DUITSE KOLONIËN 5

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod. In dit blog: Duits-Oost-Afrika.

Omstreeks 1880 kwamen in Duitsland steeds meer stemmen op om net als de andere Europese grootmachten een sterke koloniale politiek te gaan voeren. De Duitse kanselier Otto von Bismarck voelde echter niets voor dit soort buiten-Europese avonturen omdat hij allereerst de prille status van het nieuwe keizerrijk op het Europese vasteland wilde verstevigen. Duitse industriëlen, handelaren en avonturiers gingen echter wel op zoek naar afzetmarkten en grondstoffen, die andere Europese landen al enorme rijkdom hadden gebracht. De drijvende kracht hierbij was Carl Peters, die het Gesellschaft für deutsche Kolonisation den Auftrag oprichtte met als doel gebieden in Afrika in bezit te nemen. Op 10 november 1884 kwam Peters aan in Zanzibar, onder vermomming omdat hij wilde verhinderen dat de Britten op de hoogte zouden komen van zijn plannen. Kort daarna sloot hij op het vasteland de eerste ‘beschermingsverdragen’, waarvan de eigenlijke bedoeling van deze bescherming aan de Afrikaanse ondertekenaars onduidelijk bleef en waardoor het koloniale bedrijf gebiedsaanspraken kon doen op grote gebieden in het huidige Tanzania. Vaak kwamen de verdragen tot stand door lokale leiders dronken te voeren en dan onder Duitstalige papieren een kruisje te laten zetten. Von Bismarck liet de inmiddels gealarmeerde Britten geruststellend weten dat Duitsland geen ambities in Zanzibar en het vasteland had en dus Peters geen ondersteuning zou geven. Peters was echter tijdig terug in Berlijn om aanwezig te zijn op de Koloniale Conferentie. Daar schermde hij met een mogelijke overeenkomst met de Belgische koning Leopold die zijn Kongo-Vrijstaat wilde uitbreiden, waarna Von Bismarck met frisse tegenzin alsnog overstag ging. Op 27 februari 1885 werd een door de keizer ondertekende brief openbaar gemaakt, waarin Duitsland Peters ondersteuning en bescherming toezegde voor zijn claims in Oost-Afrika. Peters stelde nog voor het door hem veroverde gebied Petersland te noemen, maar dat verzoek werd direct afgewezen. Het gebied zou vanaf 1885 onder de naam Duits-Oost-Afrika bekend staan en bestuurde worden door Carl Peters, wiens organisatie herdoopt werd in Deutsch-Ostafrikanische Gesellschaft (DOAG). Peters begon direct met het afsluiten van nieuwe ‘beschermingsverdragen’. Dat leidde tot protesten van Zanzibar, dat vanouds de kustlijn tussen Mozambique en Somalië beheerste en zelf al een oog had laten vallen op het achterland, tot aan Kongo toe. Op 27 april 1885 stuurde de regering van Zanzibar een protestnota naar de keizer, maar Von Bismarck reageerde direct door vijf marineschepen onder leiding van admiraal Koch op Zanzibar af te sturen. Direct na aankomst in augustus 1885 openden die het vuur op het paleis van de sultan, die daarna werd gedwongen de DOAG-veroveringen als rechtsmatig te erkennen en toe te staan dat DOAG een deel van de Somalische kustlijn aan haar territorium toevoegde. Met de Britten werd afgesproken de rest van de kuststrook onderling te verdelen in invloedssferen. Kort daarop konden de Duitsers Bagamoyo, Dar es Salaam, en Kilwa aan hun heerschappij onderwerpen. Het gebied zou uiteindelijk de huidige landen Burundi, Rwanda en Tanzania omvatte en een grootte hebben van 994.996 km², bijna drie keer zo groot als het huidige Duitsland.

Van 1885 tot 1888 was Carl Peters de eerste rijkscommissaris van het Duitse protectoraat. Peters, een kolonist en ontdekkingsreiziger met een sterke racistische inslag, voerde een bewind dat werd gekenmerkt door enorme wreedheden. Zijn poging het veroverde gebied door zijn privé-onderneming DOAG te besturen strandde toen in 1888 de Aufstand der ostafrikanischen Küstenbevölkerung uitbrak, die met enorme hardheid werd onderdrukt door Hermann von Wissmann, die van 1888 tot 1891 de tweede rijkscommissaris was. Later, van 26 april 1895 tot 3 december 1896, zou Von Wissmann gouverneur van het gebied worden, dat inmiddels niet langer een protectoraat was maar een kolonie onder de naam Duits-Oost-Afrika was geworden. Von Wissmann had in de jaren 1883-1885 zijn reputatie als ijzervreter opgebouwd door in dienst van de Belgische koning Centraal Afrika in kaart te brengen en al doende elke mogelijke opstand snel de kop in te drukken. Die reputatie zou hij in Duitse dienst waarmaken als brute onderdrukker die gebieden met terreur, krijgsraden, galgen en vuurpelotons onder Duits gezag bracht. In zijn tijd werd hij overladen met titels, oorkonden en tal van eerbewijzen, maar sindsdien is Hermann von Wissmann omstreden. Vele titels zijn hem postuum ontnomen en alle straten die naar hem werden genoemd, werden later weer omgedoopt. Bij de opstand in 1888-1889 was de DOAG niet in staat het verzet te bestrijden; slechts met behulp van de aanwezige marineschepen konden belangrijke havenplaatsen behouden blijven. DOAG riep dan ook de hulp in de de Duitse regering, die dus Von Wissmann eropaf stuurde. Die vormde een groot leger, dat bestond uit Duitse officieren en Afrikaanse soldaten. Bij het neerslaan van de onderdrukking stierven een paar Duitse soldaten en vele duizenden Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen, waaronder de leider van de opstand, Buschiri bin Salim. Na de opstand richtten Duitsland en Engeland een gezamenlijke blokkade van de Oost-Afrikaanse kust op, die door door Frankrijk, Portugal en Italië werd gesteund. De blokkade diende officieel om de Arabische slavenhandel te bestrijden, maar in werkelijkheid diende ze om de koloniale belangen veilig te stellen en om nieuwe opstanden te voorkomen.

Vanaf 1891 was Oost-Afrika een Duitse kolonie, rechtstreeks vanuit Berlijn bestuurd. Carl Peters werd toen benoemd tot rijkscommissaris van het gebied rond de Kilimanjaro, waar Peters ermee werd belast met de Engelsen de grens met Engels-Oost-Afrika (het huidige Kenia) vast te leggen. Ook hier werd het optreden van Peters gekenmerkt als gruwelijk ten opzichte van de bewoners van het gebied en het willekeurig gebruik van de doodstraf. Uiteindelijk kostte dat optreden hem zijn aanstelling. In 1892 werd hij teruggeroepen naar Berlijn, waar hij een baan kreeg bij het ministerie voor koloniale zaken. Er werden echter al direct allerlei onderzoeken tegen hem gestart, waarbij vooral de sociaaldemocraat August Bebel het koloniale rijksbeleid aan de kaak stelde en vooral het jarenlange brute optreden van Peters daarbij als mikpunt had. In 1897 werd Peters oneervol uit de dienst gestuurd, met verlies van alle eretitels en van zijn pensioenaanspraken. Niet dat keizer Wilhelm II zich daar erg veel van aantrok, want in 1905 benoemde hij Peters tot Rijkscommissaris buiten dienst en na 1914, toen Peters zich weer in Duitsland vestigde, kreeg hij een jaarlijks pensioen toegekend. Na 1897 was Peters uitgeweken naar Engeland, waar hij zijn koloniale praktijken voortzette voor onder meer de goud- en diamantwinning in Zuid-Afrika. Zijn jarenlange metgezel Oskar Baumann schreef over Peters’ willekeurige doodstraffen in 1892: ‘Übrigens ist Peters halb verrückt. Alles um ihn herum geht krumm vor Hieben. 100 bis 150 sind an der Tagesordnung. Es ist kaum zu glauben, welche Angst die Leute vor Peters und seinen Leuten haben“. Onder de Afrikanen zou hij daarom de bijnaam ‘Bloedige Hand’ hebben gehad en in het deel van de pers dat kritisch over het koloniale beleid schreef werd hij ‘Hänge-Peters’ genoemd. Het sociaaldemocratische blad Vorwärts noemde Peters een ‘grimmigen Arier, der alle Juden vertilgen will und in Ermangelung von Juden drüben in Afrika Neger totschießt wie Spatzen und zum Vergnügen Negermädchen aufhängt, nachdem sie seinen Lüsten gedient haben.’ Nadat Hitler echter in 1933 aan de macht kwam werd door de Führer de veroordeling van Peters in 1897 ongedaan gemaakt en werd Peters door de nazis herontdekt als een van de geestelijke vaders van het nationaalsocialisme. Er kwam een postzegel van hem uit, er werd een speelfilm over hem gemaakt, tal van steden noemde een straat naar hem en er werden een aantal boeken over hem gepubliceerd. Na 1945 werden weer teruggedraaid waar dat mogelijk was.

Net op het moment dat de kolonies voor de Duitsers een beetje rendabel werden, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Terwijl vanaf 1914 miljoenen soldaten zich in de Franse modder tegenover elkaar ingroeven, was het in Afrika met het Duitse territorium snel bekeken. Togo, Kameroen en Namibië werden direct door respectievelijk Frans-Engelse troepen, een Belgisch leger en Zuid-Afrikaanse manschappen veroverd. In Duits-Oost-Afrika echter weigerde generaal Paul Emil von Lettow-Vorbeck te capituleren. Bij het begin van de oorlog had een Britse militair nog hoopvol naar huis geschreven dat de oorlog hier hooguit twee maanden zou duren. ‘Het is hier veel te warm om te blijven vechten. We zullen allemaal smelten als een ijsje in de zon.’ Von Lettow zou de Britten vier jaar lang met een verbeten guerrilla bestrijden met een legertje van slechts 3.000 Duitsers en 11.000 zeer gedisciplineerde Afrikaanse soldaten. Hij wist eerst een Britse landing te verhinderen en voerde daarna, gebruik makend van het terrein, snelle en meedogenloze aanvallen uit op handelsposten en spoorlijnen. Hij beschikte zelfs een tijdlang over zware artillerie: van een gezonken Duits oorlogsschip sloopte hij de kanonnen. Zo bond hij meer dan 100.000 Britse, Belgische en, na een excursie in Mozambique, zelfs Portugese soldaten. Von Lettows wist dat hij deze oorlog nooit kon winnen, maar wel kon voorkomen dat deze geallieerde legermacht van zo’n 300.000 man onder leiding van de Zuid-Afrikaanse generaal Jan Smuts aan een ander front werden ingezet en daarmee de totale Duitse oorlogsinspanning kon helpen. Hij capituleerde pas op 25 november 1918, twee weken na de officiële wapenstilstand aan het westelijke front. Zijn veldtochten hebben uiteindelijk aan zo’n 60.000 Britten het leven gekost. Van zijn strijdmacht resteerden minder dan 200 Duitsers en 1.100 Askari, zoals de inheemse soldaten werden genoemd. Hij werd als een held in Berlijn ontvangen. In maart 1919 reed hij te paard aan het hoofd van zijn Schutztruppen in hun tropenkostuums onder de Brandenburger Tor door.

In het Verdrag van Versailles werd de kolonie opgesplitst. Het westelijke gedeelte werd een Belgisch mandaatgebied onder de naam Ruanda-Urundi, een klein gedeelte ten zuiden van de Rovumarivier werd een deel van Portugees-Oost-Afrika, en de rest, het huidige Tanganyika, werd vanaf 1918 een Brits mandaatgebied.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: