EMMERICH AM RHEIN

OpelFahrrad a quintEmmerich am Rhein, een naam die het pas sinds 1 februari 20011 heeft, daarvoor was het gewoon Emmerich en in het dagelijks gebruik wordt door iedereen dat ‘am Rhein’ ook consequent weggelaten, werd in 828 voor het eerst schriftelijk vermeld onder de naam Emmerik, wat tot de stad door het koninkrijk Pruisen werd overgenomen in 1816 ook de officiële naam was. Emmerik ontwikkelde zich in de Middeleeuwen tot een belangrijke handelsplaats aan de Rijn. Tussen 1307 en 1570 was Emmerik een hanzestad. Tot 1233 berustte het gezag en de rechtspraak over de handelsnederzetting Emmerik bij het kapittel van Sint-Maarten namens de bisschop van Utrecht. Op 12 mei 1233 kwam de stad onder de bescherming van graaf Otto II van Zutphen en Gelre, maar nog twee jaar lang behield de Utrechtse bisschop de rechten op de parochiekerk, het tol- en muntrecht en de rechten op de jaarmarkten. Toen graaf Otto II op 31 mei 1233 aan Emmerik stadsrechten gaf, droeg hij ok de rechtspraak over aan de stad. Door de stadsrechtverlening breidde Otto II zijn gezag en territorium flink uit, allemaal ten koste van de Utrechtse bisschop. Koning II verklaarde echter op de rijksdag van 5 september 1310 te Worms dat deze stadsrechtverlening ongeldig was, omdat de graaf hiertoe net zonder koninklijke goedkeuring had mogen besluiten. Tot 1402 bleef Emmerik behoren tot het hertogdom Gelre . In de 17e eeuw was het fort van Emmerik deel van de Kleefse barrière, de benaming voor een zestal Rijnforten in het Hertogdom Kleef: Rees, Orsoy, Wezel, Emmerik, Büderich en Rijnberk. Ten tijde van het Rampjaar 1672 had de Republiek der Zeven Provinciën er tevergeefs op vertrouwd dat deze forten de Franse opmars flink zouden vertragen, misschien wel tegenhouden. De forten waren trouwens niet in het bezit van de Republiek, maar ze kregen wel toestemming hier garnizoenen te legeren. De Fransen konden de forten zonder slag of stoot innemen, waarmee een definitief einde kwam aan de Nederlandse aanwezigheid en invloed in deze zes plaatsen. (meer…)

022 – ST. STEVENSKERK 4

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, St. Stevenskerk, gotische kooromgang met bijzondere straalkapellen, eeuwenoude muurschilderingen en predikantenborden.
© Frans van den Muijsenberg

LENNIE BOAS – 007

Lennie Boas (Lenie van de Bergh) werd op 16 juli 1931 in Amsterdam geboren. Haar vader Mozes Boas (Amsterdam, 12 oktober 1898 – Auschwitz, 28 januari 1944) was een koopman, die met zijn echtgenote Roosje Boas-Cohen (Amsterdam, 18 augustus 1902 – Auschwitz, 28 januari 1944) en twee dochter Sipora Leny Boas (Amsterdam, 12 december 1924 – Auschwitz, 28 januari 1944) en Lennie Boas woonde op Rijnstraat 129-iii te Amsterdam. Lenie is de enige overlevende van het gezin. De drie anderen werden eind januari 1944 vanuit Westerbork op transport gezet en na aankomst vermoord.

Lennie was toen uit vanuit de hoofdstad overgebracht naar Limburg waar ze werd ondergebracht bij de familie Rutten-Linders in Meerlo. Lennie schijnt het haar onderduikouders niet erg gemakkelijk te hebben gemaakt. Herman van Rees merkt in zijn boek ‘Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog’(2013) over haar op: ‘Soms werden gastgezinnen werkelijk tot wanhoop gedreven door het gedrag van hun pleegkind. Lenie Boas was via Hanna van de Voort ondergedoken bij een familie in Meerlo. Haar gedrag was onuitstaanbaar. Toch wisten de pleegouders het met haar vol te houden tot na de bevrijding. Toen was de maat vol. Zij zetten Lenie buiten de deur en stuurden haar naar Hanna, met een briefje: Wij zijn zo vrij geweest Lenie naar Tienray te sturen. Vermoedelijk had u ze al eerder verwacht. Enfin, vanmiddag heb ik haar weggejaagd, na er eerst nog een bord (dat jammer genoeg tegen de muur in plaats van tegen haar hoofd is terechtgekomen), een vork en een asbak aan gewaagd te hebben. Het afscheid was zo dat een goed geschoolde woonwagenbewoner van de ergste en brutaalste soort haar niet had kunnen verbeteren, wat het bezigen van schimpscheuten en scheldwoorden betreft. Het tekent de solidariteit van de gastouders in Noord-Limburg, dat er toch een gezin in Melderslo werd gevonden dat bereid was het nog eens met Lenie te proberen.’ Dat tweede gezin was de familie Van Gerven-Reinders in Melderslo, waar ze bleef tot ook de rest van Nederland was bevrijd. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 7)

Deel 7 – Anton de Kom over reis naar Suriname

In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.

Weerzien en afscheid – deel 2.

Voller en voller worden mijn schriften der ellende. Feller en feller worden de hetzartikelen in de blanda pers, ‘de West’ en ‘de Surinamer’. Voorop de pers der Katholieke geestelijkheid. De ‘echo’s uit de missie’ jammerden over de ‘arme misleiden’. Hadden het tegelijkertijd over ‘communistische Creolen en zwarte deernen’. Over ‘sluw overlegd plan’. Men sprak van moorden, brand stichten in huiveringwekkende geheimzinnigheid. Door de straat ratelen nog altijd, dag aan dag, de motorbrigades. En toch, wat kan ik voorloopig anders doen dan in de harten het beginsel der solidariteit planten, het eerste zaadje waaruit naar ik hoop eenmaal de sterke, goedgefundeerde organisatie zal groeien die wij noodig hebben. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 6)

Deel 6- Anton de Kom over reis naar Suriname

In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, waarin hij onder de titel Weerzien en afscheid (pagina 205-222) beschreef hoe hij zijn verblijf van zes maanden had ervaren. De notities aan het eind van de tekst zijn overgenomen uit de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (BDNL).
De Kom was al begin dertiger jaren begonnen met het schrijven van het boek. In 1931 had hij de eerste versie klaar. Samen met de latere uitgever redigeerde hij de tekst verschillende keren. Eind 1931 was de tekst klaar. De Kom ging toen terug naar Suriname en het duurde daarom tot 1934 voor het boek kon worden gepubliceerd. In het voorwoord werd vermeld dat in de tekst een paar wijzigingen waren aangebracht om uitgave mogelijk te maken. Het is onduidelijk of hier sprake was van regelrechte censuur en in hoeverre dit gebeurde door de uitgever uit voorzorg was niet in conflict te komen met de inlichtingendienst. Het originele manuscript van deze uitgave is verloren gegaan. In Suriname mocht het niet op de markt worden gebracht.
Na de oorlog was de tekst van de eerste druk niet meer beschikbaar en raakte De Kom in de vergetelheid. In de jaren zestig ontdekte een Surinaamse studente het boek in de universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden. Vervolgens typte een groep studenten het boek over en stencilde het om het te verspreiden, een roofdruk die ook in Suriname werd verspreid. In 1971 verscheen daarop de tweede druk, met aantekeningen, een jaar later al een derde druk en in 2020 verscheen de 16e druk. Er zijn ook vertalingen in het Engels en Duits verschenen.

Weerzien en afscheid – deel 1.

Sranang, mijn vaderland, ik heb U weergezien, en uwe schoonheid was zooals ik die vaak gedroomd heb, verlangend woelend in mijn bed in Holland. Over het diepe blauwe water van den Oceaan draagt de ‘Rensselaer’ mij naar uw kusten. Vliegende visschen, als dansende diamantjes, schrikken op bij het naderen van de boot, vliegen vijf à zes meter verder, werpen zich dan opnieuw, een zilveren spoor teekenend, in het water. De lucht is vochtig en frisch, een sterke passaatwind waait om mij heen met den adem der vrijheid. Als het monotone geluid der meeuwen zingt door mijn hart verlangen naar het weerzien. (meer…)

WILLEM HANEGRAAF

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Willem Hanegraaf, geb. 20-9-’21, wonende te Den Haag, P. v. Troostwijkstr. 255; gearresteerd 12 October 1944 en naar Scheveningen gebracht.’

Willem Hanegraaf (Nijmegen, 20 september 1921 – Waalsdorpervlakte, 6 november 1944) was een ongehuwde zoon van het gereformeerde Nijmeegse echtpaar Govert Hanegraaf (Gameren, 13 augustus 1893) en Antje de Zwart (Boksum, 11 november 1892). Hij werkte bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag als kantoorbediende bij het Bedrijfschap Zuivel. In mei 1941 raakte hij bij het verzet betrokken toen in Rijswijk en Delft werd herdacht dat een jaar eerder de Duitse inval had plaatsgevonden. Er werden in beide plaatsen duizenden enveloppen met illegaal vervaardigde circulaires verspreid. In mei 1943 hielp Hanegraaf mee bij het verzenden door het verzet van duizenden circulaires waarin Nederlandse officieren en militairen werd opgeroepen geen gehoor te geven aan de Duitse oproep zich te melden voor krijgsgevangenschap. (meer…)

021 – TOLKAMER 4


.
Zicht vanaf Tolkamer op voorbijvarende schepen op de Rijn, juli 2007, © Frans van den Muijsenberg.

021 – MAASPLEIN 4

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 8)

Yisrael Meir Lau werd op 1 juni 1937 geboren in Piotrków Trybunalski en was een van de zeer weinige uit zijn geboortestad die de oorlog overleefde. Zijn vader, rabbijn Moshe Chaim Lau (Lviv, 22 mei 1891 – Treblinka, oktober 1942) was de laatste opperrabbijn van deze stad en werd op 51-jarige leeftijd vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Toen Yisrael Meir Lau nog maar amper zes jaar oud was werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Treblinka en daar gescheiden van zijn vader Moshe en moeder Chaya Fraenkel-Teomim (Chrzanow, 1 januari 1900–Ravensbrück, 1945), die uiteindelijk in de loop van 1945 in het Duitse concentratiekamp van ontbering zou sterven. Ook bijna alle andere kinderen van het gezin zouden de oorlog niet overleven. Slechts Yisrael Meir Lau en zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie (1926-2014) zouden wel overleven en naar Palestina emigreren. Op 21 augustus 1943 werd Treblinka ontmanteld en werd het gehele terrein omgebouwd tot een boerderij. Een Oekraïense bewaker bleef achter om de indruk te wekken dat er niets bijzonders was gebeurd en ook om te voorkomen dat de lokale bevolking zou gaan zoeken naar mogelijk achtergebleven kostbaarheden. De laatst overgebleven Joodse gevangenen werden overgebracht naar Sobibór. In november 1943 resteerde er niets meer van Treblinka, waar na Auschwitz de meeste Joden werden vermoord. De jonge Yisrael Meir Lau kan dus nooit erg lang in dit concentratiekamp hebben verbleven. Hij werd uiteindelijk op 11 april 1945 bevrijd in het concentratiekamp Buchenwald, nog geen acht jaar oud. Dat hij die erbarmelijke omstandigheden wist te overleven schreef Yisrael later toe aan de heldhaftige inspanningen van zijn oudere broer Naphtali Lau-Lavie, die hem samen met andere gevangenen de hele tijd verborgen hield. (meer…)

CILIE BLITZ – 006

Cilie Blitz (Tineke Kuipers en Anneke Schouten) was de dochter van Louis Blitz en Anna van Lochem, die beiden op 4 juni 1943 in Sobibor werden vermoord. De ouders van Anna van Lochem waren Elias van Lochem (Amsterdam, 25 maart 1880 – Amsterdam, 12 juni 1929) en Eva van Dal (Amsterdam, 15 september 1880-Sobibor, 23 april 1943) die op 18 juni 1902 in hun beide geboortestad trouwde. Op het moment dat Elias werd opgeroepen voor de keuring voor militaire dienst was hij diamantversteller, maar ten tijde van zijn huwelijk was hij venter van beroep. Vanaf 1903 woonde aan de Verwersstraat, waar de beide kinderen Salomon van Lochem en Anna van Lochem werden geboren. Daarna verhuisden men nog een paar keer. Vanaf 1923 hadden Eva en Elias allebei marktkaarten voor de Nieuwmarkt met ‘kanten en stroken’. Eva stond ook zelf op de markt aan de Westerstraat met ‘borduursels en modeartikelen’. Elias overleed op 12 juni 1929 in Amsterdam. In 1930 trouwde dochter Anna met Louis Blitz. Zoon Salomon trouwde in 1933 en Eva trok toen in bij haar dochter Anna en schoonzoon Louis, die toen aan de Slingerbeekstraat 25 III hoog in de Rivierenbuurt woonden. Na een paar maanden vertrok Eva naar de Geulstraat 19 II hoog, waar ze bleef wonen tot 9 december 1942. Ze trok toen in hij haar zoon Salomon en zijn vrouw aan de Maasstraat 140 III hoog. Dit is haar laatst bekende woonadres, want ze werd opgepakt en naar Westerbork gebracht. (meer…)

FRED BENEDIK – 005

Fred Benedik (Beek, 18 juli 1911-Sittard, 3 december 1974) was bij de familie Dinghs in Castenray, ook door de bemiddeling van Hanna van der Voort (foto). Hij trouwde op 16 augustus 1946 te Venray voor de burgerlijke stand en op 3 september 1946 werd in Castenray het kerkelijk huwelijk voltrokken met Petronella Hubertina Dinghs, de dochter van de zijn onderduikgezin. Hij zette later in Landgraaf  de voormalige slachterij Benedik op. Fred Benedik was al volwassen toen hij als Jood moest onderduiken. Zijn vader Jacob Benedik (Schimmert, 27 januari 1870-Sobibor, 14 mei 1943) stamde uit een familie van handelaars, aanvankelijk in dierenhuiden, later in vee en vlees. In 1899 trouwde hij met de Duitse Johanna Brückheimer (Külsheim, 18 oktober 1875-Sobibor, 14 mei 1943). Het jonge echtpaar vestigde zich in Beek en kreeg vier kinderen: Selma (1900), Leo (1902), Bertha (1903) en Fred (1911). Jacob vormde samen met veehandelaar Joep Wolf het bestuur van de Joodse hulpsynagoge in Beek. De twee ondertekenden in januari 1943 een brief waarin zij weigerden de heilige wetsrollen uit de synagoge van Beek elders veilig onder te brengen. Op 24 augustus 1942 overhandigden Beekse politiemensen aan Joden die jonger waren dan 60 jaar een schriftelijke ‘oproeping’ met het bevel zich op 25 augustus te melden op een verzamelplaats in Maastricht om vervolgens te worden overgebracht naar Westerbork. De twee zonen Leo en Fred kregen ook een oproep. Fred dook dankzij de hulp van twee Beekse vrienden onder en kwam terecht in Castenray. Leo Benedik meldde zich wel in Maastricht en werd op 28 augustus 1942 gedeporteerd. Bij een tussenstop in Cosel werd hij uit de trein geselecteerd en ingezet bij dwangarbeid in Silezië voor de Organisation Schmelt. Op 30 april 1943 bezweek hij op een onbekende plaats in Midden-Europa. (meer…)

020 – PANNERDEN DE POL 2

2 - Pannerden De Pol 04

Galerie en beeldentuin De Pol in Pannerden, © Frans van den Muijsenberg, 2008.

020 – MAASPLEIN 3

maasplein 05
.
Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 7)

Het district van Arthur Greiser stond niet alleen met de massale deportaties in de voorhoede van ‘interne rassenzuivering’ volgens nazi-idealen. Twee SS’ers die direct onder Greisers bevel stonden, SS-Standartenführer Ernst Damzog en SS-Obergruppenfüfrer Wilhelm Koppe, zorgde in mei-juni 1940 voor de deportatie van geestelijk gehandicapten aan het Sonderkommando van Herbert Lange, die in de Reichsgau Oost-Pruisen verantwoordelijk was voor het vergassen van duizenden patiënten uit psychiatrische inrichtingen. Greiser zorgden voor de hervestiging van Volksdeutsche vluchtelingen uit op de Sovjet-Unie veroverde gebieden. Tussen oktober en december 1939 werden bijna 60.000 Volksduitsers vanuit de Baltische staten Estland en Letland naar Duitsland overgebracht. Later werden ruim 100.000 Volksduitsers, voornamelijk boeren en plattelandsmensen, geëvacueerd uit Wolynië en Oost- Galicië naar de omgeving van Lódz, dat intussen was aangewezen als het belangrijkste opvangcentrum van de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi). In mei 1940 werden nog eens 30.000 Volksduitsers overgeplaatst vanuit het Generalgouvernement overgeplaatst naar Greisers Reichsgau. Vanaf juni 1941, tijdens de Duitse invasie en bezetting van de Sovjet-Unie, werden nog eens 300.000 etnische Duitsers uit Rusland en Oekraïne naar Reichsgau Wartheland geëvacueerd. Daar werd Posen inmiddels beschouwd als de meest gegermaniseerde stad in de veroverde gebieden. Dat werd op 3 augustus 1943 in aanwezigheid van kopstukken als Martin Bormann, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler feestelijk gevierd. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 5)

Deel 5- Anton de Kom in LinksRichten

In Links Richten, nummer 5-6 van maart 1933 verschenen twee artikelen over de reis van Anton de Kom naar Suriname.
Het eerste, korte artikel bevatte een kort berichtje van Adekom, het weinig verhullende pseudoniem van De Kom, en een redactionele toevoeging over diens snelle arrestatie na aankomst.
In het tweede artikel, ‘Hoe Van der Sleen Suriname zag’, gaf De Kom zijn eerste impressies van de levensomstandigheden in Suriname voor de arbeiders, waarin de auteur ingaat op de lezingen die de Nederlandse schrijver en ‘ontdekkingsreiziger’ Wicher van der Sleen eind 1932 had gehouden over zijn bezoeken aan Indonesië en Suriname. Het geeft een aardig beeld van hetgeen hij in januari 1933 aan zijn Surinaamse toehoorders moet hebben gemeld en wat het gezag ter ore moet zijn gekomen.
In nummer 8 van LinksRichten iets later in 1933 verscheen een gedicht van Bertus Meijer, waarin de inmiddels weer in Nederland teruggestuurde Anton de Kom en zijn Surinaamse medestanders een hart onder de riem werd gestoken. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 4)

Deel 4- Anton de Kom in Suriname

Anton de Kom (Paramaribo, 22 februari 1898 – Kamp Sandbostel, Neuengamme, 24 april 1945) was een Surinaamse antikoloniale schrijver en nationalist en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland een verzetsstrijder. De Kom was de zoon van de boer Adolf Damon de Kom en Judith Jacoba Dulder. Zijn vader was nog geboren in slavernij en behoorde toe aan de slavenmacht van plantage Molhoop, in eigendom toebehorend aan Hendrik Jan Veldwijk. Zijn naam is waarschijnlijk afgeleid van een plantage-eigenaar Mok. Zijn moeder kwam uit een familie die in 1841 werd vrijgekocht; ze had een winkel. Anton de Kom vertrok eind 1920 naar Nederland, waar hij omstreeks 1925 vertegenwoordiger in koffie, thee en tabak was voor de Haagse koffiebranderij Reuser en Smulders. Hier leerde hij zijn latere echtgenote Nel Borsboom, met wie hij vier kinderen zou krijgen. Hij was actief in diverse socialistische en antikoloniale organisaties. Zo was hij in 1927 aanwezig op de oprichtingsvergadering in Brussel van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking. Hij riep daar Mohammed Hatta en andere Nederlands-Indische leiders op om op te staan tegen het kolonialisme. Ook was hij betrokken bij Indische studentenverenigingen die zich afzetten tegen het kolonialisme en bij Links Richten, een vereniging met sympathie voor het Russische communisme, en het communistische dagblad De Tribune. De Centrale Inlichtingendienst (CID) had hem in 1929 al in het vizier en had het over één West-Indiër die zich ophield bij de antikoloniale beweging Perhimpoenan Indonesia. (meer…)

JOUNO BIRNBAUM – 004

Jouno Birnbaum (Joke Pereboom) werd op 4 april 1939 in Rotterdam geboren. Zijn vader Henri Birnbaum was daar administrateur van het Joodse kerkhof. Henri Birnbaum had drie broers en een zus, die alle vier in Auschwitz of Sobibor om het leven kwamen: Marcus Birnbaum (1891-1943), Louise Cahn-Birnbaum (1892-1943), Betsij Workum-Birnbaum (1893-1943) en Simon Sigmund Birnbaum (1894-1943). Ook hun echtgenoten, kinderen en aangetrouwde familieleden werden tijdens de oorlog bijna allemaal vermoord.

Alleen van Simon Sigmund Birnbaum (Amsterdam, 17 juni 1894-Sobibor, 23 juli 1943), de oom van Jouno Birnbaum is een redelijke beschrijving te vinden. Op 17 november 1924 trouwde Simon met Jeanne Charlotte Lang (Zürich, 11 augustus 1904-Sobibor, 23 juli 1943). Het echtpaar kreeg drie kinderen. De eerste twee werden in Amsterdam geboren: Eugène Arthur op 2 september 1925 en Doris Sabine op 27 april 1928. In februari 1931 verhuisde de familie Birnbaum van Amsterdam naar Hilversum. Daar werd op 13 februari 1936 Elly Rosalie geboren. De verhuizing naar Hilversum was nodig vanwege de aanstelling van Simon als directeur van het Bioscooptheater Casino (voorheen Feest- en Concertgebouw Trianon). Het pand met een voor die tijd vooruitstrevende architectuur werd in 1912 gebouwd als autogarage en showroom voor de welgestelden uit Hilversum en omstreken. Simon was actief in het Hilversumse Joodse leven: hij was penningmeester van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Hilversum en tijdens de oorlog werd hij plaatselijk Hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad te Hilversum. In 1939 nam men de Duits-Joodse vluchteling Heinz Erich Pfifferling (1926-1945) in huis. (meer…)

JOHN BLOM – 003

John Blom (Jan Blom) werd op 27 oktober 1930 geboren als tweede zoon van Maurits Blom (Amsterdam, 21 september 1894 – Sobibor, 16 juli 1943) en Rachel Blom-Maij (Amsterdam, 29 september 1894 – Auschwitz, 19 november 1943), aan Rijnstraat 58 in Amsterdam een luxe banketbakkerij annex chocolaterie genaamd ‘Maison Blom’ hadden, bekend van de orgeade- en gemberbolussen. De clientèle kwam uit de hele stad. Zijn acht jaar oudere broer Daniel Gerrit  Blom (Amsterdam, 24 mei 1922 – Sobibor, 4 juni 1943) was na de middelbare school het diamantvak ingegaan bij de Firma May op de Ceintuurbaan, ongetwijfeld familie van moederskant. In het gezin werden veel boeken gelezen en werd naar klassieke muziek geluisterd. Het gezin was niet godsdienstig, maar onderhield wel bepaalde joodse tradities. John Blom publiceerde in 2008 als enig overlevende kind uit dit gezin zijn levensverhaal ‘Nooit meer naar huis. Mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. John verbleef sinds 1 september 1943 tot 1 augustus 1944 bij het gezin Custers-Claessens in Swolgen. Daarna was hij nog een tijdje bij een pleeggezin in Sint Hubert. Op Joods Monument plaatste hij in januari 2011 drie korte ‘Herinneringen aan het gezin Blom-Maij’ ter herinnering aan zijn beide ouders en broer. John Blom heeft zijn ervaringen opgeschreven in het boek ‘Nooit meer naar huis : mijn ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg’. (meer…)

019 – PANNERDEN DE POL 1

019 – MAASPLEIN 2

2006-07-10 Maasplein2

Maasplein in het Waterkwartier; zie ook Rob Essers’ Stratenlijst Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 6)

Arthur Karl Greiser (1897-1946) is een van de tienduizenden onbekende Duitse ‘Schreibtischtäter’, die Hannah Arendt in haar beroemde boek in 1963 over het proces tegen Adolf Eichmann al beschreef en betitelde als ‘the bureaucracy of murder“  en ‘the modern, state-employed mass murderers’.  De soort moordenaars die vaak wegkomt met alle wandaden die ze onder hun verantwoordelijkheid hebben laten plegen, terwijl de ondergeschikten wel vaak (en terecht) zwaar moeten boeten voor de door hen medegepleegde massamoorden. De nazi-politicus, SS-Obergruppenführer, Gauleiter en Reichsstatthalter van de Reichsgau Wartheland had niet dat geluk. Hij was primair verantwoordelijk voor het organiseren van de holocaust in zijn deel van bezet Polen en voor tal van andere misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd in 1945 door de Amerikanen gearresteerd en in 1946 in Polen berecht, veroordeeld en geëxecuteerd door ophanging.

Greiser werd op 22 januari 1897 geboren in Schroda (nu Środa Wielkopolska) in de toenmalige Duitse provincie Posen als zoon van een lokale gerechtsdeurwaarder, in de omgeving van Poznan. Tijdens zijn jeugd binnen een overwegend Poolse gemeenschap leerde hij vloeiend Pools spreken. Na de lagere school volgde hij eerst twee jaar de middelbare school en daarna het Königlich-Humanistisches Gymnasium in Hohensalza, een oud Poolse stadje dat centraal ligt in de driehoek Lódz-Poznan-Bydgoszcz. Die naam kreeg het pas in 1904, voorheen heette het Inowrocław, dat het na 1945 weer aannam. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, verliet de zeventienjarige Greiser de school zonder een diploma te hebben behaald om op 4 augustus 1914 vrijwillig dienst te nemen in de Duitse Keizerlijke Marine. Van augustus 1914 tot juli 1915 was hij gelegerd bij de marine in Fort Korügen, en Fort Laboe, die tot 1919 op de oostelijke rivierkant deel uitmaakte van forten voor de landverdediging van de belangrijke marinebasis in Kiel. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 3)

Deel 3- Wolfenbüttel als strafkamp

Het opsluiten van Louis Doedel, een van de organisatoren van de Hongeroproer in 1931, in de psychiatrische inrichting Wolfenbüttel was geen eenmalige actie van het koloniale bewind. De link tussen Surinaamse namen van plantages en nederzettingen met Duitsland, waarvan Wolfenbüttel er slechts een van de velen is, is uiteengezet in een artikel op Buku-Bibliotheca Surinamica van Carl Haarnack. In 1737 werd voor het eerst melding gemaakt van de ‘coffiegrond Wolffenbuttel, gelegen aan het reypad’’, vlakbij Paramaribo. Rond 1891 besloot het koloniaal bestuur om een stuk land van 85 ha groot bij plantage Wolfenbüttel aan te kopen om te dienen als ‘bewaarplaats voor de geesteszieken’. In 1895 kon in de directe omgeving van Plantage Wolfenbüttel de inrichting voor psychiatrische patiënten in gebruik worden genomen. De inrichting werd in de volksmond vaak ‘Kolera’ genoemd, omdat voorheen psychiatrische patiënten werden opgesloten in barakken die eerder waren gebruikt om cholerapatiënten in quarantaine op te sluiten. Op 10 augustus 1896 werd dr. F.C. Dobberke, psychiater en geneesheer aan het provinciaal gesticht voor krankzinnigen Meer en Berg in de gemeente Bloemendaal benoemd tot eerste geneesheer-directeur van het krankzinnigengesticht. Er werd begonnen met veertig patiënten (26 mannen, 14 vrouwen) bij een capaciteit van honderd bedden en een personeelsbestand van zeven personen. De patiënten werden toen nog steeds in isolatie gehouden, maar er werden, zonder grote successen overigens, wel door de uit Nederland overgekomen Dobberke nieuwe behandelingsmethoden toegepast, zoals koortsbehandeling, badtherapie, therapieën waarbij insuline en cardiazol werd gebruikt en elektroshocktherapie. In 1912 werd de Krankzinnigenwet afgekondigd, waarin werd bepaald dat de procureur-generaal verantwoordelijk was voor de opname en verpleging van krankzinnigen in het gesticht. (meer…)

ZILLI BAK – 002

OpelFahrrad a quintZilli Bak (Thea Maarschalkerweerd), geboren op 14 mei 1937, was de dochter van winkelier Benediktus Bak (Den Haag, 4 mei 1909 – Auschwitz, 30 juni 1944) en Debora Bak-Lehrer (Mochnate, 15 november 1913 – Auschwitz, 28 januari 1944), die van Poolse afkomst was. Benedictus Bak was een zoon van Joël Bak en Kaatje Bak-Gobes die in de Wagenstraat 165 te Den Haag een winkel in belegde broodjes hadden, waar het echtpaar ook woonde. Ze hadden ook nog een winkel in Scheveningen. Het echtpaar had drie kinderen: Benedictus, Joseph en Betsy. Vader Joël Bak overleed onverwachts op zestigjarige leeftijd in Amsterdam op 12 augustus 1942.

Benedictus (bekend als Ben) en Joseph (Joop) werkten in de broodjeszaken, die bekend waren om hun heerlijke om hun kroketten. Ze woonden toen in de Koningin Wilhelminalaan 21 in Leidschendam. Er woonden aan het begin van de oorlog slechts 25 Joden in Leidschendam, inclusief Stompwijk dat in 1938 bij Leidschendam was gevoegd. Eind 1940 werd in Leidschendam Hendrik Banning benoemd tot burgemeester, nadat hij omstreeks oktober 1940 na slechts een half jaar moest vertrekken als burgemeester van Tubbergen om plaats te maken voor een nationaalsocialist. Al twee maanden na zijn benoeming vond In Leidschendam een aanslag plaats op zijn ambtswoning, waar geen gewonden bij vielen, want er waren grote twijfels over de politieke gezindheid van de nieuwe burgemeester. Dat bleek niet terecht en in 1942 werd hij door de Duitsers dan ook vervangen door NSB-burgemeester Simonis. (meer…)

LEA SZANOWSKI – 001

Lea Szanowski (Lenie de Groot) was de dochter van de Amsterdamse kleermaker Abram Szanowski (Lodz, 28 juli 1907-Mauthausen, 10 oktober 1941) en Gitel (Guta) Goldblum (Lodz, 15 februari 1914 – Buenos Aires, 16 september 2003). De ouders van Abram hadden in Lodz een kruidenierswinkel. Begin 1926 vertrok broer Jacob vanuit Lodz naar Amsterdam, Abram volgde hem in 1928. Beide broers waren kleermaker en vonden werk bij de confectiefabriek van David Nord op de Nieuwendijk. Jacob had nog een tijdje een ijswinkel, maar later begonnen de broers samen in de Van Swindenstraat 3 in Amsterdam-Oost, waar Abram vanaf eind 1933 woonde, de ‘Weener Kleerdermakerij’ waar ze klleding op maat maakten. Toen Abram in 1936 voor een bezoek terugging naar zijn geboortestad, ontmoete gij daar Gittel Goldblum. Op 13 augustus 1936 traden ze in Lodz in het huwelijk, maar pas bijna een jaar later kon Gitel zich bij haar man voegen die toen in de Van Swindenstraat in Amsterdam woonde. In november 1938 werd hun eerste dochtertje Lea geboren en op 8 januari 1941 hun tweede, Estera (roepnaam Elli), die was vernoemd naar Abrams zus, die ook naar Nederland was gekomen maar in het kraambed was gestorven. Abram zou zijn jongste dochtertje maar zes weken mee. Toen hij op zondag 23 februari 1941 naar het centrum van de stad ging om boodschappen te doen, werd hij bij de tweede razzia opgepakt. Als gevolg van al maandenlange spanningen en conflicten tussen enerzijds leden van de nationaalsocialistische Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB en anderzijds communistische knokploegen en de Joodse bevolking in de stad, culminerend in de dood van WA-man Hendrik Koot en rellen rond diens begrafenis, voerde de Duitsers op 22 en 23 februari 1941 twee razzia’s uit. Er werden ongeveer 400 Joden opgepakt en overgebracht, waar de meeste om het leven kwamen. De twee razzia’s leidden tot een golf van ontzetting onder de Amsterdamse bevolking en waren de directe aanleiding voor de Februaristaking (25-26 februari 1941). Abram Szanowski was een van de opgepakten. Hij kwam via kamp Schoorl en Buchenwald in Mauthausen terecht, waar hij op 10 oktober 1941 stierf. (meer…)

PANNERDEN

Pannerden werd voor het eerst omstreeks het jaar 1.000 genoemd. Het is dan een nederzettinkje in de omgeving van een versterkt huis, waarschijnlijk de Heukelumshof dat later bekend zou worden als het Kasteel Byland. Het kasteel zou rond 1726 door de rivier zijn weggespoeld. De nederzetting behoorde in die tijd toe aan de bisschop van Luik. In 1284 werd de nederzetting Pannerden door de Proost van Luik verkocht aan het kapittel van Emmerik, die het daarna in erfpacht uitgaf aan Willem Doys, die al het Kasteel Byland (ook wel Kasteel Scate genaamd) van de Graaf van Kleef in leen had. Door het huwelijk van Willem’s kleindochter Sophia met de Graaf van Bergh in 1346 werd Pannerden een leen van het Huis Bergh, wat het tot 1801 zou blijven. In dat jaar werd de heerlijkheid Pannerden gekocht door Carel Herman van Nispen. In 1600 was Pannerden tijdens de reformatie gereformeerd geworden, maar van de Pannerdense kerk werd slechts het koor van de kerk door de gereformeerden voor de diensten gebruikt. Het kerkschip raakte in verval en op die plaats werd toen een schooltje gebouwd. In 1878 werd een nieuwe kerk gebouwd, de Sint-Martinuskerk.

Tot 1817 behoorde Pannerden tot het koninkrijk Pruisen, maar werd in dat jaar overgedragen aan het Koninkrijk der Nederlanden en werd op 1 januari 1818 een zelfstandige gemeente. Op die dag werd de gemeente Herwen verdeeld door het ene gedeelte verder te laten gaan als gemeente Pannerden en de andere helft als de gemeente Herwen en Aerdt, waartoe ook de opgeheven gemeente Lobith werd gevoegd. (meer…)

018 – MAASPLEIN 1

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 2)

Deel 2- Het tragische leven van Louis Doedel

Over de activiteiten van De Kom in Suriname wordt in de delen 4, 5 en 6 ingegaan. Eerst echter het tragische verhaal van hoe het Louis Doedel vanaf het vertrek van Anton de Kom in mei 1933 is vergaan.

In 1933 zette Louis Doedel een ‘Kantoor voor Algemene Zaken’, dat een vakliedenbeurs kende om beter zicht te krijgen op de omvang van de werkloosheid en om te bemiddelen bij werk. In de jaren daarna gaf hij een hele serie pamfletten, manifesten en kranten uit, waaronder De Banier, De Meidoorn en Jong Suriname. Hierin vroeg hij voortdurend aandacht voor de problemen waarmee arbeiders, kleine boeren en werklozen in Suriname te kampen hadden. In alle publicaties verweet hij consequent het koloniaal bewind een krachteloos beleid te voeren tijdens de jarenlange economische crisis. Door zijn politieke activiteiten en geprononceerde stellingname raakte Doedel onvermijdelijk in conflict met de koloniale autoriteiten. In 1934 raakte Doedel in conflict met procureur-generaal Frans van Haaren over het artikel ‘Welk parool?’ in zijn maandblad ‘Jong Suriname’, met een heftige aanval op de Nederlandse kruidenierspolitiek ten aanzien van Suriname. In 1935 publiceerde hij crisismanifesten, waarin hij twee jaar ‘laissez-faire-bestuursbeleid’ van gouverneur Johannes Kielstra (die in oktober 1933 gouverneur Rutgers had opgevolgd) onder de loep nam. (meer…)

ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 1)

Deel 1- De voorgeschiedenis

Vanaf eind achttiende eeuw bevond de economie van Suriname zich in een neerwaartse spiraal. De opkomst van concurrerende producten zoals bietsuiker uit Europa en katoen uit de Verenigde Staten was goed merkbaar. De afschaffing van de slavernij in 1863 was een tweede factor van betekenis. Door de opening van het Suezkanaal waren er steeds betere investeringsmogelijkheden in het toenmalige Nederlands-Indië, wat ten koste ging van investeringen in Suriname. Bovendien volgde de Nederlandse regering een laissez-faire politiek in plaats van problemen planmatig aan te pakken. Als gevolg van dit alles verlieten vele voormalige slaven de plantages in de binnenlanden en trokken naar de steden, met name naar Paramaribo. Het koloniaal bestuur speelt hierop amper en in bleef krampachtig vasthouden aan de plantagelandbouw en de eind negentiende eeuw opkomende grondstoffenexploitatie. Toen vanaf 1929 een mondiale economische crisis uitbrak, was Suriname dan ook zeer slecht uitgerust om hier weerstand tegen te bieden.

Op politiek terrein werd het land sinds 1866 geregeerd door de Koloniale Staten, die slechts de elitaire bovenlaag van nog geen 2% van de bevolking vertegenwoordigden. Alle bevoegdheden tot het nemen van beslissingen berustte bij de gouverneur, een Nederlandse ambtenaar die door de Nederlandse regering werd benoemd. Alle politieke macht was dus in feite in handen van de Nederlandse regering. Er waren geen politieke partijen en de pers, vaak gerund door Statenleden, hadden een belangrijke politieke rol. De zogenaamde volksklasse had vanwege het censuskiesrecht niets in te brengen en kon haar stem slechts laten horen door bijvoorbeeld plichtsverzuim, stakingen, opstanden en vakbondsorganisatie. Gelukkig voor het koloniale gezag waren al die acties lokaal gericht, kenden geen lange-termijndoelstellingen en ontbrak het altijd aan goede leiding en organisatie, ook bij de vakbondjes die vanaf 1900 opkomen. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 5)

De Duitsers annexeerde op 8 oktober 1939 de veroverde Poolse gebieden en verdeelde het westelijk-noordelijke deel in vier Reischgaue en in het oosten werd het Generalgouvernement opgericht. Piotrków Trybunalski kwam te liggen in de Reichsgau Posen, waarvan SS-Obergruppenführer Arthur Greiser tot Gauleiter werd benoemd. Hij zou die functie gedurende gehele oorlog behouden. Op 29 januari 1940 werd de Reichsgau Posen omgedoopt tot de Reichsgau Wartheland. Piotrków Trybunalski werd benoemd tot de hoofdstad van een Kreis, die deel uitmaakte van het nieuw gecreëerde Regierungsbezirk Litzmannstadt (District Lódz) binnen de Reichsgau. De Wehrmacht onder bevel van General der Artillerie Walter Petzel vestigde zich in Posen (Poznan) en bestuurde van daaruit haar militaire operaties over het gebied, dat overwegend werd bewoond door etnische Polen. Er was een redelijke Duitse minderheid (16,7%) en een kleine Joodse bevolking.  De Duitse overheid streefde naar het volledig germaniseren van het geannexeerde Poolse gebied, waarmee in 1939 in de nieuwe Reichsgau Wartheland moest worden begonnen. De Poolse bevolking diende te worden geherhuisvest en hun plaatsen diende te worden ingenomen door Duitse militaire en civiele kolonisten, waaronder Oost -Europees Volksdeutsche. De Joodse bevolking werd in eerste instantie vooral bijeengedreven in het getto van Łódź, ongeveer 25 kilometer ten noorden van Piotrków Trybunalski, en vervolgens binnen twee jaar werden uitgeroeid in Vernichtungslager Kulmhof (Chełmno). (meer…)

ROB KORPERSHOEK

Al vanaf het begin van de oorlog was er in Hilversum en omstreken een groepje zeer jeugdige scholieren die zich afzette tegen de Duitse bezetting. Dat waren onder meer Rob Korpershoek (1926-2014), Wouter Albers, Wim Freni, Guus Dull en Leo de Zoeten. Ze lieten hun onvrede merken door illegale bladen en pamfletten te maken en die door de stad te verspreiden. Het amateuristische maar ook de jeugdige spontaniteit, zich amper bewust van de risico’s die ze liepen, spat er vanaf. Zo weerden artikelen ondertekent met ‘Simon Saboteur’ en Rob Korpershoek ondertekende altijd met een simpele ‘M’, die was afgeleid van de eerste letter van zijn schuilnaam ‘M.O.F. Fenhater. Vanaf 1943 gebruikte het groepje de naam NV De Strijders en publiceerde ze onder meer het blad Ons Verzet (nr. 580 in L. Winkel, De Ondergrondse Pers). Ook werd een jaarlijkse Vrijheidskalender uitgegeven, die in 1944 in een oplage van 100 exemplaren en een tarief van 50 cent werd verspreid onder geïnteresseerden. Op 15 januari 1945 publiceerde Korpershoek een prent tegen aanmelding tegen de Arbeitseinsatz, die tegen het eind van de oorlog bijzonder aansloeg.

In de Boekenlage1987 van Vrij Nederland verscheen onder de titel ‘Jongeren in de illegaliteit. Hilversumse scholieren in het verzet 1940-1945) onderstaand artikel van Hans Mulder. Dit naar aanleiding van het boek van Jet Baruch en Jenny Smit, ‘Oorlog met de tekenpen Verzet van jongeren in het Gooi, 1940-’45’ en de tentoonstelling die daarover tot maart 1988 in het Rijksmuseum liep. Ter illustratie daarbij de beroemde tekening die Rob Korpershoek maakte voor een strooibiljet, dat in een oplage van maar liefst 400.000 exemplaren werd verspreid. Vanwege die grote oplage werd lang gedacht dat het biljet vanuit de geallieerde propagandamachine kwam. (meer…)

HANNA VAN DER VOORT

Hanna van de Voort (Meerlo, 26 november 1904 – Utrecht, 26 juli 1956) was de dochter van een banketbakker in het Limburgse Meerlo, een dorpje langs de Maas en vlak bij Venray. Bij het uitbreken van de Tweede Oorlog was ze in het nabijgelegen Tienray kraamverzorgster. De oorlog zou bijna rustig aan haar voorbij zijn gegaan als ze niet in mei 1943 door twee Limburgse jongens die in Amsterdam studeerde was benaderd met de vraag of ze niet pleeggezinnen kende die een tijdje Joodse kinderen uit Amsterdam wilde opvangen. Dat waren Karel Ex (Venlo, 1923 – Amsterdam, 1999) en Joe Russell uit Tegelen, de zoon van de mede-eigenaar van het Tegelse keramiekbedrijf N.V. Russel-Tiglia was een keramiekbedrijf. Hanna vroeg na deze onverwachtse vraag om advies aan haar hulpbehoevende moeder Marie van de Voort-Everts, die direct antwoordde: ‘Duizend kinderen, Hanna! Die moeten we helpen!’ Hanna organiseerde vervolgens in Tienray de hulp aan joodse onderduikertjes. Ze werden hierin bijgestaan door de joodse onderduiker Kurt Löwenstein en de ondergedoken student Nico Dohmen.

Kurt Löwenstein (Allenstein, 17 november 1925 – Beverly Hills, 8 mei 2017) waas de zoon van een Joodse advocaat die zich nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen noodgedwongen Berlin moest vestigen waar een grotere Joodse gemeenschap was, dus meer kans op werk. Zijn oudere broer Heinz was enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog naar Groot-Brittannië uitgeweken. Kurt en zijn ouders hadden de pech dat uitgerekend op de dag dat ze vanuit Rotterdam de overtocht naar de Verenigde Staten zouden maken, de Duitsers Nederland binnenvielen. Zijn vader kon door zijn werk bij de Joodse Raad in Amsterdam nog een tijdlang vrijstelling van deportatie krijgen, maar in juni 1943 kwam het drietal toch terecht in Kamp Westerbork. (meer…)

018 – LOBITH – CARVIUM NOVUM 12


.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

MAASPLEIN NIJMEGEN

OpelFahrrad a quintHet Maasplein en omgeving ligt in het oudste gedeelte van het Waterkwartier en is genoemd naar de rivier de Maas, die in Frankrijk op het plateau van Langres ontspringt. De bijna geheel gekanaliseerde rivier heeft een lengte van 925 kilometer en komt bij Maastricht ons land binnen. Op 25 mei 1921 werd in Nijmegen het raadsbesluit genomen dit deel te bebouwen. In dat raadsvoorstel stonden onder meer de namen Amstelplein en Amstelstraat, Maasplein en Maasstraat, Merwedestraat, Rijnstraat en Waalstraat. Bij de Maasstraat en het Maasplein werd wel onderscheid gemaakt tussen de straat en het plein, maar het Maasplein was dan ook aanmerkelijk groter dan het zogenaamde Amstelplein. De buurt waar die straten en pleinen liggen, heette oorspronkelijk de Rivierenbuurt. Logisch gezien de namen. Al vanaf het begin kwam bij de bevolking echter de naam Waterkwartier in zwang en werd de officiële benaming helemaal verdrongen. Bij de Volkstelling 1960 werd de wijk- en buurtindeling aangepast en werd de naam Waterkwartier vervangen door Biezen. Meer dan zestig jaar later is deze nieuwe naam nog steeds niet erg ingeburgerd en wordt nog steeds gesproken over het Waterkwartier. Deze naam is nooit formeel door de gemeenteraad vastgesteld en komt ook niet voor in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Officieel bestaan het Amstelplein en het Waterkwartier dus niet. In 1922 werden in dit oudste gedeelte van het Waterkwartier 314 arbeiderswoningen gebouwd. Op 28 Januari 1923 besloot de Gemeenteraad tot aankoop van verschillende percelen om de verbinding tussen de Maasstraat (het oudste gedeelte) en de Biezenstraat te verbeteren. Per Raadsbesluit van 1 februari 1928 werd dit nieuwe gedeelte ook Maasstraat genoemd. Bij Raadsbesluit d.d. 14 mei 1997 kreeg een deel van de Maasstraat alsnog de naam Maasplein op grond van onder meer de volgende argumenten: (1) De tekst van de raadsbesluiten van de straatnamen Maasplein en Maasstraat wijkt af van de feitelijke situatie; (2) De huisnummering van de betreffende woningen is al op basis van de daadwerkelijke situatie vastgesteld. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 4)

Volgens het register van 1940 waren er 20.421 Joden in de provincie Piotrków. Het getto van Piotrków Trybunalski werd van 15 tot 21 oktober 1942 geliquideerd. Van juli tot september 1942 schoten de Duitsers zestig mensen dood in de bossen van Raków. Tijdens de liquidatie van het getto werden ongeveer 22.000 mensen afgevoerd naar het Duitse vernietigingskamp in Treblinka. Honderdvijftig mensen werden neergeschoten en de rest – in totaal 2,4 duizend – opgesloten in werkkampen. De laatsten uit deze kampen werden op 25 november 1944 naar Duitsland vervoerd. Gevangenen werden naar de kampen Buchenwald en Ravensbrück gestuurd. In 1945 waren er nog 372 Joden in Piotrków Trybunalski. Maar de overgrote meerderheid van hen verliet de stad in de daaropvolgende jaren. Binnen enkele jaren was een einde gekomen aan een eeuwenlang bloeiende Joodse gemeenschap binnen het Poolse stadje, waarvan in 1928 maar liefst 65% van alle ambachtslieden en kooplieden Joods was. Het stadje kende Joodse ondernemers met een sodawaterfabriek, een paar leerlooierijen, een oliemolen, een ijzergieterij, een timmermanswerkplaats, een zagerij, een steenfabriek, een triplexfabriek, een stoomzagerij, een vatenfabriek, drie graanmolens en tal van kruideniers- en kledingswinkels. Plus een rijk cultureel en religieus leven. Ruim 20.000 Joodse inwoners van Piotrków Trybunalski waren tussen 1942-1945 door de Duitsers vermoord. Twintigduizend, dat is een hoog aantal, maar zegt tegelijkertijd zo weinig omdat het slechts een getal is, een abstract gegeven. We kunnen er geen twintigduizend gezichten bij voorstellen, zoals we wel gezichten kunnen voorstellen  bij een ongeluk waarbij vijf mensen om het leven komen of een misdrijf waarbij vier mensen worden vermoord. Daarom spreekt het verhaal van Anne Frank zo aan, een jonge Joodse puber, die een dagboek naliet en waarvan wat foto’s dat trieste levensverhaal ondersteunen. Daarom is het boek In Memoriam van Guus Luijters ook zo overdonderend, want naast de lijst met namen van kinderen die naar de concentratiekampen werden getransporteerd, staan de foto’s die de schrijver van die kinderen heeft kunnen achterhalen. Van de inwoners van het getto in Piotrków Trybunalski in 1942 is het samenstelling van zo’n portrettengalerij onmogelijk. Een overzicht van enkele inwoners van het stadje in 1919-1920 geeft een aardig beeld van wat bruut werd vermoord. (meer…)

WESTERWEELGROEP

Joop Westerweel (Zutphen, 25 januari 1899 – Vught, 11 augustus 1944) was de zoon van een drukker in Zutphen. Zijn ouders werden later lid van de Vergadering van Gelovigen, een uit Engeland afkomstige protestantse vernieuwingsbeweging. Inspiratiebron voor hen waren de eerste christelijke bewegingen, gekoppeld aan eerbied voor het Oude Testament. Joop brak al jong met de Vergadering, maar de bijbel bleef voor hem een inspiratiebron. Hij was rond 1920 politiek actief ter linkerzijde van sociaaldemocratische SDAP. Als pacifistische christenanarchist geloofde hij sterk in een geweldloze oplossingen van conflicten. Hij werd dan ook onvermijdelijk dienstweigeraar toen hij opgeroepen werd voor militaire dienst. Hij was op dat moment werkzaam als onderwijzer in Nederlands-Indië. Hij kreeg een gevangenisstraf en werd het land uitgewezen. In Nederland ging hij werken aan de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven, een algemeen-bijzondere school met basisonderwijs en voortgezet onderwijs die in 1926 was opgericht door Kees Boeke en zijn vrouw Betty Cadbury. De school bestaat nog steeds en is onveranderd gebaseerd op hun pedagogische opvattingen waarbinnen de strijd tegen militarisme en geweld en het streven naar een vreedzame samenleving de centrale gedachten zijn. Voor de oorlog organiseerde Westerweel daar de opvang van Duitse en Poolse Joodse vluchtelingen en zorgde ervoor dat hun kinderen onderwijs kregen. (meer…)

JOHAN BERENDSEN, deel 2

Weer een dag later werd door Johan Berendsen met dezelfde meedogenloosheid Willem Kohlen (1881-1944) geëxecuteerd. Op 19 september liet de bezetter weten dat de binnenstad van Venlo moest worden ontruimd omdat het centrum Sperrgebiet zou worden. Ook het echtpaar Willem en Johanna Kohlen laden het broodnodige op een kar om hun woning te verlaten. Er ontstond commotie toen een medebewoonster van de Hakkesplaats de 63-jarige koopman en kraamverhuurder Kohlen, die de reputatie had nooit een blad voor de mond te nemen, ervan beschuldigde een portret van Adolf Hitler bij de vuilnis te hebben gezet en linnengoed van haar te hebben gestolen. Kohlen schamperde dat hij haar ‘stinkonderbroek’ niet nodig had. De jonge vrouw was echter in gezelschap van enkele Duitsers, die Kohlen een paar klappen gaven, zijn huis insleurden en daar verder mishandelden. De buurvrouw, werkzaam in het Deutsches Haus, en de Duitsers gingen vervolgens naar het pakhuis van de koopman en verdwenen iets later met twee kisten. Kohlen sloeg het advies in de wind zo snel mogelijk te verdwijnen. Toen de Duitsers terugkwamen, werd hij gearresteerd. Daarna werd door hen Johan Berendsen gebeld om naar de Ortskommandant in de Paterskerk te komen, Daar werd hem bevolen om een plunderaar te executeren. Berendsen en een AKD-collega, wachtmeester Sytze Blaauw, namen Willem Kohlen die avond mee en brachten hem bij de machineloods van de Maasbuurt-Spoorweg dicht bij het oude station met acht tot tien kogels om het leven. Een pater van de Sint-Josephparochie die het Heilig Oliesel wilde toedienen, werd door Berendsen weggestuurd. Een monteur van de Maasbuurt Spoorweg, L. Heurkens, had gezien wat er was voorgevallen en in oktober 1945 bleken ook twee andere personen getuigen te zijn geweest. Een van die getuigen beet hij toe: ‘Dit doen we met plunderaars!’ en in een rapport noteerde hij dat de man bij een vluchtpoging was neergeschoten. Het stoffelijk overschot van Wiel Kohlen werd overgebracht naar de begraafplaats aan de Kerkhofweg. Sytze Blaauw kreeg na de oorlog de doodstraf, maar werd later omgezet in een lange vrijheidsstraf. Mejuffrouw B., de boosaardige buurvrouw, werd ondanks halsstarrig ontkennen veroordeeld tot 3,5 jaar opsluiting in een Rijkswerkinstelling. (meer…)

JOHAN BERENDSEN, deel 1

Johan Berendsen (Avereest, 2 september 1912 – Vught, 2 mei 1947) werd geboren in Avereest, een Sallands dorpje in de omgeving van Dedemsvaart. In oktober 1939 trouwde hij met Annie de Vries (Blerick, 7 juli 1917 – Blerick, 15 april 1917), de dochter van een fanatiek NSB’er, en vestigde het echtpaar zich in haar woonplaats. Waarschijnlijk heeft Berendsen haar leren kennen toen hij daar zijn militaire dienstplicht vervulden. Daarna trad hij in dienst bij de politie in Venlo. Toen in mei 1940 de Duitsers Venlo aanvielen, maakte Berendsen deel uit van de bemanning van een van de bunkers bij de Maasbruggen in Blerick, waar hij een van de mitrailleurs bediende om de Duitse invallers te bestoken. Na zijn krijgsgevangenschap en ontslag uit de Nederlandse krijgsmacht werd hij in juli 1940 lid van de NSB-kring Venlo, waar hij vanaf december 1940 commandant was van de knokploeg van de Venlose NSB, de Weerbaarheids Afdeling (WA), door een Venlose amateurhistoricus treffend omschreven als ‘een irritant stelletje straatschenders’. Na een paar maanden van straatterreur bleek dat de leidinggevende capaciteiten van Berendsen ontoereikend waren. Hij stapte toen over naar de Nederlandsche SS, maar bedankte hiervoor al in 1941 omdat een dreigende gang naar het Oostfront hem afschrok.

In februari 1942 werd het eerste kind van het echtpaar Berendsen geboren, in maart 1943 volgde er nog een tweeling. In juli 1943 werd Johan Berendsen toegelaten op de Politieschool Schalkhaar (ook Politieopleidingsbataljon Schalkhaar genoemd), de centrale opleiding voor de Nederlandse politie. Vanaf juli 1941 werden daar in de Westenbergkazerne Nederlandse politiemensen in zes weken tijd onder Duits toezicht geschoold in de SS-ideologie om betere controle te krijgen over het Nederlandse politieapparaat. Na de opleiding werden deze agenten toegevoegd aan reguliere korpsen. Berendsen keerde op 16 augustus 1943 onder de rang van wachtmeester terug naar het korps in Venlo. Daar was een maand eerder de gevreesde SS’er Otto Couperus tot commandant was benoemd. In oktober 1943 werd Berendsen na een gunstige beoordeling bevorderd tot opperwachtmeester. (meer…)

017 – LOBITH CARVIUM NOVUM 11


.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

DE JOODSE INVALIDE

De rebbe Meyer de Hond (Amsterdam, 30 augustus 1882 – Sobibór, 23 juli 1943), geboren in een armlastig gezin in de Jodenbuurt en zeer begaan met de sociale ellende van de arme Joden, schreef begin 1911 de brochure ‘Een joods hart klopt aan uw deur’, waarin hij aandacht vroeg voor het lot van Joodse invaliden en ouderen, waarvoor amper aandacht was binnen de Joodse gemeenschap. De Hond was binnen de gemeenschap een controversieel figuur. Hij nam afstand van het socialisme en zionisme, bestreed het formalisme in het orthodoxe jodendom en ageerde tegen d Joodse elite die het niet zo nauw namen met de voorschriften. In 1904 kon hij nadat hij kandidaat-rabbijn was geworden door tegenstand van opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner, de rector van het seminarium, zijn studie tot rabbijn niet vervolgen en nadat hij dit in Berlijn en Würzburg alsnog had gedaan, weigerde dezelfde Dünner deze prestigieuze opleiding te erkennen omdat ze niet in Nederland was gevolgd. Ondanks zijn tomeloze inzet via diverse verenigingen en zijn succesvolle toneelstukken met schetsen ut het dagelijkse Joodse leven zou De Hond in de Joodse bovenlag zijn verdere leven persona non grata blijven.

De door hem in 1905 opgerichte vereniging Touroh Our (‘De leer is het licht’) had het initiatief genomen om voor joodse bejaarden en invaliden, die verzorgd werden in het stedelijke werkhuis in de Roetersstraat, te zorgen voor kleding en andere extra’s. Het Nederlandse Israëlitische Ziekenhuis (NIZ) aan de Nieuwe Keizersgracht had niet voldoende ruimte voor deze groep, die werd ondergebracht naar het stedelijk Werkhuis. NIZ zorgde er wel voor dat drie keer daags een koosjere maaltijd werd verzorgd en had ook gezorgd voor een zaaltje voor het samenkomen op sjabbat en tijdens de feestdagen. In zijn brochure beschreef De Hond in welke erbarmelijke en mensonwaardige de bejaarden en invaliden hun dagen moesten slijten.  Tegelijkertijd met het verschijnen van de brochure in 1911 richtte hij de vereniging De Joodsche Invalide op. (meer…)

VERZETSGROEP DE WITTE ANJER

Op 8 mei 1945 werd het Rijksbureau voor Documentatie van de geschiedenis van Nederland in Oorlogstijd opgericht, waarvan al in oktober dat jaar de naam werd gewijzigd in het handzamere Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Die naam werd eerst afgekort tot RvO, later tot RIOD. Op 1 januari 1999 veranderde de naam in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Op zaterdagmiddag 22 november 1947 had het RIOD een onderhoud met mevrouw A.J. Kropff-Minderman op haar adres Maastrichtsestraat 82 te Scheveningen. Doel van het overleg meer inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan Ans Kropff-Minderman en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt. Het overleg resulteerde in onderstaand verslag, waarvan het overgrote deel al in de korte biografie van Herman Kropff werd vermeld.

In 1940 richtten H. Kropff, Wim Merz en nog anderen – hoeveel en wie kan Mevrouw Kropff niet mededelen – de sabotage- en inlichtingengroep “De Witte Anjer” op. Medio 1941 is de Heer Kropff tot de O.D. ‘s- Gravenhage toegetreden. Of zijn medewerkers dit ook hebben gedaan is Mevrouw Kropff niet bekend. De leden van de Witte Anjer hadden zelf een zender gebouwd en slaagden er in daarmede contact te krijgen met de overkant. Mevrouw Kropff meent dat een dergelijk contact al in de Meidagen door haar echtgenoot was voorbereid. Alles wat maar op militair gebied voor de geallieerde oorlogvoering van belang kon zijn, werd overgeseind. Eind 1940 werd de zender echter door de S.D. overvallen. De jongens wisten nog net te ontkomen. Zij togen snel aan het werk om een nieuwe zender te bouwen, zodat zij weer spoedig in de lucht waren. Zij spraken soms op de golflengte van de Duitse radio Hilversum na sluitingstijd om 10 uur ’s avonds. Ze wekten de Nederlandse bevolking op zich tegen de Duitsers te keren. Toen de groep in de O.D. overging hielden zij de zender echter voor zich en opereerden daarmee niet in O.D. verband. (meer…)

017 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 3

016 – TOLKAMER 3


.
Zicht op Tolkamer vanaf het Bijlandsch Kanaal / de Rijn, december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

PIETER, WILLEM en ARNOLD BREEBAART

Het verslag van het overleg op zaterdagmiddag 22 november 1947 van het RIOD met mevrouw A.J. Kropff-Minderman om inzicht te krijgen in het functioneren van de verzetsgroep De Witte Anjer, waarvan zij en haar echtgenoot Herman Kropff deel hadden uitgemaakt, werd afgesloten met de zin: ‘Tenslotte vestigt Mevrouw Kropff nog de aandacht op de familie Breebaart uit Rijswijk. Van het gezin kwamen twee zoons en de Vader om. Een zoon is teruggekomen. Zij verzorgden een zender.’

Drie overledenen in één gezin, een vader en twee zoons. Een tragedie waarvan je zou veronderstellen, dat hierover het een en ander te vinden is in de talrijke websites over de Tweede Wereldoorlog en de (gesneuvelde) verzetshelden. Dat viel bitter tegen. In elk geval werd duidelijk dat het geheugen Ans Kropff-Minderman in de steek had gelaten. Vader Abraham Benjamin Breebaart (Leiden, 10 september 1889), elektrotechnicus van beroep, overleefde de oorlog. Drie van zijn zonen stierven echter in Duitse concentratiekampen. De vierde zoon, Abraham ‘Bram’ Benjamin Breebaart (Rijswijk, 20 november 1919 – Rijswijk, 1898) overleefde de oorlog. In het Jaarboek 2014 van de Historische Vereniging Rijswijk staat in het artikel over de fotograaf Cornelis Hageman (1876 – 1951) dat deze op het moment dat elektriciteit nog slechts werd geleverd aan bedrijven en instanties, hij beschikte over krachtstroom. Hij kon daardoor voor de verzetsgroep van Th. J. C. Beijersbergen ‘s nachts de accu’s vullen. De groep zou begin 1945 worden opgepakt; alle leden werden gefusilleerd. Ook ontwikkelde Hageman foto’s voor de verzetsgroep Breebaart. Bram Breebaart stuurde een zestienjarige jongen met een rolletje geheime foto’s naar de fotograaf. Zodra het rolletje was ontwikkeld en door de fotograaf in orde was bevonden, kreeg de jongeman te horen: ‘Zeg maar aan de heer Breebaart dat het gelukt is’. Blijkbaar wist Breebaart sr. aan arrestaties te ontsnappen of wist hij het concentratiekamp te overleven. Drie van zijn vier zonen hadden niet dat geluk. (meer…)

016 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 2

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 49

015 – LOBITH CARVIUM NOVUM 10

BAREND JAN KEUTER

De student Wouter Frederik Brave (Amsterdam, 11 september 1918 – Den Haag, 12 april 1984), die in 1940 als  22-jarige student in het verzet belandde, tekende hierover later op dat hij in dat studentenverzet onder meer Leo Voogd en Barend Klaas Keuter (Oost Graftdijk, 14 augustus 1918 – Bergen-Belsen, 5 maart 1945), bijgenaamd ‘Jons’, tegenkwam. Op 16 september 1940 verhuisde Barend Jan vanuit Den Haag naar Delft om te studeren voor civiel ingenieur. Voogd en Keuter waren oud-schoolvrienden van het Haganum. Via hen kwam hij in contact met Ir. Freddy ter Galestin en Herman Kropff. Deze twee leden van de Groep ‘ter Galestin’ beschikte over een eigen zender en hield zich hoofdzakelijk bezig met inlichtingenwerk, economische sabotage (vooral chemische industrie) en het opzetten van een ontsnappingsroute voor Engelse Australische en Amerikaanse piloten. De leden van de groep brachten deze beurtelings naar Rotterdam, Utrecht en later naar Amsterdam, waarna ze via de ‘Escape-line’ verder werden gebracht. Via zijn zoon kwam ook ds. Albert Keuter in contact met het verzet. Keuter bood vooral hulp aan ondergedoken Joden.Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was een dominee bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Daarvoor stond hij in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925).

(meer…)

ANJERDAG

Op 29 juni 1940 vierde prins Bernhard zijn 29e verjaardag. De eerste verjaardag binnen het koninklijk huis sinds de Duitse inval, zes weken eerder. De prins had droeg al sinds zijn studententijd in de twintiger jaren bij iedere gelegenheid een anjer op de borst, conform de toenmalige modieuze gewoonte. Na zijn studententijd bleef hij volharden in deze buiten het studentenleven wat excentrieke gewoonte. Op deze dag staken in veel delen van het land mensen de Nederlandse vlag uit, anderen deden een oranje strikje in. In Den Haag knoopte op deze dag veel mensen ook een anjer in hun knoopsgat. Burgemeester De Monchy had voor 29 juni alle demonstraties verboden, maar de bevolking legde toch bloemen neer bij het beeld van Willem de Zwijger bij paleis Noordeinde. Een politieman gaf daarop opdracht aan paleismedewerkers om de bloemen binnen te leggen. De Monchy, die was langsgekomen om de situatie te bekijken, liet de bloemen toch weer buiten leggen. Toen een afgevaardigde van generaal Winkelman kwam om het felicitatieregister in paleis Noordeinde te tekenen, begon het publiek te joelen, het Wilhelmus te zingen en anti-Duitse leuzen te schreeuwen. Ook in tal van andere steden vonden georganiseerde bijeenkomsten plaats om steun aan het koninklijk huis te laten blijken en daarmee tegelijkertijd te protesteren tegen de Duitse bezetting. In Amsterdam werd het monument voor de koningin-moeder Emma op het Emmaplein bedolven onder de bloemen. Opvallend was dat bij het Monument voor Koningin Emma in Benoordenhout in Den Haag, in het zogenaamde Rosarium aan het Jozef Israëlsplein, door massaal aanwezige NSB’ers ook bloemen werden gelegd, want ook onder de Nederlandse nationaalsocialisten was er grote bewondering voor het Huis van Oranje en werd de verjaardag van de prins aangegrepen uiting te geven aan de pro-Oranje gevoelens, waarbij er wel op werd gelet geen aansluiting te zoeken met de bloemenlegging bij paleis Noordeinde vanwege de anti-Duitse stemming die er heerste. Voor de NSB’ers ging op dat moment pro-Oranje en pro-Duits nog prima samen. Lou de Jong geeft in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4. Mei ’40- maart ’41, pagina 282-288 een overzicht van de verschillende georganiseerde en spontane acties, die onder de naam Anjerdag de geschiedenis zou ingaan. Het was de eerste keer dat in Nederland openlijk geprotesteerd werd tegen de Duitse bezetting. (meer…)

015 – ST. STEVENSKERKHOF EN KERKBOOG 1

014 – ZICHT OP ELTEN 2

.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

ST. STEVENSKERKHOF, KERKBOOG EN ST. STEVENSTOREN

De St. Stevenskerkhof is in de loop der jaren vele keren van naam veranderd. In de 17e eeuw werd het gebied rond de St. Stevenskerk aangeduid als Achterste Kerkhof, Hooge Kerkhof of Groote Kerkhof. In de 17e en 18e eeuw werd een deel van het kerkhofdoor een hek afgesloten, dat vervolgens de naam Binnen ’t Hekken kreeg. In 1812 heette het gebied Kerkhof, vanaf 1822 Het Kerkhof of Om het Kerkhof. In 1882 werd het kerkhof afgegraven, waarna tien jaar later de naam werd gewijzigd in st. stevenskerkhof. In 1924 werden de hoofdletters ingevoerd en kreeg het gebied zijn huidige naam: St. Stevenskerkhof. Op maandagen wordt al zeer lang hier een markt gehouden waar allerlei gebruikte artikelen te koop worden aangeboden. Het St. Stevenskerkhof wordt daarom in de volksmond vaak ‘de Luizenmarkt’ genoemd.

De Kerkboog (eerder De Kerk Boog, sinds 1924 Kerkboog) verbindt het St. Stevenskerkhof met de Grote Markt. De poort bestond al in 148, werd in 1545 herbouwd en in 1606 voorzien van een bovenbouw. In de middeleeuwen kon de Stevenskerk alleen worden bereikt via een kleine doorgang in de lakenhal, die uit 1382 stamt. Nijmegen had toen een bloeiende lakenhandel, waarvan de handel plaatsvond in de het Gewandhuis of Lakenhal, een vijftig meter lang gebouw aan de westzijde van de Grote Markt. Dat gebouw besloeg de gehele westwand van de Grote Markt. Gelijkvloers waren arcaden, een soort winkeltjes, die aan verschillende neringdoenden werden verpacht. Via een trap buitenom kon de eerste verdieping worden bereikt, waar in een grote hal het textiel werd geweven en geverfd. Deze hal was verdeeld in vakken, die door de handelaren gehuurd werden. Alleen hier mochten lakenhandelarenhandel drijven. Op de rechterhoek van de Lakenhal bevond zich sinds 1542 café ‘In de Blaauwe Hand’, het oudste café van Nijmegen. De kelder van het café werd door het lakengilde gebruikt als opslagplaats voor bier en wijn voor feesten en partijen. Op 9 februari 1546 schijnt keizer Karel V in de lakenhal aanwezig te zijn geweest op een groot feest. De naam ‘In de Blaauwe Hand’ verwijst naar het gebruik van de kleurstof indigo, dat erg afgaf aan de handen. Degenen die ermee werkten, waren al gauw van de vingers tot aan de elleboog blauw. Aan de lakenververs die hier wat gingen drinken, nog steeds meer blauwe handen, dankte de kroeg haar naam. (meer…)

013 – ZICHT OP ELTEN 1

zicht op Elten 1 zicht op Elten 2
.
Zicht op Elten (Duitsland) en haar Sint-Vituskerk, september 2009, © Frans van den Muijsenberg.

GASPER GALESTIN

Gasper John Alfred Galestin (Batavia, 15 december 1905 – Vught, 5 september 1944) werd in Nederlands-Indië geboren als zoon van de koopman Moses Nazareth Galestin. De roots van de familie liggen is Isfahan, maar ook wordt gewezen op Armeense oorsprong van de familie. Hij had een broer, Theodoor Astvatzattur Paul Galestin (1907-1980), die na de oorlog aan de universiteit van Leiden hoogleraar archeologie en kunstgeschiedenis werd en een zus, Johanna Martha Galestin. In allerlei documenten werd Gaspers naam foutief vermeld als Casper ter Galestin, waar die ‘toegevoegde ‘ter’ vandaan komt is onduidelijk, net als de verbastering van zijn voornaam in ‘Casper’. Zijn roepnaam was trouwens Freddy. Net als zijn broer Theo ging Freddy al op jonge leeftijd naar Nederland om te studeren. In Delft studeerde hij af als scheikundig ingenieur en was daarna als ambtenaar werkzaam bij het Rijksbureau voor Chemische Producten. In 1934 trouwde hij in Den Haag met Johanna Adrienne Thole, net als hij met Indische roots, Semarang.

Toen de oorlog uitbrak ging Galestin in Den Haag in het verzet. Hij richtte een inlichtingendienst op, die over een zender beschikte, bediend door Herman Kropff, om berichten naar Londen te kunnen doorseinen. Andere leden van de verzetsgroep waren onder meer Barend Klaas Keuter, diens vader dominee Albert Keuter, Leo Voogd, Wouter Brave en Jan Michiel Hillenius. Ook zorgde de groep ervoor dat via Parijs berichten naar Spanje kunnen worden gestuurd. Via contacten met een chemische fabrikant van surrogaatzeep kwam Freddy in aanraking met een pilotenlijn. (meer…)

014 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

012 – LOBITH CARVIUM NOVUM 9

THE ISLAMIC ROOTS OF THE MODERN HOSPITAL

Uit: Aramcoworld, march-april 2017, by Davod W. Tschanz.

In the late ninth century, leading physician and polymath Muhammad ibn Zakariya al-Razi helped establish a bimaristan—hospital—in Baghdad staffed with 25 doctors, optometrists, surgeons and bonesetters. The illustration, from a 13th-century European translation of Al-Razi’s Compendium of Medical Treatises, shows him treating a patient. The policy statement of the bimaristan of al-Mansur Qalawun in Cairo, c. 1284, stated: ‘The hospital shall keep all patients, men and women, until they are completely recovered. All costs are to be borne by the hospital whether the people come from afar or near, whether they are residents or foreigners, strong or weak, low or high, rich or poor, employed or unemployed, blind or signed, physically or mentally ill, learned or illiterate. There are no conditions of consideration and payment; none is objected to or even indirectly hinted at for non-payment. The entire service is through the magnificence of God, the generous one.’

The modern West’s approach to health and medicine owes countless debts to the ancient past: Babylon, Egypt, Greece, Rome and India, to name a few. The hospital is an invention that was both medical and social, and today it is an institution we take for granted, hoping rarely to need it but grateful for it when we do. Almost anywhere in the world now, we expect a hospital to be a place where we can receive ease from pain and help for healing in times of illness or accidents. We can do that because of the systematic approach—both scientifically and socially—to health care that developed in medieval Islamic societies. A long line of caliphs, sultans, scholars and medical practitioners took ancient knowledge and time-honored practices from diverse traditions and melded them with their original research to feed centuries of intellectual achievement and drive a continual quest for improvement. Their bimaristan, or asylum of the sick, was not only the true forerunner of the modern hospital, but also virtually indistinguishable from the modern multi-service healthcare and medical education center. The bimaristan served variously as a center of treatment, a convalescent home for those recovering from illness or accident, a psychological asylum and a retirement home that gave basic maintenance to the aged and infirm who lacked a family to care for them. (meer…)

JACOB SANDERS

Jacob Sanders (Sneek, 23 februari 1887 – Midden-Europa, 28 februari 1945) legde op 19 april 1913 aan de universiteit van Amsterdam zijn artsexamen af. In 1915 was Jacob Sanders als huisarts gevestigd aan de Mathenneserlaan 42 te Rotterdam, een lange en brede laan vanuit het centrum van Rotterdam. De laan was een belangrijk onderdeel van het stedenbouwkundige plan uit 1887 van Gerrit de Jongh, directeur van Gemeentewerken Rotterdam. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verrezen langs de Mathenneserlaan de gezichtsbepalende grote herenhuizen van vier en vijf lagen, die zowel als woonruimte, kantoor of praktijkruimte konden worden gebruikt. Er woonden hier voor de oorlog veel Joden en ook waren er diverse Joodse organisaties gevestigd: een Joodse jeugdbeweging (nr. 137), het Israëlitisch Weeshuis (nr. 208), de vereniging Joodse Kindzorg (nr. 220), de Hebrew Immigrant Aid Society (HIAS) (nr. 223) en de Vereniging Israël, afdeling Rotterdam (nr. 451). In 1920 huwde hij met Henriette Hendrika Salomonson (Rotterdam, 18 december 1889), met wie hij twee kinderen zou krijgen: Rolina Regina (Rotterdam, 30 juli 1922) en Leonie Edith (Rotterdam, 31 mei 1925). Na zijn huwelijk verhuisde hij zijn woonadres en huisartsenpraktijk naar de Heemraadsingel 240 in Rotterdam, opnieuw een chique straat met veel welgestelde Joodse bewoners. Tijdens de oorlog zouden de Duitsers er veel van hun organisaties vestigen. Terwijl praktiserend arts in Rotterdam was hij op 6 mei 1918 aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het proefschrift ‘Ziekte en sterfte bij Joden en niet-joden te Amsterdam’. De Joodse huisarts Herman Pinkhof (Rotterdam, 10 mei 1863 – Westerbork, 16 juli 1943), bekend als auteur van een geneeskundig woordenboek, als wijkarts bij het Nederlandsch Israëlitisch Armbestuur, kenner van de Talmoed, schrijver van de medische handleiding voor de ‘mohelim’ (kerkelijke besnijders) en zijn vele artikelen over ‘beroepsbelangen’ )zoals beroepsgeheim, vrije artsenkeuze, inentingsdwang, kindersterfte, homeopathie en farmacotherapie) voor het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, schreef er een lovende recensie over. Sanders onderzocht op basis van statistische gegevens de verschillen tussen Joden en niet-Joden in gevoeligheid voor verschillende ziekten, waarbij ‘raseigenschappen’ en ‘uitwendige invloeden’ de twee bepalende factoren zijn. Sanders merkte ook op dat de Joodse gezondheid vooral verbeterd kon worden door het bevorderen van een vrij, onafhankelijk leven van het Joodse volk in een eigen land. Bij Sanders ging zijn eugenetische levensvisie dus hand in hand met een zionistische ideologie. (meer…)

013 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

011 – LOBITH CARVIUM NOVUM 8

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

HET BOMBARDEMENT OP VILLA KLEYKAMP 2

Bombardement op Kleykamp 2Door het bombardement op Villa Kleykamp kwamen onderstaande 60 personen om het leven die in of bij de Villa Kleykamp verbleven. De meeste waren werkzaam bij het Centrale Bevolkingsregister. Enkele personen verdronken doordat zij in de kelder zaten die volliep met bluswater. Slechts een klein aantal medewerkers was lid of sympathisant van de NSB. Enkele medewerkers waren actief in het verzet en betrokken bij de illegale uitreiking van vervalste persoonsbewijzen. Bij bijna allen is de overlijdensdatum vastgesteld op 11 april, omstreeks 15.00 uur, enkelen stierven binnen enkele dagen alsnog aan hun verwondingen. (meer…)

HET BOMBARDEMENT OP VILLA KLEYKAMP 1

In Den Haag was de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp van het echtpaar Pieter en Ermina Kleykamp een begrip. Pieter Gabriel Kleykamp (1867-1942) was een ondernemer en een telg uit een Rotterdamse familie van mandenmakers, de firma Wed. C.G. Kleykamp die al sinds 1790 bestond. Ermina Kleykamp (1868-1931) was de dochter van een succesvol zeekapitein en ondernemer met een bergingsbedrijf. Vanwege haar sterke karakter noemde haar vader haar ‘Bismarck 2’. Het echtpaar trouwde op 14 mei 1891 in Rotterdam en kreeg drie zonen. Na hun huwelijk hielp Ermina haar echtgenoot met het moderniseren van het mandenmakersbedrijf en wist de omzet flink te verhogen met de verkoop van in eigen beheer gemaakte bamboe en rieten meubelen én decoratieve oosterse voorwerpen (lantaarns, waaiers, parasols, ceramiek en Japanse prenten). In 1903 werd de mandenmakerij door het echtpaar afgestoten en begon met reizende verkoopexposities van Japanse kunst- en sierobjecten, waarvan vooral Ermina de initiatiefnemer was. Tot 1909 organiseerde de firma jaarlijks zo’n zes reizende tentoonstellingen, met gemiddeld vijfhonderd objecten. Dat was zo succesrijk dat in 1908 een kunsthandel aan de Zuidblaak in Rotterdam werd geopend. In 1909 werd besloten te stoppen met de reizende tentoonstellingen en hun kunstzaal naar Den Haag te verhuizen, waar ze een betere klandizie verwachtten. Ze vestigden zich vlakbij Paleis Noordeinde en trokken voor de verfijnde inrichting van de zaak de sierkunstenaar Theo Neuhuys aan, die hun vaste adviseur zou worden. Er was niet alleen oosterse kunst te koop, maar ook eigentijdse schilderijen. De kunstzaal was een gigantisch succes, vooral dankzij de moderne marketingtechnieken die Ermina Kleykamp gebruikte. Ze was behalve in de kunsthandel ook erg actief in de Haagse Soroptimisten Club, die in 1927 werd opgericht. (meer…)

012 – BEGRAAFPLAATS RUSTOORD

010 – LOBITH CARVIUM NOVUM 7

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 9 – EEN STAPJE TERUG IN DE TIJD

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus 1870 de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed. In Saarbrücken werd door de Franse keizer een monument geplaatst om te herdenken dat de veertienjarige zoon en kroonprins Napoleon Eugène Lodewijk Bonaparte (1856-1879) hier zijn eerste gevechtshandeling had verricht, de zogenaamd Lulustein. Daarna beperkte de Fransen zich tot wat beschietingen vanaf de heuvels op de omliggende dorpen. In de tussentijd trokken de Duitse legereenheden zich rustig terug om een Franse aanval te kunnen weerstaan.

De Fransen verkeerden begin 1870 nog in de veronderstelling dat de vrede in Europa verzekerd was. Nog in juni 1870  wilde de Franse regering, daarin ondersteund door maarschalk Edmond Leboeuf (1809-1888) (kop artikel) die een jaar eerder ook minister van Oorlog was geworden, het aantal legermanschappen terugbrengen van 100.000 naar 90.000 man. Al snel bleek dat in Pruisen dit plan niet werd gevolgd, maar de Franse regering en met name door regeringsleider Émile Ollivier (1825-1913) bleven overtuigd dat de vrede in Europa gewaarborgd was. In Oost-Europa werd die vrede namelijk verzekerd door het traktaat van 1856 en via het Verdrag van Praag na de slag bij Sadowa zou Duitsland worden beteugeld. (meer…)

JACOB LENTZ

Jacobus (Sjaak) Lambertus Lentz (Den Haag, 23 juli 1894 – 18 augustus 1963) is het prototype van de ambtenaar die blindelings elke opdracht van bovenaf opvolgt, die geheel geobsedeerd is door zijn eigen expertise en geen oog heeft voor de vaak desastreuze gevolgen die dat alles voor derden heeft. IN de dertiger en veertiger jaren streefde hij het ideaal na van een volmaakte registratuur (een systeem van ordening van archiefstukken) en schreef later in zijn memoires trots dat dat ook was gelukt. Lentz werd in 1913 op twintigjarige leeftijd aangesteld bij het bevolkingsregister in Den Haag. In 1919 trouwde hij met Suzanna Maria Roelijn (1894-1989), na al een eerder huwelijk te hebben gehad. In 1923 behaalde hij zijn diploma ‘gemeentelijke bevolkingsadministratie’, werd in 1926 hoofdfunctionaris bij de afdeling Algemene Zaken en Bevolkingsregister op het Haagse stadhuis en kreeg in 1932 de leiding over de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, die binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken in het leven werd geroepen. Lentz werkte intensief; hij werkte regelmatig halve nachten door. Hij verwaarloosde dan ook zijn gezin, dat bovendien in de oorlog met afschuw zag hoe hij zijn werk in dienst van de bezetter met hetzelfde fanatische voortzette. In april 1943 scheidde zijn vrouw. Zij en de twee kinderen, een dochter van 22 en een zoon van 9, verbraken bijna alle contacten met hem. Lentz ging noodgedwongen bij zijn nicht in pension.

Jacob Lentz was echter geen nationaalsocialist. Integendeel zelfs, want begin jaren dertig was hij in Voorburg bestuurslid van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), vanaf 1901 een progressief-liberale politieke partij die in 1946 grotendeels opging in de PvdA, maar veel D66-leden zien hun partij als een voortzetting van de VDB. In het interbellum was de partij erg fel tegen het nationaalsocialisme in Duitsland en Nederland, maar ook tegen de rooms-katholieke zuil die steeds invloedrijker werd. Begin 1935 was hij een van de 365 prominenten die namens het neutrale Nederland optraden bij een volksraadpleging over de status van het Saargebied. (meer…)

BEGRAAFPLAATS RUSTOORD NIJMEGEN

Begraafplaats Rustoord is een begraafplaats en rouwcentrum met een karakteristiek poortgebouw in neoclassicistische stijl, dat werd ontworpen door W.J. Maurits en A. Wijers. De Nederlands Hervormde gemeente Nijmegen kreeg in 1895 van de gemeente Groesbeek toestemming om aan de Kwakkenbergweg een begraafplaats aan te leggen. Begraafplaats Rustoord werd op 26 juli 1897 officieel in gebruik genomen en is vanaf die datum de laatste rustplaats voor veel bekende Nijmegenaren. Door gemeentelijke herindelingen tussen Berg en Dal, Groesbeek en Nijmegen werd op 1 januari 1915 het grootste deel van de Kwakkenberg, waaronder de begraafplaats Rustoord, bij Nijmegen gevoegd. Vanaf die datum ligt Begraafplaats Rustoord aan de Postweg in Nijmegen-Oost.

In de Tweede Wereldoorlog werden op Heldenfriedhof Rustoord zo’n tweehonderd Duitse militairen en Nederlandse collaborateurs begraven. Bij dat eerste groepje hoorde ongeveer twintig Duitse militairen die om het leven kwamen bij het ‘vergissingsbombardement’ op Nijmegen op 22 februari 1944. Bij dat laatste groepje hoorde de Nijmeegse politiecommissaris Anton van Dijk (1905-1943), als overtuigd SS’er de hoofdverantwoordelijke was voor de arrestatie van vijfhonderd Joden en voor het verzet zo’n groot gevaar was geworden dat hij op 31 augustus 1943 werd geliquideerd. Een half jaartje eerder, op 14 maart 1943 werd op het Heldenfriedhof een Heldengedenktag gehouden. (meer…)

009 – TOLKAMER 2


.
Zicht op Tolkamer vanaf het Bijlandsch Kanaal / de Rijn, december 2007, © Frans van den Muijsenberg.

BOB DE LEEUW

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Nicolaas Rudolf de Leeuw, geb. 21-1-’05, wonende Kievietslaan 3, Eindhoven. In Brussel gepakt op weg naar Engeland. 5-10-’43 naar Duitschland na proces voor het Landesgericht in Utrecht 7-5-’45. Laatste verblijfplaats: Melk in Oostenrijk.’
 

Nicolaas Rudolphe de Leeuw (Amsterdam, 21 januari 1905 – Natzweiler, 23 maart 1945) woonde bij het uitbreken van de oorlog in Eindhoven (Kievitlaan 3), waar hij afdelingschef was op de Hollandsche Afdeling van Philips. Tijdens de Duitse bezetting was Bob hij actief in het verzet, onder voor de Groep Mellema. Deze verzetsgroep staat onder leiding van mr. dr. Cornelis Mellema (Groede, 9 september 1895 – Siegburg, 10 mei 1945), die bij Philips werkzaam was als octrooi-technicus voor Philips. De groep verzamelde inlichtingen die naar Engeland moesten worden gestuurd. In de zomer van 1942 werkte hij voor dat inlichtingenwerk aan een geheime zender. De nog niet voltooide zender bracht hij naar de woning van zijn ouders in Wassenaar, maar de Duitse Sicherheitsdienst is dan door een verrader al op de hoogte gebracht van zijn activiteiten. (meer…)

011 – HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

008 – TOLKAMER 1

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 48

HENDRIK VENNIK

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hendrik Vennik, geb. 24-9-’93, op 5 Sept. vervoerd uit Vught naar Duitsland.’

Hendrik Vennik (Meppel, 24 september 1893 – Ravensbrück, 5 april 1945) was de zoon van de Meppelse sigarenmaker Stellink Vennik en zijn echtgenote Wijbigje Remerie. Op 23 juni 1946 werd hij in zijn woonplaats Woerden gearresteerd vanwege verzetsactiviteiten, na door iemand te zijn verraden. Bij zijn arrestatie wordt genoteerd dat hij woonachtig was op het adres Nieuwendijk 16, dat hij gehuwd was met Gerrigje van Dijk (1897-1970) en dat zijn beroep is ‘ass. dir. bel. inv. en acc.’, wat zich het best laat vertalen als ‘assistent-directeur bij de Belastingdienst, afd. Invoerrechten en Accijnzen’. Het echtpaar, dat 21 september 1922 was getrouwde, had één dochtertje, Frieda Vennik. Elders wordt echter aangegeven dat hij op 30 juni 1944 in Rotterdam is gearresteerd. Wellicht is hij na een week gevangen te hebben gezeten in het politiebureau in zijn woonplaats voor verder verhoor overgebracht naar het Huis van Bewaring Noordsingel in Rotterdam. Over de aard van zijn verzetswerk is verder niets te achterhalen. (meer…)

010 – HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

TOLKAMER

Tolkamer ligt een kilometer verwijderd van Lobith en is vanuit Duitsland gezien de eerste aanlegplaats aan het Bijlandsch Kanaal, de ongeveer drie kilometer lange waterweg tussen Tolkamer en Millingen aan de Rijn. Het kanaal begint op het punt waar de Oude Waal zich van de hoofdstroom splitst, maar sommige kaarten laten het ten onrechte beginnen op het punt waar de Rijn ons land binnenkomt. Het grootste deel van het Bijlandsch Kanaal is de grens tussen Nederland en Duitsland. Die grens eindigt vlak voor Millingen aan de Rijn. Het laatste stukje, tot de splitsing in Waal en Pannerdensch Kanaal, is het kanaal geheel Nederlands gebied. Het kanaal werd gegraven tussen 1773 en 1776 dwars door de Bijlandsche Waard, dat nu vooral een belangrijk watersportrecreatiegebied is, met waarschijnlijk op de bodem van de Bijland een oud Romeins fort (castellum). Het kanaal diende om een scherpe meander in de toenmalige Boven-Waal af te snijden. Die meander was al door de Waaldijk gebroken en dreigde nu ook door de dijk van de Oude Rijn te breken. Dat zou betekenen dat  veel water van de Boven-Waal terecht zou komen in de Nederrijn, Lek en IJssel, een hoeveelheid die de dijken van die rivieren niet aankonden. Ten behoeve van de scheepvaart en de veiligheid van het gebied was daarom tussen 1701 en 1709 al het Pannerdensch Kanaal gegraven. Het gebied had in de loop der tijd behoorlijk wat ervaringen opgedaan met overstromingen, vaak met rampzalige gevolgen. (meer…)

CEES COLIJN

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 48 van 15 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hiermede een vriendelijk verzoek aan ieder, die inlichtingen kan geven over mijn man, CORNELIS COLIJN, geb. 12-4-1905 te Voorhout. Hij is eerst in Dachau geweest. Daarna heb ik een niet-officieel bericht ontvangen, dat hij tijdens een bombardement, 4 October 1944 te Heil(s)ingen, overleden is in een kamp. Inlichtingen onder nr. 17 van ons blad.’

Cornelis Colijn (Voorhout, 12 april 1905 – Hersbruck, 4 oktober 1944) was de zoon van een bloemenbollenkweker uit Voorhout, gelegen in de Bollenstreek, ten noorden van Leiden. In 1924 woonden de Colijns in Bergen onder de rook van Alkmaar en werd Cees Colijn ingeschreven in de militieregisters met de toevoeging dat hij bestemd was om de opleiding tot onderofficier te gaan volgen. Op 30 september 1925 ging hij met groot verlof, een dag later volgde de benoeming tot sergeant. Volgens de militie-inschrijving ging hij op 25 augustus 1928 voor een tweede maal en op 28 februari voor de derde maal met groot verlof. Op 5 september 1935 trouwde hij op 26-jarige leeftijd in Alkmaar met de even oude Antje Teitsma, de dochter van een politieagent in Alkmaar. Op moment van trouwen waren de ouders van Cees Colijn al woonachtig in Anna Paulowna en was Colijn inwonende in Heiloo, iets ten zuiden van Alkmaar, waarschijnlijk werkzaam in een tuindersbedrijf. Het huwelijk zou kinderloos blijven. Het echtpaar vestigde zich aan de Zandvaart 24 in het Noord-Hollandse Breezand, gemeente Anna Paulowna. (meer…)

LODEWIJK PIETER KRIJGER

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 49 van 22 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Ir. L. P. Krijger. 20 Aug. 1944 door Landwacht in Obdam b, Alkmaar gearresteerd. Zou begin Sept. ’44 nog in kamp Amersfoort gezeten hebben’.

Lodewijk Pieter Krijger (Rotterdam, 5 mei 1897 – Neuengamme, 28 november 1944) was een ingenieur die op 1 november 1921 in Rijswijk was getrouwd met Eva van den Broek (Hellevoetsluis, 22 november 1896). Het echtpaar woonde bij het begin van de oorlog in Santpoort. Op 4 mei 1942 werd hij op zijn werk op last van de bezetter door twee Nederlandse rechercheurs opgehaald, zonder verder mededeling te doen. Men was zeer vriendelijk, want Krijger kreeg eerst gelegenheid afscheid te nemen van zijn echtgenote, kreeg op het politiebureau in Velsen een warme maaltijd en mocht voor een tweede keer even langs huis voordat hij werd overgebracht naar het politiebureau in Alkmaar. ‘De belangstelling op de Kanaalkade deed mij daarbij veel goed. In Alkmaar werd ik door veel lotgenoten uit de stad en omgeving begroet’. Daarna ging het gezelschap onder grote publieke belangstelling verder, met onbekende bestemming. In de periode 4 mei 1942 tot 8 april 1943 was hij als een van de honderden gijzelaar geïnterneerd in het gijzelaarskamp Beekvliet in St. Michielsgestel. Dat kamp was die dag geopend, gevestigd in het kleinseminarie Beekvliet. De eerste bewoners waren 460 Todeskandidaten, vooraanstaande Nederlanders die eerder die dag waren opgepakt: politici, burgemeesters, hoogleraren, geestelijken, advocaten, schrijvers en musici. De nazi’s dachten met deze mensen als onderpand het verzet konden beteugelen. Het kampregime was erg licht, want de Duitse en Nederlandse bewakers hadden de opdracht om de gijzelaars met rust te laten zolang ze zich maar niet misdroegen. De gevangenen hoefden ook geen arbeid te verrichten en mochten zich binnen het kamp vrij bewegen. Lodewijk Krijger schreef over zijn verblijf in het gijzelaarskamp Beekvliet een dagboek, dat later in het bezit werd gesteld aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. (meer…)

009 – HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

ven2

.
Hatertse en Overasseltse Vennen, een uitgebreid vennen-, bos- en heidegebied ten zuidwesten van Nijmegen.
© Frans van den Muijsenberg.

007 – LOBITH ELTENSEWEG 1

JEHUDA CHAIM DE LIVER

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen
In De Zwerver nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Jehuda Chajim (Janus) 3 jaar oud. Bijzonderheden: 3e en 4e teen aan elkaar gegroeid’.

Jehuda Chaim de Liver was het zoontje van Joseph (Jos) de Liver (Maastricht, 23 oktober 1906 – Auschwitz, mei 1945) en Sophia (Fia) de Liver (Amsterdam, 9 maart 1906 – Palermo, 23 december 1978), volle neef en nicht van elkaar.  Vanaf 1931 woonde het echtpaar aan de Stadionkade 154-III. Jos de Liver was een scheikundige die als leraar verbonden was aan de Joodse HBS in Amsterdam. Vanwege zijn geringe gestalte werd hij door de leerlingen altijd plagend ‘Plukkie’ genoemd, die bij iedereen een geliefd en gerespecteerd leraar was. Vanaf september 1941 mocht hij zijn beroep niet meer uitoefenen en ging hij op het adres Olympiaplein 156-2 een cursus voor analisten verzorgen. Jos en Fia kregen op 20 november 1936 in Amsterdam een zoontje, Jitschak, dat echter al op 25 juni 1941 vanwege een zwakke gezondheid overleed. Op 30 juni 1942 kreeg het echtpaar De Liver-De Liver een tweede zoontje, dat Jehuda Chaim werd genoemd maar Juneke als koosnaam had. Hij werd geboren in een inktzwarte periode voor de Joodse gemeenschap, waarin de Jodenvervolging steeds heftiger werd. In het Amsterdamse bevolkingsregister werd op 23 februari 1943 bij de namen van beide ouders de aantekening ‘VOW’ geplaatst, ofwel ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’. (meer…)

HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN

De Hatertse en Overasseltse Vennen is een vennengebied van ca. 520 hectare in de Gelders gemeentes Heumen en Wijchen; het ligt ten zuidwesten van Nijmegen. Het gebied is ooit ontstaan door de Maas en Waal, die inmiddels een behoorlijk eind verder liggen, maar door de rivierklei die beide rivieren indertijd achterlieten heeft het gebied nu ongeveer twintig benoemde vennen en een uitgebreid rivierduin-, heide- en bosgebied. Op de voedingsarme en zure bodems groeien planten zoals veenmossen, kleine en ronde zonnedauw. Staatsbosbeheer maakt gebruik van schapen om de vegetatie kort en open te houden. Er leven wilde dieren zoals reeën, eekhoorns, dassen, konijnen, vossen en de zeldzame knoflookpad. Ook zijn er tientallen soorten broedvogels voor.

Vanaf 2010 werd door de provincie Gelderland, het Waterschap Rivierenland en Staatsbosbeheer de verdroging in het vennengebied aangepakt. In eerste instantie wilde men zeventig ha bos kappen, wat neerkwam op elf procent van alle bos. In de periode juni-december 2013 werden grote stukken bos gekapt en omgezet in heide, werden vier dichtgegroeide vennen uitgebaggerd zodat ze opnieuw voldoende water bevatten en werden enkele stukken landbouwgrond omgevormd in natuurgebied. In 2019 was het Vennenproject afgerond: de waterpeilen waren gestegen, de heide had zich goed hersteld en er werd een ruimtelijk verbonden heidegebied verwezenlijkt. (meer…)

THE WORST CRIME – CAREL AUGUST GUNKEL

In 1859 verscheen bij de Haagse uitgeverij Belinfante een boekwerkje van 108 pagina’s met de titel ‘Regtsgeding tegen C.A. Gunkel, beschuldigd van vergiftiging, voor het Provinciaal Gerechtshof in Zuidholland’, waarbij voor de terechtstelling op de eerste pagina in de Akte van Beschuldiging dat deze betreft: ‘G.A. Gunkel, volgens zijne opgave oud 84 jaren, gepensioneerd luitenant-generaal, geboren en laatst gewoond hebbende te ’s Gravenhage, thans gedetineerd in het huis van arrest aldaar’ en aansluitend verklaart de procureur-generaal dat uit de instructie van de procudure resulteert: ‘dat Louisa Catharina Elisabeth Esbra, wonende te ’s Gravenhage, sedert ongeveer elf jaren in betrekking hebben gestaan tot den beschuldigde, gewoon was iedere week des Dinsdags en des Vrijdags bezoeken van dezen te ontvangen, die echter, wat betreffenden laatstgemelden dag, in het laatste half jaar niet meer zoo geregeld als vroeger plaats hadden, bij gelegenheid van welke bezoeken de beschuldigde haar nu en dan eenige versnapering meebragt, waaronder somtijds een stuk leverworst; dat de beschuldigde op Dinsdag, den 4 Januarij 1859, des namiddags ten half twee ure, haar weder zoodanig stuk worst, ongeveer twee palmen lang, heeft gebragt, bij het overhandigen zeggende: “die moet je nu eens proeven, die heb ik in een net winkeltje gehaald,” doch dat hij, op hare uitnodiging, er niet van wilde medeproeven, voorgevende dit niet te kunnen doen, vermits hij dien morgen Malaga zou hebben gedronken; dat het dadelijk de aandacht der vrouw heeft getrokken, dat deze worst zoo veel dikker was dan de vorige, en dat de oppervlakte van het doorgesneden gedeelte niet glad was, zoo als gewoonlijk bij een afgesneden worst, maar dat het onooglijk en knoesterig was’. (meer…)

006 – LOBITH CARVIUM NOVUM 6

.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg, december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.

MARINUS VAN DIJK

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen<
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Marinus van Dijk, geb. 26 Mrt. … . , wonende Meerstr. 5, H.’sum. In Rotterdam gepakt bij ’t drukken van “Trouw”. Laatste verblijfplaats Oranienburg.’

Marinus van Dijk (Middelharnis, 26 maart 1898 – Vught, 11 augustus 1944) was op 24 juni 1924 in Sommelsdijk in het huwelijk getreden met Gerardina Maria Hoekveen (Eibergen, 6 augustus 1899), het echtpaar had geen kinderen. Hij was drukker van beroep en woonde in de oorlogsjaren in het adres Veerstraat 5 te Hilversum (en niet in de Meerstraat zoals in het opsporingsbericht stond). Hij was een overtuigd protestant en vond het daarom vanzelfsprekend om zich in te zetten voor de verspreiding van de illegale krant Trouw. Vanaf medio 1943 ging Marinus, die drukker van beroep was, voor Trouw werken. Op 17 juni 1944 werd hij echter bij die werkzaamheden in een drukkerij bij het Kralingseveer door de Sicherheitspolizei gearresteerd en overgebracht naar het Huis van Bewaring Noordsingel in Rotterdam. Opmerkelijk overigens dat Van Dijk die woonachtig is in Hilversum helemaal afreisde naar Rotterdam om dat illegale drukwerk te doen. (meer…)

008 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.

005 – LOBITH CARVIUM NOVUM 5

OpelFahrrad a quintHet wandel- en fietspad ligt aan het eind van het jaar bezaaid met duizenden kleine blaadjes. De ene dag wat meer dan de andere, een beetje afhankelijk van de sterkte van de wind. Of van de regen die ervoor zorgt dat ze wat langer aan het cement blijven plakken. Dagelijks passeren voetgangers en fietsers die alles nog wat vaster aan het cement houdt. Wat na een tijdje fantastische patronen op het pad achterlaat. 
.
.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg,
december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.
(meer…)

DE GALERIJ ONZER DODEN – EEN WOORD VAN GEDACHTENIS

In de eerste naoorlogse uitgave van De Zwerver, het blad van de LO-LKP, verscheen op de openingspagina een kort bericht ‘De galerij onzer doden’ met als ondertitel ‘Een woord van gedachtenis’ vanuit het stichtingsbestuur, waarin in vogelvlucht de geschiedenis van de landelijke organisatie werd geduid en, met de nodige nationalistische en religieuze verwijzingen, werd gewaarschuwd dat de vrede nog lang niet was bereikt. Ik veronderstel niet dat hiermee gedoeld werd op het feit dat in Azië de oorlog nog lang niet was betwist en dat Nederlands-Indië nog bezet was, maar meer dat zo kort na de oorlog niet al te optimistisch moest worden verondersteld dat het alle nationaalsocialistisch gedachtengoed voorgoed tot het verleden behoorde. De strijd was nog niet helemaal gestreden en men diende alert te zijn dat de naoorlogse samenleving werd ingericht conform de idealen waarvoor men gestreden had en waarvoor zovelen waren gesneuveld.

Gesprekken, ze zwijgen; de twisten zijn stil. Met omfloerste blik zien we op naar hen, die vielen, onze makkers van de L.O. Ze waren niet zo edel en hooggeboren, niet zo rijk en hooggetiteld: een bakker, een klerk, een landarbeider, een technicus, een schoolmeester … Trouwens, hoe ontstond de L.O.? Een plattelandsdominee uit een dorpje bij de Duitse grens; hij doorziet het nieuwe heidendom beter, dan de heren in Den Haag. Hem hielp een vrouw. Die predikant en die vrouw zijn de “stichters” van de LO.! Een geestelijke en een huismoeder. Frits, de dominee werd destijds gevangen, maar bevrijd en is nu vrij. Tante Riek werd in Juli ’44 gegrepen. Waar ze nu is ……? De derde “stichter kwam uit het Westen waar hij zelf al wat opgezet had, een schoolmeester. (meer…)

FRITS EIJSINK

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Eysink, Fredericus Berend, geb. 23-3-’23. Op 2-6-’44 gearresteerd door S.D. Tot 4-8-’44 in Huis van Bewaring te Groningen. Daarna op transport naar Amersfoort’.

Frederikus Berend Eijsink, roepnaam Frits (Hoogezand, 23 maart 1923 – Vught, 22 augustus 1944) was een winkelbediende die lid was van de K-groep, die haar hoofdkwartier had aan Martinikerkhof 19  in Groningen, recht tegenover het beruchte Scholtenhuis. De groep werd zo genoemd omdat iedereen een identificatienummer had dat met een K begon, zodat men elkaars naam niet kende en elkaar bij eventuele verhoren niet zou kunnen verraden. Frits Eijsink had nummer K-05 en werkte binnen de groep voor de ‘materiaal inlichtingendienst’. (meer…)

007 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.

004 – LOBITH CARVIUM NOVUM 4

OpelFahrrad a quintRondlopen door de natuur betekent onvermijdelijk dat men een keer op een dood dier stuit. Het is dan altijd de vraag wat er is gebeurd. Is die eend van ouderdom langs de kant van de weg overleden of daar terechtgekomen nadat ie uit de lucht was geknald? Die muis … heeft ie de pech gehad onder de wielen van een voorbijrazende scooter te komen terwijl hij rustig het wandel- en fietspad overstak?
.
.
Lobith, Natuur- en Recreatiepark Carvium Novum in aanleg,
december 2018, copyright F. van den Muijsenberg.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 47

HERMAN KROPFF

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Hermann Kropff. In October ’44 verplaatst van Concentratiekamp “Oranienburg” naar ,,Neuengamme” bij Hamburg’.

Hermanus Willem Karel Kropff (Den Haag, 1 februari 1922 – Neuengamme, 23 april 1945) woonde in de Sophiastraat 45 te Voorburg. Hij was van beroep kantoorbediende. In 1940 was de dan pas achttienjarige Herman de medeoprichter van de sabotage- en inlichtingengroep ‘De Witte Anjer’, waarvan alleen bekend is dat zijn latere echtgenote Alida Johanna Minderman (Den Haag, 9 augustus 1922), roepnaam Ans, er bij betrokken was. Welke andere deelnemers deel uitmaakte van het jeugdige groepje is onbekend, maar wellicht dat Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) documentatie heeft die meer informatie geeft. Duidelijk is in elk geval dat met de arrestatie op 30 december 1943 van het echtpaar Kropff ook een eind kwam aan de verzetsgroep de Witte Anjer. Het verzetsgroepje beschikte over een zender waarmee berichten werden overgeseind naar Engeland. (meer…)

006 – DE HOEFKAMP

.
Nijmegen, De Hoefkamp, een veldnaam die al in de 17e eeuw bekend was. Nu een buurt in de wijk in
Neerbosch
© Frans van den Muijsenberg.

009 – KASTEEL BALGOIJ

OpelFahrrad a quintDe hof te Balgoy behoorde waarschijnlijk tot het beginkapitaal van het kapittel van St. Jan te Utrecht, dat rond het midden van de elfde eeuw werd gesticht. Het is onbekend hoe Balgoy door St. Jan is verworven. Wel is zeker dat de hof of curtis Balgoy aanvankelijk een van de belangrijkste bezittingen van het kapittel uitmaakte en dat de proost er de hoge rechtsmacht uitoefende. De oudste vermelding van de goederen te Balgoy, waartoe ook een aantal tijnsgoederen binnen Balgoy zelf en over de Maas in Brabant behoorden, dateert eerst uit het jaar 1172. De curtis werd aanvankelijk in erfpacht uitgegeven, maar in de tweede helft van de veertiende eeuw bestond er een leenverhouding tussen de proost van het kapittel en de bezitter van de curtis. Het kasteel in het Gelderse dorp Balgoij (gemeente Wijchen) werd in 1257 voor het eerst vermeld. De graaf van Kleef en de proost van de Utrechts Sint-Janskerk verdeelden namelijk dat jaar hun goederen in Balgoij. De proost kreeg het hof, de graaf ontving het kasteel. Binnen de expansiepolitiek van de graven van Kleef paste het in de macht hebben van de heerlijkheid Balgoy en Keent. Rond 1350 werd Balgoy en Keent in zijn geheel Kleefs leen. Om zijn macht te bevestigen bouwde de graaf van Kleef een kasteel, het Huys tot Balgoye. Met zijn zware zaaltoren en grote voorburcht behoorde het kasteel tot een van de geduchtste in het gebied. (meer…)

HAMLIN’S WIZARD OIL

In de negentiende eeuw was de Amerikaanse markt voor ‘geneesmiddelen’ vergeten van allerlei zogenaamde patentgeneesmiddelen. Dat was een vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddel of medicinaal preparaat, dat door een handelsnaam en soms ook een octrooi werd beschermd. In de veelvuldige advertenties om het middel te promoten werd beweerd dat het tegen allerlei kleine aandoeningen en symptomen zou helpen. Aan de praktijk kwam pas voorzichtig een eind toen in 1906 de Pure Food and Drug Act werd ingevoerd, fabrikanten de samenstelling van hun product kenbaar moesten maken en de overheid met controles startte. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam echt een eind aan de fabricage en verkoop van de vaak niet ongevaarlijke producten. In vorige blogs zijn Clark Stanley’s Snake Oil en Mrs. Winslow’s Soothing Syrup al de revue gepasseerd. Dat ‘revue’ is hier wel een toepasselijke omschrijving, want heel wat van deze producten maakten reclame via medicijnshows in het middenwesten. Een praktijk die met emigranten was overgebracht vanuit Europa, waar al eeuwenlang door rondreizende ‘charlatans’ met mooie praatjes ondeugdelijke middelen werden verkocht. Tegen de tijd dat men ontdekte dat het middel waardeloos was, trad de charlatan al elders op. Als het om de verkoop van ‘geneesmiddelen’ ging werd de persoon een kwakzalver genoemd. In ‘The Canterbury Tales’ van Geoffrey Chaucer (1340-1400) in The Pardoner de charlatan die zondaars verleidt tot het kopen van valse religieuze relikwieën. De beroemdste straatcharlatan was Tabarin uit Parijs, die via kluchtige dialogen jarenlang en met groot succes allerlei kwakzalvermedicijnen verkocht. Dat gebeurde in een openluchtshow met veel muziek. Zijn optreden was zo succesvol dat hij Molière en De la Fontaine in hun werk inspireerde. (meer…)

HET BEEST VAN GÉVAUDAN

De voormalige Franse provincie Gévaudan komt nagenoeg geheel overeen met het huidige departement van de Lozère in de regio Languedoc-Roussillon. In de vroege middeleeuwen behoorde het gebied tot het Graafschap Toulouse met eerst Javols en later Mende als centrum. Het werd Frans gebied in 1258. In 1789 kwam met de Franse Revolutie een einde aan de macht van de provincies; in 1790-1791 werd de provincie Gévaudan hernoemd tot het departement Lozère. De naam Gévaudan bleef echter bewaard door het legendarische Beest van Gévaudan, een mysterieus roofdier dat in 18e eeuw veel dodelijke slachtoffers maakte. In de periode 1764-1767 viel het enorme monster namelijk mensen aan en maakte tientallen slachtoffers. Het afgelegen gebied Gévaudan was enkele jarenlang een angstige streek, een gebied dat men beter kon vermijden.

De eerste aanval van het beest vond plaats op 1 juni 1764. Een vrouw uit Langogne zag een grote hond uit het bos komen, die haar direct aanviel. Het dier kon echter door de stieren van de boerderij worden weggejaagd. Op 30 juni 1764 werd in Gévaudan de viertienjarige Jeanne Boulet aangevallen terwijl ze schapen aan het hoeden was. Als schuldige voor haar dood werd ‘het woeste beest’ opgeschreven. Het beest was na de eerdere aanval in Langogne dus bij de lokale bevolking bekend. Wellicht waren er hier en daar nog andere mislukte aanvallen geweest. Wat iedereen daarbij wel was opgevallen was dat het roofdier op een ongebruikelijke manier aanviel. Roofdieren gaan gebruikelijk naar de benen of de keel, maar dit beest richtte zich op het hoofd. De trieste dood van de jonge Jeanne was geen reden voor paniek, want aanvallen door wilde dieren waren geen zeldzaamheid. Dat veranderde echter toen in augustus een vijftienjarig meisje en een zestienjarige jongen werden aangevallen en deze aanval ook niet overleefde. In september volgde nog eens vier aanvallen. Een van de slachtoffers was een zesendertigjarige vrouw die nota bene vlak voor haar voordeur door ‘het woeste beest’ was doodgebeten. De aanvallen werden nu een serieuze bedreiging. (meer…)

THOMAS LAMBRECHTSEN VAN RITTHEM

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Tom Lambrechtsen van Ritthem. Schuilnaam Chilly. Was werkzaam in Amsterdam. Waarschijnlijk bij L.O., 3 Mei j.I. gefusilleerd.’

Thomas Jan Lambrechtsen van Ritthem (Batavia, 11 augustus 1922 – Rheden, 20 november 1944) stamde uit een geslacht dat oorspronkelijk uit Petegem, Oost-Vlaanderen afkomstig was en toen nog gewoon Lambrechtsen heette. Het geslacht verhuisde al vroeg naar Zeeland. Zo was Joos Lambrechtsen (1597-1669) in Zierikzee poorter, winkelier en kaarsenmaker en Nicolaas Lambrechtsen (1674-1707) werd een bestuurder in Vlissingen. Ook in latere generaties kwamen Zeeuwse bestuurders voor. In 1764 kocht een telg de heerlijkheid Ritthem; de naam is in 1816 per ongeluk aan de geslachtsnaam toegevoegd en is sindsdien als Lambrechtsen van Ritthem bewaard gebleven. Het geslacht is opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat. De ouders van Tom, Nicolaas Jan Cornelis Lambrechtsen van Ritthem (1890-1974) en Albertine Maria van der Mieden van Opmeer (1896-?) trouwde op 24 september in 1921 in Den Haag en vertrokken toen naar Nederlands-Indië. Daar werd elf maanden later in Batavia Tom geboren. Een paar jaar later keerde het gezien terug naar Nederland en vestigde zich in Terneuzen, waar vader havenmeester werd. In Zeeuws-Vlaanderen werden Toms zusjes Tineke en Martha geboren. (meer…)

NIJMEGEN – NEERBOSCH EN HEES

OpelFahrrad a quintNeerbosch was een voormalig landelijk gebied waarvan de eerste bewoning dateert uit de 13 eeuw toen de moerassen ten westen van Nijmegen werden drooggelegd. De naam verwees naar het grote bos (het Reichswald), dat zich toentertijd uitstrekte van Kleef tot Beuningen en Ewijk. De naam ‘in den Nederen Bosche’ komt voor het eerst voor in 1410. Sinds de 19e eeuw ligt Neerbosch binnen de gemeentegrenzen van Nijmegen. Het was een grotendeels leeg gebied, met her en der een boerderij en aan de oostkant het langgerekt dorp Neerbosch. In een minuutplan uit 1822 bestond de kadastrale gemeente Neerbosch uit zes secties, namelijk De Biezen, Hees, den Heikant, het Teersche Broek, Bijsterhuizen en het dorp Neerbosch.

Die situatie veranderde dramatisch toen in 1920 werd begonnen met de aanleg van het Maas-Waalkanaal, een 13,5 kilometer lange verbinding tussen beide rivieren, van Heumen naar Weurt. Voorheen moesten schepen om van Heumen naar Nijmegen te kunnen en dan naar het Duitse achterland te kunnen varen een omweg van ruim honderd kilometer maken. Op 27 oktober 1927 werd het kanaal door koningin Wilhelmina geopend. Na de aanleg werd het dorp lastig bereikbaar omdat het op het punt kwam te liggen waar de Maas en het kanaal samenkwamen. De consequenties voor het dorp Neerbosch waren niet minder ernstig, want het werd doormidden gedeeld. Het dorp Hatert werd later geconfronteerd met de bouw van de Hatertsebrug waardoor twee dorpskroegjes en de kerk en daarmee de dorpskern verdween. (meer…)

ELIAS ROOSELAAR

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In De Zwerver nummer 50 van 29 juni 1945 verscheen de volgende oproep: ‘Elias (Herman) Rooselaar, geb. 31-10-1903. 19-11-’43 in Asd. gearresteerd. Medio Jan. naar Westerbork. 2-3-’44 naar Duitschland. Moet voor transport naar Dsld. geholpen zijn door Groningsche dame, welke werkzaam was te Westerbork.’

Elias Rooselaar werd op 31 oktober 1903 in Amsterdam geboren. Hij werd vernoemd naar zijn opa, de ‘werkman’ Elias Rooselaar, die op 17 juni 1842 in de hoofdstad was geboren. Uit diens huwelijk met Keetje Salomons Waals (16 maart 1836) kreeg hij vijf kinderen: Abraham (1868), Salomon (1870), Philip (1872), Elisaberth (1876) en Greetje (1879). Het gezin woonde in de Joden Houttuinen nummer 41,een deel van de zogenaamde Jodenhoek (Joden Houttuinen, Valkenburgerstraat, Uilenburgerstraat en Batavierstraat), De verdwenen straat dankte zijn naam aan de oorspronkelijke functie als opslagplaats voor hout en de latere bewoning door voornamelijk Joden die vanaf in grote getale vanuit Oost-Europa naar Amsterdam kwamen. Het was een sloppenwijk waar de armste Joden van de stad opeengehoopt woonden in kleine eenkamerwoningen in nauwe steegjes en straatjes. Louis M. Hermans beschreef in 1901 in zijn rapport over de Amsterdamse krottenwijken ook de Joden Houttuinen: ‘Daar was “een slop ‘Wijde gang’ waar zo veel ongedierte is dat vader en moeder in de zomer op de vensterbanken slapen omdat in het ‘donkere gat, dat men bedstede noemt’ de wandluizen zo bijten. Alleen de van het venten of bedelen uitgeputte kinderen kunnen er slapen, al krabben zij ook het vuile vleesch tot bloedens toe in hun slaap.’ Het gezin verhuisde later naar de Valkenburgerstraat, wat wellicht een verbetering is geweest ten opzichte van het vorige adres. Elias vader, Salomon Rooselaar (1870) woont in 1906 in de Langebrugsteeg, wat wel een behoorlijke verbetering is te noemen. (meer…)

003 – LOBITH CARVIUM NOVUM 3

RUTH DE JONGE EN DONSJE KATER

In de vier nummers in juni 1945 – De Zwerver 47 (3 juni 1945) tot De Zwerver 50 (29 juni 1945) – stonden in totaal 71 oproepen (er is genummerd tot 72, maar nr. 39 is per ongeluk overgeslagen) over personen waarvan nog steeds niet bekend was of zij nog leefden en zo ja, waar ze dan verbleven. De oproepen waren steeds voorzien van de toevoeging met spoed te berichten aan het Centraal Bureau van de LO-LKP indien men nuttige informatie kon verstrekken. Zie hier voor het overzicht van de 71 oproepen.
In mei 1945 verscheen in het verzetsblad De Zwerver een korte oproep: ‘2. Donsje Kater, gebracht naar Friesland’. Jarenlang bleef het een raadsel waar Donsje Kater was gebleven, dat kleine Joodse meisje met de brede zwarte wenkbrauwen en de grote bos haar, die haar de naam Donsje opleverde. Donsje verdween uit beeld, nadat haar vader Bertus Kater haar via een advertentie in De Zwerver op het spoor was gekomen en haar ophaalde op haar onderduikadres in Bakhuizen, Friesland. Daarna bleef het een raadsel waar ze was gebleven., tot men haar weer op het spoor kwam na een bericht uit de Verenigde Staten van de dochter van Ruth de Jonge.

Ruth de Jonge woonde met haar ouders en twee broers aan het Zaailand in Leeuwarden. Voor de oorlog woonde de Joodse familie in het Duitse Weener, net over de grens, waar ze een machinefabriek hebben. In de jaren dertig werd het in nazi-Duitsland steeds lastiger voor Joodse ondernemers en vader De Jonge zat zelfs een tijd in concentratiekamp Börgermoor, de eerste van de vijftien Emslandkampen, waar hij vreselijk is gemarteld. Toen hij weer naar huis mocht, heeft hij zijn oudste zoon Heine aangeraden om naar Groningen te gaan. Uiteindelijk belandde hij in Leeuwarden, waar hij een nieuwe machinefabriek opstartte: ‘H. de Jonge – Huis der Techniek’. Vader Jakob de Jonge kwam voor een tweede maal in een concentratiekamp terecht, ditmaal in Sachsenhausen. Toen hij werd vrijgelaten, wist de zestigjarige Jakob dat ze nu zeer snel moesten vertrekken. (meer…)

005 – ACHTER DE HOOFDWACHT

002 - Stevenskerk kooromgang-1zw
.
Nijmegen, Achter de hoofdwacht, oud verbindingsstraatje tussen de Smidstraat en Grote Markt.
© Frans van den Muijsenberg

CARVIUM NOVUM – INLEIDING

In de Romeinse tijd was de Rijn een sterk meanderende rivier, waarvan de meanders in het gebied ten noorden van Herwen nog steeds te zien zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Oude Rijn in het gebied van de Rijnstrangen. De Oude Rijn is een oude loop van de Boven-Rijn van 21,7 kilometer lang, die bestaat uit twee waterlopen. Totdat in 1707 het Pannerdensch kanaal gereed was, was de Oude Rijn de hoofdroute van de Rijn naar de Noordzee. In 1970 werd de verbinding met de hoofdstroom van de Rijn afgesloten. Het gebied ligt nu geheel binnendijks, maar het overwegend laaggelegen land is zeer waterrijk en het kent onder meer rietmoerassen die vooral door kwelwater worden gevoed. De Oude Rijn ontvangt nog wel wat water van het grensriviertje Die Wild, dat ook een oude Rijnloop is. De Tiefe Wild is een verbreed en meerachtig deel van Die Wild ten zuiden van Hoch-Elten, dat als recreatiegebied populair is. Op het eind van de Duitse Spijker Weg ligt nog een oude stalen brug uit de Tweede Wereldoorlog die op de monumentenlijst van Emmerik staat. Ter hoogte van Herwen en Lobith loopt Die Wild over in de Oude Rijn. Ten zuiden van Elten en noorden van Spijk vormt Die Wild de grens tussen Nederland en Duitsland. Die Wild is het verlengde van het grenskanaal de Berghsche Wetering, dat een natuurlijke grens is tussen de Nederlandse gemeente Montferland en de Duitse gemeente Emmerik en het Netterdensch Kanaal. Op haar beurt is de Berghsche Wetering, die een viertal grensovergangen kent, weer het verlengde van de Duitse Hetterlandwehr aan het natuurgebied Hetter-Millinger Bruch. Vanaf het dorp Netterden, op het punt waar een waterverdeelstation de Hetterlandwehr aansluit op de Löwenberger Landwehr, draagt het grenskanaal vanaf Duitse zijde de naam Netterdensch Kanaal. (meer…)

WIE GEEFT INLICHTINGEN ?

De Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) werd halverwege 1942 opgericht door Helena Kuipers-Rietberg (‘Tante Riek’) uit Winterswijk en Frits Slomp uit Heemse, een dorpje bij Hardenberg. Helena Kuipers-Rietberg had een driejarige HBS-opleiding gevolgd en daar haar toekomstige echtgenoot ontmoet, de graanhandelaar Piet Kuipers (1892-1978). Die werkte op het kantoor van haar vader, die molenaar en graanhandelaar was. Later kocht Kuipers zich in bij het bedrijf van zijn schoonvader. Helena zorgde voor de huishouding, de opvoeding van de vijf kinderen en was verder actief in diverse maatschappelijke organisaties. In 1932 was ze medeoprichter van de Gereformeerde Vrouwenvereeniging in Nederland en vanaf de oprichting in 1937 hoofdbestuurslid van de Bond van Gereformeerde Vrouwenvereenigingen in Nederland, wat haar een uitgebreid netwerk opleverde dat in de bezettingstijd erg nuttig bleek te zijn. Ze was erg tegen de nationaalsocialistische beweging en begon direct na de bezetting al met hulpverlening aan onderduikers. Daarbij kwam ze in contact met de gereformeerde dominee Frits Slomp, die in juli 1942 moest onderduiken vanwege zijn anti-nationaalsocialistische activiteiten. Tegelijkertijd werden steeds meer Joodse Nederlanders weggevoerd, moesten grote aantallen jongeren verplicht werken voor de Duitse oorlogsindustrie, kwamen er gevluchte krijgsgevangenen de grens over en moesten ook bemanningsleden van neergeschoten geallieerde vliegtuigen worden geholpen. Het aantal onderduikers nam daardoor snel toe. Geld voor al dat werk kreeg Kuipers-Rietberg uit een van de illegale noodfondsen, later het Nationaal Steun Fonds, waarvoor zij de uitbetaalster voor de Achterhoek was. Valse papieren en voedselbonnen werden door anderen geleverd. De door hen opgerichte Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) groeide snel uit tot een grote landelijke organisatie, die in augustus 1943 de Landelijke Knokploegen (LKP) oprichtte. (meer…)

DE DEPORTATIE VAN HELENA KUIPERS-RIETBERG

Nadat S.D.-commandant Enkelstroht het echtpaar Kuipers-Rietveld op hun onderduikadres had gearresteerd (zie: De Onderduik van het gezin Kuipers-Rietveld) werden ze meteen overgebracht naar de gevangenis van Arnhem. Daar moeten ze met de handen omhoog en met de gezichten naar de muur blijven staan. De Duitsers laten hen enige tijd zo staan. Dan worden ze meegenomen en in twee aparte cellen die naast elkaar liggen opgesloten. Het zijn twee kale cellen, in die van Heleen Kuipers staat alleen een rustbed en er ligt nog wast brood, waarschijnlijk van een vorige gevangene, in die van Piet Kuipers staat helemaal niets. Hoewel het moeizaam gaat is het toch mogelijk door de muur van hun cel heen enig contact met elkaar te onderhouden. Heleen Kuipers getuigt zingend van haar geloof, iets wat ook haar man de nodige steun geeft. Dit in die moeilijke tijden getuigen van haar geloof ontlokt de Duitsers de opmerking, dat ze met een ‘godsdienstwaanzinnige’ te maken hebben. Maar voor beiden is het geloof een vast punt in deze onzekere momenten. Ze krijgen niets te eten, noch op zaterdag, noch op zondagmorgen. Op zaterdag om een uur of twaalf hoort Piet Kuipers, dat zijn vrouw wordt teruggebracht in haar cel na verhoord te zijn. Wat ze tijdens dit verhoor doorstaan heeft, is niet bekend. Misschien heeft ze gepleit voor haar man. Ze hebben namelijk afgesproken, dat zijn alle schuld op zich zou nemen. Een vrouw zou minder gevaar lopen dan een men en het zou de kans op vrijlating van Piet Kuipers hopelijk vergroten. Wel weet ze bij de ingang van haar cel, zo hard, dat hij het kan horen, nog te zeggen, dat ze wel eens jongens heeft ondergebracht om ze aan werk te helpen. Maar ze heeft nooit illegaal werk gedaan. Op deze manier weet Piet Kuipers precies wat zijn vrouw wel en niet tegen de Duitsers gezegd heeft. Zo kan hij zich voorbereiden op zijn ondervraging door de S.D. Voor hij aan de beurt is om ondervraagd te worden, kunnen ze elkaar weer alleen door de muren van de cel wat vertroosten. Heleen Kuipers ziet het somber in na haar verhoor en heeft weinig hoop op een goede afloop. Het getuigt van haar geestkracht, dat ze toch in staat is af en toe een psalm te zingen, ‘meer voor mij (Piet), dan voor haar eigen vrolijkheid. Met voorbijgaan aan haar eigen angst steunt ze haar man en ze nemen afscheid van elkaar. Ze zullen elkaar niet weerzien. (meer…)

004 – ACHTER DE HOOFDWACHT

DE ONDERDUIK VAN HET GEZIN KUIPERS-RIETBERG

Begin 1944 wordt in Nijmegen een meisje, Jacobs genaamd, door de Duitsers gearresteerd. Alhoewel ze kort na haar arrestatie weet te vluchten, wordt ze door haar ouders onder druk gezet om zich weer bij de S.D. aan te geven, wat ze dan ook doet. Ze besluit met de Duitsers samen te werken; waarom is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk onder dwang. Deze samenwerking is voor de Duitsers belangrijk, omdat ze de verloofde is van Wim Koenen uit Winterswijk, die samen met onder meer Henk Baarschers opdrachten uitvoert voor de groep “Vrij Nederland”. Wim Koenen was op 22 maart 1944, naar aanleiding van een brandstichting in de bioscoop van Winterswijk, gearresteerd en de S.D. had op hem een brief van zijn verloofde gevonden, wat er toe leidde, dat ook zij werd opgepakt. Ze is door haar relatie met Koenen ook bekend met de groep rondom Henk Baarschers en daarom wordt ze door het N.S.B.-hoofd van politie te Winterswijk, de opperluitenant Velle, gebruikt om Baarschers die lid is van de K.P. te compromitteren. Ze biedt hem de revolver van Velle aan, zogenaamd namens een illegale groep. Als lid van een knokploeg kan hij altijd een revolver gebruiken en daar hij geen onraad vermoedt, gaat hij op het aanlokkelijke aanbod in. (meer…)

002 – LOBITH CARVIUM NOVUM 2

HELENA KUIPERS-RIETBERG (84)

Helena Theodora Kuipers-Rietberg (Winterswijk, 26 mei 1893 – Ravensbrück, 27 december 1944) was het vijfde kind van de acht kinderen in het gereformeerde gezin van Hendrik Rietberg en Clara Christina Theodora Dulfer. Hendrik Rietberg was in Winterswijk graanhandelaar en molenaar. Na de lagere school volgde Helena  de driejarige HBS, wat toen voor meisjes erg ongebruikelijk was. Daarna ging ze de administratie doen in de zaak van haar vader. Op school had ze Piet Heino Kuipers (1892-1978) leren kennen, die na zijn opleiding naar Nederlands-Indië vertrok. Toen hij in 1919 op verlof in Nederland was, vroeg hij zijn vroegere schoolvriendin ten huwelijk e stelde ook direct voor mee te gaan naar Medan, op Sumatra. Daar voelde Heleens vader weinig voor. Die stelt voor dat Piet Kuipers medefirmant wordt in de zaak. Op 21 april 1921 traden Piet kuipers en Helena Rietberg in het huwelijk. In de periode 1921-1933 kreeg het echtpaar twee zoons en drie dochters. Helena zorgde voor het huishouden en de kinderen, maar was daarnaast actief in diverse maatschappelijke organisaties.

03 - Gereformeerde-Vrouwenbond-oprichtingsvergadering-in-1937In 1932 was ze medeoprichter van de Gereformeerde Vrouwenvereeniging in Nederland en toen in september 1937 in navolging van de ’Bond van Gereformeerde Mannenverenigingen in Nederland’ de ‘Bond van Gereformeerde Vrouwenvereenigingen in Nederland’ werd opgericht , werd Helena Kuipers-Rietberg de penningmeesteresse van de vereniging. De twee andere bestuursleden waren mevrouw J. Zwart-De Jong uit Utrecht (presidente) en mevrouw F.M.L. Nawijn-Van Dijk uit het Friese Burgum (secretaresse). In plaatselijke verenigingen kwamen de vrouwen enige keren per maand bijeen en bespraken dan Bijbelse onderwerpen en bezonnen zich daar op ‘actuele vragen en meningen van deze tijd’. Ook werden vormingsconferenties en studiedagen gehouden, maar de hoogtepunten werden gevormd door de provinciale toogdagen en landelijke Bondsdagen, meestal door duizenden dames bezocht. (meer…)

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 8 – DE AFWACHTENDE PRUISEN

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus 1870 de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed. In Saarbrücken werd door de Franse keizer een monument geplaatst om te herdenken dat de veertienjarige zoon en kroonprins Napoleon Eugène Lodewijk Bonaparte (1856-1879) hier zijn eerste gevechtshandeling had verricht, de zogenaamd Lulustein.

Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk dus de oorlog aan Pruisen, in de verwachting een snelle en simpele overwinning te halen. De snelle en makkelijke opmars naar Saarbrücken gaf reden tot optimisme, de snelle inname van het hoger gelegen gedeelte van de stad maakte de euforie alleen maar groter. Men beperkte zich vanaf 3 augustus 1870 tot wat beschietingen vanaf de heuvels op de omliggende dorpen. In de tussentijd trokken de Duitse legereenheden zich rustig terug om een Franse aanval te kunnen weerstaan en direct het initiatief te kunnen nemen. Een overzicht van de Pruisische troepenbewegingen in de eerste weken. (meer…)

003 – ST. STEVENSKERK 3

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 3)

Tijdens de eerste paar honderd jaar van het bestaan van de stad mochten Joden niet binnen de stadsmuren wonen. Ze kwamen Piotrków Trybunalski binnen om handel te drijven, wanneer de stad gastheer was van een zitting van de Poolse Sejm of wanneer een speciaal tribunaal werd gehouden van de rechtbank (vandaar de naam ‘Trybunalski’). Enkele Poolse edellieden, die het recht hadden hun pachters in de stad te laten wonen, verhuurden echter binnen de stadsmuren huizen aan Joden. Er ontstond zo een kleine joodse gemeenschap in Piotrków Trybunalski. De Joodse gemeenschap had echter zwaar te leiden onder de regelmatige pogroms door de lokale bevolking of door binnenvallende troepen.

De Joodse gemeenschap in Piotrków Trybunalski had vooral zwaar te lijden tijdens de Chmelnytskyopstand, de burgeroorlog tussen 1648 en 1654 binnen het Pools-Litouwse Gemenebest. De troepen van het Gemenebest stonden tegenover zwaarbewapende Oekraïense Kozakken onder leiding van Bohdan Chmelnytsky. De opstand was gericht tegen de Poolse adel en de Asjkenazische Joden. De laatste groep waarschijnlijk ingegeven door de verbittering bij Chlmelnytsky  dat de Poolse grondbezitters van boeren lijfeigenen maakten en vaak joodse rentmeesters aanstelden aan om zoveel mogelijk winst te maken. Decennialange woede en frustratie bij de Oekraïense boeren liepen uit op een van de bloedigste rampen in de Europese geschiedenis. Sociale onrechtvaardigheid, aangevuurd door etnische haat en gelegitimeerd door religie leidden tot massamoorden op Joden en Polen, die tot de nazi-bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog hun weerga niet kenden. Steden boden tijdens de opstand geen veiligheid, want die vielen in handen van boerenrebellen, die werden gesteund door Kozakken en paupers in de steden. Toen de opstand afnam waren er 56.000 Joden vermoord onder pijnlijke en vernederende omstandigheden. De Joden bevonden zich in zo’n benarde situatie dat sommigen zich zelfs aanboden als slaven om maar in veiligheid te zijn en eventueel later met losgeld te kunnen worden vrijgekocht. (meer…)

001 – LOBITH CARVIUM NOVUM 1

JOZEF VAN HÖVELL VAN WEZEVELD EN WESTERFLIER (83)

Jozef (“Jos”) Felix Henri Marie baron van Hövell van Wezeveld en Westerflier (Maastricht, 12 januari 1919 – Neuengamme, 4 januari 1945 was de zesde van tien kinderen van Eduard Otto Joseph Maria van Hövell tot Westerflier, die van 1918 tot zijn overlijden in 1936 gouverneur van Limburg was. De katholieke adellijke familie Van Hövell kende tal van personen met vooraanstaande posities in het Nederlandse bestuur. Zo was Eduard van Hövell (zoals de familienaam meestal werd afgekort) de zwager van L.F.J.M. baron van Voorst tot Voorst, een lid van de Eerste- en Tweede Kamer namens de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en was hij de kleinzoon van jhr. E.J.C.M. de Kuijper, die in de periode 1874-1893 Commissaris des Konings in Limburg was. Jozef volgde in Maastricht aan het Henric van Veldekecollege een middelbare schoolopleiding en ging daarna aan de Katholieke Universiteit Nijmegen rechten studeren. In 1942 haalde hij daar zijn kandidaatsexamen.

Jozef van Hövell van Wezeveld en Westerflier was tijdens de mobilisatie in opleiding voor reserveofficier vliegen. In mei 1940 bevond hij zich in Rotterdam, maar hij kon daar niet aan de strijd tegen de Duitsers deelnemen omdat hij de opleiding aan de School voor Reserve-Officieren Militaire Luchtvaart (SROML) nog niet had afgerond. Na zijn demobilisatie zette hij in Nijmegen zijn rechtenstudie voort. Binnen het Nijmeegse studentenwereldje was  hij lid van de elitaire DispuutGezelschap H.O.E.K., het oudste herendispuut van de Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus., een toen al een door de bezetter verboden vereniging. Carolus Magnus had namelijk geweigerd op de sociëteit een bordje met ‘verboden voor joden’ op te hangen. In 1942 was Van Hövell praeses van Carolus Magnus. (meer…)

002 – ST. STEVENSKERK 2

MRS. WINSLOW’S SOOTHING SYRUP

Mrs. Winslow’s Soothing Syrup was een gepatenteerd geneesmiddel, wat betekende dat het een vrij verkrijgbaar (zonder recept) geneesmiddel of medicinaal preparaat was, dat door een handelsnaam en soms ook een octrooi wordt beschermd. In de veelvuldige advertenties om het middel te promoten werd beweerd dat het tegen allerlei kleine aandoeningen en symptomen zou helpen. Tot de groep gepatenteerde geneesmiddelen behoren antiseptica, analgetica, sommige kalmerende middelen, laxeermiddelen, maagzuurremmers, medicijnen tegen verkoudheid/ hoest en verschillende huidpreparaten. De inhoud van het wondermiddel was bijna altijd in nevelen gehuld, zodat de doeltreffendheid en veiligheid bij gebruik van het middel op zijn minst twijfelachtig was.

Mrs. Winslow’s Soothing Syrup was zo’n gepatenteerd geneesmiddel. Het werd toegeschreven als een product dat was ontwikkeld door Charlotte N. Winslow (1789-1850), een kinderverpleegster, en werd vanaf 1845 in de Verenigde Staten op de markt gebracht door haar schoonzoon Jeremiah Curtis en zijn compagnon Benjamin A. Perkins. In 1852 zorgden ze ervoor dat hun geneesmiddel wettelijk werd gedeponeerd. In 1856 zou Perkins het bedrijf verlaten, werd de opengevallen plaats ingenomen door de zoon van Curtis en werd de berdrijfsnaam veranderd in Curtis and Son. Het bedrijf kreeg natuurlijk bij herhaling de vraag wie toch in hemelsnaam Mevrouw Winslow was, waarop het standaardantwoord volgde ‘dat zij een dame is die al meer dan dertig jaar op inspirerende wijze haar tijd en talenten als vrouwelijke arts en verpleegster heeft besteed, voornamelijk onder kinderen … we denken dat mevrouw Winslow haar naam heeft vereeuwigd met dit onschatbare artikel (Soothing Syrup) dat duizenden kinderen van een vroeg graf heeft gered’. Weer enkele jaren (1865) ging Curtis and Son een commanditaire vennootschap aan met John I. Brown uit Boston, zodat onder de naam Curtis and Brown zowel Mrs. Winslow’s Soothing Syrup als Brown’s Bronchial Troches op de markt konden worden gebracht. Curtis beweerde in 1868 meer dan 1,5 miljoen flessen te hebben verkocht. In 1880 werd het bedrijf ontbonden werd de Anglo-American Drug Company opgericht om Mrs. Winslow’s Soothing Syrup te verkopen. (meer…)

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 2)

De Joden vestigden zich al in de zestiende eeuw in Piotrków Trybunalski, maar deze vroege periode eindigde met de pogrom op de Joodse bevolking, uitgevoerd door het Kroonleger in april 1657. De Joden werden er vervolgens van beschuldigd het Zweedse leger te begunstigen en te helpen. Bijna vijftig families stierven als gevolg van de pogrom. Vanaf 1679 vestigden de Joden zich hier permanent op voorspraak van Jan III Sobieski, van wie de Joodse bevolking in Piotrków en omgeving mocht wonen. Als gevolg hiervan ontwikkelde zich in de buurt van Piotrków een groot district, dat De Stad of De Joodse Stad werd genoemd. De Joden woonden hier echter voornamelijk in één Joodse straat. In 1636 werden in de parochieregisters gevallen geregistreerd van mensen van joodse afkomst die gedoopt werden. In de jaren 1727–1796 werden 53 gevallen van doop onder Joden geregistreerd in parochieregisters. De leeftijd van de bekeerlingen varieerde van 4 tot 40 jaar. De meerderheid waren echter jongeren tussen 10 en 18 jaar oud.

In 1840 werd het gebied van De Joodse Stad opgenomen in Piotrków Trybunalski. Aan het einde van de achttiende eeuw hielden Joden zich bezig met kleine handel en huisnijverheid. In de negentiende eeuw waren zij de grondleggers van de eerste fabrieken. Piotrków onderscheidde zich door een ontwikkelde grafische industrie. De plaatselijke drukkerijen drukten de bijbel, de talmoed, rabbijnse literatuur, werken van Hebreeuwse en Joodse literatuur. De eerste fabriek werd in 1864 opgericht, was eigendom van Fajwel Belchatowski en Chaim Frenkel en bevond zich op Plac Maryjny 1 (nu Rynek Trybunalski). Tijdens de Eerste Wereldoorlog drukte ze ‘Di Pietrkower Sztyme’ (De Stem van Piotrków), onder redactie van Moses Feinkind. (meer…)

001 – ST. STEVENSKERK 1

PIOTRKÓW TRYBUNALSKI, GEWOON EEN STADJE IN POLEN (deel 1)

Piotrków Trybunalski werd in 1569 onderdeel van het Pools-Litouwse Gemenebest en werd van 1578 tot 1793 de zetel van het Kroontribunaal, het hoogste gerechtshof van Polen, vandaar de latere toevoeging ‘Trybunalski’ aan de oorspronkelijke naam. Nog steeds beheerst het majestueuze Hogegerechtshof het stadsbeeld. In hetzelfde jaar dat het Kroontribunaal met haar werkzaamheden begon, werd de Joodse bevolking van Piotrków de stad uitgedreven om pas rond 1700 te mogen terugkeren. In 1705 arriveerden de eerste Duitse kolonisten, voornamelijk Zwaben, in de omgeving van de stad en stichtten er enkele dorpen. Tot 1945 wisten zij daar hun Duitse taal en gebruiken grotendeels te behouden. Gedurende de 17e en 18e eeuw nam de belangrijke positie die Piotrków Trybunalski had gestaag af door branden, epidemieën, oorlogen tegen Zweden en ten slotte de Poolse Delingen (1772, 1793 en 1795), toen Rusland, Oostenrijk en Pruisen in drie stappen het sterk verzwakte Pools-Litouws Gemenebest onderling verdeelden. In 1795 was het Pools-Litouws Gemenebest van de Europese kaart verdween.

Tussen 1795 en 1918 vonden in het voormalige Pools-Litouws Gemenebest twee grote opstanden (1830 en 1863) plaats om weer een soeverein Polen te laten herrijzen. Beide opstanden mislukten en leidden tot heftige repressie. De economische en industriële ontwikkeling van Piotrków nam pas halverwege de 19e eeuw weer wat toe, toen de spoorlijn Warschau-Wenen werd aangelegd en de stad een spoorwegstation kreeg. In 1867 vormden de Russische autoriteiten de oblast Piotrków, die ook de plaatsen Łódź, Częstochowa, Dąbrowa Górnicza en Sosnowiec omvatte, waar volgens de Russische telling van 1897 toen 30.800 personen leefden, waarvan 9.500 Joden, bijna een derde van de bevolking. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was de oblast Piotrków de best ontwikkelde industrie van dit deel van het Russische Rijk. Een rijk dat niet erg populair was bij de bevolking, wat bleek bij massale demonstraties van ontevreden burgers tijdens de Russische revolutie van 1905. (meer…)

NIJMEGEN – ST. STEVENSKERK

De Sint-Stevenskerk, die in de volksmond gewoonlijk de Stevenskerk wordt genoemd, is de oudste en grootste kerk van Nijmegen. De kerk is gebouwd op een kleine heuvel met een hoogte van 28 meter, de Hundisburg ofwel de Halsberg. Het is één van de zeven heuvels waarop Nijmegen is gebouwd. Heuvels die ontstonden in de voorlaatste ijstijd, die ongeveer 10.000 jaar geleden eindigde. Vanuit Scandinavië schoof het landijs toen honderden meters hoge bergen zand en grind voor zich uit. Daaruit ontstond een enorme stuwwal die later door de grote rivieren werd uitgesleten. De heuvels die daardoor ontstonden werden later bebouwd, de dalen werden straten. De zeven heuvels van de Nijmeegse Benedenstad, elk bebouwd met een of meerdere belangrijke beschermde monumenten zijn de Hessenberg (Heezeberg), de Hundisburg, de St. Jansberg, de Klokkenberg, de St. Anthoniusberg ( of Geitenberg, Lindenberg), de Hofberg en de St. Geertruidsberg (die een deel is van de Hunnerberg, Hoenderberg).

In de zevende eeuw werd door bisschop Kunibert van Keulen, waar nog steeds de St. Kunibert Kirche een va de twaalf gezichtsbepalende basilieken is, gestart met en kersteningscampagne en werd in Nijmegen op het Kelfkensbos de Gertrudiskerk gebouwd. In 1247 werd de stad Nijmegen in pacht werd gegeven aan graaf Otto II van Gelre (ca. 1215-1271), die vanwege zijn klompvoet de bijnamen De Lamme, De Hinkende en De Paardenvoet had, maar ook wel De Stedenstichter werd genoemd omdat hij veel plaatsen tot stad verhief. Nijmegen kreeg deze stadsrechten in 1230. Otto II liet vanaf 1254 om strategische redenen de Gertrudiskerk, de oudste parochiekerk in Nijmegen en de voorloper van de Stevenskerk, verplaatst van het Kelfkensbos naar de Hundisburg. De grote, machtige Stevenskerk was een mooie tegenhanger voor de massieve Valkhofburcht aan de andere kant van de stad. (meer…)

JANE DIGBY

Zo af en toe stuit je op een levensbeschrijving van iemand, waarvan je denkt dat dat dit soort personages slechts bestaan in de fantasie van romanschrijver of scriptschrijvers van twintigdelige Netflix-series. Maar soms heeft zo iemand in het echt bestaan. Zo iemand was Jane Elizabeth Digby (3 april 1807 – 11 augustus 1881), een Engelse aristocraat die in de 19e eeuw een opmerkelijk liefdesleven en uitbundige levensstijl had. Ze had vele minnaars en vier echtgenoten van standing, was daardoor betrokken bij enkele schandalen, had bij enkele van hen kinderen, zes in totaal) en stierf uiteindelijk in 1881 in Damascus, Syrië na een lang en gelukkig huwelijk met een Arabische sjeik die twintig jaar jonger dan zij was.

Ze werd op 3 april 1807 geboren in Holkham Hall, een enorm landhuis (zie hieronder) aan de Noordzeekust in de buurt van het dorpje Holkham (Norfolk) als dochter van admiraal Sir Henry Digby en Lady Jane Elizabeth Coke. Holkham Hall werd eind 18e eeuw gebouwd door Thomas Coke (1697-1759, een grootgrondbezitter, jarenlang parlementslid namens Norfolk en later benoemd tot de eerste Graaf van Leicester. Hij was Jane Digby’s grootvader van moederskant. Het landhuis werd gebouwd in de Neo-Palladiaanse stijl, de Engelse tegenreactie op de barokke stijl die op het continentaal Europa populair was, maar door de Britten werd beschouwd als ‘theatraal, uitbundig en katholiek’. Het Engelse palladianisme kenmerkte zich door een ‘ernstig gebrek aan versiering’. Het uiterlijk van Holkham Hall was geïnspireerd op een grote Romeins paleis en zelfs naar palladiaanse maatstaven sober en verstoken van versieringen. (meer…)

DOOSJEN – OUDHOF – KNIPSCHILD – STELLAARD – VAN BENTHEM

Fort de Bilt in Utrecht werd in de periode 1816-1819 gebouwd als een van de verdedigingswerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de belangrijk Nederlandse verdedigingslinie die de stad Utrecht en grote delen van Holland moest beschermen. Het fort diende voor het afsluiten van de toegang naar de straatweg tussen Utrecht en De Bilt. In de loop van de 19e en 20ste eeuw werden er een wachthuis (1850), een bomvrije kazerne (1875) en remises en groepsschuilplaatsen gebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte de Duitsers het Fort de Bilt als executieplaats. Tussen 3 mei 1942 en 2 mei 1945 werden hier minstens honderdveertig mannen, vooral verzetsstrijders, gefusilleerd. Ter herinnering daaraan is in het fort een monument, een klokkenstoel, de dodenbunker en herdenkingsstenen aangebracht. Het Herdenkingsmonument van Leo Jungblut. Hij maakte hiervoor een beeld van een rouwende vrouw met aan haar ene zijde een jongen en aan de andere zijde een hond. Het beeld van een treurende vrouw met kind werd vaker gebruikt voor oorlogsmonumenten, als symbool van het onvolledige gezin. Het monument werd op 18 juni 1949 onthuld door de weduwe van een van de verzetsmensen. Op de naamplaten zouden volgens een onderzoek uit 2022 nogal wat fouten te vinden zijn. Jaarlijks vindt bij het monument de herdenking plaats van de omgekomen verzetsstrijders. (meer…)

GERRIT MANNOURY

Gerrit Mannoury (Wormerveer, 17 mei 1867 – Amsterdam, 30 januari 1956) was een Nederlandse wiskundige en filosoof die ook sociaal bewogen en politiek actief was. Mannoury heeft belangrijke bijdragen geleverd op het gebied rond de formele wetenschap, de grondslagen der wiskunde, de symbolische logica en de leer der significa. Op 8 augustus 1907 trad hij in het huwelijk met Elizabeth Maria Berkelbach van der Sprenkel, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.

Hij was de zoon van scheepskapitein Gerrit Mannoury. In 1870, toen hij nog maar drie jaar oud was, overleed zijn vader in China. Zijn moeder keerde daarna met de drie kinderen terug naar Nederland en vestigde zich in Amsterdam. Omdat het gezin het bepaald niet breed had, werden de kinderen voor een belangrijk deel opgevoed door de tantes die in Wormerveer een melkwinkel hadden. Met een beurs van de gemeente Amsterdam kon Gerrit Mannoury naar de Hoogere Burger School (HBS), waar hij in 1885 zijn diploma haalde. Drie maanden later legde hij ook met succes het onderwijzersexamen af. Omdat hij in zijn eerste betrekkingen aan de Openbare Handelsschool en enkele lagere scholen in Amsterdam problemen had met de handhaving van de orde in de klas, gaf het lesgeven hem aanvankelijk weinig plezier. Pas na enkele jaren wist hij zijn didactische en pedagogische kwaliteiten te ontwikkelen en werd een goede en geliefde leraar. In die tijd haalde hij door middel van avondstudie de middelbare onderwijsaktes voor wiskunde, boekhouden en mechanica. (meer…)

ONBEKENDE JOODSE SOLDAAT UIT HET GETTO WARSCHAU (82)

Al in 1944 werd het Centraal Comité van Poolse Joden in Lublin besloten om in Warschau een monument te bouwen om de partizanen van het Joodse getto te herdenken. Het eerste deel van het monument werd ontworpen door architect Leon Suzin (1901-1976) en werd onthuld op 16 april 1946. Het werd geplaatst op het plein dat wordt begrensd door de Anielewicza-straat, Karmelicka-straat, Lewartowskiego-straat en Zamenhofa-straat. Op dat plein bevond zich van augustus 1942 tot het einde van het getto de laatste locatie van de Judenrat. Het bestond uit een kleine cirkelvormige gedenksteen met een palmblad, een Hebreeuwse letter B en in het Hebreeuws, Pools en Jiddisch de inscriptie: ‘Voor degenen die vielen in een ongekende en heroïsche strijd voor de waardigheid en vrijheid van het Joodse volk, voor een vrij Polen, en voor de bevrijding van de mensheid. Poolse Joden’. Het werd gedeeltelijk gemaakt van labradorietsteen, die in 1942 door Albert Speer naar Warschau waren gebracht voor zijn geplande werken op het voormalige getto te bouwen.

Met de plaatsing werd ook besloten in de toekomst een groter monument te bouwen. Suzin werkte samen met de beeldhouwer Natan Rapaport (1911-1987) aan het ontwerp van het tweede monument, dat op 19 april 1948 zou worden onthuld. Dit nieuwe en aanzienlijk grotere Helden van het Getto-monument heeft een elf meter hoge muur die zowel de muren van het getto als de Klaagmuur in Jerusalem verbeeldt. Op het westelijk deel van het monument staat een bronzen groepsbeeld van opstandelingen. Mannen, vrouwen en kinderen, met ZOB-commandant Mordechaj Anielewicz als centrale figuur. Op het oostelijke deel wordt de Jodenvervolging door de nazi-Duitsland verbeeldt. Het drietalige bord heeft de tekst: ‘De Joodse natie voor zijn strijders en martelaren’. (meer…)

DE OPSTAND IN HET GETTO VAN WARSCHAU (1943)

Al onmiddellijk na de Duitse bezetting van Polen in september 1939 ontstonden er plannen om de Joodse bewoners van de Poolse hoofdstad en de aangrenzende buitengebieden van de overige bevolking te isoleren. De Judenrat in Warschau, onder leiding van Adam Czerniaków (1880-1942), kon de oprichting van het getto echter met een jaar te vertragen, vooral door het leger erop te wijzen hoe waardevol Joden als werkkrachten waren. Hij had daarbij het geluk dat in het eerste jaar binnen het Duitse Generalgouvernement drie partijen elkaar beconcurreerden: de burgeroverheid, het leger en de SS. Op 16 oktober 1940 verordonneerde Hans Frank, de Duitse gouverneur-generaal, dat in Warschau een getto werd opgericht in dat deel van de stad waar traditioneel veel Joden woonden. Alle niet-Joden moesten de wijk verlaten en de vrijgekomen plaatsen moesten worden ingenomen door Joden die elders in de stad woonden. Czerniakóws Judenrat kreeg over het getto de administratieve leiding en plicht te zorgen voor uitvoering van alle Duitse bevelen. Bij de oprichting woonden in het getto, dat slechts 2,4% van het grondgebied van Warschau had, ongeveer 380.000 personen, wat neerkwam op ongeveer 30% van de bevolking van Warschau. Het getto van Warschau was daarmee het grootste Joodse getto opgericht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 16 november 1940 werd rond het getto een muur van drie meter hoog gebouwd om de Joden nog verder van de Poolse bevolking af te scheiden. De Duitsers en Poolse politie controleerden de toegang tot hert getto; binnen het getto was de ordehandhaving in handen van dezelfde twee politiekorpsen, plus de Jüdischer Ordnungsdienst, die bestond uit bijna 2.000 door de nazi’s aangestelde Joden. (meer…)

JÜRGEN STROOP

Jürgen Stroop (Detmold, 26 september 1895 – Warschau, 6 maart 1952) gaf als SS-Gruppenführer leiding aan het gewelddadig neerslaan van de opstand in het getto van Warschau van 19 april 1943 tot 16 mei 1943. Hij werd geboren als Josef Stroop, als zoon van een politiecommandant uit Lippe. Zijn moeder was een gelovige rooms-katholieke vrouw (zijn voornaam wijst daar op), terwijl de beide ouders overtuigde monarchisten waren. Zijn vader hoopte dat zijn zoon altijd trouw Leopold IV, de prins van Lippe, zou dienen. Leopold werd vanwege de Novemberrevolutie net als alle andere Duitse vorsten gedwongen op 12 november 1918 af te treden. Hij mocht echter het familieslot behouden, waar de familie Lippe-Biesterfeld nog steeds woont. Leopolds zoon Chlodwig was aanvankelijk een huwelijkskandidaat voor prinses Juliana, maar omdat hij daar geen belangstelling voor had, viel de keuze vervolgens op zijn neef Bernhard von Lippe-Biesterfeld.

Josef Stroop ging in zijn geboortestad naar de lagere en middelbare school en ging daarna werken bij het kadaster. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, meldde de negentienjarige Stroop zich als vrijwilliger. Hij diende in enkele infanterieregimenten aan het westelijk front en vervolgens aan het oostelijk front en in Roemenië. Gedurende de oorlog klom hij op tot de rang van Vizefeldwebel, de laagste officiersrang in het toenmalige Duitse leger. Na zijn ontslag uit actieve dienst eind november 1918 keerde Stroop terug naar zijn baantje bij het kadaster in Detmold. Daar bleef hij werken tot 1933. In 1923 trouwde hij en werd vader van drie kinderen. Zijn zoon Jürgen zou in het begin van de oorlog overlijden, waarna Josef Stroop op 9 mei 1941 zijn katholieke voornaam ‘vanwege ideologische opvattingen’ en ter nagedachtenis aan zijn overleden zoon van Josef in Jürgen veranderde. (meer…)

DE ANGST VOOR STALIN IS CRUCIAAL VOOR POETINS IDEOLOGIE

Op 5 maart was het zeventig jaar geleden dat Joseph Stalin stierf. Als leider van de USSR van 1924 tot aan zijn dood in 1953 vestigde hij een totalitair regime, lokte massale hongersnood met miljoenen slachtoffers uit en veroorzaakte de Grote Terreur. Zijn heerschappij wordt door de meeste Sovjetburgers echter vooral herinnerd door de overwinning in de Grote Patriottische Oorlog. In de moderne Russische politiek is Stalin alweer tijdenlang aanwezig en nadat Rusland zijn grootschalige oorlog tegen Oekraïne begon, lijkt het tempo van herstalinisatie te zijn versneld. In februari 2023 werd bijvoorbeeld (tijdelijk) de stad Volgograd hernoemd in Stalingrad en werd er een nieuw monument voor ‘De Leider’ geïnstalleerd. In een eerder artikel ‘Bolsjewistische politiek was oorlogvoering’ uit Meduza, een vanuit Riga (Letland) opererende onafhankelijk Russisch weblog, ging professor Ronald Grigor Suny (historicus en politicoloog aan de Universiteit van Michigan; auteur van verschillende boeken over Stalin en het stalinisme, over Stalins politiek, zijn opkomst aan de macht in de eerste jaren van de USSR en de nalatenschap van het stalinisme) al in op Stalins erfenis. Door Novaya Gazeta, een ook vanuit Riga opererende Russische tweetalige krant, werd Andrea Graziosi, een Italiaans historicus en expert op het gebied van stalinisme, geïnterviewd. De centrale vraag was waarom Poetin de figuur van Stalin en stalinistische praktijken nodig heeft, wat ze te maken hebben met Oekraïne en hoe dat het leven onder dictatuur de Sovjet- en Russische samenleving heeft beïnvloed . (meer…)

BOLSJEWISTISCHE POLITIEK WAS OORLOGVOERING

Op 5 maart was het zeventig jaar geleden dat Joseph Stalin stierf. Als leider van de USSR van 1924 tot aan zijn dood in 1953 vestigde hij een totalitair regime, lokte massale hongersnood uit, veroorzaakte de Grote Terreur en leidde de Sovjet-Unie naar de overwinning in de Tweede Wereldoorlog. Meduza, een vanuit Riga (Letland) opererende onafhankelijk Russisch weblog, had een interview met professor Ronald Grigor Suny, een historicus en politicoloog aan de Universiteit van Michigan, en auteur van verschillende boeken over Stalin en het stalinisme, over Stalins politiek, zijn opkomst aan de macht in de eerste jaren van de USSR en de nalatenschap van het stalinisme, die zich laat omschrijven als ‘Bolsjewistische politiek was oorlogvoering’.

Wie was Stalin vóór de revolutie van 1917?
Stalin werd geboren als een zeer arm persoon en hij ontwikkelde zich na verloop van tijd tot wat ik een outlaw zou noemen. Hij begon als een relatief religieus persoon, als een jonge man. Hij was een romantische dichter. Hij schreef gedichten in het Georgisch die als redelijk goed werden beschouwd. Hij ging naar het seminarie volgens de instructies en verlangens van zijn moeder. En toen raakte hij in dat seminarie, dat in sommige opzichten meer revolutionairen dan priesters voortbracht, vervreemd van het tsaristische regime en van de kerk en nam hij de lokale dissidente ideologie in zich op, wat een soort marxisme was. Vreemd genoeg was er in Georgië, in plaats van dat nationalisme de dominante aantrekkingskracht was op jonge mensen in de jaren 1890, een zeer machtige en invloedrijke marxistische beweging onder leiding van een man genaamd Noe Žordania. En Stalin werd onderdeel van die beweging. Maar als jonge man was hij behoorlijk militant. Hij had zijn eigen verlangens. Hij was een ruige kerel, een soort straatvechter, en uiteindelijk werd hij aangetrokken tot de meer militante vleugel van de sociaal-democratie in het tsaristische Rusland, dat wil zeggen het bolsjewisme. Er waren aspecten van zijn revolutionaire ervaring vóór 1917 die al vooruitgaven van het soort persoon dat hij zou zijn. Hij was een manipulator, hij was pragmatisch, hij was machiavellistisch, hij deed alles om de zaak te bevorderen. En hij identificeerde zich met die oorzaak. Er was bij Stalin dus altijd die vreemde combinatie van de behoefte om een revolutie te creëren en om zichzelf te promoten. (meer…)

HITLERS EERSTE SLACHTOFFERS

Timothy W. Ryback is een Duits-Amerikaans historicus en wetenschapper. Hij was een tijd directeur van het Institute for Historical Justice and Reconciliation (IHJR) in Den Haag, een instituut dat onderzoek doet naar historische multi-etnische problemen. Daarvoor werkte hij voor de Académie Diplomatique Internationale in Paris, het Oostenrijkse Salzburg Global Seminar en Harvard University. Ryback heeft een aanzienlijk aantal publicaties op zijn naam staan voor gerenommeerde Amerikaanse historische bladen en kranten. In 2008 publiceerde hij Hitler’s Private Library: The Books That Shaped His Life, dat ook in een Nederlandse vertaling verscheen. Hij maakte daarbij gebruik van de lijst met honderden titels van boeken uit de privécollectie van de Führer, compleet met de aantekeningen die Hitler in die boeken had gemaakt. Die lijst was vlak daarvoor opgedoken in de Library of Congress in Washington. Timothy Ryback onderzocht hoe Hitlers intellectuele ontwikkeling was verlopen en hoe bepaalde formuleringen en ideeën uit die boeken terechtkwamen in zijn geschriften, toespraken, gesprekken, denken en activiteiten. Ryback is gefascineerd door he concentratiekamp Dachau. In 1999 maakte hij er in opdracht van The New Yorker een reportage over de vraag hoe de inwoners kunnen leven met het verleden van het stadje, dat het eerste concentratiekamp van de nationaalsocialisten had en ruim twaalf jaar een epicentrum was van Teutoons geweld en wreedheid. Hier verrezen de eerste crematoriumovens en eerste gaskamer en werden de eerste medische experimenten met menselijke wezens uitgevoerd. Hij kwam er in contact met Martin Zaidenstadt, een Poolse jood die in 1942 in het kamp terecht kwam en sindsdien in Dachau is blijven wonen om dagelijks bij het kamp aan bezoekers te getuigen over de gruwelijkheden die er hebben plaatsgevonden. In 1999 publiceerde Ryback hierover The Last Survivor: In Search of Martin Zaidenstadt. In 2014 verscheen van hem Hitler’s First Victims: The Quest for Justice, dat ingaat op de eerste slachtoffers in het kamp in april 1933. Het boek verscheen in 2015 in een Nederlandse vertaling met een wat misleidende ondertitel, waarop nog wordt teruggekomen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 46

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 7 – DE LULUSTEIN

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen, waarvan de Vlaamse journalist en schrijver August Snieders in 1872 in zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, uitgebreid verslag deed.

Snieders maakt in zijn verslag melding van een telegram dat keizer Napoleon III (1808-1873) op 2 augustus 1870 naar keizerin Eugénie (1826-1920) had gestuurd en tot haar grote ontevredenheid ook onmiddellijk openbaar had gemaakt. Deze Spaanse gravin Eugénie de Montijo, die voluit de indrukwekkende titel had van María Eugenia Ignacia Augustina Palafox de Guzmán Portocarrero y Kirkpatrick, 9e gravin van Teba, zou de laatste keizerin van Frankrijk worden. Ze had een indrukwekkend en lange stamboom, dit in tegenstelling tot die van haar echtgenoot waarvan de familie tot 1795 slechts een bescheiden rol speelde in Genua en Corsica. Theresia werd van jongsaf opgevoed om in hoge kringen te verkeren en frequenteerde alle bals en evenementen on een geschikte echtgenoot aan de haak te slaan. (meer…)

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 6 – SAARBRÜCKEN 2

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen.

De Vlaamse journalist en schrijver August Snieders (1825-1904) publiceerde in 1872 zijn Gedenkboek van den oorlog in 1870 en 1871, waarin onderstaande weergave van de inname van Saarbrücken:
De operatiën tegen Saarbrucken hadden, doch zonder goed gevolg, aanvang genomen, toen de keizer, vergezeld van zijn zoon, den 2den Augustus uit Metz naar Forbach vertrok en vervolgens naar Saarbrucken – een Pruisisch grensstadje, met ongeveer 10.000 inwoners, nijverig en welvarend, bloeiend, op den linkeroever der Saar gelegen en met eene brug aan de voorstad St.-Johann verbonden. Het prachtige bosch van Forbach; eene reeks van groene bergruggen; welige tuinen, die zich, van de hoogten gezien, als groote bloemtuilen voordoen; schaduwrijke wandelingen; de groepen huizen en monumenten der stad, door het daar bevaarbaar wordende water als omslingerd; de kolenmijnen en wijngaarden; de spoorweglijnen die in de verte verdwijnen – gansch die mengeling van natuur en menschenhand levert de meest schilderachtige vergezichten op.
Drie spoorweglijnen kruisen elkander te Saarbrucken. Deze lijnen verbinden haar met Trier, het hertogdom Luxemburg, Maintz en Metz. Het was dit opene stadje, zoo dikwijls reeds door den oorlog geteisterd; zoo dikwijls reeds van meester veranderd, dat het eerste tooneel van het gevecht worden moest. (meer…)

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 5 – SAARBRÜCKEN 1

De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog. Aan de oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. Na de oorlogsverklaring op 19 juli 1870 vonden op 2 augustus de eerste gevechtshandelingen plaats met de inname van Saarbrücken door de Fransen.

Op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk dus de oorlog aan Pruisen, in de verwachting een snelle en simpele overwinning te halen. Een opvatting die in de Europese pers algemeen werd gedeeld. Maarschalk Edmond Lebœuf (1809-1888), de Franse minister van Oorlog, had als ten tijde van de Luxemburgse Kwestie (1867) een plan opgesteld voor een Frans offensief om de Duitse expansiedrift te beteugelen. Daarin werd uitgegaan van een doorsteek in het front tussen Thionville en Trier, waarna naar het oosten kon worden opgerukt om de verbinding tussen de Noord- en Zuid-Duitse staten onmogelijk te maken. Vanwege de uitstekende Franse spoorwegverbindingen en Franse militaire vestingen in de regio een voor de hand liggend plan met grote kans van slagen. Het plan werd echter in 1868 door de Franse generaal Charles Auguste Frossard (1807-1875) vervangen door een veel defensiever plan, waarbij legeronderdelen de steden Staatsburg, Metz en Châlons moesten bezetten om een mogelijke Pruisische aanval te kunnen weerstaan. (meer…)

KEES VAN DE SANDE

Kornelis Pieter van de Sande (Tholen, 24 januari 1918 – De Bilt, 30 april 1945) was de zoon van Johannes van de Sande en Jacoba Scherpenisse, de enige zoon in een gezin met drie zussen. In oktober 1938 wordt hij als dienstplichtige met de rang van wachtmeester ingedeeld bij het regiment Huzaren Motorrijders. In mei 1940 is hij in Den Haag gelegerd bij de depottroepen van de cavalerie, die de Vesting Holland moet verdedigen. Op 1 juli 1940 gaat hij met groot verlof, maar gaat zich al snel voorzichtig bezighouden met verzetswerk. In december 1941 kreeg hij een betrekking van controleur bij de Crisis Controle Dienst (CCD), een in 1934 opgerichte overheidsdienst die toezicht moest houden op de handel in schaarse goederen. De dienst moest tijdens de oorlog op last van de bezetter ook de welig tierende zwarte handel bestrijden en het binnenhalen van de oogst streng controleren. Deze baan maakte het Van de Sande mogelijk zich veel intensiever bezig te houden met zijn ondergrondse werkzaamheden.

Vanaf begin 1942 sloot Van de Sande zich aan bij het Nationaal Steun Fonds (NSF), de groep-Albrecht en Natura, drie verzetsorganisaties die zich inzette voor onder meer de voedselvoorziening van onderduikers. Bij deze activiteiten gebruikte Van de Sande onder andere de schuilnamen Cornelis Burgers en Cornelis Snel. In 1942 trouwde hij in Oud-Vossemeer met Jo van der Vlies; in november 1943 werd hun zoon geboren in Sleeuwijk, waar het gezin inmiddels woonde. Vanaf 1943 werd de Duitse repressie steeds erger en groeide als gevolg daarvan ook het Nederlandse verzet. Kees van de Sande sloot zich nu in het Land van Heusden en Altena aan bij de Knokploeg (KP) en de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), waarvan hij vanaf 5 september 1944 (‘Dolle Dinsdag’) districtscommandant is. In de maanden september en oktober 1943 werd het zuiden van Nederland bevrijd, maar het gebied boven de grote rivieren bleef na het mislukken van Operatie Market Garden bezet. (meer…)

JAN RIJKMANS

Jan Rijkmans (Steenwijk, 3 februari 1920 – Scheveningen, 14 april 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van de vele honderden die tijdens de oorlog hun leven gaven, maar inmiddels bijna zijn vergeten. Rijkmans was in Steenwijk autohandelaar. Amper twintig jaar toen de oorlog uitbrak en direct in heel Drenthe zeer actief betrokken bij allerlei verzetsactiviteiten.Toen in het voorjaar van 1943 door het verzet in Meppel een knokploeg werd opgericht, slot Rijkmans zich hierbij direct aan.

Op 7 juni 1943 pleegde drie man van de KP-Meppel (Klaas Roelof Woltjer, Hendrik Drogt en Jan Daniël Rijkmans) een overval op het gemeentehuis in Wanneperveen. Om 17.00 uur kwamen ze aan bij het gemeentehuis, één van hen had een klein model van een cylinderrevolver bij zich waarmee de aanwezige gemeentesecretaris Lucas Wuite werd bedreigd. De twee anderen stalen de zaken waarvoor ze gekomen waren en knipten voor het weggaan de telefoondraden door. Bij het verlaten van het gemeentehuis werd nog achterwaarts een schot gelost, waarschijnlijk om de aanwezige ervan te weerhouden direct in actie te komen. Bij de goed voorbereide overval werden 1650 persoonskaarten, 70-80 blanco persoonsbewijzen, zegels, het bevolkingsregister, het woningsregister, een stalen kistje met slot met allerlei visakten meegenomen. Het bevolkingsregister werd verstopt onder het hooivak in de boerderij van Roelof Kooiker. Overvaller Klaas Woltjer overnachtte na de overval bij de familie Garnaat in Meppel en reisde een dag later op de fiets naar Groningen. Van de andere twee is niet bekend waar ze na de overval heengingen. Secretaris Wuite gaf de Duitsers ondeugdelijke signalementen van de overvallers, zodat de Sicherheitsdienst (SD) aanvankelijk weinig aanknopingspunten had. Het duurde niet lang voor de SD de waarheid grotendeels hadden achterhaald. Ze stelden een lijst op, de Bildtafel der in den Nordprovinzen im Zuge der Aufklarung von Mord- und Sabotage, met daarop 31 namen en foto’s van leden van de noordelijke knokploegen. Op de lijst stonden Woltjer en Drogt, maar Rijkmans ontbrak aanvankelijk. (meer…)

ALFRED LOEWENSTEIN

Alfred Léonard Loewenstein (Brussel, 11 maart 1877 – Noordzee, 4 juli 1928) was een Belgische ondernemer, die zijn fortuin maakte tijdens de opkomst van de elektriciteitsvoorziening en de handel in kunststoffen. In alle officiële documenten werd de naam geschreven als ‘Löwenstein’, wat niet onlogisch is want zijn vader was de welgestelde wisselagent Bernard Löwenstein (1849-1915), een Joodse Duitser die zich in januari 1846 in België vestigde. Op 16 november 1872 trouwde Bernard in Sint-Joost-ten-Node met Fanny Dansaert (1855-1922), de dochter van de makelaar, wisselagent en kunstverzamelaar Chrétien Dansaert. De familie zou haar naam geven aan de trendy Dansaertwijk in hartje Brussel. Er zou later over Alfred Loewenstein worden geschreven dat hij ‘al in de kinderkamer de beurslucht had ingeademd’. Behalve Alfred werd uit het huwelijk een dochter geboren, Hélène Loewenstein, die op 24 april 1885 al op tienjarige leeftijd zou overlijden. Vader Bernard claimde later in 1881 de Belgische nationaliteit te hebben aangevraagd en ook zijn dienstplicht te hebben vervuld, maar bewijzen daarvan zijn in zijn dossier van de Staatsveiligheid niet terug te vinden. Door de grote economische crisis aan het eind van de negentiende eeuw kwam Bernard diep in de schulden, namelijk een totaal van 18.000 Belgische frank in een tijd dat een beambte per maand ongeveer 90 frank verdiende. Zoon Alfred beloofde die reusachtige schuld binnen twee jaar terug te betalen en deed dat ook. Hij slaagde er namelijk in al op zeer jeugdige leeftijd een gigantisch fortuin te vergaren dankzij gedurfde financiële speculaties. (meer…)

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 4 – FORT DU MONT-VALÉRIEN

Scheveningen strand 1914De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.

Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf (de Duitse Oorlog in 1866, de Luxemburgse Kwestie in 1867 en de Spaanse troonopvolging in 1870), die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 45

 Lezeres 2 Lezeres 1 Lezeres 3

 

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 3 – DE SPAANSE TROONOPVOLGING

Scheveningen strand 1914De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.

Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf, die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 2 – DE DUITSE OORLOG

Scheveningen strand 1914De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.

Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf, die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)

DE FRANS-PRUISISCHE OORLOG 1 – DE LUXEMBURGSE KWESTIE

Scheveningen strand 1914De Frans-Pruisische Oorlog (vaak de Frans-Duitse Oorlog genoemd) werd tussen 19 juli 1870 tot 10 mei 1871 gevoerd tussen Frankrijk en een coalitie van Noord-Duitse Bond en enkele Zuid-Duitse koninkrijken, onder de leiding van het koninkrijk Pruisen. De oorlog betekende het eind van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk. Er wordt gezegd dat zonder deze Frans-Pruisische oorlog er ook geen Eerste Wereldoorlog zou zijn geweest en zonder die Eerste Wereldoorlog geen Tweede Wereldoorlog.

Aan de Frans-Pruisische Oorlog gingen een paar conflicten vooraf, die allemaal in het teken stonden van de opkomende macht van Pruisen en haar bondgenoten en de Franse vrees de suprematie op het Europese vasteland te verliezen. In 1870 zouden de steeds toenemende spanningen tussen beide partijen escaleren, perfect georkestreerd door kanselier Otto von Bismarck van de Noord-Duitse Bond. Nederland keek vanaf de zijlijn bevreesd toe, bang dat haar neutraliteit geschonken zou worden en het een van de kleine koninkrijkjes zou worden die door die Noord-Duitse Bond zou worden opgeslokt. (meer…)

GERRIT WILLEM KASTEIN (81)


Gerrit Willem Kastein (Zutphen, 25 juni 1910 – Den Haag, 19 februari 1943) ging nadat hij in Zutphen in 1927 de HBS-B had afgemaakt aan de Rijksuniversiteit Groningen geneeskunde studeren. Hij was er snel actief in enkele verenigingen, zoals de Groningsche Studenten Geheelonthouders Vereeniging, de Groningsche Studentenvereeniging voor den Volkenbond en de Sociaal-Democratische Studentenclub. In 1932 werd Kastein lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), een nieuwe partij die op 28 maart van dat jaar was opgericht door Piet J. Schmidt en Jacques de Kadt als linkse afsplitsing van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). De afsplitsing was het gevolg van het verbod van het partijbestuur op het blad De Fakkel (dat eerder De Socialist heette) vanwege de te felle interne kritiek. De Fakkel werd daarna het partijblad van de OSP, onder redactie van de journalist Frank van der Goes, een van de leden van de literaire beweging der Tachtigers en een van de vertalers van Das Kapital van Karl Marx. In 1935 zou de OSP fuseren met de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP) van Henk Sneevliet tot de trotskistische Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP). Toen was Kastein al overgestapt naar Communistische Partij Holland (CPH), die vanaf 1935 de correctere naam Communistische Partij Nederland (CPN) aanhield.

Begin 1933 werd Kastein coassistent in de Psychiatrisch-Neurologische Klinik van de Universität Heidelberg. Dat was precies in de periode dat in Duitsland Adolf Hitler aan de macht kwam. Hij ontmoette er zijn latere echtgenote Ria Sachse, met wie hij twee kinderen zou krijgen. Vanaf 1934 studeerde hij weer in Leiden, waar hij in 1935 afstudeerde en assistent in de Psychiatrisch-Neurologische Kliniek Rhijngeest in Oegstgeest werd. Hij schreef in de daaropvolgende jaren veel artikelen over neurologische onderwerpen, vooral over de insulinecomatherapie en de cardiazol-shocktherapie ter genezing van schizofrenie. In 1937 promoveerde Kastein op het proefschrift Eine Kritik der Ganzheitstheorien. (meer…)

HITLERS VADER

Roman Sandgruber (1947) is een Oostenrijks historicus, die tot zijn pensionering in 2015 hoofd was van het Instituut voor Sociale en Economische Geschiedenis aan de Johannes Kepler Universiteit in Linz. Hij heeft vooral publicaties over de stad Wenen op zijn naam staan, met bijzondere aandacht voor het rijkste deel van de stedelijke bevolking (‘Traumzeit für Millionäre. Die 929 reichsten Wienerinnen und Wiener im Jahr 1910‘ (1913), ‘Rothschild. Glanz und Untergang des Wiener Welthauses‘ (2018) en ‘Reich sein: Das mondäne Wien um 1910‘). Daarnaast twee boeken over het gebruik van allerlei (onschadelijke) genotsmiddelen, zoals koffie, thee, chocolade, tabak en cola, ook gedurende de jaren kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In juni 2020 schreef hij het artikel ‘Hitler hätte sicher Freude gehabt’ waarin hij fel afstand nam van de voorgestelde verbouwing van het geboortehuis van Hitler in het Oostenrijkse grensstadje Braunau am Inn. Een verbouwing die geheel in de lijn lag van ouderwetse architectonische uitgangspunten van de Führer. Op verdere belangstelling voor de persoon van Adolf Hitler en zijn politieke beweging heeft Sandgruber nooit blijk gegeven. Zijn uitgave in 2021 van een biografie van Alois Hitler (1837-1903) mag dan ook best verrassend worden genoemd.

Sandgruber zou van Anneliese Smigielski, de achterachterkleindochter van Josef Radlegger die in 1895 de boerderij Rauschergut in Hafeld bij Lambach verkocht aan Alois Hitler, de 31 zakelijke brieven hebben ontvangen die Alois Hitler na de koop aan Radlegger had verstuurd. Ze zou het bundeltje brieven recent hebben teruggevonden op een of andere zolder en de correspondentie hebben afgegeven aan Sandgruber. Dit roept allereerst de vraag op waarom ze hiervoor uitgerekend Sandgruber uitkoos. Er zijn gerenommeerde historici met gedetailleerde kennis over de (jonge) persoon Adolf Hitler die eerder in aanmerking zouden komen de brieven kritisch door te nemen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 44

008 – KASTEEL MIDDACHTEN

Kasteel Middachten, gelegen in het Gelderse De Steeg (gemeente Rheden), werd in 1190 voor het eerst vermeld als bezit van Jacobus de Mithdac. Het toenmalige kasteel lag strategisch tussen de hoge Veluwezoom en het lage moerassige land in een lus van de rivier de IJssel. Het middeleeuwse versterkte huis met grachten, torens en dikke muren werd gebouwd op een uitstekende locatie voor een verdedigingswerk en bood de bewoners voldoende bescherming.

In 1357 kwam het kasteel in bezit van Everardus van Steenre (1335-1392/1400), de zoon van Herman van Steenre, die het huis ten Weerde bij Steenderen en van de Hof te Rheden bezat. Deze Herman van Steenre staat aan het begin van de stamreeks van het Gelderse riddergeslacht Van Middachten. Op 28 augustus 1814 werd bij Souverein Besluit R.J.A.F. van Middachten, heer van Vrieswijk en Oldhagensdorp (1755-1840) benoemd in de ridderschap van Overijssel waardoor hij en zijn nageslacht tot de adel van het koninkrijk gingen behoren. Met een kleindochter van hem stierf het geslacht echter in 1901 uit.

Everardus van Middachten nam na het verkrijgen van het bezit in 1357 de naam Van Middachten aan en liet een omgrachte en onderkelderde vierkante donjon bouwen met twee haakse vleugels aan een binnenplaats. Ook liet hij een forse voorburcht aanleggen. Ze horen nu tot de oudste bouwdelen van het kasteel. In 1624 en 1629 werden flinke vernielingen aangericht door graaf Hendrik van den Bergh (1573-1638), heer van Stevensweert en markgraaf van Bergen op Zoom, die tijdens de Tachtigjarige Oorlog in Spaanse dienst was. Hij was toen stadhouder van Spaans Opper-Gelre. Hij streed onder meer bij Gulik, bij de twee invallen van de Veluwe (in 1624 en 1629) en bij de belegeringen van Breda, Grol en ’s-Hertogenbosch. (meer…)

PAUL GUERMONPREZ (80)

Paul Gustave Sidonie Guermonprez (Gent, 28 december 1908 – Overveen, 10 juni 1944) was de zoon van Belgische ouders die in 1917 tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland waren gevlucht. Zijn kinderjaren hadden Paul en zijn broer Oscar doorgebracht in Brussel, waar vader George Charles Guermonprez werkzaam was als civiel ingenieur bij de gemeente. Het gevluchte gezin werd eerst opgevangen bij baggermaatschappij Bos en Kalis in Sliedrecht, waarmee de vader contacten had. opgevangen. Van 1920 tot 1924 was George Guermonprez directeur Gemeentewerken in Helmond, daarna had hij dezelfde baan in Sliedrecht. Paul volgde eerst een studie aan de afdeling Chemie en Techniek van de MTS te Dordrecht, die hij niet afmaakte. In Amsterdam volgde Paul een opleiding aan de School voor Suikerindustrie aan de Herengracht, die gewoonlijk werd aangeduid als de Suikerschool. Deze school leidde mensen op voor een baan in de suikerindustrie, bij voorkeur ‘in den vreemde’. Vanaf 1931 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij wordt ingeschakeld bij de suikercampagne op Kadipatan. Vlak voor zijn vertrek trouwt hij met Arda Hessefelt, maar het huwelijk liep snel uit in een scheiding. In Indië maakt hij een reeks foto’s van het dagelijkse leven en de cultuur van het Indonesische volk. Vanwege de economische malaise en zijn protesten tegen de ongelijkwaardige behandeling van de Indonesiërs door de Europeanen werd Guermonprez op 26 januari 1932 ontslagen.

Begin 1932 was hij al weer terug in Europa, want net als zijn vader had Guermonprez veel belangstelling voor fotografie. In 1932 ging hij in Berlijn aan Bauhaus fotografie en architectuur studeren. Hij krijgt onder meer les van de fotograaf Walter Peterhans. De nationaalsocialisten hadden Bauhaus gedwongen vanaf dat jaar in Berlijn te vestigen, maar maakte duidelijk dat ze niets wilden weten het progressieve en ‘bolsjewistisch’ gebrandmerkte Bauhaus. Na Hitlers machtsovername in 1933 besloot Bauhaus zelf de deuren te sluiten en niet langer toe te geven aan de politieke eisen van de nieuwe machthebbers, zoals de verwijdering van Joodse en buitenlandse docenten. (meer…)

STORM OP DEN STAAT


André van Noort, van beroep archivaris, was jarenlang voorzitter en bestuurslid van het Historisch Genootschap Warmelda in Warmond. Hij richtte voor de vereniging in 2014 het historische tijdschrift De Hekkensluiter op en schreef in de loop der jaren een aantal artikelen en boeken over de geschiedenis van Warmond. Daarbij moet hij zijn gestuit op Arnold Meijer, de fascistenleider die vanaf september 1926 studeerde aan het Groot-Seminarie Warmond. Hij moest enkele jaren later vanwege een ernstig oplopend conflict met praeses mgr. Henricus Taskin (1865-1946) het seminarie verlaten. Deze mgr. Taskin, die in de periode 1906-1939 de leiding had in het seminarie, stond bekend als een zeer conservatief en autoritair bestuurder. Nu had Meijer ook een behoorlijk autoritair karakter, dus een botsing met het ‘schrikbewind’ van de praeses was onvermijdelijk. Van Noort heeft de korte maar zeer bepalende periode in het leven van de priesterstudent Arnold Meijer in Warmond aangegrepen om een biografie te schrijven over de fascistenleider van Zwart Front en later Nationaal Front.

De wat onheilspellende naam Zwart Front riep direct associaties op met de strijd binnen de NSB over de vraag of de beweging moest inzetten op de Groot-Nederlandse gedachte en dus een zelfstandige Nederlandse fascistische beweging moest blijven of dat Nederland juist moest opgaan in de Duitse Rijk en dus ook de fascistische beweging daarin moest opgaan. In tegenstelling tot de eerste gedachte zaten Arnold Meijer en Zwart Front niet op de laatste koers. Dat was de politiek van Henk Feldmeijer (1910-1935) die, gesteund door de invloedrijke Rost van Tonningen, binnen de NSB de felste tegenstander was van Anton Mussert. De namen Meijer en Feldmeijer zorgen dus voor verwarring, de naam Zwart Front deed de rest. Arnold Meijer en Anton Mussert zaten politiek op dit punt op dezelfde lijn, maar bestreden elkaar verder waar ze maar konden. In elk geval was het met alle drie heren slecht kersen eten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 43

FRANZ KONRAD

Franz Konrad (Liesing, 1 maart 1906 – Warschau, 8 september 1951) was de zoon van een mijnwerker, die na de middelbare schooltijd als verkoper ging werken voor verschillende bedrijven in de levensmiddelenbranche. Aansluitend kreeg hij een baan als filiaalleider bij een coöperatieve verenging. Daar kon hij op een gegeven moment de verleiding niet weerstaan om van zijn werkgever geld achterover te drukken. Hij verloor in 1931 uiteraard zijn baan, maar werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Na zijn ontslag uit de gevangenis zwierf hij een tijdje doelloos rond. De advocaat die hem had verdedigd, bracht hem toen in contact met de Oostenrijkse tak van de NSDAP. Konrad werd op 1 april 1932 lid van de NSDAP (lidnr. 1.085.499) en op 1 september 1932 ook van de SS (lidnr. 46.204). Konrad, die in 1931 in het huwelijk was getreden, werd in 1931 ook lid van Lebensborn en kreeg daarbij direct drie kinderen toegewezen. Toen de NSDAP op 19 juni 1933 tot verboden partij werd verklaard, kreeg Konrad de leiding over de SS-Sturmgruppe 5/II/38.

Op 25 juli 1934 probeerden de Oostenrijkse nationaalsocialisten de regering van kanselier Engelbert Dollfuss omver te werpen, maar daar werd in grote delen van het land aanzienlijk minder aan meegedaan dan de nazi’s hadden verwacht. Op 30 juli 1934 moesten die zich neerleggen bij een nederlaag. In de vijf dagen van de Juliputsch hadden meer dan tweehonderd mensen het leven verloren, waaronder kanselier Dollfuss. Meer dan 4.000 nationaalsocialisten werden veroordeeld tot gevangenisstraffen. Daarvan kregen dertien man de doodstraf. Veel anderen vluchten naar Duitsland of Joegoslavië. Franz Konrad hoorde tot het legertje dat werd opgesloten. (meer…)

FERDINAND VON SAMMERN-FRANKENEGG

Ferdinand von Sammern-Frankenegg (Grieskirchen, 17 maart 1897 – 20 september 1944) was de zoon van een magistraat uit de omgeving van Linz. Vanaf 1915 diende hij gedurende de Eerste Wereldoorlog en dec eerste naoorlogse jaren in het Oostenrijkse leger. Hij diende aanvankelijk aan het front, maar nadat hij door een granaat verwond was geraakt kwam hij terecht bij de militaire politie. Op 4 november, vlak voor het definitieve einde van de langdurige en bloedige oorlog, werd hij door de Italianen krijgsgevangene gemaakt. In september 1920 werd hij in vrijheid gesteld en iets later in de rang van 1e luitenant uit de actieve dienst ontslagen. Na zijn vrijlating begon hij aan een juridische opleiding aan de Universiteit van Innsbruck, waar hij in september 1922 afstudeerde. In zijn studententijd was Von Sammern-Frankenegg ook lid geworden van de traditionele, conservatieve studentenvereniging Skalden, waar veel werd getreurd over het verlies van Zuid-Tirol aan Italië en leden die gedurende de oorlog het leven hadden verloren. De vereniging had een antisemitische instelling, die in de loop der jaren steeds erger werd. Vanaf 1932 was het leden sterk verboden Joodse lokalen te betreden of ‘niet-arische’ winkels binnen te gaan. Na 1921 waren veel leden van Skalden dan ook lid van een paramilitaire organisatie. Dat gold ook voor Ferdinand von Sammern-Frankenegg. Hij werd daarna lid van twee paramilitaire organisaties, de Bund Oberland (1920–1926) en de Steirischen Heimatschutz (1922–1932). Ook was hij lid van de Deutsch-Völkischen Turnverein (1922–1932), die zich niet alleen bezig hield met turnen, maar met politiek. Al in 1919 waren via een Arierparagraaf Joden, andere ‘nicht-Deutsche Völker’ en leden van een vakbond van deze koepelorganisatie, uitgesloten van lidmaatschap. (meer…)

007 – 1672. HET RAMPJAAR VAN DE REPUBLIEK

Arnout van Cruijningen (Kloetinge, 3 augustus 1960) studeerde in Nijmegen Geschiedenis, met Staats- en Bestuursrecht als belangrijke bijvakken. Zijn doctoraalscriptie ging over de geschiedenis van de ‘inhuldiging des Konings’. Hij is gespecialiseerd in dynastieke geschiedenis, wat tot uiting kwam in een groot aantal publicaties over Europese vorstenhuizen in de nationale en internationale media. Met name over het Huis Oranje-Nassau in relatie met de vaderlandse geschiedenis heeft hij veel geschreven. Daarnaast heeft Van Cruyningen veel historische werken vanuit het Engels vertaald. Begin dit jaar verscheen van hem ‘1672. Het Rampjaar van de Republiek’. De uitgever merkt op de achterzijde op dat Van Cruijningen in dit boek een levendig beeld schetst van de hachelijke situatie van de Republiek: ‘Welke militaire en politieke schokken deden zich voor? Wat ging er aan het Rampjaar vooraf en wat waren de gevolgen? In dit rijk geïllustreerde boek bespreekt Van Cruijningen de belangrijke gebeurtenissen en personen in deze bewogen periode in de Nederlandse geschiedenis”.

Het boek is inderdaad rijk geïllustreerd met een groot aantal kleurenfoto’s, maar het boek moet toch vooral worden gezien als een snelle inleiding op de gebeurtenissen die aan het Rampjaar voorafgingen. Net als de tv-serie Het Rampjaar, waarvan de twee eerste delen inmiddels zijn uitgezonden, heeft het boek van Van Cruijningen veel aandacht aan de strijd tussen enerzijds de Loevesteiners/regenten en anderzijds het Huis van Oranje en hun medestanders. Gezien de specialisatie van de auteur niet erg verrassend en ook niet onbelangrijk, want de inval van de buitenlandse legers zorgden voor een verstrekkende politieke omwenteling in de Republiek. Willem III werd aangesteld als stadhouder en legeraanvoerder, waarmee de bijna absolute macht van het Huis Oranje-Nassau weer helemaal was hersteld. De regenten-bestuurders die aan de macht waren, moesten rigoureus het veld ruimen, wat op de meest gruwelijke wijze tot uiting kwam met de moordpartij door het grauw van Den Haag op de gebroeders Johan en Cornelis de Wit. (meer…)