstarrig ontkennen veroordeeld tot 3,5 jaar opsluiting in een Rijkswerkinstelling. (meer…)
Johan Berendsen (Avereest, 2 september 1912 – Vught, 2 mei 1947) werd geboren in Avereest, een Sallands dorpje in de omgeving van Dedemsvaart. In oktober 1939 trouwde hij met Annie de Vries (Blerick, 7 juli 1917 – Blerick, 15 april 1917), de dochter van een fanatiek NSB’er, en vestigde het echtpaar zich in haar woonplaats. Waarschijnlijk heeft Berendsen haar leren kennen toen hij daar zijn militaire dienstplicht vervulden. Daarna trad hij in dienst bij de politie in Venlo. Toen in mei 1940 de Duitsers Venlo aanvielen, maakte Berendsen deel uit van de bemanning van een van de bunkers bij de Maasbruggen in Blerick, waar hij een van de mitrailleurs bediende om de Duitse invallers te bestoken. Na zijn krijgsgevangenschap en ontslag uit de Nederlandse krijgsmacht werd hij in juli 1940 lid van de NSB-kring Venlo, waar hij vanaf december 1940 commandant was van de knokploeg van de Venlose NSB, de Weerbaarheids Afdeling (WA), door een Venlose amateurhistoricus treffend omschreven als ‘een irritant stelletje straatschenders’. Na een paar maanden van straatterreur bleek dat de leidinggevende capaciteiten van Berendsen ontoereikend waren. Hij stapte toen over naar de Nederlandsche SS, maar bedankte hiervoor al in 1941 omdat een dreigende gang naar het Oostfront hem afschrok.
In februari 1942 werd het eerste kind van het echtpaar Berendsen geboren, in maart 1943 volgde er nog een tweeling. In juli 1943 werd Johan Berendsen toegelaten op de Politieschool Schalkhaar (ook Politieopleidingsbataljon Schalkhaar genoemd), de centrale opleiding voor de Nederlandse politie. Vanaf juli 1941 werden daar in de Westenbergkazerne Nederlandse politiemensen in zes weken tijd onder Duits toezicht geschoold in de SS-ideologie om betere controle te krijgen over het Nederlandse politieapparaat. Na de opleiding werden deze agenten toegevoegd aan reguliere korpsen. Berendsen keerde op 16 augustus 1943 onder de rang van wachtmeester terug naar het korps in Venlo. Daar was een maand eerder de gevreesde SS’er Otto Couperus tot commandant was benoemd. In oktober 1943 werd Berendsen na een gunstige beoordeling bevorderd tot opperwachtmeester. (meer…)

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.
De rebbe Meyer de Hond (Amsterdam, 30 augustus 1882 – Sobibór, 23 juli 1943), geboren in een armlastig gezin in de Jodenbuurt en zeer begaan met de sociale ellende van de arme Joden, schreef begin 1911 de brochure ‘Een joods hart klopt aan uw deur’, waarin hij aandacht vroeg voor het lot van Joodse invaliden en ouderen, waarvoor amper aandacht was binnen de Joodse gemeenschap. De Hond was binnen de gemeenschap een controversieel figuur. Hij nam afstand van het socialisme en zionisme, bestreed het formalisme in het orthodoxe jodendom en ageerde tegen d Joodse elite die het niet zo nauw namen met de voorschriften. In 1904 kon hij nadat hij kandidaat-rabbijn was geworden door tegenstand van opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner, de rector van het seminarium, zijn studie tot rabbijn niet vervolgen en nadat hij dit in Berlijn en Würzburg alsnog had gedaan, weigerde dezelfde Dünner deze prestigieuze opleiding te erkennen omdat ze niet in Nederland was gevolgd. Ondanks zijn tomeloze inzet via diverse verenigingen en zijn succesvolle toneelstukken met schetsen ut het dagelijkse Joodse leven zou De Hond in de Joodse bovenlag zijn verdere leven persona non grata blijven.
De door hem in 1905 opgerichte vereniging Touroh Our (‘De leer is het licht’) had het initiatief genomen om voor joodse bejaarden en invaliden, die verzorgd werden in het stedelijke werkhuis in de Roetersstraat, te zorgen voor kleding en andere extra’s. Het Nederlandse Israëlitische Ziekenhuis (NIZ) aan de Nieuwe Keizersgracht had niet voldoende ruimte voor deze groep, die werd ondergebracht naar het stedelijk Werkhuis. NIZ zorgde er wel voor dat drie keer daags een koosjere maaltijd werd verzorgd en had ook gezorgd voor een zaaltje voor het samenkomen op sjabbat en tijdens de feestdagen. In zijn brochure beschreef De Hond in welke erbarmelijke en mensonwaardige de bejaarden en invaliden hun dagen moesten slijten. Tegelijkertijd met het verschijnen van de brochure in 1911 richtte hij de vereniging De Joodsche Invalide op. (meer…)
Op 8 mei 1945 werd het Rijksbureau voor Documentatie van de geschiedenis van Nederland in Oorlogstijd opgericht, waarvan al in oktober dat jaar de naam werd gewijzigd in het handzamere Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Die naam werd eerst afgekort tot RvO, later tot RIOD. Op 1 januari 1999 veranderde de naam in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Op zaterdagmiddag 22 november 1947 had het RIOD een onderhoud met mevrouw A.J. Kropff-Minderman op haar adres Maastrichtsestraat 82 te Scheveningen. Doel van het overleg meer inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan Ans Kropff-Minderman en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt. Het overleg resulteerde in onderstaand verslag, waarvan het overgrote deel al in de korte biografie van Herman Kropff werd vermeld.
In 1940 richtten H. Kropff, Wim Merz en nog anderen – hoeveel en wie kan Mevrouw Kropff niet mededelen – de sabotage- en inlichtingengroep “De Witte Anjer” op. Medio 1941 is de Heer Kropff tot de O.D. ‘s- Gravenhage toegetreden. Of zijn medewerkers dit ook hebben gedaan is Mevrouw Kropff niet bekend. De leden van de Witte Anjer hadden zelf een zender gebouwd en slaagden er in daarmede contact te krijgen met de overkant. Mevrouw Kropff meent dat een dergelijk contact al in de Meidagen door haar echtgenoot was voorbereid. Alles wat maar op militair gebied voor de geallieerde oorlogvoering van belang kon zijn, werd overgeseind. Eind 1940 werd de zender echter door de S.D. overvallen. De jongens wisten nog net te ontkomen. Zij togen snel aan het werk om een nieuwe zender te bouwen, zodat zij weer spoedig in de lucht waren. Zij spraken soms op de golflengte van de Duitse radio Hilversum na sluitingstijd om 10 uur ’s avonds. Ze wekten de Nederlandse bevolking op zich tegen de Duitsers te keren. Toen de groep in de O.D. overging hielden zij de zender echter voor zich en opereerden daarmee niet in O.D. verband. (meer…)