DUITSE KOLONIËN 11

Duitsland was een laatkomer in de imperialistische strijd om kolonies omdat het pas in 1871 een staatkundige eenheid was geworden. De Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie had vanaf 1682 koloniën (handelsposten) op de Goudkust gesticht, maar dat was maar een zeer kortstondig avontuur geweest. Het kreeg er overigens wel de twijfelachtige eer van een plaatsje in de lijst van achttien koloniale mogendheden. Pas na 1871 begon Duitsland voorzichtig koloniale ambities te ontwikkelen, maar bij het Congres van Berlijn (1878) was men toch vooral gericht op het verzekeren van een vaste plaats onder de Europese mogendheden en de bemoeienissen om het rijk van ‘de zieke man van Europa‘ te verdelen. Een strijd die overigens heel erg veel overeenkomst had met de verdeling van enkele decennia later van het Chinese Keizerrijk. Pas na de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) werd het serieus en werd begonnen met het opbouwen van een Duitse koloniale macht. Otto von Bismarck, aanvankelijk een tegenstander van het verwerven van overzeese gebiedsdelen, wilde naar Brits voorbeeld allerlei handelspunten opzetten die staatsbescherming zouden genieten. Achtereenvolgens werden Duits-Kameroen, Togoland en Duits-Nieuw-Guinea (in 1884), Duits-Oost-Afrika, Duits-Zuidwest-Afrika en Duits-Witu (in 1885), Duits-Samoa (in 1900) en Neukameroen (in 1911) als kolonie aan het Duitse Keizerrijk toegevoegd. Daarnaast had Duitsland vanaf 1897 Kiautschou als protectoraat in China en vanaf 1899 een concessie in de Chinese stad Tianjin. Pas rond 1900 bezat het Keizerrijk een koloniaal rijk dat enigszins met dat van de genoemde te vergelijken was, hoewel het veel kleiner en van minder belang was. Het gehele koloniale rijk ging tijdens de oorlog of als gevolg van het Verdrag van Versailles (1919) verloren.

Het dichtbevolkte China was voor Duitsland in beeld gekomen als aantrekkelijke potentiële afzetmarkt, mede door filosofen als Max Weber die van de overheid een actieve koloniale politiek vereiste en wel in het bijzonder de opening van China dat de belangrijkste niet-Europese markt voor Europese producten moest worden. Behalve dat China daarmee zou zorgen voor de uitbouw van de economie in het moederland, zou een vestiging in China met de aanwezigheid van marineschepen kunnen bijdragen aan de verdediging van het koloniale rijk. Immers, een globaal beleid (‘eine Weltpolitik‘) zonder globale militaire invloed zou onuitvoerbaar zijn, zoals de enorme mondiale kracht van Groot-Brittannië bewees. Naar het voorbeeld van de Engelse kanonneerbootpolitiek in vredestijd moest de ontwikkeling van een Duitse marine zorgen dat de Duitse belangen en handelsroutes werden verdedigd. Kortom, er diende een wereldwijd netwerk van marinebasissen te worden ontwikkeld. In Afrika en de Stille Zuidzee waren de omstandigheden al gecreëerd om deze intentie tot uitvoer te brengen. Duitsland was er aan het eind van de negentiende eeuw op gericht een plaatsje in een Chinese haven te bemachtigen een een effectieve koloniale politiek te worden.

Duitsland was uiteraard niet het enige land dat een begerig oog op China had laten vallen. Sterker nog, net zoals iedereen in Zuidoost-Europa volop in de slag was om de Turkse staart te verdelen, was men met elkaar in een harmonieuze strijd geleverd om de handelsbelangen in China veilig te stellen en al doende hoer steeds meer gebieden van de Qing-dynastie afhandig te maken en toe te voegen vaan hun ’s lands bezittingen. Waarbij zich hier het probleem voordeed dat hier de concurrentie aanzienlijk groter was omdat hier rekening moest worden gehouden met oude koloniale machten als Portugal en Spanje die lang geleden verworven rechten wilden veilig stellen, met nieuwe landen als Italië en België die in de Oost-Europese kwestie geen enkele ril speelden en dat Japan als opkomende grootmacht flink aan de poort rammelde. Verder was de Chinese overheid zeer hardnekkig met het verzet om buitenlanders toestemming te geven zich naar het binnenland van het onmetelijke rijk te begeven. Heel lang waren slechts een aantal havensteden voor de westerse handelsmaatschappijen en overheden beschikbaar, maar vanaf de Eerste Opiumoorlog en het Verdrag van Nanking (1842) werd China snel veroverd. Na de Tweede Opiumoorlog (1856-1860) en vooral de Boxeropstand (1899-1901) was het Chinese verzet geheel gebroken en kon het Chinese territorium worden verdeeld in allerlei kolonies, protectoraten en concessies.

Qingdao is een havenstad en marinebasis aan de Gele Zee, die verdeeld is in zeven stedelijke districten en vijf landelijke steden onder zijn jurisdictie heeft. Een van de voorsteden is Jiaozhou, dat eind negentiende eeuw door de Duitsers Kiautschou werd genoemd. In 1897 werd  een Duitse kolonie. In 1860 had een Pruisische expeditionaire vloot de regio rond de baai bij Jiaozhou al verkend en een jaar later werd een verdrag tussen Pruissen en China getekend. Tussen 1868 en 1871 maakte de geograaf Baron Ferdinand von Richthofen verkenningen door de baai om te beoordelen of er een Duitse marinebasis kon worden gevestigd. Blijkbaar met onvoldoende resultaat, maar de mogelijkheid van deze locatie bleef blijkbaar binnen de Duitse marine in gedachten in 1896 onderzocht admiraal Alfred von Tirpitz, op dat moment commandant van de Oost-Aziatische Cruiser Division, het gebied en drie andere mogelijke vestigingslocaties opnieuw. Hoewel de Duitse admiraliteit nog steeds niet had besloten in Kiautschou een basis te vestigen, kwam admiraal Otto von Diederichs, die inmiddels Tirpitz had vervangen, een jaar later het gebied opnieuw verkennen. Op 1 november 1897 werden in de Big Sword Society twee Duitse rooms-katholieke priesters van de Steyler missie in Juye County in het zuiden van Shandong op brute wijze vermoord. Naar aanleiding van dit ‘Juye Incident’ nam Von Diederichs op 7 november 1987 contact op met de admiraliteit in Berlijn, die de voorkeur had van een diplomatieke oplossing. Keizer Wilhelm II was minder diplomatiek en beval Von Diederichs over te gaan tot ‘onmiddellijk actie tegen Kiautschou met het hele eskader’, gevolgd door de onmiddellijke reactie van de ijzervreter Von Diederichs dat hij dat met alle energie zou doen. In de ochtenduren van zondag 14 november 1897 ging hij met slechts drie schepen tot actie over, hoewel hij wist dat hij qua hoeveelheid manschappen zwaar door de Chinezen werd overtroffen. Hij steunde geheel op zijn kwalitatieve superioriteit wat betreft munitie en slagkracht. Na deze eerste overwinning op 14 november 1897 werd Otto von Diederichs de eerste (militaire) gouverneur van Kiautschou. Op 26 januari 1898 was de Duitse overwinning duidelijk en op 6 maart 1898 kon worden begonnen met de onderhandelingen met de Chinese overheid. Die mondde erin uit dat het Duitse Rijk de erfpacht van de baai kreeg voor de duur van 99 jaar (ofwel ook tot 1997, zoals voor Hongkong bij de Britten en Kouang-Tchéou-Wan voor de Fransen). Op 8 april 1898 ratificeerde de Reichstag het verdrag en werd Kiautschou officieel onder Duitse bescherming geplaatst. Op het moment dat de onderhandelingen in 1898 begonnen werd Otto von Diederichs als militair gouverneur afgelost door de eerste ambtelijke administrateur, Carl Rosendahl. Die zou van 7 maart 1898 tot 19 februari 1899 deze functie behouden. Later volgde als gouverneurs Paul Jaeschke (19 februari 1899 – 17 januari 1901), na diens plotseling overlijden aan tyfus kwam een tijdelijke benoeming van Max Rollmann (27 januari 1901 – 8 juni 1901), gevolgd door Oskar von Truppel (8 juni 1901 – 19 augustus 1911) en Alfred Meyer-Waldeck (19 augustus 1911 – 7 november 1914).

Oskar von Truppel

Het van de Chinese geleasde grondgebied telde ongeveer 83.000 inwoners en een vijftig kilometer brede neutrale zone., waarvoor Duitsland alle soevereine machten kreeg. In het verdrag was vastgelegd dat de Duitsers rechten hadden voor de bouw van spoorwegen en voor mijnbouw. Veel delen van Shandong buiten de Duitse gehuurde grondgebied kwamen onder Duitse invloed. Het verdrag stelde duidelijke grenzen aan een mogelijke Duitse expansie, maar dat kon niet verhinderen dat het verdrag het uitgangspunt werd voor de volgende concessies van aan Rusland, Japan, Groot-Brittannië en Frankrijk. Het gebied was strikt genomen geen kolonie en werd ook niet onder de supervisie geplaatst van het Reichskolonialamt (het keizerlijke koloniale ministerie) maar van het Reichsmarineamt (het keizerlijke marine-ministerie) vanwege het grote belang voor de Duitse marine. Op de top van het gebied stond de gouverneur, die rechtstreeks verantwoordelijk moest afleggen an Alfred von Tirpitz, inmiddels opgeklommen tot minister van Buitenlandse Zaken van de keizerlijke marine. De gouverneur was het hoofd van het leger en het civiele bestuur binnen Kiautschou. Naast de gouverneur waren de havenmeester, de opperrechter en ‘Commissaris voor Chinese Affairs’ belangrijke personen. De gouverneur had ook wee belangrijke adviesorganen: de Gouvernementsrat [regering van de Raad van het grondgebied] en na 1902 het ‘Chinese comité’. Kiautschou werd omgevormd tot een moderne wereld waarin Duitsland grote investeringen deed. Het verarmde vissersdorp Tsingtao kreeg brede straten, solide behuizing, overheidsgebouwen, elektriciteit, riolering en een veilige drinkwatervoorziening, wat op dat moment in grote delen van Azië een zeldzaamheid was. Het gebied had een grote dichtheid van scholen en binnen China het hoogste aantal inschrijvingen voor onderwijs. Er was in de stad grote economische bedrijvigheid, met de Deutsch-Asiatische Bank als middelpunt. De voltooiing van de Shantoeng Spoorweg in 1910 verschaft een verbinding met de Transsiberische spoorweg en dus de mogelijkheid per trein te reizen naar Berlijn. Het lijkt voor de hand liggend dat Duitsland, ondanks de morele en politieke bezwaren tegen de bezetting, niet echt impopulair zal zijn geweest onder de Chinese bevolking. Dat blijkt ook uit het feit dat na de Chinese revolutie van 1911 veel rijke Chinezen en ambtenaren van het oude regime zich in de gehuurde grondgebied vestigde. Hier bestond namelijk wel een veilige en ordelijke omgeving het aangeboden. Toen de nieuwe Chinese heerser Sun Yat-sen Kiautschou in 1912 bezocht verklaarde hij; “Ik ben onder de indruk. De stad is een echte model voor de toekomst van China.’ Dat laatste was de grote verdienste van Oskar von Truppel   In 1914 kwam met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een eind van de Duitse aanwezigheid. Enkele maanden na het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de stad bij de Belegering van Tsingtao veroverd door Japan en Groot-Brittannië. Het Duitse marine-eskader was toen al vertrokken naar Zuid-Amerika. Het keizerrijk Japan, dat toen een bondgenoot van Frankrijk en Engeland was, bezette de concessie en kreeg bij de Vrede van Versailles in 1919 Kiautschou toegewezen. Japan droeg het in 1922 over aan de de Republiek China. China stelde na de Tweede Wereldoorlog de haven ter beschikking als vlootbasis voor de Amerikaanse marine. Dit duurde tot 2 juni 1949, de dag dat de communisten de stad overnamen.

Dit item was geplaatst door Muis.
<span>%d</span> bloggers liken dit: